Door Tamme Wiegersma, directeur Delftse Montessorischool
Juni 2010
Sinds 1998 is de discussie in Nederland rond de voorschoolse educatie opgelaaid. Specifieke aandacht krijgt daarin het allochtone kind met taalachterstanden. De waarde van opvoeding en onderwijs voor het jonge kind wordt nu ook in andere kringen erkend. In dit licht is het van het grootste belang om de Montessorivisie betreffende het jonge kind aan de orde te stellen.
Jonge kinderen ervaren rond het derde jaar een belangrijke verandering. Tot hun derde jaar hebben ze kwaliteiten, vermogens en kennis aangeleerd, die het ze mogelijk maakt om onafhankelijk te bewegen. Tot drie jaar is het kind bovendien zeer sterk met zichzelf bezig. Vanaf het derde levensjaar worden die kwaliteiten, vermogens en kennis geconsolideerd. Het kind bouwt bovendien verder aan zijn ontwikkeling en richt zich intens op zijn omgeving (waarin zich andere personen bevinden) en gaat de wereld ontdekken. Het kind heeft nu een goeddoordachte, geordende omgeving nodig waarbinnen het zich vrij kan ontwikkelen. Naast de interesse voor de activiteiten in de voorbereide omgeving ontstaat er gedurende het derde levensjaar een sociale bewustwording, de ander wordt ontdekt en kinderen gaan meer met elkaar dan naast elkaar werken en spelen. Taal als communicatiemiddel wordt belangrijk en krijgt een functie.
Oudere kinderen in de groep van drie tot zes jaar stellen zich open voor de jongere kinderen in de groep en doordat het jongere kind naar hen kijkt worden zij zich bewust van hun voorbeeldfunctie en gaan ze zich verantwoordelijk gedragen.
Een driejarige richt zich meer en meer bewust op de omgeving en begint zich bewust te worden van zijn kunnen. Dat is dus een uitgelezen moment om een school binnen te stappen.
Deze kinderen worden gedreven door hun nieuwsgierigheid en storten zich meteen op de werkjes en door het observeren van andere kinderen weten ze heel gauw hoe met materialen te werken. Het is vaak frappant hoe snel een nieuw driejarig kind in een groep integreert.
Kinderen nemen alles (zonder onderscheid) uit hun omgeving op. De verbindingen die dan in hun hersenen ontstaan, vormen de grondslag van waaruit het kind kan gaan handelen. Met andere woorden, het kind heeft de capaciteit om de omgeving te gebruiken en zichzelf op te voeden. In een Montessorigroep richt men de omgeving zo in dat de kinderen maximaal van deze innerlijke kracht kunnen profiteren. In Nederland hebben helaas de meeste kinderen tot heden pas baat van zo’n omgeving als ze vier jaar worden.
Een verantwoorde omgeving voor het jonge kind is dus zeer belangrijk voor zijn optimale ontwikkeling, opdat een zesjarige, met wilskracht en het vermogen om keuzes te maken, zijn volgende fase goed toegerust binnengaat.
Zou het soms kunnen zijn dat we binnen het Nederlandse Montessori-onderwijs niet het specifieke Montessoriresultaat en -niveau behalen, omdat we er – juist door het (te) late moment van toelating tot ons onderwijs – niet in slagen het kind de juiste ontwikkelingskansen op de juiste momenten te bieden?

