Voortdurende aandacht voor verbetering en vernieuwing van het onderwijs is van groot belang om blijvend onderwijs van hoge kwaliteit te garanderen. Om het onderwijs systematisch te kunnen verbeteren is samenwerking tussen scholen, leraren, onderzoekers en onderwijsontwikkelaars essentieel. In dit kader heeft de raad de afgelopen jaren diverse aanbevelingen gedaan.
Zoek naar effectieve manieren om de beschikbare kennis te delen en te benutten
De raad is van mening dat een betere benutting van de reeds beschikbare kennis (evidence based werken) bij kan dragen aan de kwaliteit van het onderwijs. Hiervoor is het nodig dat enerzijds onderzoekers de beschikbare kennis goed toegankelijk maken. Anderzijds vraagt dit ook om een meer onderzoeksgerichte oriëntatie bij leraren. Zij moeten zich op de hoogte willen stellen van nieuwe ontwikkelingen en daar in hun onderwijs gebruik van willen maken.
Voor een goed functionerende kennisketen is samenwerking tussen diverse partijen nodig. De overheid kan bijdragen aan de ontsluiting van de beschikbare kennis door het inrichten van een breed toegankelijk bestand met onderwijsdata voor onderzoekers. Docenten, ontwikkelaars en onderzoekers kunnen kennis en ervaringen uitwisselen in kennisgemeenschappen. Scholen kunnen hierbij een voortrekkersrol geven aan excellente leraren (Naar meer evidence based onderwijs, 2006; Sturen van vernieuwende onderwijspraktijken, 2007; Ontwikkeling en ondersteuning van onderwijs, 2010; Excellente leraren als inspirerend voorbeeld, 2011; en Ruim baan voor stapsgewijze verbeteringen, 2011).
Bouw stapsgewijs nieuwe evidentie op door te leren van variatie en vergelijking
Hoewel er al veel bekend is over effectief onderwijs, zijn er ook leemtes. Het uitproberen van vernieuwingen waarvan de effecten niet op voorhand duidelijk zijn, kan daarom – mits goed uitgevoerd – eveneens bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs. Dit vraagt volgens de raad om een stapsgewijze benadering waarbij vernieuwingen eerst kleinschalig worden uitgeprobeerd, worden bijgesteld en vervolgens langzaam worden opgeschaald. Door op deze manier te leren van variatie en vergelijking en door (waar mogelijk) gebruik te maken van (quasi-)experimenteel onderzoek, kan nieuwe evidentie worden opgebouwd. Andere scholen kunnen deze nieuwe kennis vervolgens gebruiken om in de eigen context toe te passen en verder aan te vullen. Op die manier kan de kennisbasis van effectieve onderwijsmethoden en instrumenten stapsgewijs worden uitgebreid (Naar meer evidence based onderwijs, 2006; Naar doelmatiger onderwijs, 2010; Ruim baan voor stapsgewijze verbeteringen, 2011).
Zet middelen voor onderzoek en ontwikkeling in om samenwerking te stimuleren
Samenwerking tussen scholen, ontwikkelaars en onderzoekers komt niet vanzelfsprekend tot stand. De raad pleit daarom voor een gerichte inzet van middelen om deze partijen te verleiden tot samenwerking. De raad is daarbij voorstander van bundeling en coördinatie van de middelen voor onderwijsonderzoek. Samenwerking zou bijvoorbeeld een voorwaarde moeten zijn voor subsidie van praktijkgericht onderzoek. De raad denkt daarbij aan netwerkvorming van scholen, ontwikkelaars en onderzoekers in uoc’s (universitaire onderwijscentra). De coördinatie van het onderwijsonderzoek zou plaats moeten vinden door een regie-orgaan (zoals dat nu wordt opgericht), naar het voorbeeld van ZonMW in de zorg (Ruim baan voor stapsgewijze verbeteringen, 2011). Wat betreft het voor ontwikkeling en onderzoek van onderwijs benodigde budget stelt de raad voor om geleidelijk toe te werken naar een uitgavenniveau van 1,7% van het budget voor onderzoek en ontwikkeling, vergelijkbaar met andere sectoren (Ontwikkeling en ondersteuning van onderwijs, 2010; Ruim baan voor stapsgewijze verbeteringen; 2011).
Bevorder de kwaliteit van de pedagogische ondersteuningsstructuur
De raad heeft eerder vastgesteld dat er een gebrekkige aansluiting is van de pedagogische ondersteuningsstructuur op een (schooloverstijgende) onderwijsagenda voor de middellange termijn enerzijds en het onderzoek anderzijds. In dat verband heeft de raad er onder andere voor gepleit dat onderwijsondersteuners hun werkzaamheden baseren op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en daarover ook verantwoording afleggen aan scholen. De raad noemt het bijvoorbeeld opmerkelijk dat onderwijsondersteuners een aanzienlijke rol hebben gespeeld bij de invoering en implementatie van (grootschalige) onderwijsvernieuwingen zonder dat zij betrokken waren bij de wetenschappelijke discussie daarover. Tevens heeft de raad gepleit voor een gelijk speelveld op de markt voor onderwijsondersteuning, waarbij bepaalde aanbieders niet langer een bevoorrechte positie zouden moeten hebben (Ontwikkeling en ondersteuning van onderwijs, 2010).
Ruimte voor scholen
De raad is van mening dat de overheid scholen de ruimte moet geven om te werken aan verbetering van de onderwijskwaliteit. Scholen die aan de basiskwaliteit voldoen en hun kwaliteitszorg op orde hebben, zouden experimenteerruimte moeten krijgen ten aanzien van door hen zelf nader te bepalen onderwijsdoelen (Veelzeggende instrumenten van onderwijsbeleid, 2007; Ruim baan voor stapsgewijze verbeteringen, 2011).

