Doordecentralisatie van huisvesting in het hoger onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs blijkt positieve gevolgen te kunnen hebben. Daar staat wel tegenover dat de onderwijsinstellingen een extra risico dragen en dat doordecentralisatie veeleal gepaard gaat met een fysieke concentratie van onderwijs.
Doordecentralisatie kent succesverhalen, maar ook situaties waarin de overeenkomst
tussen school en gemeente is opgezegd. Zoals eerder genoemd, moet goed worden
nagedacht over de meerwaarde van doordecentralisatie in de specifieke lokale situatie.
Door alle partijen wordt benadrukt dat bij een overgang naar doordecentralisatie van de
onderwijshuisvesting het onderling vertrouwen en een op samenwerking gerichte houding
belangrijke ingrediënten zijn voor succes. Elementen die hierin een rol spelen zijn:
• een gedeelde visie op het onderwijs en de onderwijshuisvesting in het bijzonder;
• professionaliteit van het schoolbestuur;
• duidelijke afspraken over verantwoordelijkheden;
• gedegen financiële planning voorafgaand aan de doordecentralisatie.
Doordecentralisatie is een transitie van toetsing vooraf naar verantwoording achteraf. Dit
verschaft scholen de autonomie en de flexibiliteit, waarmee zij slagvaardig hun gebouwen
kunnen aanpassen aan hun onderwijsvisie. Wel is het zo dat de school deze autonomie
moet aankunnen, omdat het beheren van vastgoed professionaliteit vereist van het schoolbestuur.
Voor de gemeente betekent de verantwoording achteraf een bepaalde mate van
onzekerheid. De gemeente moet er dan ook vertrouwen in hebben dat de schoolbesturen
in staat zijn voor het eigen vastgoed te zorgen. Daarnaast moeten scholen en gemeente
samen een kader ontwikkelen op basis waarvan zij willen doordecentraliseren. De grotere
autonomie van het schoolbestuur kan een impuls zijn voor verdere kwaliteitsverbetering
van het onderwijs. Het onderwijshuisvestingsbeleid komt zo overeen met de
onderwijskundige visie van de school.

