De raad pleit voor deugdelijk toezicht op het onderwijs. De inspectie van het onderwijs moet een duidelijke en actieve rol spelen bij het bewaken van de basiskwaliteit van onderwijsinstellingen en ze stimuleren een zo hoog mogelijke kwaliteit te halen.
22 oktober 1999
Het advies is een reactie op de nota Variëteit en Waarborg van minister Hermans en staatssecretaris Adelmund van Onderwijs. De bewindslieden doen in de nota voorstellen voor een nieuw evenwicht tussen autonomie en verantwoording van scholen. De rol van de onderwijsinspectie wordt daarbij versterkt.
Behoud de ministeriële verantwoordelijkheid
Het is de raad niet duidelijk hoe het uitgangspunt dat de minister verantwoordelijk is voor het toezicht op het onderwijs, kan worden verenigd met het voornemen om een grotere zelfstandigheid van de inspectie te onderzoeken. De raad bepleit een behoud van de ministeriële verantwoordelijkheid voor het functioneren van de onderwijsinspectie. De inspectie dient een gedeconcentreerde rijksdienst te blijven.
Stel kaders en eisen
Voor het toezicht-nieuwe-stijl is een deugdelijk juridisch kader nodig waarbinnen de onderwijsinspectie kan functioneren. Ook moet de professionaliteit van het toezicht worden vergroot, bijvoorbeeld met startbekwaamheidseisen en beroepsstandaarden voor inspecteurs, en het verplicht stellen van periodieke nascholing.
Hanteer één type deugdelijkheidseisen
In de nota stellen de bewindslieden voor dat de inspectie onderwijsinstellingen mag confronteren met twee soorten kwaliteitseisen: eisen waaraan wel en eisen waaraan geen bekostigingssancties zijn verbonden. In de laatste categorie vallen bijvoorbeeld aanvullende (niet wettelijk vastgelegde) eisen aan het pedagogisch klimaat op een school, of het didactisch handelen van leraren. De raad vindt dit verwarrend voor scholen, en stelt dat de inspectie alleen een kwaliteitsoordeel mag geven op basis van één type deugdelijkheidseisen, dat bij voorkeur in de sectorwetten is opgenomen en periodiek tegen het licht wordt gehouden.
De raad wil de huidige deugdelijkheidseisen in enkele opzichten uitbreiden, zodat de inspectie meer facetten van de kwaliteit van een afzonderlijke school kan beoordelen. Hij denkt daarbij vooral aan eisen op het terrein van leerstandaarden, aan de beschikbare leertijd, de bevordering van de deskundigheid van schoolleiders en leraren, het functioneren van interne overlegstructuren en een doelmatige inzet van personele en materiële middelen.

