Tot hier en nu verder

30 november 2004 | Advies

Jongeren die de school voortijdig verlaten moeten op kosten van de samenleving een vaardigheidsbepaling doen die uitwijst wat zij geleerd hebben. Met de uitkomsten kan een onderwijsprogramma op maat worden gemaakt, dat alsnog leidt tot het minimale niveau nodig voor de arbeidsmarkt (mbo-2).  

Van de 18- tot 24-jarigen haakten in 2003 ruim 200.000 scholieren af (15%). Zij behaalden geen diploma op het vereiste niveau (de startkwalificatie). Dit aantal moet afnemen. De samenleving wordt immers kennisintensiever en Nederland heeft in Europees verband afgesproken het opleidingsniveau van de bevolking te verhogen.

Stimuleer jongeren onderwijs te volgen met korte maatwerkprogramma's

De raad vindt daarom dat de overheid nieuw beleid moet ontwikkelen. Een vaardigheidsbepaling die vooral (werk)ervaring (mee)telt, kan jongeren stimuleren weer onderwijs te gaan volgen. Dat moet bij voorkeur een kort maatwerkprogramma zijn dat leren en werken combineert. Persoonlijke begeleiding door een mentor is daarbij van groot belang.

Gemeenten moeten deze aanpak coördineren, omdat er bij voortijdig schoolverlaten flink wat instanties komen kijken: onderwijsinstellingen, meldpunten voor schoolverlaten, het Centrum voor Werk en Inkomen en de jeugdzorg.

De staatssecretaris moet in de begroting vanaf 2006 jaarlijks 7,5 miljoen euro hiervoor reserveren. Met dit geld kunnen als proef 10.000 jongeren een vaardigheidsbepaling afleggen. Verder moet de overheid het mogelijk maken om branchediploma's en relevante ervaring (erkenning van verworven competenties) te erkennen, zodat die certificaten kunnen meetellen in het officiële diplomastelsel. Brancheorganisaties, bedrijfsleven en onderwijs kunnen dan komen tot een gecombineerde diploma-aanpak. 

 

 

Lees de volledige publicatie ›