Deze verkenning richt zich op het kabinetsbrede thema van achterstandsgroepen en achterstandsdimensies en de verschuivingen daarin. 

Tweede helft 2010

Achterstandsgroepen zijn de groepen in het onderwijs die extra aandacht nodig hebben, omdat hun prestaties niet optimaal zijn, gemeten naar een aantal standaarden. De klassieke achterstandsgroepen zijn bekend: meisjes, leerlingen uit lagere sociaaleconomische milieus en leerlingen van niet-westerse allochtone herkomst. Achterstandsdimensies zijn de criteria waarop de verhoudingen worden gemeten. Traditioneel wordt voor het bepalen van achterstandssituaties gekeken naar geletterdheid en gecijferdheid en het al dan niet behalen van een onderwijsdiploma.

Allereerst behandelt de verkenning de klassieke achterstandsgroepen. In de afgelopen veertig jaar blijken de achterstanden naar sociaal-economische achtergrond en etniciteit licht te zijn afgenomen maar nog steeds duidelijk aanwezig. Ook regionale achterstanden zijn vaak hardnekkig, zelfs in deze tijden van globalisering. De (verticale) onderwijsachterstand in het opleidingsniveau van meisjes blijkt daarentegen geheel verdwenen en zelfs te zijn omgeslagen in een voorsprong. Welke verschuivingen zijn er de komende jaren te verwachten?

In de tweede plaats werpt de verkenning de vraag op in hoeverre het zinvol is nieuwe achterstandsdimensies te definiëren. Achterstanden op bepaalde dimensies zoals geletterdheid en gecijferdheid blijven van cruciaal belang voor het maatschappelijk functioneren. Tegelijkertijd hecht de maatschappij steeds meer waarde aan zaken als sociale vaardigheden, ondernemendheid en kennis van Engels. Wellicht zijn dit dimensies die in de toekomst ook gebruikt zullen worden om achterstanden vast te stellen. Verschuivingen in het belang van dimensies kunnen gepaard gaan met de vorming van nieuwe achterstandsgroepen.

Vervolgens zal worden geïnventariseerd welke beleidsmogelijkheden er zijn om de geconstateerde achterstandsrisico's weg te nemen of te verkleinen. Indien bijvoorbeeld jongens een nieuwe probleemcategorie vormen, moet het onderwijs dan wellicht afscheid nemen van 100% co-educatie? Er zijn indicaties dat er sprake is van onderadvisering bij de overgang van basisschool naar voortgezet onderwijs, juist voor de achterstandsgroepen. Hoe kan het onderwijs dit voorkomen? Kan extra bekostiging van achterstandsgroepen bijvoorbeeld het beste gerelateerd worden aan prestaties, individuele kenmerken of aan groepskenmerken, en geschieden via de lumpsum of via specifieke subsidies?

Deze verkenning kijkt naar achterstanden in brede zin, maar als het gaat om het bijbehorende onderwijsbeleid ligt de focus op het primair en secundair onderwijs.

Zie ook de adviesvraag van het Ministerie van OCW.