Hoe kunnen maatschappelijke voorhoedes een bijdrage leveren aan onderwijs?

Er is veel kritiek op het onderwijs in Nederland. Dat is deels terecht: er is te veel les- en schooluitval, en de reken- en taalniveaus moeten omhoog. Maar er is ook een sfeer ontstaan waarin elke klacht over onderwijs gerechtvaardigd lijkt. Deze negatieve aandacht - te verklaren uit de steeds hogere verwachtingen die de samenleving heeft van scholen - heeft een aanzuigende werking. Om het tij te keren is meer steun van buitenaf nodig. De Onderwijsraad vindt dat maatschappelijke voorhoedes het onderwijs moeten ‘koesteren'.

Deze stelling stond centraal in een door de Onderwijsraad georganiseerd debat op 10 september in het paleis-stadhuis van Tilburg. De bijeenkomst vond plaats in het kader van het negentigjarig bestaan van de raad en werd levendig en alert geleid door TilburgenaarJan Boelhouwer, Tweede Kamerlid voor de PvdA. Een tweede debat over hetzelfde onderwerp vindt plaats in oktober, in Utrecht. Niet voor niets gaat de raad met zijn roep om steun van buitenaf de regio's in. "Laten we maar eens beginnen in de bovenlagen van de maatschappij, de regionale voorhoedes voorop", zegt raadsvoorzitter Fons van Wieringen. "Als zij meer betrokkenheid tonen bij het onderwijs kunnen anderen hen volgen."

Marieke Moorman, onderwijswethouder van de gemeente Tilburg, vindt het leuk dat de raad de gebruikelijke vraag `wat kan het onderwijs voor de maatschappij betekenen' nu eens omdraait. Ze stelt in haar welkomstwoord tevreden vast dat de kwestie ook anderen aanspreekt: de Tilburgse voorhoedes zijn goed vertegenwoordigd. Ongeveer twintig mensen uit het bedrijfsleven, de sport, de cultuur en het onderwijs zelf nemen deel aan het debat.

Imago

"Van origine is het beroepsonderwijs altijd sterk verbonden met het beroepenveld. Waar de verbinding goed is, wordt het onderwijs mooier, rijker en beter", opent Marcel Wintels van Fontys Hogescholen de discussie. "Als Said Boutahar uitlegt dat topvoetbal hard werken is, dat je ernaast goed moet studeren en er veel voor over moet hebben om iets te bereiken, dan komt dat aan." Hij kan talloze succesvolle voorbeelden noemen binnen zijn instelling, maar vraagt zich af of dat de oplossing is voor het imagoprobleem dat de raad aansnijdt. Die oplossing zoekt hij veel meer in een betere organisatie van het onderwijs."Dat we niet altijd leveren wat we moeten leveren op het geplande moment, dát is beeldbepalend. Als we in het onderwijs gekoesterd willen worden, dan moeten we dat afdwingen door een geoliede organisatie neer te zetten. De trots die er is moet komen van onze intrinsieke kwaliteit."

Trotse scholen of niet, bedrijven zijn wel degelijk bereid hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen. Voor Mike Leers van zorgverzekeraar CZ snijdt het mes aan twee kanten: "Een organisatie als de onze wordt voortdurend geprikkeld door de vraag: hoe haal je het beste uit de maatschappij? Hoe kun je de eigen medewerkers de mogelijkheid bieden zich breed te ontwikkelen? Daarvoor heeft ons land tal van regelingen, waarvoor je als werkgever amper de portemonnee hoeft te trekken. Dan vind ik ook dat je mensen de kans moet bieden zich te ontwikkelen, niet alleen binnen CZ, maar ook erbuiten."

Icoon

Voetbalclub Willem II heeft in de contracten met de A-spelers zelfs de bepaling opgenomen dat zij regelmatig scholen in Tilburg bezoeken. De voorzitter van de Raad van Bestuur van de club, Hans Verbunt, licht toe: "We sturen gericht zowel allochtone als autochtone spelers op pad. Iemand als Said Boutahar is een icoon voor de kinderen. "Wij willen als ondernemers onze rol wel spelen, maar scholen moeten het initiëren. Als het onderwijs maar met voorstellen komt." Als die uitlegt dat topvoetbal hard werken is, dat je ernaast goed moet studeren en er veel voor over moet hebben om iets te bereiken, dan komt dat aan." Naast de bezoeken van de A-selectie aan scholen heeft Willem II nog een indrukwekkende lijst met maatschappelijke activiteiten, waaronder deelname aan topsportopleidingen, de beschikbaarheid van stageplaatsen bij de club, samenwerkingsverbanden met de reclassering. "Willem II is de ziel van Tilburg", zegt Verbunt trots.

Dat organisaties bereid zijn te investeren in het onderwijs bevestigen alle aanwezigen: van de vertegenwoordigers van de culturele sector tot die van het bankwezen en de technische bedrijven. Erik Kamps van de Brabants-Zeeuwse werkgeversvereniging zegt: "Wij willen als ondernemers onze rol wel spelen, maar scholen moeten het initiëren. Als het onderwijs maar met voorstellen komt." Jan Melis van Melis Gieterijen voegt eraan toe dat het voor werkgevers in het midden- en kleinbedrijf wel moeilijker is om maatschappelijk actief te zijn dan voor hun collega´s in de grote ondernemingen. "Al bieden we natuurlijk wel stageplaatsen en afstudeerplekken aan. Dat hoort bij het ondernemerschap, dat is niets bijzonders."

Natuurlijke schakel

Beroepenoriëntaties, stages en afstudeerprojecten vormen een natuurlijke schakel tussen bedrijven en instellingen enerzijds en opleidingen anderzijds. Wel hebben technische ondernemingen meer moeite om jongeren aan te trekken dan andere. Alleen al om die reden zou een bedrijf als Fujifilm meer contact willen met het onderwijs, om kinderen al op jonge leeftijd in aanraking te kunnen brengen met techniek. Geert Naaykens van FME (de ondernemersorganisatie voor de technologisch-industriële sector) gaat daarin nog een stap verder: de aansluiting tussen het vmbo en het mbo moet beter, en als voorzitter van het Robo (het regionaal overleg bedrijven en onderwijs) denkt hij daar graag over mee.

Er gebeurt dus al veel, vooral in het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs. Verbeterpunten zijn er wel (activiteiten kunnen beter gestructureerd worden en scholen en universiteiten kunnen meer initiatieven nemen), maar de samenwerking is er. Dat ligt anders in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. Deze sectoren zijn voor bedrijven en instellingen minder interessant. Voor hen hangt het dus nog meer af van de inzet van individuele schoolleiders en docenten in hoeverre structurele verbindingen met ‘buiten' worden gelegd.

 Geweldige steun

In de discussie wordt ook duidelijk dat het vmbo een tussenpositie inneemt. De aanwezigen vinden het belangrijk dat mensen van buiten zich voor deze schoolsoort inzetten, maar dat gaat niet vanzelf. Vincent Braam van het ROC Tilburg: "Voor onze vmbo-afdeling zoeken we naar toppers in het bedrijfsleven die zich aan ons willen verbinden. Bijvoorbeeld allochtone jonge mensen die op het vmbo hebben gezeten en uiteindelijk zijn gaan studeren aan de universiteit. Want ik kan praten als Brugman, maar als mensen langskomen die het gemaakt hebben, die werken bij ING of de Rabobank, dan is dat een geweldige steun. "Het gaat om structurele én persoonlijke inzet voor scholen, die voor de buitenwereld zichtbaar is." Het gaat niet om de bedrijven of de organisaties, maar om de mensen zélf." Ook Guus van Hove van popcentrum 013 heeft die ervaring: "Wij organiseren debatten op vmbo-scholen en halen er artiesten bij die de jongeren aanspreken. Dat kost heel veel tijd, energie en geld, maar we gaan er wel mee door."

‘Helden' zijn dus nodig, niet alleen voor het vmbo, maar ook voor de andere onderwijssectoren. Rolmodellen, zoals de voetballers van Willem II die leerlingen motiveren om hun best te doen. Maar het gaat niet alleen om beroemdheden of bijzondere beroepsgroepen. Erik Kamps: "De jeugd kijkt naar het vlammetje. Naar de leraar die een vurig betoog houdt, of naar de werkgever die de passie voor zijn bedrijf weet over te brengen. Daar leer je graag voor." En dus gaat het óók, zoals Mike Leers zegt, om de leidinggevende in zijn organisatie die jonge talenten kansen geeft, zijn medewerkers overtuigt van de noodzaak daarvan, en over de sector heen durft te kijken.

Zichtbaar

Samenvattend concludeert Fons van Wieringen: "We zoeken voor het primair en het voortgezet onderwijs naar meer contacten met het beroepsleven. Voor het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs komen die verbindingen vanzelf tot stand. Daar zoeken we juist naar contacten die algemene maatschappelijke aspecten aan de orde stellen. En het vmbo zit daartussenin. Over welke vorm de diverse verbindingen moeten aannemen, daar moeten we nog maar eens over nadenken. Het moet in elk geval een vorm zijn die goed te communiceren is. We zoeken naar wat in de ict-wereld een interface heet, iets dat de school en de plaatselijke bovenlagen met elkaar verbindt. We denken aan een ‘maatschappelijk programma' aan elke school. Het zou mooi zijn als een bedrijfsdirecteur of een gezaghebbend kunstenaar zich bij een onderwijsinstelling kan melden en zeggen: zet mij maar in voor drie zaterdagochtenden in jullie maatschappelijk programma. Daarbij gaat het vooral het om de persoonlijke inzet van mensen uit de verschillende plaatselijke voorhoedes. Het moet voor de buitenwereld zichtbaar zijn dat de directeur, de hoofdredacteur, het hoofd van de Rabo-bank, de burgemeester zich persoonlijk inzet voor een school en daarmee docenten en leerlingen motiveert. Een dergelijke manifestatie van voorhoedes in het onderwijs versterkt het zelfvertrouwen van scholen."