Over schaalgrootte in het onderwijs wordt al heel lang gediscussieerd in het parlement. Honderd jaar geleden debatteerde men bijvoorbeeld over het maximum aantal leerlingen per school, want het woord bestuurlijke schaalvergroting moest nog worden ‘uitgevonden'. In deze studie worden enkele momenten besproken uit de parlementaire handelingen van de afgelopen tien jaar, waarin het onderwerp bestuurlijke schaalvergroting in het primair en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs aan de orde kwam.

28 november 2008

Als er een grote lijn uit de bovenstaande debatten valt te halen, is dat er allerlei plausibele
redenen voor schaalvergroting zijn aangevoerd, met name van regeringszijde. Er was een
aarzelende instemming met processen die schaalvergroting in het voortgezet, en later het
primair onderwijs op gang brachten. Zo kan de houding van het parlement worden gekenschetst
bij de behandeling van wetsvoorstellen. Het risico dat er ‘gefuseerd wordt om het
fuseren' wordt ingecalculeerd en afgewogen tegen mogelijke voordelen, zoals professionele
slagkracht, efficiëntere bedrijfsvoering, doorlopende leerlijnen, enzovoorts. Men is
voornamelijk bang voor een te grote institutionele schaalvergroting (de ‘massaschool'). De
effecten van verdergaande bestuurlijke schaalvergroting lijken niet zo op het netvlies te
staan.
Vragen rond noodzaak en neveneffecten van schaalvergroting worden gepareerd met het
argument dat de verwachting is dat instellingen zelf kiezen voor ‘klein binnen groot' en
een gespreid netwerk en dat er bovendien de corrigerende werking is door inspraak van
bijvoorbeeld de gmr en schoolcommissies. Tot slot wordt in veel discussies aangegeven
dat - via nadere regelgeving - de minister (in het voortgezet onderwijs en de bve-sector)
toch nog een achtergrondrol blijft vervullen in geval van ongebreidelde institutionele
fusies of indien de bereikbaarheid van voorzieningen (zie het roc-debat) in gevaar zou
komen.