In een steeds meer globaliserende wereld is het van belang om oog te hebben voor de internationale context van onderwijs. Dit geldt des te meer voor een kleine open economie zoals de Nederlandse. Van oudsher maken de geografische ligging van Nederland en onze economische bedrijvigheid een internationale oriëntatie noodzakelijk. Kennis over andere landen en over onze positie in de wereld was en is van groot belang. Daar komt bij dat de samenleving internationaliseert en Nederland in toenemende mate met andere landen concurreert op de wereldmarkt, ook als het gaat om het aanbieden van opleidingen. De raad vindt dat internationalisering daarom een vanzelfsprekend onderdeel moet zijn van het onderwijs. In dit dossier bespreekt de raad de hoofdpunten van zijn advisering op dat terrein

Versterk de beheersing van vreemde talen

De Europese en Nederlandse ambitie is dat op termijn minstens drie kwart van jonge Nederlandse burgers twee vreemde talen spreekt op B1-niveau. De raad stelt dat dit zeer ambitieus, maar wel haalbaar is. Daartoe moeten met name in het basisonderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs maatregelen worden genomen. De raad adviseert om vroeger op de basisschool te beginnen met het leren van Engels. Ook Duits of Frans zou al in de basisschool kunnen worden geïntroduceerd. Jonge kinderen leren een vreemde taal sneller dan jongeren in de puberteit. Basisscholen kunnen kiezen tussen starten met een vreemde taal in groep 1 of in groep 5 (nu is dat groep 7). Op termijn zou dit moeten leiden tot referentieniveaus voor de Engelse taal.

Voor het voortgezet onderwijs adviseerde de raad om Engels naast Nederlands en rekenen/wiskunde een aparte plek in de zak-slaagregeling te geven. Een havo- of vwo-leerling zou voor deze vakken maximaal één 5 op zijn eindlijst mogen hebben. Deze aanbeveling is door de minister overgenomen.

De raad stelt voor ook in het middelbaar beroepsonderwijs één vreemde taal verplicht te stellen. Hierdoor komt de ambitie – twee talen naast de moedertaal – voor een groter deel van de bevolking binnen handbereik. Immers, 30% van de bevolking heeft een mbo 3- of mbo 4-opleiding als hoogste opleiding genoten. Op termijn zouden twee vreemde talen voor het lang-mbo (niveau-4) verplicht moeten zijn, zeker omdat het hier gaat om leerlingen die voor een aanzienlijk deel doorstromen naar het hoger onderwijs (Vreemde talen in het onderwijs, 2008).

Bevorder evenwichtig taalbeleid in het hoger onderwijs

Opleidingen in het hoger onderwijs kiezen steeds vaker voor Engelstalig onderwijs. Dit heeft te maken met de toegenomen mobiliteit van studenten en met de eisen van de arbeidsmarkt. Aan Engelstalig hoger onderwijs zouden meer kwaliteitseisen gesteld moeten worden: docenten dienen de taal aantoonbaar goed te beheersen en studenten moeten kunnen laten zien dat zij in staat zijn het onderwijs op niveau te volgen. Buitenlandse studenten en docenten die langer dan een jaar in Nederland hoger onderwijs volgen of geven, moeten voldoende gelegenheid krijgen om zich de Nederlandse taal en cultuur eigen te maken.

De Onderwijsraad pleit ervoor dat instellingen een visie op hun taalbeleid ontwikkelen om zo een weloverwogen keuze te kunnen maken voor de taal waarin opleidingen, of delen daarvan, worden verzorgd. Het is belangrijk dat instellingen hun afwegingen helder communiceren, zodat studenten bewuster kunnen kiezen tussen opleidingen. De raad stelt voor de kwaliteit van het Engelstalig onderwijs te waarborgen door deze expliciet onderdeel te laten uitmaken van het accreditatiekader (Een weloverwogen gebruik van het Engels in het hoger onderwijs, 2011).

Versterk de Nederlandse positie op de internationale onderwijsmarkt

Internationale mobiliteit vergt vergelijkbaarheid van behaalde leerprestaties over nationale grenzen heen. Dit heeft gevolgen voor curricula- en diploma-afstemming. De positie van het Nederlandse onderwijs in internationale context kan worden versterkt door te borgen dat de examinering voldoet aan internationale standaarden. In het hoger onderwijs concurreren de instellingen en onderwijsstelsels in internationale vergelijkingen met elkaar op kwaliteit van afgestudeerden. Daarom zal die kwaliteit meer en meer moeten worden aangetoond aan de hand van tentamens en examens, waarvan de betrouwbaarheid en validiteit transparant en internationaal aan de maat zijn.

Daarnaast kan Nederland zijn onderwijsstelsel en onderwijsdiensten ook als exportproducten zien. De sector kan voor andere landen bijzonder waardevol zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor de kennis en expertise op het gebied van toetsen, examineren, accreditatie en kwaliteitszorg (Een diploma van waarde, 2010; Het Europese kwalificatiekader en leren in Nederland, 2006; Hoger onderwijs voor de toekomst, 2011).

Versterk de internationalisering en Europeanisering van de onderwijsinhoud

Studenten, leerlingen en docenten moeten over kennis en vaardigheden beschikken waarmee ze over de grenzen heen kunnen samenwerken en -leven met organisaties en burgers. Door toenemende internationalisering is in steeds meer beroepen een flexibele opstelling tegenover andere culturen nodig. De raad ziet dan ook een taak voor alle onderwijssectoren in het uitbouwen, evalueren, verbeteren en structureel in het onderwijs inbedden van internationaliseringsactiviteiten. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om aandacht voor andere culturen, internationale wetgeving, internationale economie en vergelijking met andere landen. Op termijn zou dit kunnen leiden tot totstandkoming van internationale leerwegen door het hele onderwijs heen. In dit kader heeft de raad eveneens geadviseerd het Internationaal Baccalaureaat (een internationaal programma in het voortgezet onderwijs, alleen toegankelijk voor kinderen wier ouders in het buitenland (gaan) werken) open te stellen voor alle Nederlandse leerlingen.

Vanwege het belang van Europa verdient het ook aanbeveling dit onderwerp steviger in de curricula te verankeren en ervoor te zorgen dat er meer fysieke uitwisseling plaatsvindt van leerlingen uit verschillende landen. Europees burgerschap vergroot niet alleen de internationale kennis van burgers, maar stelt ze ook in staat een kritisch oordeel te vormen over Europese vraagstukken (Internationale leerwegen en internationaal baccalaureaat, 2006; Een zoektocht naar stimulering van het Europees burgerschap in het Nederlands onderwijs, 2004; Maatschappelijke achterstanden van de toekomst, 2011).