Een vlechtwerk van opvang en onderwijs

27 februari 2006 | Advies

Het vervlechten van opvangvoorzieningen en onderwijs is goed voor de ontwikkeling van kinderen. De raad is voorstander van het koppelen van voor- en naschoolse opvang aan de basisschool, maar vindt dat scholen de tijd moeten krijgen om het goed te regelen.

Dit advies gaf de raad de minister in reactie op de motie-Van Aartsen-Bos (september 2005). De motie wilde scholen verplichten om vanaf 1 januari 2007 voor- en naschoolse opvang aan te bieden. De raad wilde dat scholen vanaf deze datum aantoonbaar hun best zouden doen om de opvang te regelen, maar dat de verplichting pas in 2010 in de onderwijswet zou komen.

Vier scenario's voor de organisatie van de opvang

De raad schetst vier mogelijke scenario's voor het organiseren van de opvang. Bij alle vier is het uitgangspunt voor de kwaliteit de Wet kinderopvang.

De eenvoudigste manier is dat scholen een overeenkomst sluiten met aanbieders van buitenschoolse opvang, zoals dat nu al regelmatig gebeurt. In de praktijk blijken veel scholen voor dit ‘makelaarsmodel' te kiezen. Een tweede mogelijkheid is dat scholen zélf een stichting voor kinderopvang oprichten. In het derde scenario verzorgen basisscholen onderwijsgebonden opvang die bijdraagt aan de kerndoelen van het onderwijs. In de vierde en laatste variant ziet de raad een instelling voor zich die opvoeding, opvang én educatie aanbiedt. Er is een afdeling voor de basisschool, een kindercentrum voor de opvang van nul- tot vierjarigen, en een afdeling voor zorg en educatie in buitenschoolse tijd voor vier- tot en met twaalfjarigen. Dit laatste scenario bouwt voort op het advies Spelenderwijs uit 2002.