Het onderwijsbeleid balanceert op een evenwichtsbalk: maatregelen zijn altijd een mix van (overheids)regulering en deregulering. Het is zoeken naar de juiste balans. De raad heeft een taxatie van kansen en risico's gemaakt.
1 december 2000
Een terugblik op dertig jaar onderwijsbeleid laat zien dat er veel is geregeld in het onderwijs. Tegelijkertijd is er sprake van deregulering. Minister Hermans van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft van deregulering en meer vrijheid voor scholen een speerpunt gemaakt.
Zet beleidsinstrumenten nauwkeurig in
De raad pleit ervoor dat de overheid steeds nauwkeurig analyseert welk beleidsinstrument het beste kan worden ingezet. Soms is dat regelgeving door de overheid, een andere keer is het beter om taken en bevoegdheden aan andere (onderwijs)partijen over te dragen. De overheid kan behalve wet- en regelgeving ook andere sturingsmechanismen gebruiken, zoals een convenant, een subsidie, een beleidsnota of overleg.
Grijp niet te snel in
Deregulering is een proces van lange adem. Als de gewenste effecten niet snel genoeg zichtbaar zijn, moet de overheid geduld betrachten. Ook is de ene instelling soms sneller in staat autonomie te benutten dan de andere; deze tempoverschillen moet de overheid accepteren.
Versterk de positie van de diverse onderwijspartijen
Met het beleid van deregulering en autonomievergroting krijgen directies en besturen grotere vrijheid. Om hier tegenwicht aan te geven, moet de overheid de positie van de ‘countervailing powers' (ouders, leerlingen, personeel en bedrijfsleven) versterken.
Bouw kwaliteitswaarborgen in
Volgens de raad moet er daarnaast worden geïnvesteerd in het beleidsvoerend vermogen van instellingen en gemeenten: in menskracht, tijd en scholing. Bij het vergroten van autonomie van instellingen past ook een toenemende vraag naar verantwoording. Een stelsel van kwaliteitszorg, waarin instellingen hun eigen kwaliteit constant onderzoeken, is daarbij noodzakelijk.

