Blogreeks Nederland gaat naar school

Jeada (15): ‘Als iemand roze haar heeft, is dat een goede reden om hem of haar te leren kennen’

Jeada zit in 4 VWO van het CSG Jan Arentsz in Alkmaar. Ze heeft een heldere mening over wat er goed is aan haar school en wat niet. Een groot pluspunt is de variatie aan leerlingen, vindt ze. Daardoor moeten mensen leren elkaar te accepteren zoals ze zijn.

Leerling zit op kluisjes

‘Deze school is leuk, er zitten veel verschillende mensen op – verschillend qua culturen en interesses. Ik koos voor het Jan Arentsz vanwege het onderwijs dat ze geven en omdat mijn moeder hier heeft gezeten. Dat het een christelijke school is, speelde niet mee. Ik volg het profiel Economie en Maatschappij; ik wil rechten gaan studeren.’

‘Er zijn hier veel docenten die een band met je opbouwen en naar je luisteren. Ze laten merken dat ze je ideeën waarderen. Vooral met mijn mentor heb ik gesprekken over hoe het anders kan op school. Ik vind dat de docenten leerlingen beter kunnen motiveren. Nu ligt er veel druk op examenopdrachten en goede cijfers halen. Je krijg steeds te horen: dit is een belangrijk jaar, als je je niet inzet, dan slaag je niet. Maar dat slaat nergens op, het is niet het hele verhaal. Ik ben heel gemotiveerd, als dat tegen mij gezegd wordt, dan werkt het juist demotiverend. Door die prestatiedruk krijg ik soms het gevoel dat ik het niet ga halen en dan ga ik twijfelen aan mijzelf. Laat leerlingen maar hun hoofd stoten door te blijven zitten. Dat is beter dan ze een aantekening geven omdat ze hun huiswerk niet hebben gemaakt.’

Meer variatie in de lesstof

 ‘Er kan ook meer variatie komen in de lesstof. Samen met twee docenten bespreek ik ideeën voor het nieuwe vak WMR: wetenschap, mens en religie. Dat is een samenvoeging van de vakken godsdienst en wetenschapsoriëntatie. Ik vind het belangrijk om op school meer te kijken naar hoe het leven eruit ziet en niet alleen te leren uit boeken. Nieuws spreekt me aan, het is leuk om dat in de lessen te bespreken.’

‘Dat de school christelijk is, merk ik niet altijd. Er zijn wel dagopeningen, vooral in de onderbouw is daar veel aandacht voor. Bij de dagopening wordt er in je eigen klas een tekst voorgelezen en moet je vragen beantwoorden over hoe je jezelf ziet, of over hoeveel zelfvertrouwen je hebt. Vaak zijn dit onderwerpen die je liever niet bespreekt in de klas. Verder besteedt de school natuurlijk aandacht aan de christelijke feestdagen.'

Niet iedereen geaccepteerd

‘Ik heb hier discipline geleerd en goed leren plannen. En ook wel sociale vaardigheden. Ik praat altijd veel, daardoor maak ik makkelijk vrienden. Maar niet iedereen is evenveel geaccepteerd. Een van mijn beste vrienden is gay, maar andere vrienden die tegen homo’s zijn, maken daar opmerkingen over. Zo jammer. Of mensen doen neerbuigend over meiden, over hun kleding of hun lichaam. Ik heb lange tijd een spijkerbroek en trui gedragen – dan zegt er tenminste niemand iets over. Nu leg ik het meer naast me neer.’

‘Het is goed dat de school gevarieerd is. Zonder dat ga je nog meer het beeld creëren dat er groepen zijn en dat de ene groep beter is dan de andere. Ik vind het niet erg als mensen zich prettiger voelen in lessen met mensen van hun eigen geloof, zoals op islamitische scholen. En het is goed dat scholen zelf kunnen kiezen hoe ze lesgeven. Maar er kan ook een ander ideaalbeeld uitkomen: dan leren leerlingen dat andere mensen niet goed zijn en beperken ze zich tot één groep. Er is zo veel meer dan het geloof. Ik denk zelf niet snel dat iemand ‘anders’ is. Als iemand roze haar heeft, is dat voor mij een goede reden om die persoon te leren kennen. Het gaat om de interesses en het karakter.’