In verschillende adviezen bepleit de raad maatregelen gericht op het voorkomen of verkleinen van onderwijsachterstanden. Uitgangspunt moet zijn dat alle onderwijsdeelnemers hun talenten maximaal kunnen ontplooien. Voorkomen van achterstanden is daarbij beter dan achteraf herstellen. Belangrijk is dat het beleid zoveel mogelijk evidence based is en integratiebevorderend. Verschillende maatregelen worden door de raad genoemd.

Zet in op voorkomen en verkleinen (taal)achterstand in primair onderwijs

De raad adviseert in te zetten op het voorkomen en zo snel mogelijk inlopen van onderwijsachterstanden. Om te bepalen of er een onderwijsachterstand is, is het nodig om leerresultaten te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld gebruikgemaakt worden van leerstandaarden voor taal en rekenen (Aansturing van onderwijskansen, 2000) en een meting van de taalontwikkeling op tweejarige leeftijd (Doelgericht investeren in onderwijs, 2006). De minister heeft de leerstandaarden nu ontwikkeld in de vorm van referentieniveaus.

De raad is van mening dat voor- en vroegschoolse educatie voor kinderen vanaf drie jaar thuishoort op de basisschool. Deze voor- en vroegschoolse educatie is van bijzondere betekenis voor kinderen afkomstig uit risicogroepen. Om segregatie te voorkomen en alle kinderen kans te geven op optimale talentontwikkeling, zou deze voorziening voor alle driejarigen beschikbaar moeten komen (Ambities voor het jonge kind voor de basisschool, 2008; Naar een nieuwe kleuterperiode in de basisschool, 2010). De minister heeft deze laatste aanbeveling overgenomen en is in 2011 pilots gestart met ontwikkelingsprogramma’s voor driejarigen uit een achterstandssituatie.

Ook voor oudere kinderen zijn extra onderwijstijd en doelgroepprogramma’s gericht op taal, rekenen en maatschappelijke oriëntatie belangrijk om (verdere) achterstand te voorkomen (Uitgebreid onderwijs, 2010).

Stimuleer behalen startkwalificatie en goede doorstroom in secundair en tertiair onderwijs

In het voorgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs wordt geïnvesteerd in het voorkomen van voortijdig schoolverlaten (stoppen met school voordat de startkwalificatie op tenminste mbo 2-niveau is behaald). De raad adviseert sterk in te zetten op het voorkomen van voortijdig schoolverlaten, omdat diploma’s steeds belangrijker worden. Voor de groep uitvallers kan het verkrijgen en vastleggen van competenties helpen bij het verwerven van een positie op de arbeidsmarkt. Evc-trajecten (erkennen van elders verworven competenties) zijn hierbij een hulpmiddel (Tot hier en nu verder, 2004). Ook kunnen goede doorstroom- en stapelmogelijkheden en een ‘warme overdracht’ tussen de onderwijssectoren uitval deels voorkomen (Doorstroom en talentontwikkeling, 2007). Dit geldt ook voor de overgang naar het hoger onderwijs (Betere overgangen in het onderwijs, 2005; Hoger onderwijs voor de toekomst, 2011). Uitval in het hoger onderwijs kan volgens de raad vooral worden voorkomen door goede voorlichting, het wegwerken van leerdeficiënties, het binden van de student aan de organisatie, en in sommige situaties selectie (Een succesvolle start in het hoger onderwijs, 2008).

Voorkom onderpresteren

In 2007 sprak de raad voor het eerst over ‘nieuwe achterstanden’ (Presteren naar vermogen, 2007). In dit advies signaleerde de raad niet alleen onderpresteren bij klassieke groepen (kinderen van laagopgeleide ouders en allochtonen), maar werd ook onderbouwd dat onderpresteren bij leerlingen met een hoog IQ relatief vaker voorkomt dan bij leerlingen met een gemiddelde of een lage IQ-score. In de beleidsreactie neemt de staatssecretaris onderpresteren serieus en spreekt schoolleiders en docenten aan op hun verantwoordelijkheid. Om een oplossing te bieden ontwikkelt de overheid referentieniveaus voor taal en rekenen. Tevens zijn zowel de raad als de minister van mening dat opbrengstgericht werken en tussentijdse toetsing van belang zijn om onderpresteren eerder zichtbaar te maken (Een stevige basis voor iedere leerling, 2011; Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs, 2011). Daarnaast is de minister in 2011 nieuwe experimenten gestart met het uitbreiden van leertijd, in de vorm van onderwijstijdverlenging en kopklassen.

Stimuleer sociale samenhang

De raad hecht veel waarde aan omgang tussen kinderen met verschillende achtergronden. Onderscheid maken op basis van etniciteit, sociaal-economische achtergrond of sekse zal dan ook zoveel mogelijk vermeden moeten worden (De verbindende schoolcultuur, 2007; Bakens voor spreiding en integratie, 2002; Vroeg of laat, 2010). De raad pleit daarom voor een verbindende schoolcultuur. Scholen hebben zelf een grote verantwoordelijkheid in het tot stand brengen hiervan. Zij hebben hiervoor verschillende opties, maar in alle gevallen is het van belang dat bestuurders en docenten beschikken over interculturele vaardigheden en dat de school uitdraagt iedereen te respecteren. Ook de hierboven bepleite uitbreiding van voor- en vroegschoolse educatie naar alle leerlingen draagt bij tot sociale samenhang.

Selectie voor een bepaald onderwijstype op jonge leeftijd (groep 8) kan segregatie in de hand werken (zie Vroeg of laat, 2010), omdat leerlingen van verschillende sociaaleconomische of etnische achtergronden in verschillende onderwijsstromen terechtkomen. Dit kan worden tegengegaan door het gezamenlijk organiseren van niet-doorstroomvakken en door stapelings- en doorstroommogelijkheden naar andere onderwijstypen open te houden. Het selectiemoment zou eventueel uitgesteld kunnen worden voor bepaalde groepen, in junior colleges.

Nieuwe achterstandsgroepen voorkomen

In de verkenning Maatschappelijke achterstanden van de toekomst (2011) brengt de raad maatschappelijke ontwikkelingen in kaart en de risico’s op achterstand die daarmee samenhangen. Het belang van onderwijs neemt in de toekomst alleen maar toe. Het is daarom van groot belang te blijven investeren in het behalen van een minimale opleidingsbasis (vergelijkbaar met een startkwalificatie) door zo veel mogelijk mensen. Voor de arbeidsmarkt is het nodig dat ieders talenten worden benut. Het onderwijs kan bijdragen aan het doorbreken van traditionele vakkenkeuze en daarmee samenhangende seksesegregatie op de arbeidsmarkt. Ten slotte concludeert de raad dat in de toekomst bij werknemers en burgers in toenemende mate een beroep zal worden gedaan op competenties zoals probleemoplossend vermogen, kritisch denken, zelfstandigheid, samenwerking en sociale en communicatieve vaardigheden. Het is belangrijk daaraan in alle schooltypen aandacht te besteden.