Goede doorstroom vmbo-havo vraagt om meer dan een wetswijziging

Het wetsvoorstel gelijke kans op doorstroom vmbo-havo van minister Slob is een stap in de goede richting van een gelijke behandeling van leerlingen. Ook geeft het ouders en leerlingen meer duidelijkheid over de toelatingscriteria tot het havo. Er is echter meer nodig om de problemen in de doorstroom van het vmbo naar het havo op te lossen.

Dat stelt de Onderwijsraad in zijn advies aan minister Slob. Uitgangspunt moet zijn dat een diploma van de gemengde (gl) of theoretische leerweg (tl) toegang geeft tot het havo. Op dit moment is dit niet het geval omdat het onderwijsprogramma op het vmbo gl/tl niet goed aansluit op het havo. In het voorliggende wetsvoorstel staat dat scholen alle leerlingen met een vmbo-diploma gl/tl moeten toelaten tot het havo (indien ze voldoen aan de eindexamenvoorwaarden). Scholen mogen geen aanvullende eisen meer stellen.

De raad adviseert om vooral in te zetten op beleid om de aansluiting vmbo-havo inhoudelijk te verbeteren. Hij denkt daarbij aan het versterken van de loopbaanoriëntatie en -begeleiding om leerlingen beter voor te bereiden op het maken van hun keuze voor een vervolgopleiding. De raad is ook voorstander van het stimuleren van opstroomklassen en schakelprogramma’s. Daarnaast meent hij dat een betere aansluiting aan beide zijden om aanpassingen vraagt, bijvoorbeeld in het curriculum van de bovenbouw van de havo. Verder pleit de raad voor een overgangsperiode waarin scholen nog niet worden beoordeeld op lagere slagingspercentages van havoleerlingen afkomstig uit het vmbo.

In het wetsvoorstel is opgenomen dat leerlingen die willen doorstromen van het vmbo naar het havo, succesvol eindexamen moeten afleggen in ten minste één extra algemeen vormend vak. De raad vindt dat niet voldoende is aangetoond dat deze eis daadwerkelijk leidt tot een grotere kans op studiesucces op het havo. De raad adviseert goed te kijken naar welke voorwaarden een voorspeller zijn van succes op het havo.

Tot slot constateert de raad dat sluipenderwijs de balans verschuift tussen vrijheid van inrichting, individuele leerrechten en maatschappelijke belangen. Dit wetsvoorstel is daar een voorbeeld van. De wetgever hoort hierover een fundamentele discussie te voeren.