De raad ziet kansen in de figuur van de regionale overeenkomsten. Tegelijkertijd stelt hij vragen over de precieze uitwerking, met name ten aanzien van het havo/vwo. Een rol van de Minister in de voorzieningenplanning acht de raad vanuit grondwettelijk en doelmatigheidsoogpunt onontbeerlijk. Ook de rol van de gemeente ten aanzien van de huisvestingsconsequenties bij regionale plannen moet duidelijk zijn.

