Onderwijsbeleid wordt ook op gemeentelijk niveau gemaakt. Gemeenten kunnen in speciale, bij de wet geregelde gevallen, een beroep doen op de Onderwijsraad (bijvoorbeeld bij de huisvesting van scholen). Daarnaast wijzen adviezen van de raad regelmatig op de rol die gemeenten kunnen spelen bij het verwezenlijken van onderwijsdoelstellingen (bijvoorbeeld bij het achterstandenbeleid).
Advieskader onderwijshuisvesting
‘Vrijheid van richting' en ‘vrijheid van inrichting' zijn twee belangrijke kenmerken van het Nederlandse onderwijs. Onder vrijheid van richting wordt verstaan: de vrijheid om onderwijs te verzorgen op basis van een godsdienstige of levensbeschouwelijke visie op mens en samenleving. De vrijheid van inrichting houdt in dat dit bijzonder onderwijs een bepaalde mate van autonomie heeft. Waar bijvoorbeeld het openbaar onderwijs geen leerlingen mag weigeren, geldt dit niet voor het bijzonder onderwijs. Het bijzonder onderwijs mag leerlingen selecteren op basis van godsdienst of levensovertuiging.
De overheid is grondwettelijk verplicht het openbaar en het bijzonder onderwijs gelijk te behandelen. Dit houdt ook in dat het bijzonder onderwijs op financieel en materieel gebied op dezelfde manier ondersteund wordt als het openbaar onderwijs.
De Onderwijsraad heeft binnen deze context een adviserende rol voor gemeenten. Zowel de gemeenteraad als het college van burgemeester en wethouders kunnen aan de raad vragen een oordeel te geven over het huisvestingsprogramma van scholen, of over een verordening. De Onderwijsraad beoordeelt het programma of de verordening alleen op de grondwettelijke geborgde vrijheid van richting (godsdienst of levensbeschouwing) en inrichting (de pedagogische en bestuurlijk-organisatorische autonomie van het bevoegd gezag) én op het beginsel van gelijke behandeling van openbaar en bijzonder onderwijs.
Het advies heeft geen bindend karakter: de raad is adviseur, geen rechter. Als goed adviseur zal hij natuurlijk wel hoor en wederhoor toepassen. Het aantal gevallen waarin de raad over gemeentelijke onderwijshuisvesting heeft geadviseerd is tot nu toe beperkt.
Andere relevante adviezen
In sommige adviezen van de raad is de algemene rol van de gemeente besproken als het gaat om huisvesting van scholen. Huisvesting is immers een belangrijke randvoorwaarde voor het volgen van goed onderwijs (zie bijvoorbeeld het advies Leerkwerklandschappen, 2007).
De raad heeft ook adviezen uitgebracht aan de minister van Onderwijs die mede van belang kunnen zijn voor het lokaal (onderwijs)beleid. Het gaat dan om de adviezen over spreiding en onderwijsachterstandenbeleid (Bakens voor spreiding en integratie, 2005), over het organiseren van de kinderopvang en de rol van brede scholen (zoals Een vlechtwerk van opvang en onderwijs, 2007).
Tot slot zijn ook de juridisch-bestuurlijke raadsadviezen relevant voor de gemeenten, vooral als het gaat om de bespreking van de positie van het openbaar onderwijs. De gemeente is immers het eerste aanspreekpunt voor de grondwettelijke garantie op voldoende openbaar onderwijs in een ‘genoegzaam' aantal scholen.
