In 2005 heeft de Onderwijsraad als doelstelling geformuleerd dat binnen afzienbare termijn 50% van de jongere beroepsbevolking dient te beschikken over een diploma hoger onderwijs. Hij stelt echter ook dat dit niet ten koste mag gaan van basiskwaliteit. Wel is het noodzakelijk te streven naar meer differentiatie, om zo een aanbod te creëren dat aansluit bij een meer gevarieerde studentenpopulatie. Daarbij is ook van belang dat er bij de inrichting van het onderwijs (meer) aandacht moet zijn voor degenen wier kwaliteiten hoger reiken.
In de advisering kunnen drie centrale thema's worden onderscheiden:
• onderwijskwaliteit;
• toegankelijkheid; en
• structuur, sturing en ordening.
1 Onderwijskwaliteit
De basiskwaliteit wordt in de eerste plaats gegarandeerd door het accreditatiestelsel. Dit stelsel voorziet in bewaking van de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs door periodieke visitaties. De raad is hierop ingegaan in zijn advies HOOP 2000. Basiskwaliteit wordt verder gewaarborgd door een goed systeem van examinering. Onder andere heeft de raad daarbij in het verleden gepleit voor versterking van de positie van de examencommissie, voor het toekennen van een groter gewicht aan het onderdeel examen in het accreditatiekader, en voor een wettelijke regeling voor het formeel erkennen van eerder verworven competenties. (Examinering in het hoger onderwijs, 2004; Examinering: draagvlak en toegankelijkheid, 2006).
Naast basiskwaliteit vormt ook ruimte voor kwaliteitsverschillen een belangrijk aandachtspunt. De raad onderschrijft de ambitie om meer oog te hebben voor excellentie in het hoger onderwijs. Excellentie kan worden bevorderd door in het bekostigingssysteem extra kwaliteit meer te honoreren. Hiervoor dienen financiële middelen beschikbaar te zijn. Verder is de raad voorstander van een ruim aanbod van honours-programma's voor studenten die bovengemiddeld getalenteerd en bovengemiddeld gemotiveerd zijn. (Hoger onderwijs: meer kenniswerkers en betere kennisbenutting, 2004; Kwaliteit belonen in het hoger onderwijs, 2007; Een succesvolle start in het hoger onderwijs, 2008)
Transparantie kan worden bevorderd door een systeem van classificatie op basis van een aantal profielindicatoren. Deze systematiek dient wel los te staan van het accreditatiesysteem; indien het accreditatiesysteem zou worden gebaseerd op de hier bedoelde classificatie, dreigt ‘scoringsgedrag' op de indicatoren van deze classificatie.
2 Toegankelijkheid
Een belangrijk aandachtspunt is de inhoudelijke aansluiting van mbo, havo en vwo op het hoger onderwijs. De raad pleit voor het opstellen van een AAHO (afspraak aanvang hoger onderwijs). Het voortgezet en het hoger onderwijs dienen daarbij in overleg vast te stellen wat van een aankomend student wordt verlangd. Door middel van toetsen die via het internet beschikbaar worden gesteld, kunnen studenten zelf beoordelen in hoeverre zij aan de aanvangsniveaus voldoen. (Een succesvolle start in het hoger onderwijs, 2008)
Meer aandacht voor ‘matching' in het middelbaar onderwijs vormt een belangrijke bijdrage aan een beter verloop van de studie. Met name is dit van belang voor opleidingen zonder een duidelijk beroepsprofiel. Reeds in een vroeg stadium kan worden bekeken welke studie het beste past bij een scholier. De extra tijd die hiermee gepaard gaat, wordt ruimschoots goedgemaakt door het vermijden van verkeerde investeringen als gevolg van een slechte studiekeuze. In aansluiting op een goede matching is ook een actieve begeleiding van de student in de eerste periode van het hoger onderwijs belangrijk bij het tegengaan van uitval. (Richtpunten bij onderwijsagenda's, 2008; Een succesvolle start in het hoger onderwijs, 2008)
Toegankelijkheid wordt ook bevorderd door een breed en gevarieerd aanbod van opleidingen. Een ruimere toeloop brengt differentiatie met zich mee in de samenstelling van de studentenpopulatie. Variatie in dit aanbod is een voorwaarde om tegemoet te kunnen komen aan de uiteenlopende behoeftes van de onderwijsvragers. Deze variatie dient vooral te worden gerealiseerd in de bachelorfase. Voor de masterfase is het wenselijk meer te kijken naar kwaliteit en doelmatigheid en is een kritischer beleid gewenst. De raad sluit daarbij niet uit dat het wenselijk kan zijn differentiatie in de hoogte van het collegegeld aan te brengen (Bekostiging hoger onderwijs, 2003)
3 Structuur, sturing en ordening
De raad is voorstander van het bachelor-mastersysteem zoals dat op dit moment functioneert. Hij bepleit daarbij ook handhaving van het onderscheid in programmatische zin tussen hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs (het ‘binaire programmastelsel'). Een argument daarvoor is de in de vorige paragraaf genoemde variatie in het aanbod. Verder is er vanuit de maatschappij vraag naar hoger opgeleiden met een verschillende oriëntatie.
Instellingen voor hoger onderwijs hebben baat bij een ruime mate van autonomie. Meer concreet pleit de raad daarbij voor het opheffen van een aantal beperkende wettelijke bepalingen. Daarbij gaat het om belemmeringen voor bestuurlijke fusies tussen universiteiten en hogescholen, belemmeringen bij het bepalen van de vestigingsplaats van opleidingen, en restricties op het gebied van het samenstellen van het opleidingenaanbod.
Op bestuurlijk gebied acht de raad een betere waarborging van de positie van de professional wenselijk. Een mogelijkheid daarbij is het opstellen van een Charter van de professional. Wanneer het gaat over medezeggenschap heeft een systeem van ongedeelde medezeggenschap de voorkeur; hiermee wordt bedoeld dat studenten, docenten en overig personeel vanuit het concept van de onderwijsgemeenschap in één medezeggenschapsraad zitting hebben.
De raad heeft geadviseerd over de vraag in hoeverre bepaalde verantwoordelijkheden kunnen worden op- of zelfs overgedragen aan intermediaire (sector)organisaties, waaronder de HBO-raad en de VSNU. De raad benadrukt dat bij afspraken met sectororganisaties geen onrealistische doelen mogen worden vastgesteld, waarbij ook nog het gevaar ontstaat van rolverwarring. (Richtpunten bij onderwijsagenda's, 2008)
