Het hoger onderwijs leidt mensen op voor de kenniseconomie. Om ervoor te zorgen dat in de toekomst de innovatieve kracht van de kenniseconomie intact blijft en versterkt wordt, is hoger onderwijs van hoge kwaliteit noodzakelijk. Ook is van belang dat het hoger onderwijs creativiteit en innovatief denkvermogen stimuleert.

In de advisering van de raad zijn vier hoofdpunten te onderscheiden.

Kwaliteit van hoger onderwijs garanderen en bevorderen

De deelname aan het hoger onderwijs is de afgelopen tijd sterk gestegen. De raad meent dat deelname aan het hoger onderwijs niet onnodig belemmerd mag worden, maar stelt dat het streven naar een hogere deelname niet ten koste mag gaan van basiskwaliteit. Deze is gegarandeerd door het accreditatiestelsel. Basiskwaliteit wordt verder gewaarborgd door een goed systeem van examinering. Daarbij heeft de raad gepleit voor versterking van de positie van de examencommissie, voor het toekennen van een groter gewicht aan het onderdeel examen in het accreditatiekader, en voor het formeel erkennen van eerder verworven competenties als onderdeel van het diploma (Examinering in het hoger onderwijs, 2004; Examinering: draagvlak en toegankelijkheid, 2006; Een diploma van waarde, 2010).

Om hoger onderwijs van internationale allure te realiseren en zicht te blijven houden op een plaats in de top vijf van kenniseconomieën, is echter meer dan basiskwaliteit nodig. Rechtstreeks en meer integraal sturen op kwaliteitsaspecten is noodzakelijk. De raad waarschuwt nadrukkelijk om hierbij rendementsindicatoren niet te verwarren met kwaliteitsindicatoren. Excellentie kan worden bevorderd door in het bekostigingssysteem extra kwaliteit meer te honoreren. Hiervoor dienen financiële middelen beschikbaar te zijn. Verder is de raad voorstander van een ruim aanbod van honours-programma's voor studenten die bovengemiddeld getalenteerd en bovengemiddeld gemotiveerd zijn (Hoger onderwijs: meer kenniswerkers en betere kennisbenutting, 2004; Kwaliteit belonen in het hoger onderwijs, 2007; Een succesvolle start in het hoger onderwijs, 2008; Hoger onderwijs voor de toekomst, 2011).

Hoger onderwijs sluit aan bij de eisen van verschillende doelgroepen (differentiatie)

De groeiende aantallen studenten in het hoger onderwijs leiden tot differentiatie in de samenstelling van de populatie. Om hieraan tegemoet te komen is variatie in het aanbod naar doelgroep noodzakelijk. Deze vorm van variatie speelt met name in de bachelorfase. Het ontwikkelen van bredere bachelors met daarbinnen differentiatie kan daaraan bijdragen. Ook de associate degree speelt in het streven naar differentiatie een rol.

Voor de masterfase is het wenselijk meer te kijken naar kwaliteit en doelmatigheid. De variatie is daarbij meer inhoudelijk. De raad sluit daarbij niet uit dat het wenselijk kan zijn differentiatie in de hoogte van het collegegeld aan te brengen (Bekostiging hoger onderwijs, 2003).

Ook een koers gericht op profilering van instellingen draagt bij aan differentiatie. De raad adviseert om te sturen op een breed scala aan profileringen. Inhoudelijke profilering door uitruil van masteropleidingen is één van de opties, maar een profiel als instelling met speciale aandacht voor een heterogene studentenpopulatie (bijvoorbeeld in een stad als Rotterdam), kan evenzeer een valide keuze zijn (Hoger onderwijs voor de toekomst, 2011).

Geen onnodige drempels bij toegang tot en doorstroom binnen hoger onderwijs

De raad hecht er grote waarde aan dat eenieder hoger onderwijs naar zijn capaciteiten kan volgen. Dit uitgangspunt speelt een rol zowel bij de toegang tot het hoger onderwijs als bij de verdere doorstroom binnen het hoger onderwijs. Voor de doorstroom binnen het hoger onderwijs is het naar mening van de raad van belang oog te hebben voor verschillende wegen waarlangs studenten eenzelfde onderwijspositie kunnen bereiken (Hoger onderwijs voor de toekomst, 2011).

Het is van belang dat mbo, havo en vwo inhoudelijk goed aansluiten op het hoger onderwijs. De raad heeft speciale aandacht voor de instroom van mbo’ers. Het algemeen doorstroomrecht naar het hbo voor mensen met een mbo 4-diploma vindt de raad van groot belang (Een succesvolle start in het hoger onderwijs, 2008; De weg naar de hogeschool, 2009; Hoger onderwijs voor de toekomst, 2011).

De raad steunt een beperkte mate van selectie, maar pleit met name voor een goede ‘matching'. Uitgangspunt is dat selectie altijd gericht moet zijn op een betere afstemming tussen enerzijds het niveau en het profiel van de opleiding en anderzijds de capaciteiten en motivatie van de student. In aansluiting op een goede matching is ook een actieve begeleiding van de student in de eerste periode van het hoger onderwijs belangrijk bij het tegengaan van uitval (Richtpunten bij onderwijsagenda's, 2008; Een succesvolle start in het hoger onderwijs, 2008; Hoger onderwijs voor de toekomst, 2011).

Autonomie voor instellingen binnen de stelselverantwoordelijkheid van de overheid

Instellingen voor hoger onderwijs hebben baat bij een ruime mate van autonomie. In dat kader pleit de raad voor het opheffen van een aantal beperkende wettelijke bepalingen. Daarbij gaat het om belemmeringen voor bestuurlijke fusies tussen universiteiten en hogescholen, en belemmeringen bij het bepalen van de vestigingsplaats van opleidingen. Er dient daarbij wel gewaakt te worden voor ongewenste monopolievorming.

De raad heeft geadviseerd over de vraag in hoeverre bepaalde verantwoordelijkheden kunnen worden op- of zelfs overgedragen aan intermediaire (sector)organisaties, waaronder de HBO-raad en de VSNU. De raad benadrukt dat bij afspraken met sectororganisaties geen onrealistische doelen mogen worden vastgesteld (zie Richtpunten bij onderwijsagenda's, 2008).

Daarbij is het van belang dat de overheid ook haar verantwoordelijkheid voor het stelsel waarmaakt. Zo heeft de overheid een verantwoordelijkheid voor het onderwijsaanbod op macroniveau. Deze kan zij niet zonder meer bij de collectieve instellingen neerleggen (zie Hoger onderwijs voor de toekomst, 2011).