Samenwerken en -leven met anderstaligen, een buitenlandse afzetmarkt verkennen, of op de hoogte blijven van trends binnen je vakgebied; steeds vaker moeten burgers over de grens kijken. Voor alle leerlingen en studenten is internationalisering van belang, of ze nu buiten
Nederland de arbeidsmarkt op gaan of hier blijven. De raad is voorstander van een sterkere internationale oriëntatie in het onderwijs. 

Van oudsher maken de geografische ligging van Nederland en onze economische bedrijvigheid een internationale oriëntatie noodzakelijk. Kennis over andere landen en over onze positie in de wereld wás en ís van groot belang. Daar komt bij dat de samenleving internationaliseert, en Nederland in toenemende mate met andere landen concurreert op de wereldmarkt. Ook als het gaat om het aanbieden van opleidingen. De raad vindt dat internationalisering daarom een vanzelfsprekend onderdeel moet worden van het onderwijs.

Internationalisering van het onderwijs komt niet gemakkelijk van de grond. Er zijn veel activiteiten op dit gebied, maar het behoort formeel nog niet tot de kernactiviteiten van het reguliere onderwijs. Instellingen doen alleen ‘iets' aan internationalisering als ze er, naast hun reguliere taken, tijd en geld voor vrij kunnen maken. Wel zijn er verschillen tussen de sectoren: het hoger onderwijs kent een langere traditie van internationalisering dan andere sectoren.

De raad hanteert vier vaste uitgangspunten voor internationalisering in het onderwijs:

  • Europeanisering en internationalisering van de onderwijsinhoud;
  • internationale oriëntatie én ervaring van leerlingen en studenten;
  • het versterken van de Nederlandse positie op de internationale onderwijsmarkt;
  • de beheersing van vreemde talen.

Hieronder volgt een overzicht van de standpunten van de raad op alle vier de onderdelen.

1. Europeanisering en internationalisering van de onderwijsinhoud
Internationalisering begint bij Europees burgerschap. Dat houdt in dat burgers kunnen functioneren in het publieke domein van Europa en als burger in dit werelddeel kunnen participeren. Het onderwijs kan dit bevorderen door ‘Europa' steviger in de curricula te verankeren en ervoor te zorgen dat er meer fysieke uitwisseling plaatsvindt van leerlingen uit verschillende landen. Europees burgerschap vergroot niet alleen de internationale kennis van burgers, maar stelt ze ook in staat een kritisch oordeel te vormen over Europese vraagstukken.

Internationalisering in het onderwijs gaat verder dan de Europese grenzen. Studenten, leerlingen en docenten moeten over kennis en vaardigheden beschikken waarmee ze ook op andere continenten kunnen samenwerken en -leven met organisaties en burgers. Dat kan alleen als internationalisering een natuurlijk en integraal onderdeel van het onderwijs wordt in alle sectoren.

De raad pleit allereerst voor een grotere internationale oriëntatie in de curricula. Taal- en landenkennis moeten een duidelijker en grotere plek in de programma's krijgen. Uiteindelijk kan een Europese canon, die aansluit bij Europees burgerschap, uitkomst bieden.

De raad wil ook dat het internationaal baccalaureaat (een internationaal programma in het voortgezet onderwijs, alleen toegankelijk voor kinderen wier ouders in het buitenland (gaan) werken) wordt opengesteld voor alle Nederlandse leerlingen. Daarnaast kan het Nederlandse onderwijs zelf internationale leerwegen ontwikkelen. Uiteindelijk zou dit moeten leiden tot een doorlopende kosmopolitische, internationale leerlijn. Ouders die dit willen kunnen dan hun kinderen naar een internationaal georiënteerde basisschool sturen, om ze uiteindelijk aan een internationale opleiding in het hoger onderwijs af te laten studeren. De afgestudeerden zijn volledig geëquipeerd om de internationale arbeidsmarkt te betreden.

2. Virtuele en fysieke mobiliteit van leerlingen, studenten en docenten
Internationalisering wordt vaak gelijkgesteld met mobiliteit van leerlingen, studenten en docenten. Uiteraard is een kennismaking met het buitenland belangrijk, maar dit hoeft niet altijd via een verblijf in het buitenland. Ook contacten via internet of met buitenlandse organisaties (bijvoorbeeld in de vorm van partnerschappen en samenwerkingsverbanden met buitenlandse instellingen) kunnen aan een internationale oriëntatie bijdragen.

3. Onderwijs en expertise als exportproduct
De raad vindt dat de Nederlandse onderwijsinstellingen sterker een internationaal profiel moeten uitdragen op de buitenlandse markt. Nederland kan zijn onderwijsstelsel en onderwijsdiensten ook als exportproducten zien. De sector kan voor andere landen bijzonder waardevol zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor de kennis en expertise op het gebied van toetsen, examineren, accreditatie en kwaliteitszorg.

4. Beheersing vreemde talen cruciaal
Nederlanders spreken hun talen minder goed dan zij zelf denken. Dit terwijl talenkennis cruciaal is om mee te kunnen doen in de internationale economie.

Op basis van het opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking is het aannemelijk dat driekwart van de burgers op school kennis heeft gemaakt met twee vreemde talen. Slechts de helft van de bevolking is ook in staat zo'n taal in de praktijk te gebruiken. Een kwart van de scholieren maakt op school kennis met één vreemde taal, meestal Engels. De Europese ambities om iedere scholier een minimumniveau te laten bereiken in twee vreemde talen, worden in ons land dus niet gehaald.

We zouden daarom op de basisschool vroeger kunnen beginnen met de introductie van Engels, Duits of Frans. Jonge kinderen leren een vreemde taal sneller dan jongeren in de puberteit. Basisscholen moeten kiezen tussen starten met een vreemde taal in groep 1 of in groep 5 (nu is dat groep 7). Dat kan via verschillende methoden, bijvoorbeeld via een onderdompelingsmethode: een deel van de lessen wordt (maximaal één dagdeel) in het Engels, Frans of Duits gegeven. Een andere mogelijkheid is lokale taalscholen in het leven te roepen, vergelijkbaar met muziekscholen.

Het voortgezet onderwijs kan aansluiten op de twee niveaus van de basisscholen. In het mbo zou ten minste één vreemde taal verplicht gesteld moeten worden - op het hoogste niveau zelfs twee.
Doelgericht langetermijnbeleid is nodig om dit alles te bereiken. Dit beleid moet zich in eerste instantie richten op aanvullende scholing voor leerkrachten en docenten.