De Nederlandse overheid heeft de ambitie om in 2010 als kenniseconomie tot de top van Europa te behoren. In 2004 bleek echter dat ons land in economische groei achterblijft bij andere Europese landen. Onderzoeksinstituut ITS vergeleek Nederland met zes Europese referentielanden (Finland, Zweden, Frankrijk, België (Vlaanderen), Duitsland en Engeland) op zeven onderwijsthema's (I-VII) en trok hieruit conclusies.
I Voortijdig schoolverlaten
Vlaanderen, Finland en Zweden komen het dichtst bij de Europese doelstelling om in 2010 het voortijdig schoolverlaten terug te brengen tot 10%. In Nederland schommelt het percentage rond de 13 à 15%. In alle landen is het profiel van voortijdig schoolverlaters en hun schoolloopbaan hetzelfde: het zijn vaker jongens, allochtonen en kinderen uit lagere sociale milieus, leerlingen op lagere onderwijsniveaus en leerlingen die al eerder vertraging opliepen.
Oplossingen worden onder andere gezocht in:
- initiatieven om onderwijs en arbeidsmarkt dichter bij elkaar te brengen;
- maatwerk in het onderwijsaanbod;
- structurele kwalitatieve verbeteringen in het onderwijs; en
- het gezamenlijk optrekken van partijen zoals onderwijs, jeugd- en gezondheidszorg.
II De positie van de leraar
In landen waar leraren meer zekerheid hebben en/of academische geschoold zijn, zijn de lerarentekorten kleiner. Waar de lerarenstatus ter discussie staat en het opleidingsniveau professioneler is, zijn de tekorten juist groter. In bijna alle landen ervaren leraren weinig waardering voor hun beroep. Maar er zijn geen aanwijzingen dat de belangstelling voor een aanstelling als leerkracht daardoor afneemt. Hun (semi-)ambtenarenstatus geeft leraren een sterke rechtspositie. Over beleidsplannen die de positie van leerkrachten (verder) kunnen versterken, verschillen de ideeën.
III Invoering van de bachelor-masterstructuur
In vergelijking met andere landen is Nederland het verst met de invoering van de bachelor-masterstructuur. De duur van opleidingen verschilt. Wel gebruiken vrijwel alle landen hetzelfde Europese systeem voor studiepunten (ECTS) of een vergelijkbare variant. Inhoudelijke veranderingen blijven vrij beperkt, vooralsnog vormen oorspronkelijke onderwijsstructuren de leidraad in het aanbod.
IV Inzet van ICT in het onderwijs
Alle landen nemen maatregelen om het ICT-gebruik in het onderwijs te bevorderen. Daarbij stimuleren ze vooral leraren om ICT didactisch in te zetten. Op dat punt staat Nederland met Engeland en Zweden aan de top. Samen met Engeland scoort Nederland ook hoog op het gebruik van elektronisch lesmateriaal dat de school beschikbaar stelt. Wel zoekt ‘de' Nederlandse leraar minder dan zijn buitenlandse collega's naar materiaal op internet en gebruikt hij minder elektronisch offline lesmateriaal.
V Onderwijsalternatieven
In vergelijking met de referentielanden loopt Nederland voorop bij onderwijsalternatieven en -innovaties. Ons land kent, net als andere landen, nauwelijks thuisonderwijs en is daar overigens relatief kritisch over.
VI Leven lang leren
Nederland blijft met informeel leren achter op de zes referentielanden. Wel scoort Nederland goed op het percentage werknemers dat deelneemt aan leeractiviteiten, maar de groei lijkt af te nemen.
VII (Beleids)prioriteiten
Nederland en de referentielanden streven grotendeels dezelfde prioriteiten na. De meeste landen hebben onderwerpen op de beleidsagenda staan als: het onderwijsachterstanden/ gelijkekansenbeleid; hervorming van het beroepsonderwijs en leerwerktrajecten; en professionalisering en uitbreiding van het lerarencorps.

