De overheid speelt een belangrijke rol bij de bekostiging en financiering van onderwijs. In leerplichtig onderwijs draagt de overheid het grootste deel van de kosten, in het onderwijs na de leerplichtige leeftijd (bijvoorbeeld het hoger onderwijs of scholing in het kader van een leven lang leren) is vaak sprake van een combinatie van publieke en private bekostiging. Private bekostiging kan ook gepaard gaan met publieke financiering, bijvoorbeeld in het geval waarbij studiefinanciering wordt verstrekt in de vorm van een lening. De raad heeft in verschillende adviezen standpunten hierover ingenomen.
Zet publieke middelen in om de private investeringen in het onderwijs te vergroten
De raad is voorstander van fiscale stimulering van private bijdragen aan het onderwijs na de leerplichtige leeftijd (zoals hoger onderwijs en scholing in het kader van een leven lang leren) . Door private investeringen in onderwijs extra aftrekbaar te maken van de belasting stijgen de publieke uitgaven automatisch mee met de private bijdragen. Deze fiscale facilitering kan verschillende vormen aannemen, bijvoorbeeld een fiscale facilitering van bedrijfsbeurzen en verruiming van de aftrek van studiekosten in het kader van een leven lang leren (Doelgericht investeren in het onderwijs, 2006; Stand van educatief Nederland, 2009). Waarborging van de toegankelijkheid is daarbij een belangrijk aandachtspunt.
Verhoog de private bijdrage in de masterfase van het hoger onderwijs
Om de onderwijskwaliteit in het hoger onderwijs te verhogen zijn extra middelen nodig. De ervaring leert dat de ruimte voor extra publieke investeringen echter beperkt is, zeker in tijden van economische laagconjunctuur. Bovendien levert hoger onderwijs ook substantiële baten op voor het individu. Om die reden pleit de raad voor een stapsgewijze verhoging van de eigen bijdrage. Om de toegankelijkheid te waarborgen beveelt de raad aan om de eigen bijdrage sterker te verhogen in de masterfase dan in de bachelorfase. In het advies Doelgericht investeren in het onderwijs in 2006 stelt de raad bijvoorbeeld een geleidelijke verhoging van de eigen bijdrage voor van 20% naar 30% in de bachelorfase en naar 40% in de masterfase. Tegenover deze hogere eigen bijdrage zou ook een extra bijdrage van de overheid moeten staan om op korte termijn te zorgen voor verhoging van de onderwijskwaliteit. Zie het nog vertrouwelijke advies over Wijziging van de wet Studiefinanciering 2000 (te verschijnen in 2012).
Bevorder een doelmatige inzet van middelen in het onderwijs
De raad heeft zich in meerdere adviezen uitgesproken over doelmatigheid, oftewel het optimaal benutten van de beschikbare middelen voor onderwijs. De raad beveelt daarom aan om bij onderwijsverbeteringen nadrukkelijker te kijken naar mogelijkheden om de doelmatigheid te verhogen, bijvoorbeeld door te variëren met onderwijsvormen en groepsgrootte en door de inzet van ict-middelen. Een belangrijke voorwaarde daarbij is dat schoolleiders en bestuurders niet alleen beschikken over onderwijskundige expertise, maar tevens over voldoende financiële deskundigheid. Daarnaast kunnen scholen doelmatigheidswinst boeken door het benutten van schaalvoordelen. Bij een bepaalde schaalgrootte heeft een school(bestuur) bijvoorbeeld meer mogelijkheden voor differentiatie en specialisatie. Daar staat tegenover dat bij doorgeschoten schaalvergroting doelmatigheidsverlies kan optreden: op een gegeven moment nemen de kosten van coördinatie sterker toe dan de baten van verdere schaalvergroting. Ook bestaat het risico van bestuurlijke monopolievorming. De raad heeft in dit kader geadviseerd over een fusietoets en experimenten met nieuwe toetreding (De bestuurlijke ontwikkeling van het Nederlandse onderwijs, 2008; Naar doelmatiger onderwijs, 2009; zie ook het dossier over bestuurlijke ontwikkeling en governance). Dit heeft mede geleid tot invoering van een fusietoets voor het onderwijs in oktober 2011.
Kijk kritisch naar de kosteneffectiviteit van onderwijsinvesteringen
Ook op het niveau van het onderwijsbeleid moet kritisch worden gekeken naar de effectiviteit van onderwijsinvesteringen. Vooral van interventies in het initiële onderwijs (zoals investeringen in voor- en vroegschoolse educatie en het voorkomen van voortijdig schoolverlaten) zijn grote maatschappelijke externe effecten te verwachten (zoals besparing op de kosten van gezondheidszorg, sociale zekerheid en criminaliteit). Daarbij moet de overheid echter ook kritisch evalueren of de gekozen instrumenten de verwachte effecten ook daadwerkelijk opleveren (door meer aandacht te besteden aan serieuze beleidsevaluatie (Doelgericht investeren in onderwijs, 2006; Ruim baan voor stapsgewijze verbeteringen, 2011).
Gebruik ook taalbeheersing van de leerling als criterium voor bekostiging van achterstandsleerlingen
De raad heeft in het verleden ook geadviseerd over de extra bekostiging van achterstandsleerlingen in het basisonderwijs: de gewichtenregeling. Gezien het feit dat opleidingsniveau de meest bepalende factor is voor onderwijsachterstanden en het feit dat het belang van etniciteit als afzonderlijke factor afneemt, heeft de raad voorgesteld om deze bekostiging te baseren op het opleidingsniveau van de ouders en de taalbeheersing van de leerling (in plaats van het eerder gehanteerde criterium etniciteit). Dit heeft erin geresulteerd dat de bekostiging nu niet langer op etniciteit wordt gebaseerd, maar vooral op het opleidingsniveau van de ouders. De aanbeveling om ook de taalbeheersing van leerling mee te wegen, is niet overgenomen. De raad heeft tevens gepleit voor het laten vervallen van de drempel van 9% achterstandsleerlingen voordat een school in aanmerking komt voor extra bekostiging, zodat elke achterstandsleerling meetelt. Tegelijkertijd adviseerde de raad om bij de extra bekostiging wel een plafond in te bouwen omdat valt te verwachten dat schaalvoordelen optreden bij het bestrijden van achterstanden. Beide aanbevelingen zijn door de minister overgenomen (Over leerlinggewichten en schoolgewichten, 2002; Maatschappelijke achterstanden van de toekomst, 2011).

