Bij goed onderwijs horen goede én uitstekende leraren. Daarvan zijn er gelukkig veel, maar niet genoeg. Er zijn maatregelen nodig om het beroep aantrekkelijker te maken. De raad heeft hiervoor verschillende aanbevelingen gedaan.
De adviezen die de raad heeft uitgebracht over het leraarschap zijn onder te verdelen in vier thema’s:
- de lerarenopleiding
- bekwaamheidseisen en de beroepsgroep
- werkomstandigheden en de professionele arbeidsorganisatie
- onderwijsarbeidsmarkt en personeelsdoorstroming.
Hieronder beschrijven we de thema’s en noemen de belangrijkste bijbehorende adviezen.
1. De lerarenopleiding
De raad pleit voor flexibele lerarenopleidingen die kunnen reageren op veranderingen in het beroep, in het onderwijs en in de maatschappij. Daarvoor is samenwerking nodig en ’educatief partnerschap’: lerarenopleidingen moeten samen met scholen en partijen in de regio de verantwoordelijkheid nemen voor de opleiding van leraren en zij-instromers. De raad is overigens geen groot voorstander van zij-instromers in het basisonderwijs, maar staat wel achter ‘opleiden in de school’ (onderwijspersoneel opleiden op de toekomstige werkplek). Tot slot pleit de raad voor variëteit in de lerarenopleidingen: studenten moeten kennismaken met diverse aspecten van het onderwijsvak, waaronder het schoolleiderschap (zie o.a. Samenhangend geheel van lerarenopleidingen uit 2002, Naar een educatief partnerschap uit 2000, Leraren opleiden in de school uit 2005, Leraarschap is eigenaarschap uit 2007).
Een aantal aanbevelingen van de raad is inmiddels overgenomen en uitgewerkt. Het rapport van de commissie-Rinnooy Kan heeft een cruciale rol vervuld. Het Convenant LeerKracht van Nederland (afspraken tussen de minister en de sociale partners in po, vo en hbo) en de Kwaliteitsagenda voor het onderwijs 2008-2011 bevatten veel onderdelen van een toekomstgericht lerarenbeleid. De minister gaat ‘opleiden in de school’ faciliteren. Er komen keurmerken voor opleidingsscholen die partnerschappen aangaan én voor opleidingsscholen voor academici.
2. Bekwaamheidseisen en de beroepsgroep
De Onderwijsraad vindt dat de overheid (start)bekwaamheden moet beschrijven voor het lerarenberoep die als basis kunnen dienen voor de lerarenopleidingen. De bekwaamheidseisen moeten ook de zittende beroepsgroep stimuleren zich verder te scholen. De overheid gaat over de beslist noodzakelijke bekwaamheidseisen, scholen en de beroepsgroep kunnen ze verder invullen. Leraren zijn verantwoordelijk voor de beroepsprofielen en de beroepsstandaarden. Ook moet er een lerarenregister komen dat garant staat voor kwaliteit: iedereen die in het register is ingeschreven voldoet aan de bekwaamheidseisen. Daarnaast wil de raad de leraar ruimte geven om zijn professie uit te oefenen. Hij of zij moet meer invloed krijgen op het onderwijsproces en op de inhoud van het vak. Een vergaande vorm van professionele ruimte is de verzelfstandiging van groepen leraren in teams en werkverbanden en zelfs in juridische vormen zoals bijvoorbeeld een maatschap of een coöperatie (zie o.a. Voorstel van Wet op de beroepen in het onderwijs uit 2001, Een kwalificatiestructuur voor het onderwijs uit 2003, Leraarschap is eigenaarschap uit 2007).
Inmiddels heeft de minister zeven bekwaamheidseisen vastgelegd in de Wet BIO (beroepen in het onderwijs). De beroepsgroep wordt versterkt via de oprichting van eigen beroepsverenigingen. Deze verenigingen kunnen ook een rol vervullen bij het instellen van een voorlopig nog privaatrechterlijk register voor leraren. De verwachting is dat er in 2010 een diplomaregister zal zijn en op langere termijn een beroepsregister voor leraren met minimaal vier jaar werkervaring.
3. Werkomstandigheden en de professionele arbeidsorganisatie
De raad vindt dat zowel leraren als de schoolorganisatie beter moeten worden toegerust om het werkklimaat te verbeteren. Scholen moeten zich ontwikkelen tot professionele, moderne arbeidsorganisaties. Ze kunnen hun onderwijs anders organiseren. Dat kan bijvoorbeeld door kleinere, zelfsturende teams te vormen, door de teamontwikkeling en de collegiale cultuur te versterken, en door werktijden te flexibiliseren. De raad vraagt ook aandacht voor nauwere samenwerking tussen schoolleiders en leraren (zie o.a. Toerusten = uitrusten uit 2002, Vergrijsd maar niet verzilverd uit 2002, Waardering voor het leraarschap uit 2006).
Een aantal aanbevelingen van de raad is opgenomen in de Agenda 2010 van de sociale partners in het onderwijs en in het Convenant LeerKracht van Nederland. Het rapport LeerKracht! is een onmisbare impuls gebleken. Op initiatief van de minister zijn diverse pilots gestart waarin scholen hun onderwijs en werkprocessen anders organiseren. Verder wordt een Maatschappelijke Innovatieagenda Onderwijs opgesteld met daarin plannen (en budgetten) op dit gebied. Tot slot heeft de minister middelen beschikbaar gesteld voor innovaties die de werkdruk helpen verlagen.
4. Onderwijsarbeidsmarkt en personeelsdoorstroming
De raad wil werken in het onderwijs zowel financieel als inhoudelijk aantrekkelijker maken. Meer mensen kunnen kiezen voor het lerarenberoep en zittende leraren moeten vaker blijven. Vooral in het voortgezet onderwijs en in het middelbaar beroepsonderwijs dreigt een tekort aan beroepskrachten, doordat veel docenten op leeftijd zijn. Daarnaast zijn bepaalde groepen structureel ondervertegenwoordigd in de beroepsgroep: voltijders, mannen, academici en bepaalde Nederlandse allochtone groepen. Om ook hen aan te spreken wil de raad meer differentiatie in functies, meer uitwisseling tussen schoolse en buitenschoolse loopbanen, combinatiefuncties creëren, het gelijkheidsprincipe bij belonen doorbreken, specifieke maatregelen nemen om academisch geschoolde leraren aan te trekken, en mogelijk een educatieve masteropleiding starten (zie o.a. Voorstel van Wet op de beroepen in het onderwijs uit 2001, Vergrijsd maar niet verzilverd uit 2002, Waardering voor het leraarschap uit 2006).
De minister nam een groot deel van de aanbevelingen over, sterk ingegeven door acties van andere instanties zoals de commissie-Rinnooy Kan, en werkte ze uit in diverse beleidsstukken, waaronder de Agenda 2010, het Actieplan Leerkracht en het Convenant Leerkracht van Nederland. De volgende actiepunten zijn geformuleerd:
- een betere afstemming tussen vraag en aanbod op de regionale onderwijsarbeidsmarkt;
- verbeteren van de arbeidsrechtelijke verhoudingen en van de schoolorganisatie;
- stimuleren van het werken in teams, invoeren van combinatiefuncties; en
- bevorderen van functiedifferentiatie.
In het algemeen moeten meer academici voor de klas komen. Ook wordt geïnvesteerd in de ontwikkeling van een universitaire pabo en in meer variëteit in de lerarenopleidingen.
