Wat houdt het begrip toegankelijkheid in als het gaat om het Nederlandse onderwijs? In deze verkenning geeft de raad antwoord op (onder meer) deze vraag. Hij neemt daarmee een aanloop naar het voorgenomen adviestraject Toegankelijkheid.
25 juni 1997
Toegankelijkheid is volgens de raad gelijk aan een ‘meritocratische gang van zaken in het onderwijs'. Dat wil zeggen: prestaties en capaciteiten zijn leidend bij de toegang tot het onderwijs. Daarnaast moet gestreefd worden naar kansengelijkheid als kern van het toegankelijkheidsbeleid, naar een minimale basistoerusting voor alle leerlingen, en is de geschiktheid van leerlingen belangrijk als principieel richtpunt bij selectie. Oneigenlijke prestatieverschillen moeten worden overbrugd en zo nodig is voor specifieke doelgroepen een specifiek toelatingsbeleid nodig.
Neem zeven thema's onder de loep
Op deze (en andere) aandachtspunten zijn verbeteringen mogelijk, ook al is er de laatste decennia al veel vooruitgang geboekt. De raad pleit ervoor om in elk geval zeven brede thema's voor nadere advisering in aanmerking te nemen. Het gaat dan om:
• schools en buitenschools leren: dwarsverbindingen, verantwoordelijkheden;
• doelen en standaarden als garantie voor toegankelijkheid;
• concentratie en segregatie in en tussen scholen;
• stelselsystematiek, fuikwerking en uitsluiting;
• verantwoordelijkheid voor toegankelijkheid;
• integraal of specifiek toegankelijkheidsbeleid; en
• levenslang leren en toegankelijkheid.

