Het voortgezet onderwijs is een veelomvattende onderwijssector. Het omvat een algemeen vormende en een beroepsgerichte richting, beide met verschillende niveaus en leerwegen. De vele onderwijsroutes maken ook de schoolorganisaties divers, kleinschalige categoriale ‘gymnasia’ bestaan naast grote heterogene scholengemeenschappen voor vmbo-havo-vwo. De variëteit in het voortgezet onderwijs maakt dat de adviezen van de Onderwijsraad zich soms toespitsen op specifieke niveaus en leerwegen. Toch is in de advisering een aantal overkoepelende thema’s te onderkennen.

Verbeteren van leerprestaties door opbrengstgericht werken

De kwaliteit van het onderwijsprogramma is gebaat bij helderheid over de te bereiken doelen en de kennisinhoud. De positie van kennis in het onderwijs zou volgens de raad verstevigd kunnen worden door het niveau beter te bewaken (door middel van periodieke peilingen), de tekorten voor doorstroomrelevante vakken als Nederlands, Engels en wiskunde te repareren, meer systematiek aan te brengen in het vaststellen en vastleggen van onderwijsinhouden (bijvoorbeeld door middel van referentieniveaus), de onderwijsinhoud centraal te stellen bij procesveranderingen, en het kennisniveau van leraren te versterken (Versteviging van kennis in het onderwijs, 2006).

Scholen kunnen volgens de raad meer gerichtheid in hun programma aanbrengen. Er dient voldoende aandacht te zijn voor de doorstroomrelevante vakken Nederlands, Engels en rekenen/wiskunde. Voor de andere vakken kan een gemeenschappelijke kern te worden geformuleerd. Het verdient aanbeveling de vakinhoud periodiek te herijken.

Opbrengstgericht werken op basis van heldere doelen leidt tot betere prestaties van leerlingen. Alle scholen zouden moeten beschikken over een systeem om gericht de vorderingen van leerlingen te volgen en het onderwijs op individuele beheersingsniveaus van leerlingen af te stemmen. Streefniveaus zijn nodig om de ambitie van leerlingen en leraren te stimuleren. Ook zouden er volgens de raad heldere benchmarks (op basis van een jaarlijkse, landelijke peiling onder 20% van de scholen) moeten komen, die gerelateerd zijn aan de kenmerken van de leerlingenpopulatie. Scholen kunnen zich zo meten aan vergelijkbare scholen. In een op opbrengsten gerichte schoolcultuur hoort ook het waarderen van getoonde prestaties, bijvoorbeeld van scholen die excellente resultaten behalen (Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs, 2011).

Optimaal benutten van talenten door tijdige selectie en het bevorderen van doorstroom

Geen verplicht uitstel van selectie voor iedereen, maar wel verbeteringen in het huidige stelsel om de doorstroom te bevorderen. Uitstel leidt namelijk niet voor alle groepen leerlingen tot een verbetering van hun schoolprestaties. Dat was het oordeel van de Onderwijsraad in Vroeg of laat (2010), naar aanleiding van de vraag of het Nederlandse onderwijs te vroeg selecteert (namelijk op twaalfjarige leeftijd wanneer de keuze voor het voortgezet onderwijs wordt gemaakt).

Het is belangrijk leerachterstanden zo vroeg mogelijk te signaleren en weg te werken (zie ook dossier maatschappelijke achterstanden). Voetklassen (een extra jaar aan het begin van het voortgezet onderwijs) en gemengde brugklassen vmbo-tl/havo kunnen de ruimte creëren om talenten te laten rijpen voordat de schoolloopbaan wordt vervolgd. Het systeem van doorstromen en stapelen kan worden verfijnd en de scheiding tussen algemeen voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs kan minder strikt om overstappen makkelijker te maken. De raad stelde ook experimenten voor met junior colleges (gezamenlijk onderwijs voor 10-14-jarigen).

In 2007 onderzocht de Onderwijsraad de mogelijkheden om doorstroom en talentontwikkeling van leerlingen tussen de twaalf en achttien jaar te bevorderen (Doorstroom en talentontwikkeling, 2007). De raad concludeerde dat het onderwijs leerlingen meer kan uitdagen om een hoger niveau te halen (onder andere door middel van leerstandaarden voor doorstroomrelevante vakken). Ook kunnen de oriëntatie op en keuze voor een vervolgopleiding en/of loopbaan een betere plek krijgen in het curriculum, zodat leerlingen eerder zicht krijgen op de mogelijkheden en beter kunnen kiezen. Scholen moeten meer prikkels krijgen om aansluitingen en trajecten op maat te bieden en leraren kunnen beter worden opgeleid om vroegtijdig talenten en achterstanden te signaleren.

Profielen havo en vwo

Specifiek voor de bovenbouw havo-vwo heeft de Onderwijsraad in 2011 geadviseerd over de profielstructuur (Profielen in bovenbouw havo-vwo). Het beleidsarm verminderen van de vier profielen in het voortgezet onderwijs zal volgens de raad niet leiden tot inhoudelijke verbeteringen, organisatorische winst of meer doelmatigheid. Er kunnen bovendien nieuwe aansluitingsproblemen ontstaan. De raad sluit een herziening van de profielstructuur in de bovenbouw van het havo en vwo op termijn niet uit. Hiervoor is eerst een grondige analyse nodig van de programma’s van havo en vwo, waarbij inhoudelijke veranderingen niet bij voorbaat moeten worden uitgesloten. In samenspraak met het hoger onderwijs moeten scholen nieuwe en andere keuzes kunnen maken in de vakken die zij aanbieden en de combinaties van vakken die nodig zijn.

Waardevastheid van het diploma

Het is belangrijk dat de samenleving vertrouwen heeft in de examinering en in samenhang daarmee in (de waarde van) het diploma. Daarbij dient een evenwicht gevonden te worden tussen maatwerk en standaardisering, en tussen de subjectieve en objectieve waardering van diploma’s. Een diploma dient recht te doen aan de toenemende differentiatie in het onderwijs. Dat neemt niet weg dat ook een zekere mate van standaardisering moet zijn gegarandeerd: diploma’s moeten onderling vergelijkbaar zijn. Het diploma moet daarnaast zowel van subjectieve als objectieve waarde zijn (zie ook dossier Examens en examenprocedures).

Specifiek voor het vmbo heeft de Onderwijsraad twee aanbevelingen gedaan rondom het borgen van de basisbagage van leerlingen (Examens in het vmbo, 2009). De raad stelde voor een diplomasupplement in te voeren, waarin aanvullende informatie over de leerling wordt gegeven, bijvoorbeeld een toelichting op examenresultaten en/of bewijzen van andere prestaties. Het vervolgonderwijs kan deze informatie benutten om een opleiding op maat aan te bieden aan vmbo-instroomleerlingen. Daarnaast stelde de raad dat ook voor het vmbo de eis moet worden ingevoerd dat er maximaal één vijf gehaald mag worden voor de basisvakken. Een uitzondering vormen de beroepsgerichte leerwegen, hier zou Engels door een beroepsgerichte programma vervangen moeten worden.

Voldoende onderwijstijd is een voorwaarde voor kwaliteit

Voldoende onderwijstijd is een kwaliteitsaspect van goed onderwijs en scholen dienen hiervoor te zorgen. Een vermindering van het aantal lesuren kan negatieve gevolgen hebben voor de kwaliteit van het onderwijs en uiteindelijk voor de leerprestaties van leerlingen. De raad stelde in zijn advies Koers voortgezet onderwijs: nieuw vertrouwen (2004) dat het van belang is dat scholen zelf keuzes kunnen maken over de duur van een les, de schooltijden en vooral de onderwijskundige vormgeving van de onderwijstijd. Daarbij dienen scholen wel binnen de landelijk voorgeschreven minimumnorm voor onderwijstijd te blijven.