Scholen mogen zelf beslissen wat ze doen met overheidsgeld voor onderwijsvernieuwing. Ze zetten het meestal in voor verbeteringen die zijn gericht op kennis vergaren. De raad wil dat de minister scholen stimuleert het geld ook te besteden aan hun ‘socialisatiefunctie'.
Leerlingen krijgen eerst en vooral de basisvakken taal en rekenen, Nederlands en wiskunde mee. Vervolgens worden ze geïntroduceerd in andere kennisgebieden zoals biologie of installatietechniek. Het gaat daarbij niet om het opdoen van kennis alleen, maar ook om het vertrouwd raken met sociale aspecten van een (beroeps)gemeenschap. Onderwijsverbeteringen moeten zich daarom niet alleen op kennis richten, maar ook op sociale componenten.
Verdeel vernieuwingsgelden over alle functies van het onderwijs
Het onderwijs heeft drie hoofdfuncties: kwalificatie (kennis en vaardigheden), selectie (toewijzing naar een plaats in de samenleving) en socialisatie (burgerschap). Geld dat het rijk beschikbaar stelt voor innovatie gaat vooral naar de eerste twee functies: kwalificatie en selectie. Er wordt veel geïnvesteerd in didactiek, doorlopende leerlijnen, vernieuwing van de onderbouw, vorming van kernteams en inhoudelijke thema's als sport, cultuur en techniek. De raad vindt dit een goede ontwikkeling, maar wil scholen stimuleren de extra middelen óók in te zetten voor de socialisatiefunctie. Voor alle drie de functies moet de overheid een basisniveau vaststellen.
Oormerk een deel van het geld
Om de socialisatiefunctie te versterken moet de minister een deel van de innovatiegelden oormerken. Het geld kan bijvoorbeeld naar de maatschappelijke stage gaan. Die kan beter worden ingevuld om jongeren zich te laten oriënteren op het bedrijfsleven en op technische beroepen. Er zijn ook andere voorbeelden van vernieuwende onderwijspraktijken die de socialisatiefunctie versterken: van muziekles gegeven door leden van het fanfarekorps tot de netwerkschool, waarbij delen van het onderwijs buiten de school plaatsvinden (bijvoorbeeld in de buurtsuper).
De raad wil ook dat de minister bij het toekennen van innovatiegelden meer aandacht besteedt aan prestaties, en minder aan proceskenmerken zoals overdraagbaarheid en samenwerking. De raad pleit voor simpele resultaatafspraken.

