Toetsing en examinering

Met examinering bedoelt de Onderwijsraad elke afsluitende toets die gericht is op het verzilveren van leerresultaten met een daarbij behorend civiel effect. Examens in het Nederlandse onderwijs dienen volgens de raad aan drie essentiële voorwaarden te voldoen. Ze dienen betrouwbaar, toegankelijk en doelmatig te zijn.

Terminologie

Toetsing is het gericht verzamelen, interpreteren en gebruiken van informatie over kennis, vaardigheden of houding van een leerling of student, doorgaans aan de hand van één of meerdere opdrachten. Wanneer aan het eind van een opleiding prestaties worden vastgesteld, is er sprake van afsluitende toetsing (ook wel eindtoetsing genoemd). Een specifieke vorm van afsluitende toetsing is examinering. Hierbij wordt op basis van toetsprestaties een certificaat of diploma toegekend met een civiel effect. Dat laatste wil zeggen dat de leerling of student met het certificaat of diploma in aanmerking komt voor specifieke vormen van vervolgonderwijs of voor functies in de maatschappij (Toets wijzer: Naar een eigen(tijdse) wijze van toetsen en examineren, 2018).

Toetsing (en examinering) dient verschillende doelen

Toetsing dient verschillende doelen. Voor leerlingen en studenten heeft toetsing het doel om feedback te krijgen over hun leerproces en om inzicht te krijgen in hun vorderingen. Ook speelt toetsing een belangrijke rol bij de overgangen in hun onderwijsloopbaan. Voor leraren en docenten biedt toetsing inzicht in hoe hun onderwijs aansluit bij de leerlingen en studenten en waar verbeterpunten liggen. Voor onderwijsinstellingen geeft toetsing zicht op de kwaliteit van het onderwijs en ondersteunt het beslissingen over bevordering naar een volgend leerjaar en toekenning van een diploma. Daarmee heeft toetsing ook op maatschappelijk niveau een belangrijk doel, namelijk toeleiding naar vervolgopleidingen of de beroepspraktijk. Bovendien gebruikt de rijksoverheid toetsing om zicht te krijgen op de kwaliteit van het onderwijs, zowel van individuele onderwijsinstellingen als van het stelsel in zijn totaliteit. Deze doelen van toetsen en examineren staan soms op gespannen voet met elkaar. De raad onderkent bij deze spanningen drie dimensies: (1) de mate waarin toetsing een beslissende of formatieve functie heeft; (2) de mate waarin toetsing op decentraal niveau of (meer) centraal niveau wordt vormgegeven; en (3) de mate waarin wordt gestreefd naar kwantitatieve meting of naar het meer op kwalitatieve wijze zichtbaar maken van onderwijsopbrengsten (Toets wijzer: Naar een eigen(tijdse) wijze van toetsen en examineren, 2018).

Naar een evenwichtige toets (en examen)praktijk

De raad adviseert de rijksoverheid en de onderwijsinstellingen om toe te werken naar een evenwichtiger toets- en examenpraktijk en hiertoe meer aandacht te schenken aan formatieve toetsing, kwalitatieve toetsing en decentrale toetsing door docenten en instellingen. Tegelijkertijd blijft het van belang dat de rijksoverheid duidelijke en consistente kaders stelt. Deze kaders betreffen zowel centrale eindtoetsen en examens (die als ijkpunten fungeren) als gedegen toezicht op de kwaliteit van de toetsing en examinering. Voor onderwijsinstellingen is het volgens de raad van belang dat toetsing betrouwbaar is en in lijn wordt gebracht met onderwijsdoelen, onderwijsinhoud en onderwijsmiddelen. Binnen de instelling dient hier op worden toegezien door toets- of examencommissies, waarvan de leden toetsdeskundig zijn. Bredere toetsdeskundigheid van onderwijsprofessionals dient te worden geborgd door toetsing en examinering een nadrukkelijke plaats te geven in de beroepsstandaarden en professionaliseringstrajecten (Toets wijzer: Naar een eigen(tijdse) wijze van toetsen en examineren, 2018).

Vergroot de betrouwbaarheid en waarde van de examens

De raad is voorstander van een eindtoets in het basisonderwijs voor de doorstroomrelevante vakken taal en rekenen en op termijn ook Engels. Wereldoriëntatie maakt daar naar de mening van de raad geen onderdeel van uit. De raad is geen voorstander van een centrale uniforme eindtoets, maar beveelt aan richtlijnen te ontwikkelen om toetsen te kunnen ijken op de referentieniveaus (Toetsing in het primair onderwijs, 2011).

Het vaststellen van referentieniveaus voor taal en rekenen in het primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs zorgt voor aansluiting tussen de sectoren, garandeert een bepaald basisniveau voor bijna alle leerlingen en maakt voor alle leerlingen het streefniveau zichtbaar. Toetsen gebaseerd op de referentieniveaus vervullen tevens een diagnostische functie tijdens het schooljaar. Ze maken deel uit van een leerlingvolgsysteem en zijn bestemd voor het bepalen van de individuele leerlijn van een leerling (Kaders voor de referentieniveaus, 2009).

Om de betrouwbaarheid van de centrale examens in het voortgezet onderwijs te versterken, zijn verschillende maatregelen nodig. Een daarvan is het omdraaien van de correctievolgorde. Eerst kijkt een leraar van een andere school het examen na en dan pas de leraar van de eigen school. Ook in het middelbaar beroepsonderwijs en in het hoger onderwijs is het verstandig externe deskundigen te betrekken bij de examinering (Examinering: draagvlak en toegankelijkheid, 2006; Examens in het vmbo, 2009).

Het aanscherpen van de exameneisen is een tweede middel om de betrouwbaarheid van de examens te vergoten en het bereikte kennisniveau te waarborgen. De raad adviseerde om leerlingen in het havo en vwo alleen in aanmerking te laten komen voor het diploma als ze voldoendes halen voor de drie basisvakken Nederlands, Engels en wiskunde/rekenen. Dit adviseerde de raad eveneens voor het vmbo, maar daarbij werd Engels in de beroepsgerichte leerwegen vervangen door het beroepsgerichte programma. Om in het middelbaar beroepsonderwijs de kennis van deze basisvakken te verhogen en de doorstroom naar het hoger onderwijs te bevorderen, stelde de raad voor te onderzoeken of mbo 4-leerlingen kunnen deelnemen aan havo-examens (Versteviging van kennis in het onderwijs II, 2007; Doorstroom en talentontwikkeling, 2007; en Examens in het vmbo, 2009).

Een wezenlijk aspect van de waarde van examens is het vertrouwen dat belanghebbenden stellen in het examen en het verkregen diploma. Er is op dit moment geen objectieve uitspraak mogelijk over veranderingen in het niveau van een afgestudeerde mbo’er of hbo‘er. Om het vertrouwen in het examen te versterken stelde de raad voor een systeem van normering/equivalering in het middelbaar beroepsonderwijs en relevante delen van het hoger onderwijs te ontwikkelen voor de cruciale beroepsgerichte onderdelen. Een tweede manier om het vertrouwen in examens te vergroten is het betrekken van belanghebbenden bij de opleiding en de examens door ze beter en directer te informeren over het bereikte niveau van leerlingen en studenten en door te bouwen aan ‘communities of trust’ waarbij een band wordt opgebouwd tussen de betrokken partijen zoals leerlingen en studenten, docenten, examencommissies, opleidings- en instellingsbesturen, vervolgopleidingen en beroepenveld. Tot slot kan het vertrouwen in examens verbeterd worden door te onderzoeken op welke manier de wettelijke taakomschrijving van de examencommissie in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs kan worden aangescherpt in het omgaan met de verzilvering van ervaringscertificaten (evc). In het verlengde hiervan stelde de raad voor om de ruimte voor evc’s te beperken tot ca. 20 tot 25% in een diplomatraject (Een diploma van waarde, 2010).

Om de waarde van een diploma in het voortgezet onderwijs te verhogen, adviseerde de raad tevens om een supplement toe te voegen met aanvullende informatie zoals extra gevolgde vakken, elders gehaalde certificaten en verdiende prijzen. De basis van het diploma blijft in de ogen van de raad echter een diploma dat is gebaseerd op examens, die voor een belangrijk deel centraal zijn afgenomen en elk minimaal het niveau hebben van het algemene diploma dat uiteindelijk wordt toegekend. Deze niveau-eis is nodig om te borgen dat het diploma een duidelijke waarde blijft houden en daarmee het civiel effect en de toegankelijkheid tot het vervolgonderwijs te borgen. Vanuit deze gedachte sprak de raad zich in 2015 uit tegen verdere verruiming van wettelijke kaders rond eindtoetsing in het voortgezet onderwijs. Dat neemt overigens niet weg dat de raad de scholen aanmoedigt om het leerlingen mogelijk te maken voor een of enkele vakken het examen op een hoger niveau af te leggen. Deze ‘examens op een hoger niveau’ kunnen dan worden vermeld in het diplomasupplement (Maatwerk binnen wettelijke kaders: eindtoetsing als ijkpunt voor het funderende onderwijs, 2015). 

Plaats de examens op functionele afstand van de opleidingen

Al in 2002 stelde de raad voor de examinering in het Nederlandse onderwijs op functionele afstand van de opleidingen te plaatsen - met uitzondering van de examens in het vmbo en op niveau 1 van het mbo.

Er moet meer nadruk komen op opleidingsonafhankelijke examens; er kan een betere rollenscheiding komen tussen opleiden en beoordelen (zie hierboven); en er kunnen betere afspraken komen over de inhoud en afname van examens (Examinering in ontwikkeling, 2002).

Voor het hoger onderwijs ging de raad nog een stapje verder. Hij adviseerde om vergelijkbare opleidingen op vrijwillige basis gezamenlijk een afsluitend bachelorexamen te laten ontwikkelen, zodat studenten dezelfde toetsen afleggen en makkelijker kunnen overstappen binnen de samenwerkende opleidingen (Examinering: draagvlak en toegankelijkheid, 2006).

Maak de examens toegankelijk voor iedereen die een diploma wil halen

Iedereen kan deelnemen aan het staatsexamen in het voortgezet onderwijs. De raad wil dat dit meer bekendheid krijgt en dat ook voor andere onderwijssectoren dit soort voorzieningen wordt getroffen. Voor het hoger onderwijs pleit de raad voor het inrichten van een speciale exameninstelling, die dus onafhankelijk van opleidingen examineert (Examinering: draagvlak en toegankelijkheid, 2006).

De raad pleit er sinds 2003 voor te investeren in een bredere toepassing van examens en van procedures voor de erkenning van elders verworven competenties, ook voor reguliere onderwijsinstellingen (Werk maken van een leven lang leren, 2003).

Welke beleidsmaatregelen nam het Ministerie van OCW?

  • In 2009 gaat de Inspectie er op letten dat het verschil tussen schoolexamen en centraal schriftelijk examen op een school niet meer dan een half punt bedraagt.
  • In 2011 wordt de zak-slaagregeling aangepast, waarbij het gemiddeld centraal examencijfer een 5,5 of hoger moet zijn om in aanmerking te komen voor het diploma. Ook wordt de zogeheten kernvakkenregeling ingevoerd, die voor havo en vwo inhoudt dat leerlingen voor de vakken Nederlands, Engels en wiskunde ten hoogste één 5 mogen staan. Voor het vmbo gold eenzelfde regeling voor Nederlands.
  • In 2013 wordt de rekentoets, gebaseerd op algemene vaardigheidsniveaus, als verplicht onderdeel van het examen ingevoerd voor alle leerlingen van het voortgezet- en middelbaar beroepsonderwijs. De rekentoetsen in het voortgezet onderwijs worden sinds het schooljaar 2013-2014 verplicht, maar tellen op dat moment nog niet mee in de zak-slaagbeslissing. Wel wordt het cijfer voor de rekentoets vermeld op (een bijlage bij) de cijferlijst. Het laten mee tellen van het cijfer op de rekentoets vo is voorzien vanaf schooljaar 2015-2016. Tot nu toe is zij verschillende keren uitgesteld en alleen de rekentoets vo heeft één jaar meegeteld voor het diploma. In het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III is aangekondigd dat er uiterlijk 2019-2020 een alternatief voor de rekentoets wordt ingevoerd.
  • In 2014 worden scholen verplicht zowel een eindtoets af te nemen als een leerlingvolgsysteem te gebruiken, waarbij er verschillende varianten en aanbieders zijn waartussen ze kunnen kiezen. De eindtoetsen worden geijkt aan de referentieniveaus taal en rekenen, aan de hand waarvan kan worden gekeken of een leerling aan het vereiste basisniveau voldoet. Het afnamemoment van de eindtoets primair onderwijs wordt naar achteren geschoven, waardoor de toets op een andere manier wordt meegewogen voor het schooladvies. De Inspectie gaat op hetzelfde moment vanuit haar stimulerende rol ‘verder kijken’ dan resultaten op de eindtoets, maar dat neemt niet weg dat deze toets een belangrijke rol blijft vervullen in het toezichtkader.
  • De staatssecretaris geeft in 2015 aan dat hij geen voorstander is van verdere verruiming van de wettelijke kaders rond de examinering in het voortgezet onderwijs. Hij gaat wel stimuleren dat leerlingen voor een of enkele vakken examens kunnen doen op een hoger niveau, maar houdt vast aan algemene diploma’s die worden gebaseerd op examens met een niveau dat minimaal gelijk is aan het niveau van het diploma.
  • In 2016 wordt de indicator van het verschil tussen schoolexamen en centraal schriftelijk examen geschrapt uit het resultatenmodel van de Inspectie, omdat de zak-slaagregeling en de bepalingen over kernvakken de indicator overbodig maken. Bovendien heeft de indicator het ongewenste effect dat de schoolexamens meer op de centrale examens gaan lijken. De Inspectie blijft verschillen tussen schoolexamen en centraal schriftelijk examen wel monitoren om erop toe zien dat het schoolexamen en centraal schriftelijk examen op een school niet langdurig uiteenlopen.
  • In januari 2019 kondigt de staatsecretaris aan om de balans tussen schoolexamens en centrale examens te herstellen door meer toezicht te houden op de kwaliteit van schoolexamens en een schooleigen invulling van deze examens aan te moedigen.

Publicaties Onderwijsraad

  • Maatwerk binnen wettelijke kaders: eindtoetsing als ijkpunt voor het funderend onderwijs

    13 november 2015 | Advies

    De Onderwijsraad heeft op verzoek van de staatssecretaris een advies uitgebracht over de vraag in hoeverre het wenselijk is om in het primair en voortgezet onderwijs de wettelijke kaders van de eindtoetsing te verruimen.

    Verder lezen ›

  • Een onderwijsstelsel met veerkracht

    8 december 2014 | Advies

    De Onderwijsraad gaat in op de vraag hoe het onderwijsstelsel zich kan blijven aanpassen aan veranderende eisen vanuit de samenleving. Een grote stelselwijziging op basis van een ontwerp van 'het beste stelsel' is daarbij niet de goede weg. De raad adviseert de overheid actiever te stimuleren dat variëteit in het stelsel ontstaat. Dit vergroot de veerkracht van het stelsel.

    Verder lezen ›

  • Toetsing in het primair onderwijs

    30 mei 2011 | Advies

    De raad geeft in dit advies commentaar op de kabinetsplannen rondom toetsing in het primair onderwijs. De raad kan zich vinden in het verplichten van een eindtoets voor doorstroomrelevante vakken en van een leerlingvolgsysteem in het primair onderwijs. Hij geeft aan dat op enkele onderdelen het wetsvoorstel dat dit regelt, heroverweging verdient.

    Verder lezen ›

  • Een diploma van waarde

    13 oktober 2010 | Advies

    De centrale overweging in dit advies is dat leerlingen, studenten, vervolgopleidingen en potentiële werkgevers vertrouwen moeten kunnen stellen in de examinering in het Nederlandse onderwijs. De waarde van de behaalde diploma's staat of valt hiermee. De raad geeft in dit advies een aantal oplossingsrichtingen die dit vertrouwen kunnen versterken.

    Verder lezen ›

  • Examens in het vmbo

    23 april 2009 | Advies

    Net als in havo en vwo kan volgens de raad ook in het vmbo de eis worden gesteld van maximaal één 5 voor de basisvakken Nederlands en Engels, mits daarbij voor de beroepsgerichte leerwegen Engels wordt vervangen door het beroepsgerichte programma.

    Verder lezen ›

  • Een onafhankelijk College voor examens

    20 juni 2008 | Advies

    De raad brengt een advies uit over het Wetsvoorstel College voor examens.

    Verder lezen ›

  • Examinering: draagvlak en toegankelijkheid

    13 november 2006 | Advies

    Zorg voor toegankelijke en betrouwbare examens in alle onderwijssectoren. Stel de examens open voor deelnemers die denken aan de exameneisen te voldoen, maar het bijbehorende onderwijs niet hebben gevolgd. Waarborg de betrouwbaarheid van de diploma's.

    Verder lezen ›

  • Examinering in het hoger onderwijs

    2 juli 2004 | Advies

    Hogescholen en universiteiten hebben veel vrijheid bij het vormgeven van examens. Dat leidt soms tot ongewenste situaties. Zo beoordelen docenten die een afstudeerder begeleiden, vaak ook als enige het eindproduct. Tijd voor meer objectieve en transparante eindbeoordelingen, vindt de raad.

    Verder lezen ›

  • Examinering in ontwikkeling. Een ontwikkelingsperspectief voor examens in het voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs.

    21 november 2002 | Advies

    Leerlingen en studenten leren op school en daarbuiten, ze leren tijdens de schoolperiode maar ook tijdens hun verdere leven. Examens in het voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs moeten dat binnen- en buitenschoolse leren bevorderen en registreren. De raad wil bovendien dat examens losser komen te staan van het gevolgde onderwijs.

    Verder lezen ›