Sociale vorming is belangrijk voor de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Het behoort tot de wettelijke taak van het onderwijs. Jongeren hebben behoefte aan een brede cultuuroverdracht, waaronder kennis van tradities en moraal. Deze cultuuroverdracht vormt hun persoonlijkheid en bereidt hen tegelijkertijd voor op het functioneren in de samenleving. Vormend onderwijs reikt jongeren kennis en vaardigheden aan en stelt hen in staat de dialoog aan te gaan en hun standpunt te bepalen ten opzichte van maatschappelijke ontwikkelingen en discussies. Scholen en leraren vervullen hierbij een belangrijke rol. De raad is van mening dat de huidige onderwijspraktijk meer kansen biedt voor vorming dan velen vaak denken. Vorming en kennisoverdracht horen bij elkaar; het een kan niet zonder het ander.

De raad heeft het thema (sociale) vorming in diverse adviezen uitgewerkt. Vier opdrachten aan het onderwijs staan hierin centraal:

  • bied oriëntatie en nodig uit tot zingeving (algemene vorming);
  • bevorder burgerschap;
  • versterk de samenwerking tussen ouders, jongeren en school; en
  • werk aan een verbindende schoolcultuur (en tegengaan van onderwijssegregatie).

Bied oriëntatie en nodig uit tot zingeving

In 2010 bracht de raad op verzoek van de Eerste Kamer advies uit over vorming in het onderwijs. In dit advies riep de Onderwijsraad scholen op om vorming een nadrukkelijker en eigentijdser plaats te geven in het onderwijs. Kinderen en jongeren hebben in deze ingewikkelde samenleving oriëntatiepunten nodig. Kennis van literatuur, filosofie, godsdienst en beroepsethiek kan hen daarbij helpen. Op school kunnen leerlingen tevens leren de dialoog aan te gaan en van andere opvattingen te leren.

Leraren hebben een centrale rol in vormend onderwijs. Zij reiken kennis aan en laten waarden en idealen zien in hun handelen. Er zijn tal van aansprekende voorbeelden in het onderwijs te vinden. Schoolleiders en bestuurders kunnen leraren ondersteunen met een heldere pedagogische schoolvisie. Daarnaast dient er ruimte en tijd te zijn voor persoonlijke contacten tussen leraren en leerlingen. Deze visie op vorming draagt de raad ook uit in adviezen over andere onderwijsonderwerpen.

In haar beleidsreactie stemde de minister in met het advies en benadrukte dat vorming niet tegenover leerprestaties staat. De minister  wijst verder op het belang van de maatschappelijke stage en van cultuureducatie.

Bevorder burgerschap

In 2003 stelde de raad voor wettelijk vast te leggen dat scholen mede burgerschap bevorderen. Burgerschapsvorming zou ook deel moeten uitmaken van de kerndoelen, de eindtermen en de kwalificatiestructuur van verschillende onderwijssectoren. Dit advies (Onderwijs en burgerschap, 2003) is inmiddels grotendeels uitgevoerd. De opdracht aan scholen om actief burgerschap en sociale integratie te bevorderen is vastgelegd in de sectorwetten. De Inspectie van het onderwijs heeft als taak toe te zien op deze opdracht.

In 2004 pleitte de raad ervoor ook Europees burgerschap onder de aandacht van leerlingen te brengen (Europees burgerschap, 2004). Intussen is in het voortgezet onderwijs een kerndoel opgenomen over kennis van Europa.

In 2007 stelde de raad voor de wetgeving voor het hoger onderwijs op dit punt aan te scherpen (Versteviging van kennis II). Dit advies is niet overgenomen. Het kabinet vond dat voor het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs burgerschapsvorming voldoende is vastgelegd.

De minister acht het, vijf jaar na invoering van de wettelijke bepaling, tijd de balans op te maken. Zij heeft hierover in 2011 advies gevraagd aan de Onderwijsraad. Hoe kunnen scholen ondersteund worden in de burgerschapsopdracht? Dit advies is voorzien voor begin 2012.

Versterk de samenwerking tussen ouders, jongeren en school

Betrokkenheid van ouders bij de school en het onderwijs is belangrijk. Niet alleen vanwege een mogelijke taakverlichting en om af te stemmen over de opvoeding en de ondersteuning van het leerproces, maar ook als uiting van burgerschap. Scholen doen er goed aan de contacten met ouders te intensiveren (Ouders als partners, 2010). De raad ziet vooral mogelijkheden te investeren in de rol van ouders als pedagogische partner (ouder-leraar) en als lid van een ouder-ouderverband. Ook kan de school in samenwerking met ouders zorgen voor voldoende gezamenlijke activiteiten voor leerlingen en de versterking van hun sociale netwerken. Dat laatste kan via onder meer ‘peercoaching’ en mentoring (Sociale vorming en sociale netwerken in het onderwijs, 2005). De minister reageerde instemmend op dit laatste advies. De bewindslieden van OCW roepen ouders regelmatig op het contact met de school van hun kind te intensiveren, en veel scholen geven hier gehoor aan.

Werk aan een verbindende schoolcultuur (en tegengaan onderwijssegregatie)

De raad stelde in 2007 vast dat gemengde scholen erin slagen een ‘wij-gevoel’ te creëren als zij een visie formuleren op de school als leef- en leergemeenschap (De verbindende schoolcultuur, 2007). Op basis hiervan ontstaat een duidelijke identiteit die de school kan uitdragen  naar ouders en andere betrokkenen. De raad beschreef drie routes die scholen zouden kunnen bewandelen op weg naar een verbindende schoolcultuur. Ook adviseerde hij het streven naar zo’n cultuur te zien als onderdeel van burgerschapsvorming.

De staatssecretaris ondersteunde de gedachte dat scholen een visie behoren te hebben op hun schoolcultuur en bijbehorende activiteiten moeten ontplooien. Zij was echter van mening dat de Wet actief burgerschap en sociale integratie hiervoor voldoende handvatten bood.

In 2005 adviseerde de raad over de ‘dubbele wachtlijsten’ (autochtone en allochtone kinderen) die de stad Rotterdam indertijd hanteerde om segregatie tegen te gaan (Bakens voor spreiding en integratie). De raad pleitte ervoor te streven naar gemengde scholen en achterstand als criterium te hanteren, en niet etniciteit. Tegelijk werd een aantal lokaal toe te passen maatregelen voorgesteld om segregatie tegen te gaan. De minister nam de aanbevelingen van de raad over.  Het tegengaan van segregatie is geen prioriteit meer van het huidige kabinet.