De ambities in het Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan (HOOP), het vierjaarlijkse beleidsplan van het ministerie van Onderwijs, zijn nastrevenswaardig. De realisering ervan heeft echter heel wat voeten in de aarde, vindt de raad.
Uitgangspunt voor de beleidsvoornemens in het HOOP is de Lissabon-ambitie. Het HOOP streeft naar meer hoogopgeleiden, betere benutting van kennis en een versterking van de positie van het Nederlandse hoger onderwijs in Europa. Universiteiten en hogescholen moeten zich beter van elkaar kunnen onderscheiden en differentiatie kunnen aanbrengen in hun onderwijsaanbod.
Maak een nieuw bekostigingssysteem
De raad onderschrijft deze ambities, maar vindt dat ze te weinig zijn uitgewerkt. Ook vraagt de raad zich af of ze bij een dalend rijksbudget wel te realiseren zijn. De overheid moet de bezuinigingen op het hoger onderwijs terugdraaien óf meer geld vragen van derden (het bedrijfsleven of de studenten). Het bijstellen van de ambities vindt de raad geen optie. In elk geval moet er snel een nieuw bekostigingssysteem komen dat rekening houdt met de Lissabon-doelstelling.
Werk aan behoud van studenten
Om meer hoogopgeleiden te krijgen vindt de raad het tegengaan van uitval minstens zo belangrijk als het werven van meer studenten. Een gevarieerder aanbod van opleidingen kan studenten aantrekken én binnenhouden. Ook is, bijvoorbeeld via het beurzenbeleid, meer aandacht nodig voor relatief nieuwe doelgroepen. Dit zijn bijvoorbeeld mensen uit milieus waar traditioneel weinig wordt gestudeerd en mensen die op latere leeftijd willen doorleren. Bevordering van levenslang leren is daarbij cruciaal.
De suggestie uit het HOOP om een ‘Nederlandse Harvard' na te streven vindt de raad een brug te ver. De financiële ruimte is daarvoor veel te beperkt. Bovendien wil Nederland meerdere instellingen in de eredivisie hebben.
