Ter voorbereiding op zijn advies over een nieuwe kleuterperiode in de basisschool heeft de Onderwijsraad aan het Kohnstamm Instituut gevraagd gegevens te verzamelen over de deelname aan opvang voor driejarigen en de kwaliteit van opvang en onderwijs voor drie- en vierjarigen.
Het overgrote deel van de jonge kinderen bezoekt een kinderdagverlijf en/of een peuterspeelzaal. Een opvallende uitkomst is de groei van deelname aan kinderdagverblijven, met name bezocht door autochtone kinderen van hoogopgeleide ouders. Van het kleine percentage (8) dat van geen van beide voorzieningen gebruikmaakt, is het merendeel van allochtone afkomst met laagopgeleide ouders. Ook de lengte en intensiteit van het bezoek aan beide voorzieningen blijkt in relatie te staan met de afkomst: autochtone Nederlandse kinderen bezoeken deze langer dan allochtone Nederlandse kinderen. Het bezoek aan de voorschoolse voorzieningen is bovendien het geringst onder kinderen die thuis een andere moedertaal spreken en korter in Nederland zijn. Dit met uitzondering van de deelname aan vve-programma’s, want die ligt weer iets hoger bij kinderen bij wie thuis een andere taal wordt gesproken.
Er blijkt een gebrek aan voldoende (empirische) gegevens over de kwaliteit van voor- en vroegschoolse voorzieningen en de dagindeling van peuters en kleuters in de thuissituatie. Het beeld van de educatieve en ontwikkelingsstimulerende kwaliteit van voorschoolse voorzieningen en de vroegschoolse educatie lijkt zorgelijk, maar dit kan niet hard worden gemaakt bij gebrek aan empirische gegevens. Over de kwaliteit van het aanbod dat jonge kinderen thuis krijgen is ook weinig bekend. Wel blijkt de hoeveelheid en complexiteit van het taalaanbod en mediagebruik een relatie te hebben met de etnische herkomst en sociaaleconomische achtergrond.

