Internationale leerwegen en het internationale baccalaureaat

9 februari 2006 | Advies

Samenvatting

Eind 2004 berichtten verschillende landelijke dagbladen dat het internationale baccalaureaat (IB) op termijn ook toegankelijk zou worden voor leerlingen in het regulier voortgezet onderwijs. Het IB is een internationaal ontwikkeld tweejarig onderwijsprogramma en eindexamen op vwo-niveau. In Nederland is deelname aan het IB vooralsnog alleen mogelijk voor leerlingen op de internationale scholen. Deze zijn toegankelijk voor kinderen van internationaal mobiele ouders, bijvoorbeeld werknemers van internationale bedrijven en instellingen die zich tijdelijk in Nederland vestigen. De dagbladen zijn echter nogal op de zaken vooruitgelopen. Inderdaad heeft de Tweede Kamer in november 2004 een motie aanvaard die beoogt het IB bereikbaar te maken voor reguliere leerlingen. De minister heeft echter direct gezegd verschillende bezwaren te zien tegen openstelling. Zij gaf dan ook aan dat de regering de motie niet zou uitvoeren.

De positie van de minister is goed te begrijpen: veel vragen en mogelijke bezwaren zouden beschreven en gewogen moeten worden voordat een gefundeerd besluit mogelijk is. Wat is het IB precies? Hoe ziet dit curriculum en examen eruit? Hoe is het IB ontstaan, wie is de ‘eigenaar’ van het programma? Wat weten we over het kwaliteitsniveau ervan? Wat is de formele positie van het IB in Europa en Nederland? Hoe gaan andere landen om met het IB? Als het om openstelling gaat: is het een onoverkomelijk bezwaar dat het IB-programma Engelstalig is en erg duur? Sluit het IB-diploma wel goed aan op het Nederlands hoger onderwijs? De minister heeft de Onderwijsraad hierover om advies gevraagd. Het advies beschrijft en onderzoekt zowel de praktische als de meer principiële bezwaren die er zouden kunnen zijn tegen opstelling van het IB. Ook zoekt het advies naar de mogelijke toegevoegde waarde van openstelling van het IB voor een bredere doelgroep. De raad heeft verder de vragen over het IB onderzocht in relatie tot andere (bestaande en denkbare) internationale leerwegen in Nederland.

Twee adviezen
De analyses laten zien dat denkbare praktische bezwaren die te maken hebben met de Engelse voertaal en de aansluiting op het hoger onderwijs geen doorslaggevend beletsel hoeven te vormen voor openstelling van het IB. De kosten van deelname aan het IB zijn erg hoog, maar ook dit hoeft op zichzelf geen belemmering te zijn voor een verbreding van de doelgroep, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De eigenaar van het IB (de International Baccalaureate Organisation, IBO) heeft de formele regie over de inhoud en de kwaliteit van het IB-programma. Echter, de Minister heeft altijd het laatste woord in de beslissing of een bekostigde (of erkende) school het IB-programma zou mogen aanbieden. De Minister kan de toestemming aan een school namelijk onthouden of intrekken.

Maar daarmee blijft nog altijd de vraag staan naar de principiële kant van de zaak: wil Nederland een dergelijk internationaal ontwikkeld curriculum een plaats geven binnen ons eigen reguliere onderwijsstelsel en op welke manier? Betekent het feit dat er vraag bestaat naar het IB onder ouders en leerlingen niet dat het Nederlands onderwijs niet internationaal genoeg is?

De raad adviseert de minister om twee dingen te doen:
•    (1) Stimuleer het onderwijsveld en leerplaninstanties om een pakket aan eigen geïnternationaliseerde leerwegen te ontwikkelen.
•    (2) Stel het IB, in afwachting van deze eigen internationale varianten, voorlopig beperkt open.

(1) Ontwikkel een pakket aan eigen geïnternationaliseerde leerwegen
Het debat over het IB laat zien dat het hoog tijd is om grondig na te denken over internationale leerwegen in ons onderwijs. Internationalisering verkeert nog altijd in een beginfase, het onderwijs kent geen structurele internationale dimensie. De raad is sterk voorstander van meer internationalisering in het onderwijs en geeft ook in dit advies aan, dat de beleidsprioriteit zou moeten liggen bij de ontwikkeling van eigen internationale varianten.

Om de gedachten te bepalen over wat mogelijk is schetst de raad vier mogelijke leerwegen, uiteenlopend van zeer internationaal (het huidige internationale onderwijsveld) tot reguliere opleidingen met een internationale dimensie. Wellicht kan op langere termijn gedacht worden aan internationale varianten van vakken, een internationaal profiel in de tweede fase van het havo/vwo, een internationale leerweg in het vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs), en internationale varianten van Nederlandse diploma’s. De raad beveelt de minister aan het initiatief te nemen tot het opzetten van een ontwikkelingsprogramma, waarmee zij de totstandkoming van geïnternationaliseerde leerwegen door het hele onderwijs heen kan stimuleren. Zij kan beginnen met het in kaart laten brengen welke varianten bestaan en welke nog tot stand zouden moeten komen. De resultaten hiervan kan zij bespreken met het veld om na te gaan op welke wijze onderwijsinstellingen en leerplaninstanties hieraan zelf verder kunnen werken. In de ideale situatie kan een leerling of student in de toekomst kiezen voor de geïnternationaliseerde leerweg die bij hem of haar past.

(2) Stel het IB voorlopig beperkt open
Totdat het Nederlands systeem eigen internationale leerwegen ontwikkeld heeft zal er vraag blijven naar het IB. De raad ziet daarom in de actuele situatie een duidelijk toegevoegde waarde van een verbreding van de doelgroep van het IB. Voor een kleine groep leerlingen is het IB een interessante optie. Het gaat om een kosmopolitisch ingestelde doelgroep die er bewust voor kiest om de mogelijkheid van een internationale toekomst en carrière open te houden. Wanneer er scholen en (ouders van) leerlingen zijn die sterk gemotiveerd zijn om het IB respectievelijk aan te bieden of te volgen, zou dat mogelijk moeten zijn. Het bieden van deze ruimte past in het overheidsbeleid gericht op meer diversiteit, meer autonomie voor scholen en meer keuzevrijheid voor ouders en onderwijsdeelnemers. Het IB is een hoogwaardig programma en examen dat zich duidelijk van de huidige bovenbouw van het havo/vwo (inclusief het tweetalig onderwijs) onderscheidt doordat het een volledig internationale oriëntatie kent. In afwachting van de ontwikkeling van eigen internationale leerwegen is openstelling van het IB ook een manier om in het onderwijs meer aandacht te besteden aan getalenteerde leerlingen. De raad ziet openstelling van het IB vooral als een tijdelijke optie, in afwachting van verbeteringen in het eigen onderwijssysteem die leiden tot voldoende internationale opties.

Vijf condities voor openstelling
Een reguliere school kan het IB pas aanbieden als aan vijf condities voldaan is:

1) De school verwerft schriftelijke toestemming van de Minister
De minister kan de toegang tot het IB op verschillende manieren regelen. Een wetswijziging zou pas nodig zijn als het IB structureel en op grote schaal wordt ingevoerd. Dat is niet wat de raad voor ogen heeft. De Onderwijsraad noemt twee mogelijke manieren om openstelling te regelen. Ten eerste zou de minister een nieuwe beleidsregel kunnen uitvaardigen die toeziet op ontheffing van de eisen in de WVO (Wet op het voortgezet onderwijs). Hierin zou de minister desgewenst kunnen bepalen dat het IB alleen in het Engels aangeboden mag worden of ook in het Frans en/of Spaans. Een andere mogelijkheid is het zodanig verruimen van de bestaande beleidsregel voor het internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (igvo) dat ook de verruimde doelgroep leerlingen hierin past. Waneer de gekozen regeling in werking treedt kan een school een schriftelijk verzoek indienen om het IB te mogen aanbieden. De Minister beslist per school of hij dit toestaat. Ook blijft de Minister steeds eindverantwoordelijke in de beslissing of een school het IB mag blijven aanbieden. Dit besluit kan onder meer berusten op het oordeel van de Inspectie. Is de kwaliteit onvoldoende, dan kan de Minister de reguliere bekostiging voor de IB-leerlingen stopzetten.

2) De school verwerft een licentie van de IBO
Een school die het IB wil aanbieden moet een licentie van het IBO verwerven. De school zal hiertoe minimaal voldoende Engelstalige docenten moeten aantrekken en hen moeten scholen in de pedagogisch-didactische uitgangspunten van het IB. Naar verwachting zullen vooral (sommige) internationale scholen en scholen met tweetalig onderwijs een licentie willen verwerven.

3) De school hanteert heldere sectiecriteria
De school moet leerlingen die willen deelnemen aan het IB selecteren op motivatie, het taalniveau Engels én het taalniveau Nederlands. Als toelatingseis tot het IB kunnen verder gelden een havo-diploma en een overgangsbewijs van vwo-4 naar vwo-5. Deze selectie kan door de scholen zelf ter hand genomen worden. Daarbij kunnen ze ook kijken naar de positie van de ouders. Het kan voorkomen dat zij deel uitmaken van een internationale setting, zoals een internationaal georiënteerde onderneming, en toch niet in aanmerking komen voor een plaats op een internationale school. Vertegenwoordigers van internationale scholen en scholen voor tweetalig onderwijs met wie de raad gesproken heeft, menen dat het doorgaans goed aan te geven is voor welke leerlingen het IB een goede optie zou zijn.

4) De school handhaaft een reguliere havo-vwo-afdeling
Een reguliere school die het IB wil aanbieden moet zijn reguliere havo-vwo-afdeling handhaven, zodat een leerling tussentijds kan terugstromen als dit nodig is. Daarnaast zou de school moeten zorgen voor een productieve verbinding tussen de twee soorten leerlingen en onderwijsvormen. Dit kan door ontmoetingsmomenten tussen de leerlingen te organiseren (excursies, pauzes, enzovoort). Zo komen alle leerlingen in een internationale setting en kunnen IB-leerlingen hun Nederlandse taalvaardigheid bijhouden. Scholen kunnen verder positieve aspecten van de IB-methode in het regulier onderwijs inbrengen en andersom, bijvoorbeeld door docenten op beide afdelingen te laten werken.

5) De school neemt deel aan een IB-fonds waaruit beurzen verstrekt worden
De raad kiest ervoor openstelling van het IB niet te bekostigen uit extra overheidsmiddelen. De raad stelt voor de huidige extra vergoeding voor internationale scholen  (ongeveer1.049 euro per leerling per jaar) te vervangen door een overheidsbijdrage aan schoolfondsen, waaruit IB-beurzen verstrekt kunnen worden aan leerlingen met nietdraagkrachtige ouders. Zowel de huidige internationale leerlingen als de nieuwe categorie kunnen meedingen naar een (gedeeltelijke of volledige) beurs. Om de bureaucratie tot een minimum te beperken kunnen groepen scholen samen een IB-fonds in het leven roepen en beheren. De scholen zouden tevens bedrijven en werkgevers kunnen aanmoedigen om een bijdrage te leveren aan hun fonds. Het hebben van een dergelijke fonds zou als conditie moeten gelden voor een school die het IB wil aanbieden.

1. Adviesthema: internationale leerwegen en het IB

1.1 Internationale leerwegen en de plaats van het IB daarbinnen

Eind 2004 berichtten de landelijke kranten dat het IB-programma (internationaal baccalaureaat) op korte termijn toegankelijk zou worden voor alle Nederlandse vwo-leerlingen. Zo stonden er in NRC Handelsblad koppen als “Engelstalig onderwijs verruimd” en “VWO als internationale school”.1 In werkelijkheid is echter nog niet besloten om het IB-programma toegankelijk te maken voor vwo-leerlingen. De Tweede Kamer had wel op dat moment net zijn steun gegeven aan een motie met deze strekking. Minister Van der Hoeven van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) gaf echter aan verschillende bezwaren te hebben. De daaropvolgende discussie onder voor- en tegenstanders van open-stelling van het IB ligt ten grondslag aan dit advies. De minister heeft de Onderwijsraad gevraagd te adviseren over het IB als onderdeel van zijn advies over internationalisering in het onderwijs (zie bijlage 4). De raad heeft deze vraag echter in een apart advies willen behandelen om specifiek aandacht te kunnen besteden aan alle argumenten en (juridische) vragen die spelen rondom de mogelijke openstellingen van het IB. Dit is aangekondigd in de Internationaliseringsagenda voor het onderwijs, 2006-2011 (verder te noemen: Internationaliseringsagenda 2006-2011).2

De vraag naar openstelling van het IB staat dus in dit advies centraal. Echter, de raad is van mening dat deze kwestie niet op zichzelf staat en wil het IB daarom onderzoeken in relatie tot andere – bestaande en denkbare – internationale leerwegen in Nederland. In zijn Internationaliseringsagenda 2006-2011 heeft de raad onlangs aandacht gevraagd voor een verdergaande internationalisering van het onderwijs met name via het ontwerpen en invoeren van internationale leerwegen. Het huidige advies zet de gedachtevorming hierover voort.

Internationale curricula winnen terrein. Voorbeelden hiervan zijn het IPC (International Primary Curriculum) en het (Engelse, Franse of Spaanse) IB. Deze curricula zoeken een wisselwerking tussen universele en nationale waarden, leiden op tot wereldburger en zouden (tot op zekere hoogte) ook geschikt kunnen zijn voor Nederlandse scholen. Deze internationaal georiënteerde curricula worden gegeven op scholen die als voorhoedescholen op het gebied van internationalisering kunnen worden beschouwd.

Naast dergelijke volledig internationale curricula zijn ook eigen curricula met internationale aspecten in opkomst. Met name in het hoger onderwijs groeit het aanbod. In vijf jaar tijd zijn er drie internationale colleges opgericht die opleiden tot een bachelorgraad (Maastricht, Utrecht en Zeeland). Voorbeelden zijn er ook in het funderend onderwijs: onderwijsvormen waarin, naast het Nederlands, een buitenlandse taal de voer- en instructietaal is: tweetalig onderwijs. Het kan dan gaan om alle vakken of een beperkt aantal, om één leerjaar of meerdere. Intussen bieden 75 scholen tweetalig onderwijs Nederlands-Engels op havo- en vwo-niveau aan in Nederland.3 Het ministerie van OCW heeft onderzoek uitgezet naar de mogelijke uitbreiding van het tweetalig onderwijs in het basisonderwijs tot het Duits, het Frans en het Spaans.4

Er lijkt kortom in toenemende mate sprake van het ontstaan van een doorlopende internationale leerlijn en zelfs een internationale onderwijskolom in Nederland (ook wel een kosmopolitische onderwijsroute genoemd). Dit houdt in dat kinderen beginnen op een internationaal georiënteerde basisschool om uiteindelijk aan een internationale opleiding in het hoger onderwijs af te studeren en toegang te hebben tot de binnen- en buitenlandse arbeidsmarkt. Dit kan een gunstige ontwikkeling zijn, mits in ieder geval de toegankelijkheid tot deze kolom maximaal is en deze kolom wordt ingezet als voorhoede voor bredere internationalisering van het gehele onderwijs.

Als voorwaarden voor de bevordering van internationale leerwegen heeft de raad eerderde volgende aspecten benoemd, die in het huidige advies nader aan de orde komen:5
•   het onderwijsprogramma (de leerweg) moet een voorbeeldfunctie hebben voor de rest van het onderwijs;
•   het programma mag niet los staan van de Nederlandse taal en cultuur; het zou zelfs een creatieve bijdrage moeten leveren aan de vitaliteit van de Nederlandse taal en cultuur; en
•   het programma moet erop gericht zijn ambitieuze internationaal gerichte groepen voor het Nederlandse onderwijs en de Nederlandse samenleving aan te trekken en te behouden.

Dit hoofdstuk beschrijft eerst de huidige plaats van het IB in het Nederlands onderwijsstelsel (paragraaf 1.2). Vervolgens gaat paragraaf 1.3 na hoe het IB in eerdere raadsadviezen naar voren is gekomen. Dan formuleert de raad de centrale vragen die als leidraad voor het advies dienen (paragraaf 1.4) en gaat in op de gehanteerde werkwijze en opbouw van het advies (paragraaf 1.5).

1.2 Positie van het IB in Nederland

In de huidige situatie is het IB-programma in Nederland te volgen op internationale afdelingen van publiek gefinancierde Nederlandse scholen en onafhankelijke internationale privéscholen (British school, American School, enzovoort). Er zijn tien publiek gefinancierde scholen voor igvo (internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs) – één van deze scholen staat nog als ‘aspirantlid’ te boek – met in totaal ruim tweeduizend leerlingen (zie bijlage 4 voor een overzicht van de igvo-scholen).6 Deze scholen vallen onder de Regeling voor stichting, bekostiging en inrichting van internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs.7 De regeling geeft aan (artikel 9) dat de IB-cursus twee jaar duurt. Per jaar volgen de leerlingen lessen en onderwijsactiviteiten die in totaal ten minste overeenkomen met 1.140 lesuren van 50 minuten. Het curriculum is erop gericht de leerlingen de mogelijkheid te bieden examen af te leggen ter verkrijging van het IB-diploma. De igvoscholen hebben naast een internationale afdeling altijd een afdeling regulier onderwijs. De internationale afdelingen zijn alleen toegankelijk voor kinderen van Nederlanders en buitenlanders die – in het kader van hun beroep – internationaal mobiel zijn (zogenoemde ‘expatriots’). Naar verwachting zullen veel van deze kinderen Nederland op een gegeven moment weer verlaten en hun opleiding in een ander land vervolgen. De igvo-scholen werken samen als Dutch International Secondary Schools.

De Nederlandse overheid betaalt igvo-scholen de normale bekostiging per leerling in het voortgezet onderwijs, vermeerderd met circa 1.049 euro per leerling per jaar. Daarnaast betalen de ouders een hoge som schoolgeld (vrijwillige ouderbijdrage). Voor het leerstofInternationale aanbod en de examinering van het IB zijn de aanbiedende scholen (verplicht) aangesloten bij de IBO (International Baccalaureate Organisation) en gehouden aan de regels van deze organisatie. De Inspectie houdt toezicht op de igvo-scholen.

Naast de tien igvo-scholen met een IB-afdeling zijn er in Nederland verschillende reguliere scholen voor voortgezet onderwijs (met tweetalig onderwijs, zie paragraaf 4.3) waar leerlingen, op vrijwillige basis, mee kunnen doen aan het IB-examen Engels. Leerlingen kunnen dan een IB-certificaat behalen voor dit vak.

1.3 Het IB in eerdere raadsadviezen

Het IB is niet alleen in het raadsadvies Internationaliseringsagenda 2006-2011 ter sprake geweest, maar ook in het briefadvies Wetsvoorstel tweede fase voortgezet onderwijs (januari 2005). De raad adviseert de minister hierin om de ontwikkelingen rond dergelijke curricula goed te volgen. Daarnaast is een ander internationaal curriculum, het Europese baccalaureaat (EB), ter sprake gekomen in het raadsadvies Onderwijs en Europa: Europese invloeden in Nederland (2004). Daar stelt de raad dat Europese samenwerking op het gebied van onderwijs ook de introductie van een EB zou kunnen inhouden als ondersteuning voor de toegang tot Europese universiteiten. Op dit moment wordt het EB alleen afgegeven door Europese scholen, dat wil zeggen een klein aantal scholen die speciaal bedoeld zijn voor werknemers van de EU (Europese Unie). In Nederland is er één Europese school (thans nog in Bergen gevestigd). In hoofdstuk 4 worden de Europese scholen en het EB beschreven.

1.4 Centrale vragen

De raad heeft de volgende vragen aangehouden als leidraad voor het advies.

Hoofdvraag
Is het wenselijk en haalbaar dat alle leerlingen die dat willen en kunnen het IB-programma doorlopen en het diploma behalen?

Deelvragen:
•    (1) Wat is de specifieke plaats en bijdrage van het IB te midden van andere (bestaande en nog te ontwikkelen) internationale leerwegen?
•    (2) Moet de minister toestaan dat scholen voor havo en vwo het IB aanbieden aan reguliere leerlingen? Zo ja, onder welke voorwaarden? In hoeverre zijn met name taal, kosten en aansluiting op vervolgopleidingen een probleem?
•    (3) Is het wenselijk dat de overheid de implementatie van het IB in het voortgezet onderwijs (deels) bekostigt? Op welke wijze?

Toelichting
De vraag naar openstelling van het IB staat in het advies centraal. Het gaat daarbij zowel om eventuele openstelling voor reguliere leerlingen als om de bekostiging van het IB (deelvragen 2 en 3). Zoals gezegd wil de raad tevens ruimer kijken naar de toekomst van internationaliseringsvarianten in het onderwijs. De vraag naar openstelling van het IB is namelijk van belang, maar met name in afwachting van de ontwikkeling van meer en betere eigen internationale onderwijsvarianten, conform de adviezen in de Internationaliseringsagenda 2006-2011.8

Achter het debat over de openstelling van het IB lijkt een gevoel van onbehagen over de huidige tweede fase van het voortgezet onderwijs schuil te gaan. Maar dit advies gaat niet in op de actuele discussie over opbouw, aanpassingen en problemen in het huidige reguliere havo en vwo. Het IB wordt niet gezien als vervanging voor het reguliere voortgezet onderwijs.

1.5 Werkwijze en opbouw advies

Om te beginnen is een (internationale) websearch en literatuurstudie uitgevoerd naar het IB zelf en het debat over de positie van het IB in Nederland en andere landen. Vervolgens is een discussiebijeenkomst gehouden met veldvertegenwoordigers en intermediairs, waaronder voor- en tegenstanders van openstelling van het IB (zie bijlage 3). Daarnaast heeft de raad contact gezocht met deskundigen op het gebied van taalverwerving bij kinderen en op dat van aansluiting van het IB op het hoger onderwijs, met juridische deskundigen, en met vertegenwoordigers van de IBO. Tot slot heeft de raad gebruikgemaakt van een verkenning die is uitgevoerd ten behoeve van de totstandkoming van de Internationaliseringsagenda 2006-2011.9

Opbouw
Het advies beschrijft het IB en de discussie over de positie ervan eerst zo volledig mogelijk, alvorens over te gaan tot de beantwoording van de centrale vragen. Hoofdstuk 2 beschrijft het IB-programma en de discussie over openstelling, en geeft aan welke positie het IB inneemt in andere landen. Hoofdstuk 3 analyseert de vraag naar openstelling van het IB aan de hand van een toetsingskader bestaande uit principiële en praktische redenen om al dan niet tot openstelling over te gaan. In het vierde hoofdstuk denkt de raad na over de wenselijke toekomst van internationale leerwegen in het regulier onderwijs. Het advies van de Onderwijsraad hierover en over het IB volgt in hoofdstuk vijf.

2. Het IB-programma en de discussie over openstelling

Het IB is een pre-universitair curriculum van twee jaar, dat leidt tot een centraal examen op een nauwkeurig omschreven niveau. Het diploma geeft toegang tot universiteiten over de hele wereld. De Tweede Kamer heeft eind 2004 een motie aangenomen om het IB open te stellen voor alle scholen. In dit hoofdstuk beschrijven we het IB-programma en het politieke debat naar aanleiding van de motie. Ter illustratie beschrijven we hoe het IB in andere landen is gepositioneerd.

2.1 Inleiding

Het IB-programma is voortgekomen uit de wens een gezamenlijk curriculum te creëren voor leerlingen die zich gedurende hun schooltijd van het ene land naar het andere bewegen. Naast dit praktische uitgangspunt werden de makers gedreven door idealistische overwegingen: ze wilden leerlingen een academische ervaring geven waarin de nadruk ligt op kritisch denken, intercultureel begrip en blootstelling aan uiteenlopende zienswijzen.

De IBO heeft het IB-programma in 1968 ontwikkeld en biedt het sindsdien aan, naast internationale curricula voor het primair onderwijs en de eerste vier jaren van het voortgezet onderwijs (zie hoofdstuk 4). De IBO is een non-profitorganisatie met een hoofdkantoor in Genève. De scholen die het curriculum aanbieden bekostigen het IB. De IBO ontvangt extra inkomsten vanuit workshops, catalogusverkoop en donaties. In de beginfase van oprichting hebben veel overheden meebetaald aan de totstandkoming van het IB, ook de Nederlandse, met name vanuit de overweging een interessante vestigingsplaats te willen zijn voor het internationale bedrijfsleven.

De IBO hanteert de term International Baccalaureate Diplome Programme (IBDP) als het gaat om het pre-universitair curriculum. De term IB staat namelijk voor het totale aanbod van de IBO: drie curricula waarvan het IBDP het sluitstuk vormt (zie hoofdstuk 4). In dit advies sluiten we aan bij de gangbare terminologie in Nederland: als we over IB spreken bedoelen we het IBDP.

In dit hoofdstuk beschrijven we het IB-programma (2.2) en de IBO als organisatie (2.3) en trekken we conclusies (2.4). Vervolgens beschrijven we het maatschappelijk debat over het IB in Nederland (2.5) en in enkele andere landen (2.6).

2.2 Beschrijving van het programma

Zes academische vakken…
Het IB-programma is op dit moment beschikbaar in het Engels, Frans en Spaans. Het kent een curriculum waarbij een leerling zes academische vakken kiest uit onderstaande zes groepen van vakken. Elke zeven jaar redigeert de IBO alle vakken grondig. Een leerling kiest één vak per cluster. Een leerling kan tevens kiezen om een kunstvak (groep 6) te vervangen door een tweede vak uit groep 2 tot en met 5. De leerling kiest uit groep 1 in principe zijn of haar moedertaal. Actief burgerschap en een mondiale benadering worden – volgens de website van de IBO – in elk vakgebied aangemoedigd.

Groep 1 – moedertaal
Een van de pijlers onder het IB-programma is het behoud van de eigen culturele identiteit van de leerling. Daarom kunnen ongeveer vijftig talen als moedertaal onderwezen worden in het IB-programma. Het Nederlands is een van die talen. Leerlingen ontwikkelen hierdoor idealiter goede schrijf- en spreekvaardigheden, respect voor de literaire opbrengst van hun cultuur en een internationaal perspectief.

Groep 2 – tweede taal
Alle IB-leerlingen doen examen in een tweede taal; dat kan ook Latijn of Grieks zijn. Verschillende niveaus zijn mogelijk, passend bij tweetalige leerlingen, bij leerlingen met een hoge beheersing van een (tweede) taal, bij leerlingen met eerdere ervaring met de taal, en bij beginners. Het belangrijkste doel is leerlingen in staat te stellen de taal te gebruiken in uiteenlopende situaties en doelen: de cursus legt daarom de nadruk op schrijven en spreken (actief taalgebruik).

Groep 3 – individuen en maatschappijen
Onderwerpen waaruit een leerling binnen deze groep kan kiezen zijn onder andere: ondernemerschap en management, economie, aardrijkskunde, geschiedenis, islamitische geschiedenis, informatietechnologie en globalisering, filosofie, psychologie, en sociale en culturele antropologie.

Groep 4 – experimentele wetenschappen
Onderwerpen waaruit een leerling kan kiezen zijn: biologie, scheikunde, natuurkunde, omgevingssystemen en ontwerptechnologie. Leerlingen ontwikkelen praktische laboratoriumvaardigheden en leren samenwerken in interdisciplinaire groepen. Andere doelen: leerlingen bewust maken van morele en ethische dilemma’s en een gevoel voor sociale verantwoordelijkheid bijbrengen via het onderzoeken van lokale en globale onderwerpen.

Groep 5 – wiskunde en computerwetenschappen
Alle leerlingen dienen een wiskundecursus af te ronden. Daarin zijn vier keuzes mogelijk: hoog niveau, standaardniveau, gevorderde wiskunde of wiskundige methoden. Elke cursus heeft tot doel het wiskundig begrip van leerlingen te bevorderen en hun zelfvertrouwen en vaardigheden in de wiskundige taal te verhogen. Computerwetenschappen is een keuzevak in groep vijf.

Groep 6 – de kunsten
Onderwerpen waaruit de leerling kan kiezen zijn: beeldende kunsten, muziek en theaterkunst. Hierbij ligt de nadruk op de praktische uitvoering door studenten en het exploreren van creatief werk wereldwijd.

Aanpassingen per individuele school
In overleg met het IBO curriculum en assessment centrum mag een individuele school een eigen vak ontwikkelen dat de plaats kan innemen van een onderwerp in groep 2, 3, 4 of 6. Een voorbeeld zou kunnen zijn: Nederlandse cultuur en geschiedenis. Hierdoor zijn veel scholen in staat te voldoen aan nationale eisen aan het programma.

…en drie algemene modules
Naast de zes vakken moet elke leerling drie aanvullende modules volgen.

1) Theory of Knowledge (Teoria del conocimiento/Théorie de la connaisance10)
Het doel is het bevorderen van kritische vaardigheden. Dit gebeurt door leerlingen bewust te maken van de subjectiviteit van kennis en de ideologische (voor)oordelen die onderdeel kunnen uitmaken van kennis. Theory of Knowledge is tevens bedoeld om leerlingen aan te moedigen andere culturele perspectieven te waarderen.

2) Creativity, Action, Service (Creatividad, acción, servicio/Créativité, action, service)
Het doel is kinderen te leren hun inzet en talenten te delen met anderen, bijvoorbeeld door deelname aan theater- of muziekvoorstellingen, sport en activiteiten die dienstbaar zijn aan de gemeenschap. Door deze activiteiten moeten leerlingen een groter zelfbewustzijn ontwikkelen en de vaardigheid verkrijgen tot samenwerking met en consideratie voor anderen.

3) Extended Essay (Monografia/Mémoire)
Het doel is leerlingen in contact te brengen met de onderzoeks- en schrijfvaardigheden die verwacht worden door universiteiten. Hiertoe moet elke leerling een onderwerp kiezen en er een essay over schrijven van vierduizend woorden.

Examen, eindniveau en resultaten
Selectie en eindniveau
Het IB is geschikt voor leerlingen van zowel havo- als vwo-niveau door het systeem van keuzes en niveaus. Iedere leerling volgt van de zes gekozen vakken er drie op hoger niveau (vwo) en drie op standaardniveau (havo). Hierdoor bedient het programma een variëteit aan leerlingen en speelt het in op persoonlijke talenten en ambities. Internationale scholen hanteren vaak wel stringente selectiecriteria voor toelating tot het IB; zie onderstaand kader.

Selectie op de International School Eerde
Deelname aan het IB vereist een hoog academisch niveau. Leerlingen die toegelaten willen worden moeten hun academische vaardigheden al hebben aangetoond. Nederlandse kandidaten moeten in het bezit zijn van een havo-diploma of de vierde klas van het vwo met succes afgerond hebben.

Bron: website International School Eerde (www.eerde.nl)

Beoordeling en examen
Het IB kent een examensysteem dat losstaat van de onderwijsinstelling. Aan het eind van het tweede jaar van het programma vinden de examens plaats. Deze examens tellen voor 70 tot 80% mee voor het eindcijfer. De resterende 20 tot 30% bestaat uit interne beoordelingen van de docenten zelf. De eindexamens worden beoordeeld door de IBO, er zijn wereldwijd ongeveer vierduizend IBO-examinatoren.

Alle vaardigheden die beoordeeld worden kennen specifieke criteria. De externe correctoren hanteren deze criteria bij het nakijken. Deze standaardcriteria geven een bepaald vast beheersingsniveau aan. Elk vak of onderwerp wordt van een beoordelingscijfer voorzien op een schaal van 1 (laagste) tot 7 (hoogste). Voor het Extended Essay plus de cursus Theory of Knowledge zijn maximaal 3 punten te verkrijgen. Het totaal aantal te verkrijgen punten is dus 45. Het IB-diploma is meer waard naarmate er meer punten zijn verzameld. Met 24 punten ben je geslaagd, een diploma van meer dan 40 punten geeft toegang tot topuniversiteiten. Elk jaar slaagt ongeveer 80% van de kandidaten.

Eindniveau en resultaten
De universiteiten La Sorbonne, Oxford en Harvard hebben het IB in de jaren zestig als eerste erkend als basis voor toelating tot de universiteit. Vanaf toen is het diploma in een meerderheid van landen en door veel onderwijsinstellingen geaccepteerd. Momenteel erkennen in totaal honderd landen het IB-programma. In sommige landen (bijvoorbeeld in België, Frankrijk en Duitsland) is dit gebeurd via wettelijke besluiten. In andere landen hebben individuele universiteiten hun eigen erkenningsbeleid, bijvoorbeeld in Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en Nederland. Overheden zijn steeds meer geïnteresseerd in de standaarden en de internationale grondslag van het IB.11

Wereldwijd erkent een groot aantal universiteiten en overheden het IB-diploma als van een voldoende niveau voor toelating tot het hoger onderwijs. Zo is het IB-diploma één van de diploma’s die in het kader van het Europees Verdrag (1953) toelating bieden tot het Europees (en dus ook Nederlands) hoger onderwijs. Ook andere feiten maken duidelijk dat de Nederlandse overheid het IB-diploma erkent als gelijkwaardig aan het vwodiploma. Alle internationale en buitenlandse scholen functioneren zoals gezegd op grond van een aanwijzing van de Minister van OCW, zoals vastgelegd in de leerplichtwet.12 Het eindniveau van het IB is door de Nederlandse overheid via deze aanwijzing indirect erkend als hoogwaardig. De Minister baseert zich bij de aanwijzing namelijk expliciet op de maatstaven van de IBO omtrent het IB-examen.13

Ook meer subjectieve waarnemingen duiden op de hoge kwaliteit van het IB. Zo zijn leraren die het IB verzorgen volgens betrokkenen vaak enthousiast en geven zij aan het programma hoog te waarderen.14 Vertegenwoordigers van het internationaal onderwijs in Nederland zijn van mening dat het IB een aantrekkelijk programma is en dat de overkoepelende modules uitstekend voorbereiden op internationaal burgerschap.15 En universiteiten laten zich tegenover het Nuffic (Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs) positief uit over IB-gediplomeerden. Zij zouden veel gevoel voor verantwoordelijkheid hebben, zelfstandig zijn en een hoog kennisniveau hebben.16

2.3 De organisatie van het IB

IBO
Scholen die het IB aanbieden zijn verplicht aangesloten bij de IBO, die feitelijk de eigenaar van het IB-programma en -examen is. De IBO wordt aangestuurd door een bestuur van zeventien leden. Vijf leden zijn tevens directeur van een IB-school, zij worden per IB-regio democratisch gekozen (door de IB-schooldirecteuren). Andere leden van het bestuur zijn de IBO Director General, de voorzitter van de IB-examenraad, de voorzitter van het IB-fonds en vier vertegenwoordigers van de regionale adviescommissies van de IBO. Het bestuur bestaat verder uit drie mensen op persoonlijke titel, een voorzitter en een penningmeester. Deze laatste vijf worden jaarlijks verkozen door de rest van het bestuur.17

Toekomstverwachting
Momenteel mogen 1.597 scholen wereldwijd het IB-programma aanbieden. Vertegenwoordigers van de IBO18 verwachten dat de jaarlijkse vraag van scholen die het IB willen aanbieden zal blijven groeien met 15%, in elk geval in de eerstkomende jaren. Ze verwachten dat vooral het aantal publiek bekostigde scholen die het IB aanbieden, zal groeien. Inmiddels is 45% van de scholen die het IB aanbieden een publiek bekostigde school. De groei van het aantal nieuwe private scholen die het IB willen gaan aanbieden zal naar verwachting afnemen.

Kwaliteitszorg en kwaliteit
De IBO besteedt veel aandacht aan het bewaken van de kwaliteit. Afgevaardigden van de IBO bezoeken de school wanneer deze een aanvraag heeft gedaan om het IB te mogen verzorgen. Als de aanvraag eenmaal gehonoreerd is, vindt er elke vijf jaar een accreditatietraject plaats. Dat wil zeggen dat de school een schriftelijke zelfevaluatie doet, aan de hand waarvan een commissie vanuit de IBO de school komt bezoeken en beoordelen. In deze beoordeling is veel aandacht voor de kwaliteit, betrokkenheid en professionele ontwikkeling van docenten. Ook werkt de IBO nauw samen met onderwijsonderzoekers.

Daarnaast visiteert ook de Nederlandse Inspectie de bekostigde scholen die het IB in Nederland aanbieden. Deze ziet erop toe dat de scholen blijven voldoen aan beoordelingscriteria ontleend aan de vereisten van de opleiding tot een IB-diploma. De Inspectie onderhoudt hierover ook regelmatig contact met zusterorganisaties uit de betrokken landen.

In 2002 heeft de Inspectie de kwaliteit op acht internationale afdelingen van scholen voor internationaal georiënteerd onderwijs onderzocht op basis van een aangepaste versie van het toetsingskader voor regulier onderwijstoezicht.19 De afdelingen bleken overwegend goed onderwijs en goede leerlingenresultaten te leveren. Onderdelen die het meest voor verbetering in aanmerking kwamen waren de diversiteit van het didactisch handelen (te weinig maatwerk, een soms te hoge inschatting van het niveau waarop leerlingen het Engels beheersen) en kwaliteitszorg (beter aansluiten bij de feitelijke schoolsituatie).

Kosten en financiering
De tien publiek gefinancierde internationale scholen In Nederland (igvo-scholen) ontvangen zoals gezegd de normale bekostiging20 plus 0,031 fte (fulltime equivalent) per leerling per jaar (ongeveer 1.049 euro per leerling per jaar). Daarnaast betalen de ouders jaarlijks hoge bedragen (3.000 tot 5.500 euro). Daarmee kan het IB-onderwijs tot bijna twee keer zo veel kosten als het reguliere voortgezet onderwijs. Het internationale bedrijfsleven en andere internationale organisaties nemen – als werkgever van ouders van leerlingen – een soms aanzienlijk deel van de kosten voor hun rekening.

Ouderbijdragen op The International School of The Hague (ISH)
De ISH wordt als internationale school voor een groot deel gefinancierd door het ministerie van OCW. De ISH is daarom, anders dan zusterscholen in andere landen, slechts voor de helft van haar financiële armslag afhankelijk van ouderbijdragen. De ouderbijdragen van het ISH variëren voor de verschillende jaren tussen 3.650 en 5.445 euro, volgens de website van de school is dat bijna vier keer minder dan de ouderbijdrage in andere landen.

Bron: Twynstra & Gudde, 2005

Wat maakt het internationaal onderwijs zo duur?
Het IB is allereerst duur door de eisen die gesteld worden aan de aard van het onderwijs: kleine klassen en hooggekwalificeerde docenten (die bovendien allemaal ‘near native speaker’ moeten zijn). Daarnaast rekenen de internationale organisaties waarbij de scholen voor hun curricula (verplicht) zijn aangesloten hun kosten door aan de scholen. Als het specifiek om het IB gaat, dan is een aanbiedende school de onderstaande bedragen (zie kader) verschuldigd aan de IBO.

Vaste en variabele kosten die de IBO rekent aan een school met IB

Aanmelding en autorisatie: 2.260 euro (eenmalig)
Jaarlijks terugkerende licentiekosten: 8.590 euro (per jaar)
Programma-evaluatie: 200 euro (per jaar, oftewel 1.000 euro per vijf jaar)
Extra kosten nakijken examen Theory of Knowledge per school: 355 euro (per jaar)
Reis- en verblijfskosten visitatieleden: per bezoek vast te stellen (IBO bezoekt de school eenmaal bij aanvang en dan elke vijf jaar)
Inschatting totaalbedrag per jaar: meer dan 10.000 euro

Inschatting extra kosten per leerling
De vaste extra kosten voor een school die het IB aanbiedt bedragen meer dan 10.000 euro per jaar. Dat betekent dat een school met 10 IB-leerlingen minimaal 1.000 euro aan extra kosten per leerling heeft. Hoe meer leerlingen, hoe minder het IB per leerling kost. De examenkosten zijn niet meegenomen in dit bedrag. De IBO beoordeelt alle examens. De kosten hiervan bedragen ongeveer 1.900 euro per leerling. Daarnaast zal een school die het IB wil aanbieden (variabele) kosten maken om het IB-programma te implementeren, leermiddelen te kopen, leraren te werven, hen te trainen en bij te scholen, enzovoort.

Door de hoge kosten is de vrijwillige ouderbijdrage die scholen vragen in feite niet vrijwillig: de inschrijving op de school hangt ervan af. Zo kent de Haagsche Schoolvereeniging voor internationaal georiënteerd basisonderwijs een ouderbijdrage van 3.190 euro per jaar (2.980 euro voor een tweede kind).21

2.4 Conclusie over het IB

Het IB is volgens de aanbieders zelf, volgens deskundigen en op basis van de wereldwijde erkenning van het niveau, te beschouwen als een stevig curriculum dat leidt tot een diploma op het niveau van havo of vwo(-plus). Het programma stoelt op een duidelijke filosofie en maakt deel uit van een doorlopende programmalijn voor vier- tot achttienjarigen (zie hoofdstuk 4). De waarde van het diploma op de opleidings- en arbeidsmarkt is afhankelijk van de keuzes die leerlingen maken bij het samenstellen van hun vakkenpakket (hoger versus standaardniveau) en van het totale aantal punten dat zij halen voor het examen. Hoe meer punten zij halen, hoe waardevoller het diploma.

Het curriculum kent (evenals het vwo en het havo) geen beroepsgerelateerde component, maar wel een sterk op de samenleving betrokken component. De kosten van het IB zijn door de aard van het onderwijs (onder andere kleine klassen) hoog en worden grotendeels gedragen door de ouders van leerlingen.

Het examensysteem staat los van de onderwijsinstelling, de beoordeling ligt in handen van de IBO. Een dergelijke scheiding kan waarborgen bieden voor een onafhankelijke beoordeling. Het idee van onafhankelijke examencentra sluit deels aan bij wat de Onderwijsraad eerder heeft geadviseerd voor het hoger onderwijs: een striktere rollenscheiding tussen opleiden en examineren. Ook in het werkprogramma voor 2006 is een advies gepland hierover: Opleidings- en examensystemen meer van elkaar scheiden.22

2.5 Het debat over openstelling

Motie over IB
De Tweede Kamer heeft eind 2004 ingestemd met een motie van D66-kamerlid Lambrechts en VVD-kamerlid Balemans om scholen voor voortgezet onderwijs de ruimte te geven het IB aan te bieden. Lambrechts: “Het IB is een eenvoudig en evenwichtig programma dat al in 140 landen zijn plaats heeft veroverd. Het geeft leerlingen toegang tot de beste universiteiten van de wereld. Het is eigenlijk zoals de Tweede Fase zou moeten zijn, maar die wordt nog te zeer geplaagd door allerlei kinderziektes. Er is geen enkele reden om de toegang tot het IB te beperken, integendeel. In alle ons omringende landen staat het IB wel open voor alle leerlingen.”23 In een interview met de Volkskrant spreekt Lambrechts zelfs van “tweede fase geknoei”. Blijkbaar gaat het D66 dus niet alleen (niet voornamelijk?) om het internationale karakter van de IB-opleiding, maar ook om het bieden van een alternatief voor de tweede fase (in havo/vwo).

Volledige tekst van de motie
“De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende, dat het Internationaal Baccalaureaat internationale erkenning geniet, internationaal wordt getoetst en wereldwijd toegang verschaft tot de universiteit;
overwegende, dat het Internationaal Baccalaureaat op dit moment in Nederland uitsluitend toegankelijk is voor diplomaten kinderen en buitenlandse kinderen;
verzoekt de regering het Internationaal Baccalaureaat binnen het bereik te brengen van gewone Nederlandse kinderen;
verzoekt de regering derhalve tevens scholen ruimte te geven om het Internationaal Baccalaureaat in het regulier onderwijs aan te kunnen bieden, en gaat over tot de orde van de dag.”

Bovenstaande motie is door de Tweede Kamer aangenomen. Voor stemden GroenLinks, PvdA, Groep-Lazrak, Groep-Wilders, D66 en VVD.

Bron: TK 2004–2005, 29 800 VIII, nr. 56

Reactie van de minister
De minister heeft in twee brieven aan de Tweede Kamer en in haar antwoorden op Kamervragen van Lambrechts negatief gereageerd op de uitvoering van de motie. In haar brief van 12 maart 2004 geeft de minister de redenen waarom zij niet van plan is het IB open te stellen voor reguliere scholen. In de brief van 22 december (en haar antwoorden op vragen) licht zij haar argumenten nader toe.

1) Erkenning
Nederland kan niet zelfstandig beslissen dat elke school die dat wenst het IB kan gaan aanbieden, per school is erkenning nodig vanuit de IBO.

2) Kosten
Het IB kost ouders jaarlijks 3.000 tot 5.500 euro aan verplicht schoolgeld en is daarmee bijna twee keer zo duur als het gewone voortgezet onderwijs. Als Nederlandse leerlingen IB-onderwijs gaan volgen in plaats van het reguliere voortgezet onderwijs, dan zou dat per 1.000 leerlingen zo’n 5 miljoen extra kunnen gaan kosten (inclusief ouderbijdrage). Het geld zou moeten worden opgebracht door de overheid, door de school of door de ouders (extra schoolgeld). De minister acht dit geen van drieën mogelijk of wenselijk en geeft de volgende argumentatie.

“Als de school er geld bij legt, gaat dat ten koste van haar andere onderwijstaken. Als Nederlandse ouders meer schoolgeld gaan betalen dan de buitenlandse ouders (die laatste profiteren immers van de extra bekostiging die de overheid nu geeft voor de IB-leerlingen) geeft dat scheve verhoudingen. De overheid kan natuurlijk de extra kosten ook niet betalen – dat zou rechtsongelijkheid geven ten opzichte van de leerlingen die het gewone onderwijs volgen. Met andere woorden: de optie om alle leerlingen de vrijheid te geven om IB te volgen dat gedeeltelijk door de overheid wordt bekostigd, is alleen mogelijk door die overheidsbekostiging terug te brengen naar het niveau van de reguliere bekostiging in het voortgezet onderwijs. Dat betekent een achteruitgang in vergelijking met de huidige situatie. Die huidige situatie is, dat de overheid een extra bijdrage levert bovenop de normale bekostiging, met als legitimatie dat het een beperkte groep leerlingen betreft met een specifieke behoefte. Als die legitimatie wegvalt, moet ook de extra bekostiging vervallen.”24

De minister denkt ook dat er hoge niet exact te ramen kosten uit de invoering van het IB voortkomen. Het IB stelt namelijk andere eisen aan het curriculum en de personele en materiële voorzieningen.

3) Voertaal
IB-onderwijs wordt doorgaans gegeven in het Engels (het programma is zoals gezegd ook beschikbaar in het Frans en Spaans). De minister stelt dat het haar verantwoordelijkheid is om de Nederlandse taal de dominante instructietaal te laten zijn in het basis- en het voortgezet onderwijs. Kinderen die zich beter willen bekwamen in het Engels kunnen naar het tweetalig (reguliere) vwo. Daar zijn voldoende waarborgen voor het Nederlands omdat deze scholen maximaal 49% van de lestijd in het Engels mogen verzorgen. Uitbreidingen naar tweetalig havo en zelfs vmbo ziet de minister “met belangstelling tegemoet”. En ook kennismaking met het Engels op de basisschool is een prima initiatief. De minister heeft twee aanvullende bezwaren tegen de voertaal van het IB. Zij vreest dat als zij toestaat dat delen van het voortgezet onderwijs volledig in het Engels gegeven worden, sommige scholen de mogelijkheid zullen eisen om een andere voertaal (Spaans, Arabisch) te hanteren. Daarnaast stelt het IB als eis dat leraren (near) native speaker zijn. Zonder deze aanvullende eis is het voor scholen echter al moeilijk genoeg voldoende bekwame docenten te vinden, aldus de minister.

4) Aansluiting vervolgstudies
In haar adviesaanvraag aan de Onderwijsraad noemt de minister een vierde argument: een mogelijk onvoldoende aansluiting van het lB op de universitaire medische en bètastudies.

Onbehagen over tweede fase
Achter het debat over de openstelling van het IB ligt een gevoel van onbehagen over de huidige tweede fase van het voortgezet onderwijs. Dit onbehagen krijgt nader gestalte door een vergelijking van de tweede fase met het IB. Immers het IB en de organisatie ervan kenmerken zich door zaken die in de praktijk van de tweede fase nog niet optimaal uitontwikkeld zijn. Volgens IB-cursusmanagers kenmerkt het IB zich door:
•    een helder en samenhangend programma;
•    een strenge accreditatie;
•    een strenge examenorganisatie;
•    veel aandacht voor de professionele ontwikkeling van docenten; en
•    een nauwe betrokkenheid van docenten bij curriculumontwikkeling, examinering en professionalisering.

Toch kunnen de problemen rondom de tweede fase geen reden zijn om voor of tegen openstelling van het IB te pleiten. Naar de opvatting van de raad dient een debat over de tweede fase direct en met open vizier gevoerd te worden. Dat daarbij gekeken wordt naar andere curricula, die niet zoals in Nederland via betrekkelijk ingewikkelde consensusprocedures tot stand zijn gekomen, kan wel verrijkend zijn voor het debat.

2.6 Positie van het IB in andere landen: enkele voorbeelden

Het IB staat wat het IBO betreft in principe open voor scholen uit elk land, maar de invoering geschiedt vaak op nationale condities. Er zijn vooralsnog geen landen die het IB aan álle leerlingen aanbieden. In een aantal landen is het wel toegestaan dat publiek bekostigde scholen het IB aanbieden in plaats van het reguliere curriculum dat toegang biedt tot het bacheloronderwijs. Bijvoorbeeld in de Verenigde Staten, waar sommige scholen het IB inzetten om de status van de school te verhogen en studenten (uit minderheden) te motiveren door de mogelijkheid een diploma te halen dat een vergelijkbaar niveau heeft als dat van een (privé)school.25

Ook in het Verenigd Koninkrijk mag het IB aangeboden worden naast het bestaande examensysteem (als vervanging voor A-levels). Op dit moment doen ruim tweehonderd scholen dit. Het IB staat hier sterk in de belangstelling vanuit de onvrede die er bestaat met het systeem van A-levels. Veel studenten halen erg hoge cijfers voor de A-levels, en in het debat wordt gespeculeerd dat het niveau van de examens gezakt is en dat het examen niet breed genoeg is. Voorstanders stellen voor de A-levels te vervangen door het IB-examen. Echter, een rapport van de Qualification and Curriculum Authority26 trekt op basis van een systematische raadpleging van experts die de beide exameninhouden en beoordelingsstandaarden hebben bestudeerd, voorzichtig de conclusie dat de A-levels en het IB-examen van een vergelijkbaar niveau zijn, al zijn ze zeer verschillend van aard.

In Australië (Victoria) is een pilotproject gestart om het IB in te voeren op publiek bekostigde scholen; ook hier gaan stemmen op dat het IB-diploma beter is dan het eigen examensysteem. Een andere variant vinden we in Duitsland. Op dit moment loopt daar een vijfjarige pilot om het IB aan te bieden op de internationale Duitse scholen in een tweetalige variant (Engels-Duits, Spaans-Duits of Frans-Duits). De kosten die hieraan verbonden zijn (vertaling en training) worden betaald door de Duitse overheid.

Het IB wordt ook als internationale benchmark gebruikt. Zo voert de IBO momenteel een opdracht uit voor het onderwijsministerie van Hong Kong.27 Het IBO vergelijkt de standaarden van een aantal locale scholen met die van het IB. De Zuid-Afrikaanse overheid heeft ook om een dergelijke benchmark gevraagd, hierover is de IBO in onderhandeling. Tot slot geeft de IBO aan dat zij het geen probleem vindt als het IB de basis vormt voor een eigen programma. Dit gebeurt nu bijvoorbeeld in Wales, waar in samenwerking met de IBO een Welsh Baccalaureate ontwikkeld wordt. Dit baccalaureaat wordt niet erkend door de IBO als een IB-programma, maar is wel ingericht volgens de gedachte van het IB.28

3. Het IB onder de loep

Zou de minister het IB-programma kunnen openstellen voor een bredere doelgroep? Zo ja: voor welke groep en onder welke voorwaarden? Om deze vragen te kunnen beantwoorden heeft de raad een toetsingskader opgesteld waarin ook de argumenten van voor- en tegenstanders zijn opgenomen. De positie van het IB wordt geanalyseerd aan de hand van dit toetsingskader.

3.1 Toetsingskader: principiële en praktische argumenten

Of de raad de minister zou moeten adviseren het IB toe te staan (en bekostigen) voor reguliere leerlingen, bepaalt hij aan de hand van een toetsingskader bestaande uit twee clusters van criteria. Het eerste cluster bestaat uit de meer principiële redenen die er kunnen zijn om het IB al dan niet open te stellen. Wat is de toegevoegde waarde van openstelling en het verwachte effect op het Nederlandse onderwijssysteem? Het tweede cluster bestaat uit problemen en bezwaren die meer praktisch van aard zijn. In de beide clusters zijn raakvlakken met de standaardcriteria van de raad terug te vinden: kwaliteit, toegankelijkheid, keuzevrijheid, doelmatigheid en sociale cohesie.

1) Verwachte toegevoegde waarde en effecten van openstelling
Voegt openstelling van het IB-curriculum iets wezenlijks toe aan het Nederlands onderwijsaanbod (de criteria kwaliteit en keuzevrijheid)? Vormt het tweetalig onderwijs niet al een voldoende aanbod van internationaal onderwijs in het voortgezet onderwijs? Wat is de specifieke plaats en bijdrage van het IB te midden van andere bestaande en te ontwikkelen internationale leerwegen? Wat is het geschatte effect van openstelling: welke leerlingen willen er dan naar verwachting deelnemen? Brengt openstelling van het IB het gevaar van verminderde toegankelijkheid voor bepaalde doelgroepen teweeg of levert het juist kansen op (raakt aan het criterium sociale cohesie)?

2) Problemen en bezwaren
In het politieke debat zijn een aantal mogelijke praktische problemen en bezwaren rondom openstelling van het IB besproken (zie paragraaf 2.3). De belangrijkste zijn de hoge kosten van het IB (doelmatigheid), de buitenlandse voertaal, de regiepositie van de IBO (het veronderstelde gebrek aan regiemogelijkheden over het IB vanuit de Nederlandse overheid), en de vraag of het IB wel goed aansluit op medische en bètastudies in het hoger onderwijs (toegankelijkheid). Klopt het dat deze problemen bestaan? Zijn ze oplosbaar? De raad gaat daarnaast in op de vraag of en hoe een verruiming van de IB-doelgroep desgewenst wettelijk te regelen is.

3.2 Toegevoegde waarde en effect van openstelling

Wij hebben in Nederland een eigen nationaal programma van voortgezet onderwijs, dat voor de meeste leerlingen waarschijnlijk een voldoende voorbereiding biedt op een vervolgstudie of beroepsopleiding. Voor leerlingen die het Engels (of Duits) op hoog niveau willen leren is daar sinds kort het tweetalig onderwijs aan toegevoegd. In hoeverre draagt openstelling van het IB voor reguliere leerlingen dan nog bij aan de kwaliteit van het onderwijssysteem?

Erkenning kwaliteitsniveau IB
Het is duidelijk dat het IB volgens de Nederlandse overheid (en veel andere overheden) en het internationale onderwijsveld op een hoog niveau staat. Dat blijkt onder meer uit de volgende feiten. Ten eerste biedt het IB-diploma sinds jaar en dag (Europees Verdrag 1953) toelating tot het (Nederlands) hoger onderwijs. Ook buiten Europa (Noord-Amerika, Azië en Australië) geeft het diploma toegang tot veel (top)universiteiten. Het eindniveau van het IB is door de Nederlandse overheid (indirect) als hoogwaardig erkend via de afspraak dat bekostigde internationale scholen het IB als curriculum in de laatste twee leerjaren hanteren. En aansluitend hierop is er het inspectieoordeel dat deze scholen goed onderwijs en goede prestaties leveren.29 Een andere indirecte erkenning van het IBniveau door Nederland is, dat het Europees Platform voor het Nederlands onderwijs samenwerkt met de IBO als het gaat om tweetalig onderwijs; hierbij hebben leerlingen de mogelijkheid het IB-certificaat Engels te behalen naast het Nederlandse diploma voor voortgezet onderwijs.

Toegevoegde waarde openstelling: enkele kansen en vragen
Toegevoegde waarde van openstelling van het IB zou mogelijk kunnen liggen in de toename van keuzevrijheid die daar het gevolg van zou zijn. Door openstelling zou de (gewenste) diversiteit in het voortgezet onderwijs verder toenemen. Het IB onderscheidt zich duidelijk van het huidige onderwijsaanbod doordat het een volledig internationale (bovennationale) oriëntatie en leerlingenpopulatie kent. Openstelling van het IB past wat dat betreft goed in het beleid van de Nederlandse overheid dat gericht is op meer inhoudelijke ruimte, meer diversiteit in het aanbod, en meer autonomie voor scholen.

Daarnaast kan openstelling van het IB een stimulans zijn voor (internationale) bedrijven en organisaties om zich in Nederland te vestigen of om hun activiteiten hier uit te breiden. Dat er voorzien is in internationaal onderwijs, ook voor de kinderen van hun Nederlandse werknemers (die nu immers niet allemaal in aanmerking komen voor een plaats in het publiek bekostigd internationaal onderwijs), zou een vestigingsfactor van belang kunnen zijn.

Een kanttekening is dat het hier gaat om een curriculum en een vorm van examinering die wezenlijk anders zijn dan de Nederlandse. Openstelling betekent dan tevens afstand doen van de gedachte dat iedere lang in Nederland gevestigde leerling in principe een Nederlands curriculum volgt en een Nederlands diploma probeert te verwerven. Een leerling die zijn loopbaan in het funderend onderwijs afsluit met een IB–traject, zal in totaal naar verwachting minder kennis opdoen van de Nederlandse taal en cultuur dan een leerling die de laatste twee jaren van het vwo doorloopt. Deze kwestie heeft ook een juridische component. Het IB-curriculum komt niet overeen met het vwo-curriculum zoals dat is neergelegd in de WVO en het Inrichtingsbesluit WVO. In paragraaf 3.3 gaan we na of en hoe openstelling van het IB voor een bredere doelgroep desgewenst wettelijk te regelen is.

Voorts kost het IB tot tweemaal zoveel als het vwo (paragraaf 2.2). Dit heeft met name te maken met de aard van het programma: kleine klassen, hooggekwalificeerde docenten, veel uren voor leerlingbegeleiding. En uit onderzoek blijkt zelfs dat internationale scholen met een hogere ouderbijdrage meer leerlingen hebben dan internationale scholen met een lagere ouderbijdrage.30 De onderzoekers verklaren dit vanuit de gedachte dat ouders een relatie leggen tussen prijs en kwaliteit: als de school duurder is, zal het onderwijs beter zijn. Kortom: is het niet zo dat, wanneer we in het Nederlandse vwoonderwijs hetzelfde bedrag per leerling te besteden zouden hebben als een school die het IB aanbiedt, de kwaliteit van het Nederlandse vwo-onderwijs als geheel eveneens zou stijgen? En zou het beleid van de Nederlandse overheid niet beter daarop kunnen inzetten dan op brede openstelling van het IB? Een conclusie is in elk geval dat een eventuele openstelling van het IB zo ‘beleidsarm’ mogelijk moet worden uitgevoerd. Zo blijft de tijd en energie die beschikbaar is voor het onderwijs zoveel mogelijk bewaard voor het reguliere onderwijs. In hoofdstuk 4 komen we hierop terug wanneer we ingaan op de toekomst van internationalisering in het reguliere onderwijs.

Het is waar dat het IB duur is en daarmee in eerste instantie vooral aantrekkelijk zal zijn voor een welgestelde groep ouders. Maar dit geldt ook voor particuliere onderwijsvoorzieningen als het Luzac-college waar steeds meer vraag naar is. Wanneer we uitgaan van het principe dat het goed is om meer keuzevrijheid en meer soorten curricula te bewerkstelligen, vormen de kosten geen direct argument tegen openstelling. Wel is het dan van belang zorg te dragen voor een systeem van toegankelijkheid en bekostiging naar draagkracht.

Is deelname aan het IB te beschouwen als een elitaire aangelegenheid? Het is maar hoe men het bekijkt. Niet alle kinderen zijn gelijk, het voortgezet onderwijs maakt verschil door kinderen verschillende onderwijstypen te laten volgen. Ook het IB-programma selecteert leerlingen voor deelname op basis van capaciteiten en motivatie. Met de toenemende internationalisering zal de kring van personen die op enig moment een tijd lang in het buitenland wonen waarschijnlijk groter worden en daarmee ook de doelgroep van het IB. In zekere zin is het onderwijs voor deze doelgroep vergelijkbaar met een vorm van speciaal onderwijs. Mensen van alle rangen en standen kunnen in dienst treden bij grote en kleine internationale bedrijven of instellingen of bij organisaties die plannen hebben om internationale activiteiten te ontplooien. De kring van betrokkenen bij internationale instanties (en dus de doelgroep van het IB) is niet op voorhand beperkt tot een elite en zal met de voortgaande internationalisering van onze instellingen en ons bedrijfsleven toenemen.

Is het tweetalig onderwijs niet al een voldoende internationaal aanbod?
In Nederland is er in de afgelopen jaren een sterke groei te zien van het aantal scholen voor voortgezet onderwijs dat tweetalig onderwijs aanbiedt.31 Tweetalig onderwijs houdt in dat een andere voertaal dan de moedertaal als instructie- en communicatietaal (in sommige leerjaren) wordt gebruikt bij vakken als bijvoorbeeld geschiedenis en biologie. In Nederland bestaat deze onderwijsvorm sinds 1989 en betreft het veelal tweetalig vwo Nederlands-Engels.32

Onderzoek laat zien dat leerlingen via tweetalig onderwijs sneller taalvaardigheid in het Engels ontwikkelen dan hun leeftijdsgenoten in het regulier onderwijs.33 Daarbij doen zich geen verschillen voor in de examenresultaten voor andere vakken (waaronder Nederlands). Kortom: het tweetalig onderwijs lijkt inderdaad een voldoende aanbod te zijn voor leerlingen die zich in het Engels willen bekwamen, hoewel deskundigen ook aangeven dat hoe meer Engels er gesproken wordt, hoe beter het is voor de taalbeheersing.

In hoofdstuk 4 komt het tweetalig onderwijs uitgebreider aan bod. In de huidige context is het van belang op te merken dat het tweetalig onderwijs duidelijk iets anders is dan het IB-programma. Er is bij tweetalig onderwijs geen sprake van een internationaal curriculum waarbij internationale en bovennationale ontwikkelingen en accenten in vakken als geschiedenis, aardrijkskunde en maatschappijleer prioriteit hebben. Dit zou ook niet wenselijk zijn. Immers, de meeste Nederlandse leerlingen zien hun toekomst in Nederland en hebben baat bij ruime kennis over (de culturele en sociale verhoudingen in) Nederland, naast aandacht voor internationale ontwikkelingen. Kortom: tweetalig onderwijs is een goed aanbod voor het merendeel van leerlingen dat er gebruik van maakt. Het voldoet aan hun vraag: het zo optimaal mogelijk leren van de Engelse (of Duitse) taal. Maar voor een klein aantal leerlingen dat daarnaast een internationaal toekomstperspectief heeft, zou het IB een aantrekkelijker en beter passende optie zijn.

Wat is de verwachte vraag naar het IB?
Wereldwijd maakt het IB een flinke groei door. In 2004 kregen in totaal 127 nieuwe scholen toestemming van de IBO om het IB aan te bieden. Er bestaan geen harde cijfers of heldere prognoses over de verwachte vraag naar het IB onder ouders en leerlingen in Nederland.34 De raad kan alleen, heel voorzichtig, tentatieve uitspraken doen op basis van een onderzoek onder de huidige populatie leerlingen (en ouders) in het tweetalig onderwijs. De veronderstelling daarbij is dat het IB vooral een mogelijk aantrekkelijk alternatief zou zijn voor (een deel van) de leerlingen in het tweetalig onderwijs. Het reguliere tweetalig onderwijs in Nederland blijkt namelijk te voorzien in een groeiende vraag. Uit onderzoek blijkt dat het tweetalig vwo relatief veel zogenoemde sociale stijgers onder de ouders van leerlingen telt in vergelijking met het reguliere vwo.35 Het tweetalig vwo blijkt niet alleen aantrekkelijk te zijn voor zogenoemde kosmopolitische gezinnen uit de hogere middenklasse, maar ook voor kinderen met ‘stijgingspotentieel’ uit minder kosmopolitische gezinnen.

Weenink geeft in een persoonlijke toelichting op basis van zijn promotieonderzoek aan, dat de meeste leerlingen in het tweetalig onderwijs (er zijn er nu ongeveer 20.000) kiezen voor dit type onderwijs omdat zij een hoog niveau van taalvaardigheid in het Engels willen bereiken.36 De meeste ouders streven er daarnaast ook naar om een duidelijk band met Nederland en het Nederlandse onderwijs te behouden. Een veel kleiner aantal (een vijfde?) neemt deel omdat zij een kosmopolitische of internationale leerroute of carrière voor ogen hebben. De houding van de ouders van deze leerlingen kan omschreven worden als “exploreer de wereld en zoek voor jezelf de beste plek uit”. Voor deze laatste leerlingen zou het IB interessant en nuttig zijn. De overigen hebben naar verwachting meer baat bij het tweetalig onderwijs. Weenink’s voorspelling sluit aan bij de ervaringen van het veld van internationaal en tweetalig onderwijs: een klein aantal reguliere leerlingen dat extra uitdaging zoekt zou deel willen nemen aan het IB. Echter, voor een deel van deze doelgroep zullen de hoge kosten van het IB een belangrijke reden zijn om niet deel te willen of kunnen nemen. Voor hen zal deelname ervan afhangen of de (extra) kosten volledig voor eigen rekening zijn.

3.3 Problemen en bezwaren?

Naast de meer principiële vragen over de toegevoegde waarde van openstelling van het IB die in de vorige paragraaf aan bod geweest zijn, zijn er in het politiek debat (op deelterreinen) praktische bezwaren geopperd tegen openstelling van het IB. Hieronder bespreken we de bezwaren. We gaan zoveel mogelijk na of er inderdaad sprake is van een probleem en of een oplossing denkbaar is. In paragraaf 3.3.1 staan de kosten van het IB centraal, in paragraaf 3.3.2 de voertaal. Paragraaf 3.3.3 bestudeert de aansluiting op het hoger onderwijs. De regie door de IBO en de rol van de Nederlandse overheid hierin komen in paragraaf 3.3.4 aan bod. Tot slot gaat paragraaf 3.3.5 in op de mogelijkheden om verruiming van de toegang tot het IB desgewenst wettelijk te regelen.

Wie betaalt deelname aan het IB door een grotere doelgroep?
Deelname aan het IB kost ouders (of hun werkgevers) momenteel tussen 3.000 tot 5.500 euro per jaar. Daarmee is het IB bijna twee keer zo duur als regulier voortgezet onderwijs. Tweetalig regulier onderwijs kost ouders maar een fractie van deze bedragen (zie onderstaande kaders).

Extra kosten van het IB op een internationale school37
De International School of the Hague rekent een ouderbijdrage van 5.445 euro per jaar voor leerlingen die aan het IB deelnemen. Daarnaast zijn er aanvullende kosten voor schoolreisjes en excursies. Zo kost de ‘Russia Trip’ 1.250 euro extra en de ‘Geography Trip’ 120 euro. Ook de kosten van het IB-examen zelf zijn niet inbegrepen.

De International School Maastricht rekent een ouderbijdrage van 4.100 euro per jaar (ook voor deelnemers aan het IB-programma) en aanvullende kosten voor registratie (100 euro), excursies (ongeveer 100 euro), enzovoort.

De Amsterdam International Community School rekent 4.500 euro ouderbijdrage per jaar, exclusief excursies en reisjes.

Bronnen: www.ishthehague.nl; www.ismaastricht.nl; www.aics.esprit-sq.nl

 

Ter vergelijking: extra kosten van andere scholen
De meeste scholen voor voortgezet onderwijs vragen een (inkomensafhankelijke) ouderbijdrage voor extra activiteiten zoals een werkweek, culturele uitjes, excursies, schoolreisjes en feesten. De voorlichtingsbrochure van het ministerie van OCW over de vrijwillige ouderbijdrage uit 200338 vermeldt dat de (niet verplichte) ouderbijdrage in het voortgezet onderwijs gemiddeld ongeveer 85 euro is. Maar er zijn ook duurdere scholen die vaak iets extra’s aanbieden. De bedragen lopen sterk uiteen. Enkele montessorischolen vragen slechts 40 euro per jaar, anderen 200 euro. Sommige vrije scholen (antroposofisch onderwijs) vragen een vrijwillige bijdrage van 400 euro per jaar.

 

Tweetalig onderwijs
Een recente inventarisatie van de VOO (Vereniging voor Openbaar Onderwijs) naar de ouderbijdragen op scholen voor tweetalig onderwijs (zoals omschreven in paragraaf 3.2) laat zien dat ouderbijdragen uiteen lopen van niets tot 800 euro per jaar.39 57 scholen hebben vragen hierover beantwoord: de ouderbijdrage van 23 scholen ligt tussen 200 en 400 euro per jaar, 19 scholen vragen tussen 400 en 600 euro per jaar, 4 scholen vragen meer dan 600 euro per jaar. Daarnaast waren er op 25 scholen extra kosten in de loop van het jaar (excursies, buitenlandse reizen): 9 scholen rekenen minder dan 200 euro, 11 scholen tussen 200 en 399 euro, 5 scholen weten nog niet hoe hoog deze kosten zullen zijn.

Wie betaalt de extra kosten?
Op dit moment betaalt de overheid zoals gezegd 0,031 fte per leerling per jaar (ongeveer 1.049 euro) extra aan het internationaal onderwijs als bijdrage in de extra kosten. Omgerekend is dat tussen een vijfde (1.049/5.500) en een derde (1.049/3.000) van de daadwerkelijke kosten. De internationaal mobiele ouders (en vaak hun werkgevers) betalen het grootste deel van de extra kosten zelf. In sommige gevallen kunnen zij een klein deel van deze kosten via de belastingen terugkrijgen.

De minister geeft in haar briefwisseling met de Tweede Kamer hierover (zie paragraaf 2.3) aan, dat deze kosten niet voor rekening van de school zouden mogen komen; die zou het geld moeten onttrekken aan andere taken en dat is niet wenselijk. Als ouders de aanvullende kosten betalen, geeft dat volgens de minister scheve verhoudingen omdat ouders van buitenlandse leerlingen (op internationale scholen) nu extra vergoeding krijgen en dus minder schoolgeld dan Nederlandse ouders zouden betalen. En als de overheid de extra kosten zou betalen, zou dat rechtsongelijkheid geven ten opzichte van de leerlingen die het gewone onderwijs volgen.

De raad onderschrijft de gedachte dat de school geen extra geld aan de lumpsum zou moeten onttrekken als extra bijdrage aan een nog niet helder te omschrijven groep leerlingen. En inderdaad ontstaat bij openstelling van het IB het probleem dat de nieuwe doelgroep (vooralsnog) niet in aanmerking komt voor een extra toelage, en de oude doelgroep (leerlingen met internationaal mobiele ouders) wel. Het gaat echter om een relatief klein verschil, de internationaal mobiele ouders (of hun werkgevers) betalen momenteel immers het grootste deel van de extra kosten zelf. De raad ziet ook het gevaar dat openstelling van het IB zonder rekening te houden met verschil in draagkracht, zou kunnen leiden tot een mindere toegankelijkheid van het IB voor leerlingen uit minder welvarende gezinnen. Dit probleem zou inderdaad moeten worden aangepakt indien het IB voor reguliere leerlingen open zou worden gesteld.

Is het een bezwaar dat het IB in het Engels wordt gegeven?
IB-onderwijs wordt doorgaans volledig gegeven in het Engels (het programma is zoals gezegd ook beschikbaar in het Frans en Spaans). Is dit een bezwaar en waarom (niet)? De IBO eist dat IB-leraren (near) native speaker zijn. Is dit nodig en zijn er voldoende (near) native speakers te vinden? Schept Engelstalig onderwijs, zoals ook de minister zich afvraagt, wellicht een precedent voor onderwijs in andere talen, en als dat zo is: is dat erg?

Bezwaar tegen Engelstalig onderwijs?
Is volledig Engelstalig onderwijs in de laatste twee jaren van het voortgezet onderwijs bezwaarlijk of biedt het vooral kansen? De meningen van deskundigen (meestal over Engelstalig hoger onderwijs) zijn vaak een kwestie van persoonlijke overtuiging. Aan de ene kant staan degenen die het Engelstalig onderwijs zien als belangrijke vernieuwing van het onderwijs, die in veel opzichten onmisbaar is binnen de ambities van Nederland (vergelijk Lissabon-afspraken) om een internationaal georiënteerde natie te zijn en te worden. Aan de andere kant staan degenen die zich niet zozeer tegen het Engels keren, als wel vrezen voor een teloorgang van het Nederlands. Zo bereiden enkele Tweede- Kamerfracties momenteel een initiatiefwetsvoorstel voor om het Nederlands te verankeren in de Grondwet, onder meer als reactie op experimenten met tweetalig onderwijs in het basisonderwijs.

De vraag of twee- of meertaligheid überhaupt schadelijk zou zijn voor de intelligentie of voor de moedertaal, stellen wetenschappers zichzelf meer dan dertig jaar. De angst is zeer waarschijnlijk zonder wetenschappelijke basis, aldus de deskundigen waarmee voor dit advies gesproken is.40 Zonder een positie te kunnen betrekken in dit langlopende wetenschappelijke debat, lijken er wel consequenties te zijn van de confrontatie met meerdere talen, maar geen schadelijke consequenties. Uiteindelijk zijn kinderen wat betreft taalbeheersing in beide talen waarschijnlijk beter af.

Een recent wetenschappelijk debat gaat over de invloed van een meertalige opvoeding op de algemene intelligentie, namelijk op het gebied van controle van de selectieve aandacht: je kunnen concentreren op één bepaald iets en je op dat moment kunnen afsluiten van andere prikkels. Dit is doorgaans beter ontwikkeld bij meertaligen. Zij oefenen dit immers door te leren de ene taal uit te sluiten als ze met de andere bezig zijn.41

Hoe jonger kinderen zijn, des te flexibeler hun hersenen. Daardoor kunnen de meeste kinderen (kinderen zonder leerstoornissen of andere ontwikkelingsproblemen) moeiteloos meerdere talen leren.42 Als kinderen de puberteit ingaan worden de hersenen langzamerhand stugger en minder geschikt om taal automatisch te leren. Jonge pubers lijken nog vrij gemakkelijk een nieuwe taal te leren, maar hebben dan al wel iets aan grammaticale regels en uitleg over de taalstructuur.

Effect op het Nederlands?
In de Internationaliseringsagenda 2006-2011 heeft de raad voorwaarden geformuleerd voor de bevordering van internationale onderwijsvormen. Een minimale vereiste is wat de raad betreft dat het programma niet los mag staan van de Nederlandse taal en cultuur. Het zou zelfs een creatieve bijdrage moeten leveren aan de vitaliteit van de Nederlandse taal en cultuur. Voldoet het IB aan deze voorwaarde?

Het IBO geeft aan dat behoud van de eigen culturele identiteit van de leerling één van de pijlers is van het IB-programma. Deelnemers aan het IB volgen dan ook altijd onderwijs in taal en literatuur van het eigen land (zie paragraaf 2.2). Hiermee kan gesteld worden dat het IB-programma niet losstaat van de Nederlandse taal en cultuur. De omvang van het onderwijs in de moedertaal is echter wel beperkt (ongeveer 10% van de lestijd) en er zijn vragen over de inhoud en het niveau van dit vak.43 De Nederlandse taal, literatuur en cultuur zijn te zien als belangrijke bindmiddelen van de maatschappij. Voldoende taalvaardigheid in het Nederlands is bovendien een voorwaarde voor een bevredigende deelname aan de Nederlandse maatschappij. In hoeverre is bijna volledig Engelstalig onderwijs aan de doelgroep in kwestie (zestien- tot achttienjarigen die de onderbouw havo/ vwo voltooid hebben) schadelijk voor de ontwikkeling van het Nederlands en de kennis van de Nederlandse literatuur en cultuur?

Een kind in de leeftijd van het voortgezet onderwijs is nog bezig met het verwerven van de Nederlandse taal. Dit geldt voor de eerste jaren van het voortgezet onderwijs, maar ook nog wel voor de periode daarna. De woordenschat groeit dan nog, maar ook is de leerling bezig met het zich eigen maken van tekstvaardigheden, discussievaardigheden, enzovoort.44 Binnen het voortgezet onderwijs maken leerlingen zich de terminologie eigen van uiteenlopende vakken zoals natuurkunde en aardrijkskunde. Bovendien komt een leerling in de laatste twee jaren van het havo en vwo nog volop in aanraking met de Nederlandse literatuur en cultuur. Heeft het stoppen van dit verwervingsproces op school (door deelname aan het Engelstalig IB) nadelige gevolgen voor de ontwikkeling van het Nederlands? In ieder geval zou dat kunnen als de leerling die dit onderwijs volgt geen andere mogelijkheden heeft om de Nederlandse taal te blijven oefenen. Dat zou het geval zijn wanneer de school die het IB aanbiedt alleen niet-Nederlandssprekende leerlingen zou hebben of wanneer leerlingen ook buiten het onderwijs (thuis, vrije tijd) geen Nederlands meer zouden spreken en schrijven. Er is immers een verschil tussen instructietaal en schoolomgangstaal. Niet voor niets eisen bijvoorbeeld verschillende roc’s (regionale opleidingen centra) dat op school Nederlands wordt gesproken door alle leerlingen, ongeacht de moedertaal.

Een IB-leerling zal in elk geval kennis van Nederlandse literatuur en beheersing van bepaalde Nederlandse vaktermem niet meer via school opbouwen. Het is niet bekend of het gebrek aan Nederlandse vaktaal problemen oplevert voor IB-leerlingen in het Nederlandstalig hoger onderwijs.45 De meeste van deze leerlingen echter zullen naar verwachting kiezen voor een Engelstalige vervolgopleiding. En ook het Nederlandstalige hoger onderwijs gebruikt steeds vaker internationale (veelal Engelstalige) vakliteratuur.46

Voertaal in de onderwijswetten
De WVO geeft (evenals de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het hoger onderwijs) aan dat het Nederlands in principe de voertaal moet zijn in het voortgezet onderwijs.47 Hetzelfde wetsartikel (artikel 6a) houdt echter ook de mogelijkheid open om onderwijs te geven en examens af te nemen in een andere taal, onder andere als de specifieke aard van het onderwijs daarom vraagt. Dit zou ook op het IB van toepassing zijn. Voor de invoering van het tweetalig onderwijs (zie hoofdstuk 4) is een wetswijziging ook niet nodig geweest. Noch was aanpassing van de Wet op het hoger onderwijs nodig voor de invoering van anderstalige opleidingen.48 Uit het perspectief van taal lijkt het daarom niet noodzakelijk om een wetswijziging in te voeren bij openstelling van het IB.

Selectie van leerlingen noodzakelijk
Engelstalig onderwijs is niet geschikt is voor iedere leerling. Voor leerlingen met een (leer)stoornis (dyslexie, schrijfstoornis, algemene leerstoornis, gehoorstoornis) of een taalachterstand in het Nederlands is het minder geschikt.49 Daarnaast kan veel informatieverlies optreden (geschat op meer dan 25%) wanneer leerlingen die het Engels onvoldoende beheersen, les krijgen in het Engels.50 Zo kunnen ook de leerprestaties van studenten achteruitgaan als zij onderwijs in het Engels volgen terwijl ze de taal niet voldoende beheersen.51 Sommige studies laten zien dat de eindresultaten wel gelijk blijven: studenten investeren dan (veel) meer in zelfstudie, de studie wordt zwaarder. Het is dus noodzakelijk dat leerlingen het Engels én het Nederlands op een voldoende basisniveau beheersen voordat ze volledig Engelstalig onderwijs gaan volgen. Dit alles betekent dat toelating tot het IB altijd op basis van selectie plaats zal moeten (blijven) vinden.

(Near) native speakers moeilijk te vinden?
Onderzoek naar Engelstalig hoger onderwijs laat zien dat een leraar met een slechte didactische beheersing van het Engels zijn studenten of leerlingen geen goed doet. Spreeksnelheid, expressiviteit en nauwkeurigheid nemen af, de docent vat minder vaak samen, kan dingen maar op één manier uitleggen, geeft minder vaak voorbeelden, kan minder improviseren, de nuance neemt af.

Ingenieursopleiding in het Engels
Klaassen (2001) onderzocht het Engelstalige onderwijs bij ingenieursopleidingen in Delft. Het ging er daarbij niet om te bepalen of Engelstalig onderwijs al of niet moet bestaan, maar om de voorwaarden te achterhalen die nodig zijn om een opleiding Engelstalig in te richten. In Delft bleken er grote niveauverschillen te zijn in het Engels van docenten. Het onderzoek concludeerde dat studenten alleen het eerste half jaar dat zij les in het Engels kregen in het nadeel waren, hun studieresultaten bleken aan het eind van het propedeusejaar gelijk te zijn aan die van studenten die in het Nederlands les volgden. Een goede beheersing van de Engelse taal door docent en student is belangrijk voor het slagen van het onderwijs, maar daarnaast is ook een andere didactisch aanpak nodig. De aandacht van studenten is namelijk korter in een vreemde taal en studenten kunnen zich moeilijker concentreren op de inhoud. Docenten moeten daarom vaker tussentijds controleren of de inhoud van de boodschap is overgekomen en meer gelegenheid bieden voor interactie. Colleges moeten levendiger, docenten moeten meer gebruikmaken van gebaren, oogcontact, voorbeelden en plaatjes om de uitleg te ondersteunen.

Gezien het bovenstaande lijkt het terecht dat de IBO als eis stelt dat docenten (near) native speaker zijn. De vraag is zelfs aan de orde of niet het tweetalig onderwijs en het Engelstalig hoger onderwijs alleen effectief kunnen zijn als het door (near) native speakers wordt gegeven. Wanneer het IB zou worden opengesteld voor reguliere leerlingen, is het aan de scholen zelf om zorg te dragen voor een kwalitatief hoogwaardig docentencorps. Lukt het een school niet om voldoende (near) native speakers te rekruteren, dan hoeft niet gevreesd te worden voor de kwaliteit van het IB-onderwijs. Een school mag het IB in dat geval gewoon niet aanbieden omdat de IBO deze eis stelt en controleert. In het uiterste geval kan de Minister tevens – bijvoorbeeld op basis van een inspectiebezoek – besluiten dat een bepaalde school het IB niet (meer) mag aanbieden wanneer er te weinig waarborgen zijn voor de taalvaardigheid Engels van de docenten.

Precedentwerking IB voor andere talen?
In het politiek debat is gevraagd of openstelling van het IB voor reguliere leerlingen een precedentwerking zou hebben voor voortgezet onderwijs in andere talen dan het Engels (scholen die het IB in het Spaans, Turks, Chinees of Arabisch willen geven).

De vraag naar precedentwerking is in feite een vraag naar gelijke (juridische) behandeling. In de eerste plaats gelijke behandeling van de Europese talen: als Engels als voertaal is toegestaan, moet dat dan ook voor andere talen gelden? In de tweede plaats is het een vraag naar gelijke behandeling van de scholen. Als de ene school een bepaald curriculum mag aanbieden in het Engels, mogen andere scholen dat dan vanzelf ook?52

Binnen de EU hebben alle officiële talen een gelijke status. Deze gelijkheid betreft echter alleen de interne organisatie van de EU. Het aanbieden van onderwijs in een andere taal dan het Nederlands schept daarom geen Europees precedent en geen basis voor claims van scholen die andere (Europese) talen als voertaal willen hanteren. Bovendien mag de EU geen dwingende regels opleggen ten aanzien van het onderwijs in de lidstaten, en dus ook niet over gebruik van talen in het onderwijs.

Er bestaat dus geen risico van een Europees juridisch precedent. En een Nederlands precedent? Op basis van artikel 6a van de WVO mag een andere taal dan het Nederlands als voertaal in het onderwijs gebruikt worden, onder andere als de specifieke aard van het onderwijs hierom vraagt. Hiertoe moet het bevoegd gezag een gedragscode vaststellen. Onderwijs dat leidt tot het IB-diploma past hier in, omdat de specifieke aard van het onderwijs vraagt om onderwijs en examinering in een andere taal. Maar kan een school gebruikmaken van deze optie om het IB in een andere taal dan het Engels aan te bieden? Mocht het IB-programma opengesteld worden zonder nadere regeling, dan leidt dat er vanwege het gelijkheidsbeginsel inderdaad toe dat ook verzoeken om het programma in het Frans of Spaans (de talen waarin het IB nu verkrijgbaar is) of zelfs in andere talen waarmee de IBO in de toekomst akkoord gaat, door de Minister gehonoreerd zouden moeten worden. De minister kan dit echter voorkomen door haar beslissing dat het een Engelstalig IB moet zijn vast te leggen in een algemeen verbindend voorschrift (een wet, een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling). Hiermee wordt de gang naar de bestuursrechter voor scholen die een andere voertaal willen afgesloten, omdat er geen beroep kan worden ingediend tegen algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels.53

In de praktijk zal openstelling van het IB ook zonder wettelijke regeling waarschijnlijk niet leiden tot een aanbod van het IB in een andere taal dan het Engels, Frans, Duits of Spaans. Ten eerste omdat het IB zoals gezegd vooralsnog alleen aangeboden wordt in het Engels, Frans of Spaans. De IBO staat in principe open voor nieuw talen. In Duitsland wordt nu geëxperimenteerd met het vertalen van het IB-programma naar het Duits. De eerste bevindingen van dit experiment wijzen echter uit, dat het een zeer omvangrijke en dure klus is en het onduidelijk is of er voldoende vraag zal zijn in Duitsland naar een IB in het Duits. Het is de vraag of het experiment zal worden voortgezet.54 Het is daarom niet te verwachten dat de IBO stappen zal zetten om het IB te vertalen naar andere talen. Ten tweede is er naar alle waarschijnlijkheid weinig vraag naar een IB-programma in een andere taal (ook niet in het Nederlands). Als we een vergelijking maken met de vraag naar tweetalig onderwijs – waarvoor ook geen wettelijke regeling is getroffen om precedentwerking te voorkomen – dan blijkt dat van de 75 scholen die tweetalig onderwijs aanbieden er 74 gekozen hebben voor het Engels als tweede taal en één voor een combinatie van Duits en Nederlands. Dit aanbod komt voort uit de vraag onder leerlingen: deze is grotendeels beperkt tot onderwijs dat (deels) in het Engels gegeven wordt. Ook uit de huidige deelname aan het vreemdetalenonderwijs in het voortgezet onderwijs blijkt de lage vraag naar les in talen anders dan Engels, Duits, Frans en Spaans. Leerlingen kunnen ook kiezen voor een taal als Arabisch of Turks, maar recente gegevens laten zien dat slechts weinig leerlingen (0,1 tot 0,2% per taal) hiervoor kiezen.55

Problemen met aansluiting op het hoger onderwijs?
Het IB-diploma is één van de diploma’s die in het kader van het Europees Verdrag (1953) toegang bieden tot het Nederlands hoger onderwijs. Het eindniveau van het IB is daarmee gelijkgesteld aan dat van het reguliere vwo (zie ook paragraaf 2.2). Maar er zijn geluiden dat het lB onvoldoende zou aansluiten op de universitaire medische en bètastudies in Nederland. Is dat zo?

Rondom de toelating van bezitters van een IB-diploma tot medische en bètastudies blijken twee potentiële problemen te bestaan. Ten eerste zijn de toelatingseisen die voor deze studies gelden niet helder als het gaat om internationale diploma’s zoals het IB. Ten tweede eisen sommige studies vier exacte vakken en deze combinatie zit niet standaard in het IB-vakkenpakket (zie paragraaf 2.2). In het onderstaande gaan we op beide zaken in. Bestaan er oplossingen voor?

Toelatingseisen hoger onderwijs niet helder
Instellingen voor hoger onderwijs beslissen zelfstandig over toelating van personen met een buitenlands of internationaal diploma tot hun studies, elke instelling heeft hiervoor eigen eisen. Vaak worden deze niet vermeld op de website, maar verwijst de instelling potentiële studenten naar het bureau voor toelating. Hieronder volgen twee voorbeelden.

Toelating tot de Universiteit Utrecht
“Om toegang te krijgen tot de universiteit heb je een Nederlands vwo-diploma nodig of een diploma dat hieraan is gelijkgesteld. Het Admission Office van het Studenten Service Centrum bekijkt of je buitenlandse diploma gelijkwaardig is aan een Nederlands vwo-diploma. Daarnaast moet je kunnen aantonen dat je voldoende kennis hebt van de Nederlandse taal. Wil je meer informatie over de mogelijkheden en voorwaarden om met een buitenlands diploma aan de Universiteit Utrecht te studeren? Neem dan contact op met het Admission Office van het Studentenservice (tel. nummer).”

Toelating tot opleiding geneeskunde in Groningen
“Voor geneeskunde heb je op VWO-niveau de profielen Natuur & Gezondheid of Natuur & Techniek met biologie 1,2 nodig. Voldoe je niet aan een van deze profielen of vakken, dan kun je officiële deelcertificaten halen. Daarvoor kun je terecht bij het James Boswell Instituut van de Universiteit Utrecht en bij diverse ROC-instellingen in het land.”

Bron: Website Universiteit Utrecht (www.uu.nl); Website Medische Faculteit Groningen (http://www.rug.nl/umcgl)

Na de invoering van de nieuwe opzet van de bovenbouw van het voortgezet onderwijs (de tweede fase) in 1998 was het lange tijd onduidelijk wat de exacte toelatingseisen zijn voor houders van buitenlandse en internationale programma’s. Op verzoek van de VSNU (Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten) hebben Nuffic (Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs) en KBS (Kommissie Buitenlandse Studerenden) in 2003 daarom onderzoek gedaan naar toelatingseisen voor houders van buitenlandse equivalenten van het vwo-diploma en van het IB en het EB.56 De bedoeling is om het onderzoek tweejaarlijks te herhalen, momenteel wordt gewerkt aan de tweede versie.

Eén van de aanleidingen voor de veranderingen in de bovenbouw was dat de vrijheid bij het samenstellen van de vakkenpakketten vaak problemen gaf bij de aansluiting op het hoger onderwijs.57 In de vernieuwde tweede fase werd de vrije vakkenkeuze daarom vervangen door een keuze voor één van vier profielen: cultuur & maatschappij; economie & maatschappij; natuur & gezondheid; en natuur & techniek. Aan de profielen zijn doorstroomrechten verbonden naar het hoger onderwijs. Zo moet elke opleiding in het hoger onderwijs minimaal één profiel aangeven dat zonder aanvullende eisen toelating geeft. Bij de andere profielen mogen opleidingen wel landelijk vastgestelde aanvullende eisen stellen.

In het oude systeem (voor de invoering van de tweede fase) was het zo dat opleidingen - in het hoger onderwijs hun instroomeisen aangaven in termen van één of twee vakken die gevolgd moesten zijn. Zo was het om medicijnen te kunnen studeren nodig om natuurkunde en scheikunde in het vakkenpakket te hebben. In de nieuwe situatie dienen opleidingen aan te geven welk profiel toelating geeft en welke aanvullende eisen er voor andere profielen gelden. Het profiel natuur & gezondheid kent een combinatie van de vakken natuurkunde, scheikunde en biologie, die niet allemaal dezelfde studielast vertegenwoordigen. Dit roept voor houders van buitenlandse en internationale diploma’s vragen op: wat moet er bij elk van deze vakken precies bestudeerd zijn en op welk niveau om aan de instroomeis te voldoen? Het Nuffic-KBS-onderzoek geeft hierover uitsluitsel (zie hierna).

Wanneer is een vereist vak voldoende bestudeerd?
Bij het IB is het niet gebruikelijk om in de vier exacte profielvakken van natuur & gezondheidtegelijkertijd examen te doen. Maar is dat ook werkelijk nodig? Het gaat er toch vooral om of de vooropleiding voldoende basis biedt om de studie met succes te volgen? Het Nuffic en de KBS hebben daarom de inhoud van sleutelvakken in onder andere het IB en het EB laten onderzoeken door velddeskundigen. Belangrijkste vraag: wanneer is de vooropleiding voldoende om een bepaalde studie in het hoger onderwijs met succes te kunnen afronden?

In het onderzoek hebben vakdeskundigen van uiteenlopende universiteiten58 de syllabi van het diplomaprogramma (in dit geval het IB) doorgenomen. Omdat de meeste vragen zich voor bleken te doen bij de toelating tot de medische studierichtingen, en in het bijzonder over de vakken natuurkunde, scheikunde, biologie en wiskunde-B1 (van het profiel natuur & gezondheid), heeft het onderzoek zich op deze vakken geconcentreerd. De vraag was: wanneer is een vereist vak voldoende bestudeerd en wanneer niet (en is een vak dus ‘deficiënt’)?

De beoordeling van de syllabi wees uit dat inhoud en niveau van de vakken doorgaans niet erg verschillen van die van het vwo. In een aantal gevallen bleek het niveau zelfs hoger te liggen dan in Nederland. Het grootste probleem bleek niet te liggen in de bestudeerde lesstof, maar in de manier waarop examens geregeld zijn: de vakkencombinaties die mogelijk zijn in buitenlandse examens.

Het onderzoek laat zien dat het hoger onderwijs een IB-diploma van voldoende niveau acht voor toegang tot medische en bètastudies. Het Nuffic geeft op basis van het onderzoek weer, welke toelatingseisen zouden kunnen gelden voor de bezitter van een IBdiploma (zie bijlage 3). Zo stellen zij voor geneeskunde, tandheelkunde en diergeneeskunde als minimumeisen:
•    standaardniveau wiskunde (‘mathematical methods’);
•    standaardniveau natuurkunde (met optie D en H);
•    standaardniveau scheikunde (met optie A en B); en
•    hoger niveau biologie.

Voor bètastudies zijn de eisen minder uitgebreid:
•    hoger niveau wiskunde;
•    hoger niveau natuurkunde; en
•    (voor sommige studies) standaardniveau scheikunde.

Een IB-leerling kiest meestal voor ten hoogste drie exacte vakken (zie paragraaf 2.2). De combinatie van vier exacte vakken die nodig is voor toelating tot de medische studies is in het IB niet standaard, maar wel mogelijk. Een leerling moet hiervoor een aanvraag doen bij de IBO. Het is dan wel van belang dat een IB-student op de hoogte gesteld wordt van de toelatingseisen voor medische studies, zodat hij/zij het vakkenpakket desgewenst hierop aan kan passen.

Probleem opgelost
Met op één na alle medische faculteiten heeft het Nuffic (via de VSNU) afgesproken dat zij het voorstel voor toelatingseisen (zie bijlage 2) per direct zullen hanteren. Hiermee is het probleem omtrent toelating tot de medische studies op basis van een IB-diploma opgelost. De meeste technische faculteiten waren al soepeler in hun eisen en laten IBdiplomahouders die voldoende exacte vakken hebben toe.59

Regie door de IBO?
De Nederlandse overheid kan niet beslissen dat elke school die dat wenst het IB kan gaan aanbieden. Per school is immers een licentie nodig van de IBO. Zodoende kan het zijn dat de ene school voor voortgezet onderwijs wel aan de IBO-eisen voor licentiehouders kan voldoen en de andere niet. De overheid kan enkel beslissen dat een school die dit wil én een licentie weet te verwerven, het IB-programma aan mag bieden. Daarmee verliest de Minister een deel van zijn bevoegdheid.

Wanneer de kwaliteit van het IB-aanbod onverhoopt zou zakken tot een onaanvaardbaar niveau, heeft de Minister maar één formele weg tot zijn beschikking: alle aanbiedende scholen verbieden het IB nog langer aan te bieden op straffe van het verlies van bekostiging en/of overheidserkenning (voor aangewezen private onderwijsinstellingen). De Inspectie kan over de kwaliteit van het onderwijs oordelen zoals bij elke (bekostigde of niet-bekostigde) school gebeurt en de Minister kan in laatste instantie overgaan tot het stopzetten van de bekostiging. Het gaat hier echter wel om een middel dat momenteel weinig wordt ingezet.

Het is in een dergelijke situatie als het ware alles of niets. De Minister kan namelijk niet zelfstandig besluiten bepaalde onderdelen van het IB-programma of de examinering aan te passen om de gewenste kwaliteit en inhoud te realiseren. Indien bijvoorbeeld de Minister een bepaald vak of leergebied toevoegt aan het vwo-curriculum, geldt dit niet automatisch voor het IB-curriculum. Dat besluit ligt bij de IBO (overigens een organisatie die open staat voor overleg en verandering). Bovendien is het zo dat het IB een vorm van onafhankelijke examinering kent waarop de Nederlandse overheid alleen via informele wegen (overleg met de IBO) invloed kan uitoefenen.

Brengt het bovenstaande het gevaar van soevereiniteitsverlies met zich mee omdat de overheid geen rechtstreekse controle uitoefent op de onderwijsinhoud van het IB? Dit is een belangrijke vraag. Openstelling van het IB mag naar de mening van de raad er nooit toe leiden dat de Minister niet langer het eindoordeel heeft in de beslissing of een school al of niet het IB mag aanbieden. Maar dat zal ook niet het geval zijn. De Minister heeft geen formele zeggenschap over de inhoud van het IB, maar behoudt wél het eindoordeel of een (bekostigde of erkende) school met een IB-licentie het IB-programma ook daadwerkelijk mag aanbieden. Het gevaar dat de kwaliteit van het IB in de toekomst zal zakken en er toch nog scholen zijn die het in Nederland willen blijven aanbieden, is volgens de raad niet zo groot. Immers, het IB-programma en de IBO hebben een lange geschiedenis waarin dit niet is voorgekomen, mede door de stringente kwaliteitsprocedures en -controles. Ook actualiseert de IBO het aanbod voortdurend en licht zij het IB-programma elke zeven jaar in zijn geheel door. Maar in het geval deze situatie toch ontstaat, beschikt de Minister nog altijd over een uiterste maatregel: alle aanbiedende scholen met ingang van een bepaalde datum verbieden het IB nog langer aan te bieden op straffe van verlies van bekostiging of erkenning. Dit alles zou duidelijk omschreven moeten zijn in de regelgeving en/of de correspondentie over de beslissing van de Minister aan de school die het IB mag gaan aanbieden.

Omdat niet iedere school voor voortgezet onderwijs het IB wil of mag aanbieden, zal een leerling die het IB wil volgen zich moeten richten tot een school die dit wel mag (van de IBO én van de Minister). Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat de leerling verder moet reizen of (met zijn ouders) moet verhuizen. Dat is echter de verantwoordelijkheid van de (ouders van) de leerling in kwestie, niet van de Minister. Dezelfde situatie doet zich voor bij bijvoorbeeld vrije scholen of montessorischolen. Ouders en leerlingen moeten ook hier op zoek naar een school die de gewenste onderwijsrichting of -vorm aanbiedt.

Ingewikkeld om openstelling IB wettelijk te regelen?
Naast het feit dat het IB geheel in een vreemde taal wordt aangeboden, ligt er een groot verschil tussen het IB en het reguliere vwo (inclusief tweetalig onderwijs) in het curriculum en het examen. Hierdoor wijkt het af van de curriculum- en exameneisen die zijn neergelegd in de WVO en het Inrichtingsbesluit WVO. Ook kent het IB een eigen examenorganisatie en -inhoud die niet overeenkomen met het Eindexamenbesluit. Om het IB structureel in te voeren als mogelijke leerroute op elke reguliere school, is een wijziging van de WVO wenselijk. Het IB zou dan (na een aanloopperiode) opgenomen kunnen worden als vijfde profiel in artikel 12 van de WVO, met alle noodzakelijke aanpassingen omtrent curriculum en examens van dien.

Wanneer het er echter enkel om gaat het IB mogelijk te maken als juridische uitzondering, dan is een wetswijziging niet nodig. Twee opties dienen zich aan, maar wellicht zijn er meer mogelijkheden denkbaar. De eerste mogelijkheid is het verruimen van de huidige Regeling voor het internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs.60 Momenteel mogen scholen voor havo en vwo een afdeling igvo oprichten, wanneer zij voldoende leerlingen hebben die afkomstig zijn uit internationaal mobiele gezinnen. Deze doelgroep is nauw omschreven in artikel 5 van de regeling. Wanneer de omschrijving verruimd wordt, biedt dat mogelijkheden voor scholen om ook andere leerlingen tot een igvo-afdeling (en dus tot het IB) toe te laten.

Het uitvaardigen van een nieuwe beleidsregel is een andere mogelijkheid. De WVO biedt de mogelijkheid om af te wijken van de curriculum- en exameneisen (artikelen 25 en 29 lid 6, WVO). Scholen mogen van de vastgestelde eisen afwijken als zij daartoe (op hun eigen aanvraag) een positief besluit van de Minister hebben ontvangen. Met andere woorden, de Minister mag scholen op een ad hoc basis vrijstelling verlenen van de eisen met betrekking tot curriculum en examens.61 Om hieraan invulling te geven bestaat een beleidsregel waarin de eisen staan waaraan een school moet voldoen om een dergelijke vrijstelling te krijgen, de zogenoemde Kaderregeling innovatie voortgezet onderwijs.62 Waarschijnlijk valt een aanvraag om het IB aan te mogen bieden momenteel niet binnen deze beleidsregel. De Minister zou daarom een nieuw beleidsregel kunnen uitvaardigen die toeziet op ontheffing van de vastgestelde eisen in het kader van het IB. Een individuele school kan dan een aanvraag doen om het IB aan te mogen bieden en de Minister beslist per school of hij dit toestaat.

3.4 Conclusies ten aanzien van het IB

Openstelling IB-programma sluit aan op voortgaande internationalisering
Nederland kent eigen programma’s van voortgezet onderwijs die voor de meeste leerlingen waarschijnlijk voldoende voorbereiden op een vervolgopleiding of beroep. Voor meer internationaal georiënteerde leerlingen die het Engels (of Duits) op hoog niveau willen leren, is daar sinds kort het tweetalig onderwijs aan toegevoegd. Achter het debat over de openstelling van het IB ligt een gevoel van onbehagen over de huidige tweede fase van het voortgezet onderwijs. De problemen rondom de tweede fase zijn echter op zichzelf geen reden om voor of tegen openstelling van het IB te pleiten, maar vragen om een herbezinning op het eigen onderwijssysteem.

De raad ziet toegevoegde waarde in een tijdelijke verruiming van de doelgroep van het IB. Hierdoor neemt de diversiteit in het aanbod toe en krijgen deelnemers meer keuzemogelijkheden. Het IB onderscheidt zich van het huidige onderwijsaanbod doordat het een bijzondere internationale oriëntatie kent. Met de voortgaande internationalisering zal de kring van gezinnen die op enig moment tijdelijk in het buitenland (willen) wonen, waarschijnlijk groter worden. Verruiming van de toegang tot het IB kan daarom een interessante aanvulling zijn op het eigen onderwijssysteem tótdat het eigen onderwijs in voldoende mate geïnternationaliseerd is. Hierop komen we in hoofdstuk 4 terug.

Voertaal Engels niet per se problematisch
Engelse als instructietaal is niet zonder meer problematisch voor de leerprestaties of voor de beheersing van het Nederlands, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Bovendien volgen IB-leerlingen altijd onderwijs in de eigen taal en cultuur. Wel komt een IB-leerling meer beperkt in aanraking met de Nederlandse literatuur en cultuur dan een leerling die het reguliere havo- of vwo-programma volgt. De potentiële nieuwe doelgroep voor het IB moet daarom bestaan uit leerlingen waarvan, naast hun internationale motivatie en context, in ieder geval duidelijk is dat ze goed kunnen leren, een voldoende kennisbasis bezitten en het Nederlands al op een behoorlijk niveau beheersen. Ook moet een school voldoende aandacht besteden aan het niveau van het Engels van leraren. De IBO stelt hiervoor als eis dat leraren (near) native speaker zijn en dat lijkt zeker niet overbodig. Ten slotte houdt de WVO de mogelijkheid open om onderwijs te geven en examens af te nemen in een andere taal dan het Nederlands, onder andere als de specifieke aard van het onderwijs daarom vraagt. Dit zou ook op het IB van toepassing kunnen zijn.

IB sluit aan op het hoger onderwijs
Rondom de toelating van bezitters van een IB-diploma tot medische en bètastudies waren twee mogelijke problemen. Ten eerste waren de toelatingseisen voor deze studies onhelder als het ging om het IB. Dit probleem is inmiddels grotendeels opgelost. Ten tweede eisen medische studies dat een leerling in vier exacte vakken examen gedaan heeft. Deze combinatie is in een IB-vakkenpakket niet standaard maar wel mogelijk. Het is natuurlijk van belang dat een IB-leerling in een vroeg stadium op de hoogte is van de toelatingseisen voor medische studies. Dit is de verantwoordelijkheid van de aanbiedende school.

Kosten van het IB
Een leerling in het IB kost bijna tweemaal zoveel als een leerling in het vwo. Dit heeft met name te maken met de aard van het programma: kleine klassen, hooggekwalificeerde docenten, veel uren voor leerlingbegeleiding. Is het niet zo dat, wanneer we in het Nederlands vwo-onderwijs ook dit bedrag per leerling te besteden zouden hebben, de kwaliteit van het Nederlands vwo-onderwijs als geheel zou stijgen? De kosten van het IB zouden, bij openstelling, voor een groot deel door de ouders (of hun werkgevers) moeten worden opgebracht. De raad ziet het gevaar dat openstelling van het IB zonder rekening te houden met verschil in draagkracht, zou kunnen leiden tot verminderde toegankelijkheid voor minder welvarende gezinnen. Het is dan van groot belang zorg te dragen voor toegankelijkheid en bekostiging naar draagkracht.

Wettelijke regeling en selectie nodig
De minister zou het aanbieden van het IB als uitzondering mogelijk kunnen maken via een beleidsregel die toeziet op ontheffing van de wettelijke curriculum- en exameneisen (van de WVO) voor scholen die het IB aan willen bieden. Een wetswijziging zou pas nodig zijn als het IB structureel en op grote schaal wordt ingevoerd.

Scholen zouden, omdat het IB-programma niet voor alle leerlingen geschikt is en niet als alternatief voor het eigen voortgezet onderwijs zou moeten functioneren, heldere selectiecriteria moeten handhaven. Hierop komen wij in hoofdstuk 5 terug. Natuurlijk mag de beslissing om het IB al of niet open te stellen, niet afhangen van de suggestie dat het effect van deze maatregel toch niet bijzonder groot zal zijn. Maar deze gedachte kan wel dienen als nuancering van omvang en belang van de beslissing.

Honoreren verzoek blijft verantwoordelijkheid Minister
De Minister heeft geen formele zeggenschap over de inhoud van het IB, maar behoudt wél het eindoordeel of een (bekostigde of erkende) school met een IB-licentie het IB-programma ook daadwerkelijk mag aanbieden. Het gevaar dat de kwaliteit van het IB in de toekomst zal afnemen en er desondanks toch nog scholen zijn die het in Nederland willen blijven aanbieden, is volgens de raad niet groot. Dit gezien de geschiedenis van het IB en de stringente kwaliteitsprocedures en -controles van de IBO. In het geval deze situatie toch ontstaat, beschikt de Minister nog altijd over een uiterste maatregel: de toestemming die hij aan scholen verleend heeft, weer intrekken. Scholen mogen dan met ingang van een bepaalde datum het IB niet langer aanbieden, op straffe van verlies van bekostiging of overheidserkenning. Dit alles zou duidelijk omschreven moeten zijn in de regelgeving en/of de correspondentie over de beslissing van de Minister aan de school die het IB mag gaan aanbieden.

4. Internationale leerwegen en het IB

Wat is de specifieke plaats en bijdrage van het IB te midden van andere bestaande en te ontwikkelen internationale leerwegen? Het aanbod aan internationaal gerichte onderwijsprogramma’s is in verschillende varianten te verdelen. Dit hoofdstuk beschrijft de meest internationale varianten: internationaal ontwikkelde programma’s (zoals het IB) en verregaande vormen van internationalisering in en door het reguliere onderwijs zelf (zoals het tweetalig onderwijs en de University Colleges). In de slotparagraaf komt de raad tot een indeling in vier varianten van internationale leerwegen en doet hij uitspraken over de wenselijke toekomstige ontwikkeling van iedere variant.

4.1 Inleiding

Het is van belang dat álle leerlingen in Nederland voldoende voorbereid worden op een steeds internationaler wordende samenleving. In de praktijk is al te zien dat kosmopolitische leerroutes ontstaan waarbij leerlingen vanaf de basisschool tot en met het hoger onderwijs internationaal gerichte programma’s volgen.63 De internationalisering van de reguliere curricula echter blijft toch achter, zoals de raad ook betoogd heeft in zijn Internationaliseringsagenda 2006-2011. Verdere internationalisering van de eigen nationale curricula in het voortgezet onderwijs zal voor veel meer leerlingen effect hebben dan openstelling van het IB.

Dit hoofdstuk deelt bestaande onderwijsprogramma’s en opleidingen in alle sectoren in naar de mate waarin zij als internationaal te typeren zijn. Paragraaf 4.2 behandelt volledig internationaal ontwikkelde onderwijsprogramma’s zoals het IB, die voornamelijk in het internationaal georiënteerd onderwijs aangeboden worden. Deze programma’s vormen samen een leerlijn van primair onderwijs tot en met hoger onderwijs. Paragraaf 4.3 kijkt naar het regulier onderwijs waarin programma’s ontwikkeld en uitgevoerd worden die verregaand internationaal van opzet zijn (en vaak via internationale samenwerking tot stand komen). Meer gangbare vormen van internationalisering in het reguliere onderwijs (zoals projecten waarbij het contact tussen leerlingen uit verschillende landen centraal staat) zijn al beschreven in de Internationaliseringsagenda 2006-2011. In de afsluitende paragraaf 4.4 onderscheidt de raad vier mogelijke varianten van internationale leerwegen, die door het veld samen met deskundige instanties op leerplangebied verder tot wasdom kunnen worden gebracht, ondersteund door het internationaliseringsbeleid van de minister.

4.2 Internationaal ontwikkelde programma’s

Naast het IB bestaan er verschillende andere internationaal ontwikkelde onderwijsprogramma’s, die meestal – maar niet uitsluitend – door het internationaal georiënteerd onderwijs afgenomen worden. Zo zijn er voor het basisonderwijs het Primary Years Programme (IBPYP)64 van de IBO en het IPC van de Stichting NOB (Nederlands Onderwijs in het Buitenland). Voor het voortgezet onderwijs is er het Middle Years Programme (IBMYP) van de IBO. Daarnaast heeft de University of Cambridge International Examinations (CIE) een breed scala aan internationale curricula voor alle onderwijssectoren. Ten slotte hebben de Europese scholen eigen curricula, waaronder het EB. Door deze internationale onderwijsprogramma’s aansluitend te volgen kan er een volledig internationale leerlijn ontstaan, ook wel een kosmopolitisch traject genoemd. De genoemde onderwijsprogramma’s worden hieronder toegelicht.

Het (internationaal) primair onderwijs
Het IBPYP
Het IBPYP is een internationaal basisschoolcurriculum voor kinderen van drie tot twaalf jaar. Het programma is ontwikkeld en wordt, net als het hierboven besproken IB-programma, aangeboden door de IBO (zie hoofdstuk 2).65

Het IBPYP gaat uit van een brede aanpak van onderwijzen en leren. Het curriculum biedt scholen richtlijnen voor wat kinderen moeten leren, een onderwijsmethode en strategieën voor beoordeling. Na overleg met de IBO hebben scholen veel keus, onder meer wat betreft instructietaal en de overige talen die aangeboden worden. Het IBPYP bereidt wel voor op het IBMYP (zie paragraaf 4.2.2), maar is geen voorwaarde voor toelating hiertoe.

Het IBPYP-curriculum is net als het IB gebaseerd op het uitgangspunt dat onderwijs begrip tussen jongeren over de hele wereld kan kweken. Intercultureel bewustzijn staat centraal in het programma. Het IBPYP gaat verder uit van de gedachte dat structureel onderzoek en bevraging de motor vormen van het leren. Kerndoel van het programma is leerlingen te helpen een holistisch begrip van zes kernthema’s te bereiken: Wie zijn we? Waar zijn we in plaats en tijd? Hoe drukken we onszelf uit? Hoe werkt de wereld? Hoe organiseren we onszelf? Hoe delen we de wereld? Het curriculum is opgebouwd uit zes leergebieden: taal; sociale studies; wiskunde; wetenschap en technologie; kunst; en persoonlijke en sociale vorming en lichamelijk onderwijs. Kinderen leren, in de geest van internationalisering, ook een tweede taal.

De leraren (en leerlingen) beoordelen het werk zelf, er zijn geen externe examens. Twee soorten beoordelingen worden gebruikt. Formatieve beoordelingen zijn verweven met het dagelijks leren, summatieve beoordelingen vinden plaats aan het eind van het curriculum. De school houdt tevens individuele portfolio’s bij, waarmee de ontwikkeling van een kind gedocumenteerd wordt. Leerlingen tussen tien en twaalf jaar dienen in het laatste jaar van het programma te participeren in een cumulatief project, de IBPYP-tentoonstelling, om hun kennis en kunde te demonstreren.

Naast moeilijk in te schatten kosten verbonden aan implementatie, lerarentrainingen, aanschaf van leermiddelen, enzovoort, is een school die het IBPYP aanbiedt een aantal vergoedingen verschuldigd aan de IBO. Momenteel kosten aanmelding en autorisatiebezoek 3.793 euro; de programmaevaluatie (drie jaar na autorisatie en dan elke vijf jaar) kost 1.915 euro en de jaarlijkse bijdrage per school is 2.762 euro. Het totaalbedrag van directe kosten die een school in het eerste jaar maakt, is ongeveer 6.555 euro.66

IPC
Het IPC is ontwikkeld voor het basisonderwijs door de Stichting NOB, de organisatie Fieldwork (een Engelse organisatie voor onderwijsontwikkeling) en Shell.67 Het voorzag aanvankelijk in de behoefte van internationale Shell-scholen aan een internationaal curriculum voor het basisonderwijs. Het wordt nu gebruikt door meer dan vijftig scholen in de wereld, waaronder alle (onafhankelijke) Shell-scholen voor kinderen van werknemers, maar ook een aantal Nederlandse basisscholen.

Het IPC is grotendeels internationaal, alleen taal en rekenen volgen kinderen in principe in de moedertaal en met eigen methodes. De einddoelen zijn internationaal geformuleerd. Kinderen vergelijken bijvoorbeeld verschillende landen met elkaar en zoeken naar overeenkomsten en verschillen. De einddoelen zijn in te delen in kennis-, vaardigheidsen inzichtdoelen. Kinderen krijgen daarnaast de mogelijkheid om de kennis die ze al opgedaan hebben over verschillende culturen in te brengen, zodat ze van elkaar kunnen leren.

Het IPC is begonnen als een Engelstalig internationaal curriculum, maar wordt nu ook in het Nederlands gegeven. Naast een aantal volledig Nederlandse basisscholen werken inmiddels ook sommige igbo-scholen (internationaal georiënteerd basisonderwijs68) en sommige tweetalige basisscholen in Nederland met de Nederlandstalige versie.69

Publiek bekostigde basisscholen en scholen voor internationaal primair onderwijs die het IPC-curriculum aanbieden, vallen onder het toezicht van de Inspectie. De Inspectie controleert of de doelen van het IPC voldoen aan de kerndoelen die voor Nederlandse scholen gelden. De Inspectie concludeerde in zijn meest recente toezichtsronde dat dit, na aanvulling met een aantal specifiek Nederlandse doelen, het geval is.70

De kosten van het IPC zijn gebaseerd op het aantal leerlingen. Bij een leerlingenaantal van minder dan 100 leerlingen bedragen de totale kosten 11.000 euro; tussen 100 en 300 leerlingen is dat 14.000 euro, tussen 300 tot 600 leerlingen 17.000 euro, en bij meer dan 600 leerlingen 19.000 euro. Voorts betalen scholen een jaarlijkse lidmaatschapsbijdrage van ongeveer 758 euro per jaar en zijn er kosten verbonden aan trainingen voor het management en het team.71

Cambridge International Primary Programme
De CIE heeft voor het basisonderwijs het Cambridge International Primary Programme (CIPP) ontworpen. Dit is een modulair programma dat scholen een raamwerk biedt voor de ontwikkeling van kennis en vaardigheden op het gebied van rekenen, Engels en natuurwetenschappen bij jonge kinderen.72 Het programma biedt een leidraad voor het curriculum, de onderwijsmethode en de begeleiding van het leerproces. De makers omschrijven het programma als internationaal georiënteerd en gericht op het bijbrengen van ‘culturele sensitiviteit’.

Het programma omvat een scala aan onderwijsmethodes en curriculumonderdelen. Geen van de onderdelen is verplicht; scholen kunnen kiezen welke onderdelen wel en niet worden uitgevoerd en betalen meer bij een grotere afname. Zo kan een school een nationaal programma volgen en daarnaast gebruikmaken van de voortgangstoetsen en analyse- instrumenten van het CIPP. Of het programma kan gebruikt worden om onderwijs te geven in de kernvaardigheden voor Engels, rekenen en natuurkunde in combinatie met andere methodes voor de overige vakken. Tot slot kunnen scholen ervoor kiezen het CIPP als benchmark voor hun eigen onderwijsprogramma te gebruiken.

Primair onderwijs op de Europese scholen
Europa heeft dertien Europese scholen.73 Ze zijn opgericht door de EU voor kinderen van ouders die bij de Europese Commissie werken. Ze bevinden zich daarom meestal in steden met belangrijke EU-instellingen.74 Kinderen van personeelsleden kunnen op deze scholen internationaal onderwijs in hun moedertaal blijven volgen. In Nederland is er één Europese school: European School Bergen (over de locatie van deze school is al geruime tijd discussie). Zoals iedere Europese school bestaat zij uit afdelingen voor kleuteronderwijs, voor lager onderwijs en voor voortgezet onderwijs (dat gelijkstaat aan het vwo). Scholen kunnen verschillende afdelingen hebben, afhankelijk van de talen waarin wordt lesgegeven. De scholen hebben meerdere taalsecties. Het onderwijs in de Nederlandse taalsectie wordt verzorgd door Nederlandse en Vlaamse leraren. Al vanaf de eerste klas lagere school volgen de leerlingen onderwijs in een vreemde taal (Frans, Duits of Engels). In het voortgezet onderwijs is die vreemde taal ook voertaal bij het onderwijs en het examen in een aantal vakken.

In het voortgezet onderwijs op de Europese scholen wordt het curriculum van het EB gebruikt; dit komt hieronder in paragraaf 4.2.2 verder aan de orde.

Toelating en kosten
Drie categorieën leerlingen worden, in volgorde van prioriteit, toegelaten tot de Europese school. Ten eerste de kinderen van werknemers van de Europese Commissie, die verplicht moeten worden aangenomen. Zij betalen geen schoolgeld. Ten tweede leerlingen waarover individuele afspraken over toelating en kosten zijn gemaakt. Zo heeft een aantal internationale organisaties en bedrijven met de Europese scholen een contract afgesloten, dat kinderen van de werknemers van deze bedrijven recht geeft op toelating. Ten derde overige leerlingen. Zij kunnen worden toegelaten mits er voldoende plaats is en het schoolgeld betaald wordt. Het schoolgeld wordt vastgesteld door de raad van bestuur van de school. Voor de laatstgenoemde categorie leerlingen zijn de kosten van de kleuterschool 2.400 euro, voor de basisschool 3.300 euro en voor het voortgezet onderwijs 4.500 euro. Ouders betalen voor het tweede kind de helft van het schoolgeld en voor het derde en volgende kind een vierde deel. Het minimumbedrag dat ouders betalen is 1.200 euro. In de praktijk worden bijna 60% van de schoolkosten uit de EUbegroting betaald.75

Bestuur en toezicht
De scholen worden bestuurd op grond van een multilaterale, intergouvernementele overeenkomst: het Statuut van de Europese school. De scholen staan onder een raad van bestuur, waarin de regeringen van de verschillende lidstaten en de Europese Commissie zijn vertegenwoordigd. Het dagelijks bestuur is gevestigd op het centraal bureau in Brussel en valt onder de verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal voor Europese scholen. De programma’s in de Europese school worden vastgesteld door de raad van bestuur, die zich laat adviseren door de raad van inspecteurs.

De Europese scholen vallen niet onder de Nederlandse wet- en regelgeving, het toezicht wordt dan ook niet uitgevoerd volgens de WOT (Wet op het onderwijstoezicht). Voor het toezicht is er een raad van inspecteurs. Elke lidstaat vaardigt een inspecteur voor het basisonderwijs en een inspecteur voor het voortgezet onderwijs af naar deze raad. Zo zijn de Nederlandse inspecteurs primair verantwoordelijk voor de kwaliteitsbewaking van het onderwijs van de Nederlandse leraren. Lesbezoek is daarbij een belangrijk instrument, te meer omdat betrokken leraren periodiek beoordeeld worden. Daarnaast voeren de inspecteurs kwaliteitsonderzoek uit.

Internationale programma’s in het voortgezet internationaal onderwijs
Het IBMYP
Het IBMYP is bedoeld voor leerlingen tussen elf en zestien jaar oud. Het programma duurt vijf jaar. Het vormt een vervolg op het IBPYP en bereidt voor op het IB-curriculum, maar is geen voorwaarde voor toelating.

Leerlingen zijn in deze fase volgens de makers van het programma in “een kritieke fase van persoonlijke en intellectuele ontwikkeling. Het is een tijd van onzekerheid, gevoeligheid, protest en vragen”.76 Een onderwijsprogramma moet leerlingen dan discipline en uitdagende standaarden bieden en naast vaardigheden ook creativiteit en flexibiliteit bijbrengen. De IBO bouwt zijn programma’s rond deze uitgangspunten, maar wil ook bereiken dat leerlingen een persoonlijk waardesysteem ontwikkelen waarmee zij richting geven aan hun eigen leven, “als aandachtige leden van lokale gemeenschappen en de wereld”.

Vijf vakoverstijgende thema’s vormen de kern van het curriculum: leeraanpak, gemeenschap en dienstverlening, gezondheid en sociaal onderwijs, milieu, en ‘homo faber’ (de makende mens). Deze gebieden lopen als een rode draad door de acht vakken van het curriculum, maar ook door het interdisciplinair onderwijs en projecten en activiteiten van de school als geheel.

Het onderwijs bestaat uit acht vakken:
•    taal 1: de beste taal van de leerling (meestal ook de instructietaal van de school);
•    taal 2: een moderne vreemde taal;
•    humanities: geschiedenis en aardrijkskunde;
•    science: biologie, scheikunde, natuurkunde;
•    wiskunde: cursus over de vijf hoofdgebieden van wiskunde;
•    kunst: zowel beeldend als uitvoerend;
•    lichamelijke oefening: gezondheid, fitness, individuele en teamsporten; en
•    technologie: computer- en designtechnologie.

Het raamwerk is flexibel zodat een school bijvoorbeeld ook vakken aan kan bieden die door de nationale overheid verplicht gesteld worden. In overleg met de IBO hebben scholen ook de mogelijkheid een andere instructietaal dan het Engels te kiezen.

Beoordeling
De thema’s worden indirect beoordeeld via het persoonlijk project. Dit is een onafhankelijke opdracht waarin de leerling zijn of haar betrokkenheid bij de vijf gebieden verwerkt. Het mag een essay zijn, een artistieke productie, of een andere vorm; het onderwerp wordt gekozen in overleg met de leraar. Scholen zijn zelf verantwoordelijk voor assessment op basis van IBO-standaarden voor ieder leergebied. De nadruk ligt op formatief assessment dat gebruikt wordt in verschillende fasen van het leerproces om de voortgang van de leerling te bepalen en eventuele aanpassingen in het leerplan te maken. Leerlingen hebben ook een rol in de zelfevaluatie van hun werk en reflecteren op hun aanpak.

De resultaten van de leerling worden bijgehouden in een portfolio. Hierin zitten documenten van de IBO, certificaten en beoordelingen van de school zelf (voor eigen programmaonderdelen van de school die geen onderdeel uitmaken van het standaardcurriculum), en een zelfevaluatie door de leerling. Ook kan de portfolio informatie bevatten over dienstverlening aan de gemeenschap, het persoonlijk project en extra-curriculaire prestaties. Scholen kiezen vaak als eindresultaat voor een IBMYP-certificaat met een overzicht van prestaties. Dat kan alleen als de schoolassessments gevalideerd worden door de IBO.

International General Certificate of Secondary Education
De CIE biedt het International General Certificate of Secondary Education (IGCSE) aan. Dit is, net als het IB, een tweejarig curriculum en examen voor de laatste twee jaren van het (vijfjarig) voortgezet onderwijs. Veel igvo-scholen bieden dit curriculum en examenprogramma aan. Hiertoe zijn zij aangesloten bij de CIE. Het IGCSE-examen kan afgelegd worden op verschillende niveaus conform het Britse model van ordinary en advanced level (O- en A-levels). Het niveau is vergelijkbaar met dat van het vmbo-tl (theoretische leerweg) en van de havo. Het IGCSE biedt namelijk internationaal toegang tot mbo- (middelbaar beroepsonderwijs) en hbo-opleidingen (hoger beroepsonderwijs). Ook het curriculum dat leidt tot een IGSCE-diploma staat onder toezicht van de Inspectie als het op een igvo-school aangeboden wordt.

In de onderbouw van dit programma kan een school het eerder beschreven IBMYP aanbieden of een eigen curriculum. Wanneer een school voor het laatste kiest, kan het gebruikmaken van de ‘Cambridge checkpoint’, een modulair systeem bestaande uit leermiddelen en onderwijsmethoden voor wiskunde, Engels en natuurwetenschappen (science) plus bijbehorende diagnosticerende tests, die aangeven of een leerling in staat is aan het IGCSE te beginnen.

Het EB
De opzet en aansturing van de Europese scholen is in paragraaf 4.2.1 aan bod geweest. Het programma voor het voortgezet onderwijs van de Europese scholen is het EB. Het EB-diploma wordt in alle lidstaten erkend en biedt toegang tot alle universiteiten in Europa en ook in sommige andere landen. Het diploma is gelijkwaardig aan het Nederlandse voortgezet onderwijs77 en vergelijkbaar met het vwo voor de tweede fase, met een versterkte taalcomponent. Het programma duurt zeven jaar en bestaat uit drie cycli.
•    De eerste cyclus, de ‘observatiecyclus’, duurt drie jaar. De vakken in deze cyclus worden in principe onderwezen in de moedertaal. Een tweede taal is verplicht en kan Engels, Duits of Frans zijn. In het tweede jaar wordt een extra vreemde taal geïntroduceerd, in het derde jaar wordt human sciences (geschiedenis en aardrijkskunde) onderwezen in deze tweede taal.
•    De tweede cyclus duurt twee jaar. Verplichte vakken gedurende dit vierde en vijfde jaar van het voortgezet onderwijs zijn wiskunde, natuurkunde, scheikunde, biologie, geschiedenis, lichamelijke oefening en religie/ethiek. Daarnaast kunnen leerlingen twee nieuwe vakken kiezen om zich te oriënteren en voor te bereiden op hun toekomstige opleiding. Keuzemogelijkheden zijn Latijn, een vierde taal, economie, kunst, muziek en informatica.
•    De derde cyclus duurt twee jaar en leidt tot het EB. Om het examen van het EB af te leggen moet een leerling in ieder geval deze laatste twee jaren onderwijs aan een Europese school hebben gevolgd.

Rechten verbonden aan EB-diploma
De rechten die verbonden zijn aan het getuigschrift van het EB zijn geregeld in het Statuut van de Europese school en de Regeling voor het Europese Baccalaureaat van 1957. Hierin wordt een EB-diploma gelijkgesteld aan de nationale pre-universitaire diploma’s, in Nederland is dat het vwo. Daarvoor moet het examen wel zijn afgelegd in de Nederlandse taalafdeling. Als het eindexamen wordt behaald in een andere Europese taal, kan het Nederlands als vreemde taal in het pakket worden opgenomen.

Internationale curricula in mbo en hoger onderwijs
Er zijn in het mbo en het hoger onderwijs wel veel gezamenlijke programma’s, maar echt internationaal ontwikkelde curricula ontbreken bijna geheel. Een uitzondering vormen de beroepsgerichte internationale curricula die de CIE aanbiedt, onder andere op het terrein van toerisme, international business, computerkunde, administratie en lerarenopleidingen.

4.3 Ontwikkeling van (nieuwe) internationale leerwegen

Onder een groeiende groep (ouders van) reguliere leerlingen bestaat vraag naar een meer internationaal gerichte onderwijsloopbaan. Het kan gaan om leerlingen van ouders die definitief zijn teruggekeerd uit het buitenland of om leerlingen van ouders die hun tijdelijk verblijf in Nederland omzetten naar een langdurig verblijf. Deze groepen kinderen kunnen al aan een internationale schoolcarrière zijn begonnen en die in het Nederlandse reguliere onderwijs willen voortzetten. Daarnaast is er vraag naar internationale onderwijsvormen vanuit ouders die een internationale opleiding van hogere waarde achten dan een huidig vwo- of gymnasiumdiploma. Om (onder meer) aan deze vraag tegemoet te komen, zijn in de afgelopen jaren reguliere onderwijsvormen in verregaande mate geïnternationaliseerd. Het gaat dan met name om het tweetalig en versterkt talenonderwijs in het basisonderwijs, het tweetalig onderwijs in het voortgezet onderwijs en internationale opleidingen in het mbo en het hoger onderwijs (bijvoorbeeld university colleges). In deze paragraaf beschrijven we deze vormen van onderwijs.

Experimenten met versterkt talenonderwijs in het basisonderwijs
Er bestaan twee vormen van vreemdetalenonderwijs in de onderbouw van het basisonderwijs: het tweetalig onderwijs en het versterkt en vroeg vreemdetalenonderwijs.78 Tweetalig onderwijs houdt in dat in het reguliere onderwijs bij niet-talenvakken als bijvoorbeeld geschiedenis en biologie een andere taal dan de moedertaal als instructie- en communicatietaal wordt gebruikt. Vervroegd en versterkt tweetalig onderwijs houdt in dat er extra uren vreemdetalenonderwijs bovenop de verplichte uren worden aangeboden. Het Europees Platform is door het ministerie van OCW belast met de coördinatie van beide vormen (ook in het voortgezet onderwijs) in Nederland.

Een beperkt aantal scholen biedt een vorm van tweetalig onderwijs in het primair onderwijs, deze onderwijsvorm komt vooral voor in het voortgezet onderwijs. Het versterkt en vroeg vreemdetalenonderwijs is wel sterk in opkomst in het basisonderwijs. Inmiddels bieden 54 basisscholen het aan; bij 39 is Engels de tweede taal, bij 13 Duits en bij 6 Frans. In totaal volgen ongeveer 10.000 leerlingen een vorm van versterkt en vroeg vreemdetalenonderwijs.79

Tweetalig onderwijs in het voortgezet onderwijs
Het tweetalig onderwijs is kort aan bod geweest in paragraaf 3.2, waar de vraag aan de orde was of het een voldoende alternatief is voor openstelling van het IB. We geven hier een meer volledige beschrijving.

In Nederland bestaat tweetalig onderwijs sinds 1989.80 Tweetalig onderwijs (tto) houdt in dat voor niet-talenvakken, zoals aardrijkskunde of biologie, een andere taal dan het Nederlands als voertaal wordt gebruikt in het reguliere (Nederlandstalige) onderwijs. 75 scholen bieden nu tweetalig onderwijs Nederlands-Engels op havo- en vwo-niveau aan in Nederland.81 Het tweetalig onderwijs biedt leerlingen de kans om het Engels (of een andere vreemde taal, één school biedt Nederlands-Duits onderwijs) op hoog niveau te leren. Het tweetalig onderwijs is niet geregeld in de wet maar door scholen zelf ontwikkeld. De Inspectie en de minister van OCW hebben criteria geformuleerd waaraan tweetalig onderwijs moet voldoen. Deze staan in de nota Grenzen verleggen.82 Daar staat dat tweetalig onderwijs vrij toegankelijk moet zijn voor iedere leerling en zich moet verdragen met de Nederlandstalige examens. Het Nederlands moet blijven overheersen als voertaal en het onderwijs mag in geen geval tot meerkosten leiden voor de overheid.

Het Europees Platform is door het ministerie van OCW belast met de coördinatie van tweetalig onderwijs in Nederland. In 1999 hebben het Europees Platform en de tto-scholen een landelijk netwerk voor tweetalig onderwijs opgericht. De scholen van dit netwerk onderschrijven de standaard voor tweetalig onderwijs die door het Europees Platform in samenwerking met de scholen is vastgesteld. Bij het ontwikkelen en opzetten van tweetalig onderwijs kunnen scholen een beroep doen op subsidies voor het PITON-project (Programma voor Internationaler Talen Onderwijs in Nederland).83

Het tweetalig onderwijs valt onder het reguliere onderwijs, volgt het Nederlandse curriculum en leidt op tot het Nederlandstalig examen. Sommige tto-scholen kiezen er daarom ook voor om het laatste jaar van het onderwijs uitsluitend in het Nederlands aan te bieden en het aandeel Engels in de voorgaande jaren te verhogen (tot bijvoorbeeld 70%). Een knelpunt op dit moment is dat het vwo-diploma geen mogelijkheden biedt om inzichtelijk te maken dat leerlingen tweetalig onderwijs gevolgd hebben. Het Landelijk Netwerk tto heeft daarom samenwerking gezocht met de IBO. Tto-scholen kunnen nu, via het Europees platform, voor het vak Engels het A2 of het B higher level certificaat van het IB in het examenprogramma opnemen. Leerlingen kunnen hier op vrijwillige basis aan meedoen. Inmiddels hebben 42 scholen een zogenoemde A2-licentie, waarmee ze toestemming hebben van het IBO om het IB-examen Engels aan te bieden. Van deze scholen bieden er 28 het examen al daadwerkelijk aan, bij 13 scholen is dit in voorbereiding.84

Onderzoek naar tweetalig onderwijs
Van 1995 tot 2000 zijn de vijf eerste tto-scholen onderwerp van uitgebreid onderzoek geweest.85 Hierin stond de vergelijking tussen reguliere en tto-leerlingen centraal op het gebied van taalvaardigheid in het Engels (op basis van toetsresultaten) en examencijfers voor het Nederlands en andere vakken. Daarnaast zijn observaties van het didactisch handelen uitgevoerd van docenten die in het Engels lesgeven en vergeleken met het Common European Framework of Reference (zie bijlage 2). De belangrijkste conclusie was dat er geen verschillen zijn tussen het reguliere voortgezet onderwijs en het tweetalig onderwijs wat betreft cijfers voor Nederlands en voor andere vakken. Wel is een duidelijk verschil gevonden tussen tto- en reguliere leerlingen als het gaat om de taalvaardigheid in het Engels. Tto-leerlingen beginnen vaak op een hoger aanvangsniveau Engels, ze zijn immers geselecteerd op motivatie voor het Engels, maar eindigen ook duidelijk hoger dan reguliere leerlingen als het gaat om leesvaardigheid, spreekvaardigheid en uitspraak.

Scholing leraren
Om de kwaliteit van het tweetalig onderwijs te optimaliseren dienen leraren aan extra eisen te voldoen op het gebied van taalvaardigheid Engels en het lesgeven in een andere taal. Het ICLON (Interfacultair Centrum voor Lerarenopleiding, Onderwijsontwikkeling en Nascholing) biedt in samenwerking met EuroSchool een scholingstraject voor tto-docenten, gericht op professionalisering van het didactisch handelen. Dit traject ondersteunt docenten bij het bereiken van de tto-docentcompetenties van het Europees Platform.

Toezicht
Het tweetalig onderwijs valt, als regulier voortgezet onderwijs, onder het toezicht van de Inspectie. Daarnaast voert het Europees Platform momenteel een kwaliteitsproject uit, waarin zij het aanbod aan tweetalig onderwijs toetst aan de standaard voor tweetalig onderwijs die in samenwerking met de scholen is vastgesteld. Het doel hiervan is te komen tot officiële certificering en erkenning van de tto-scholen in Nederland door het Europees Platform.

Internationale leerwegen in het mbo en het hoger onderwijs
De meeste onderwijsinstellingen in het mbo en het hoger onderwijs die internationale opleidingen aanbieden, richten zich zowel op studenten uit het buitenland als op studenten uit Nederland. Het gaat hierbij om tweetalige opleidingen, gezamenlijke graden en internationaal opgezette opleidingen.

Tweetalige opleidingen
In 2004 was het aantal opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs met Engels als voertaal toegenomen tot een kwart van de bacheloropleidingen en meer dan de helft van de masteropleidingen.86 Te verwachten is dat dit aantal na een aanvankelijk enthousiaste start zal afnemen ten gunste van tweetalige programma’s. In 2004 waren er in totaal 1.556 Engelstalige opleidingen in het hoger onderwijs.87 Voorbeelden zijn:
•    De ambitie van ROC Albeda is om een groot deel van het mbo tweetalig te maken. Dat is nu het sterkst ontwikkeld in opleidingen in de sectoren economie, toerisme en horeca. Internationale stages maken deel uit van het pakket van veel opleidingen. Van de vijftig vestigingen die ROC Albeda telt, is er op de helft sprake van tweetalig onderwijs.88
•    Vanaf september 2005 krijgen alle studenten van de Hogeschool Fontys een Engelstalig diplomasupplement bij hun Nederlandse diploma (gebaseerd op het ECTS, het European Credit Transfer System). Dit geeft de studenten een extra mogelijkheid om eenvoudiger in het buitenland aan de slag te kunnen.89

Gezamenlijke graden (joint degrees)
Het gaat hier om programma’s waarbij onderwijs aan twee of meer instellingen wordt gevolgd en er gezamenlijk een getuigschrift wordt verleend of Nederlandse diploma’s in het buitenland worden afgegeven. Hierbij werken Nederlandse hogescholen en universiteiten samen met buitenlandse instellingen. Voorbeelden zijn:
•    De opleiding International Business Stream (mbo), aangeboden door het Albeda College en het Koning Willem I College. Na afronding ontvangen studenten een Nederlands en een Engels diploma.
•    De Rijksuniversiteit Groningen die acht joint-masterprogramma’s en één jointbachelorprogramma aanbiedt.

Internationaal opgezette opleidingen
Het gaat hier om opleidingen die wat taal en inhoud betreft internationaal zijn opgezet en zich richten op een internationale doelgroep. Het University College Utrecht (Universiteit Utrecht), de Roosevelt Academy (Middelburg) en het University College Maastricht (Universiteit Maastricht) zijn hier voorbeelden van. Op deze colleges is Engels de voertaal, is de inhoud van de opleidingen internationaal (vakken zijn bijvoorbeeld: global economy en international politics) en studeren studenten van veel verschillende nationaliteiten.

4.4 Bijdrage van het IB te midden van andere internationale leerwegen

Het komt de raad verstandig voor de internationaliseringsbeweging in het onderwijs te kanaliseren in een handzaam aantal internationaal gerichte leerwegen met een zekere variatie in internationaal gehalte. Dit biedt tevens het kader voor inpassing van het IB. Alle leerlingen zouden via het onderwijs een voldoende basis aan internationale en interculturele kennis en vaardigheden moeten opdoen. Internationalisering verkeert in het regulier onderwijs in vele opzichten nog in een beginfase. Een keur aan interessante activiteiten en projecten wordt uitgeprobeerd en vormgegeven, maar er is nog geen sprake van een structurele internationale dimensie in de verschillende leerwegen en profielen. Het terrein moet in de komende jaren tot wasdom komen. In zijn Internationaliseringsagenda 2006-2011 beveelt de raad dan ook aan om leerinhouden te beoordelen op ‘internationaliseerbaarheid’. Internationale kennis kan bijvoorbeeld tot uiting komen in inhoudelijke aandacht voor andere culturen en voor niet-Nederlandse geschiedenis, internationale wet- en regelgeving, Europees recht, internationale economie en financiering, en vergelijkingen met andere landen.90

Vier varianten
Om te bepalen in welke richting het onderwijs zich zou kunnen ontwikkelen, schetst de raad hieronder vier varianten die als leidraad kunnen dienen. Deels komen deze varianten al in de praktijk voor, deels moeten zij zich nog uitkristalliseren. De tabel beschrijft verschillende kenmerken van elk (ideaal)type. Onder het kopje Toekomst wordt waar relevant de mogelijke richting aangegeven waarin de variant zich zou kunnen ontwikkelen.

In de tabel is tevens waar nodig onderscheid gemaakt tussen de verschillende onderwijssectoren. De vier mogelijke varianten van internationale leerwegen worden in de optiek van de raad door het veld samen met deskundige instanties op leerplangebied verder uitgewerkt, met ondersteuning van het internationaliseringsbeleid van de minister.

Internationale leerwegen en het internationale baccalaureaat - tabel1

5. Advisering over internationale leerwegen en het IB

Het regulier onderwijs staat voor de omvangrijke taak om de bestaande internationaliseringsactiviteiten uit te bouwen, te evalueren, te verbeteren en structureel in het onderwijsprogramma in te bedden. De raad vindt dit alles van veel groter belang dan openstelling van het IB. Toch zou het IB-programma voor een klein aantal leerlingen een interessante optie zijn. Tijdelijke openstelling van het IB, in afwachting van een voldoende eigen aanbod aan internationale onderwijsvarianten, kan daarom gunstig zijn. In het voorliggend hoofdstuk adviseert de raad over bovenstaande zaken.

5.1 Terug naar de centrale vragen

De minister heeft de raad advies gevraagd over de positie van het IB. De raad vindt dat deze kwestie niet op zichzelf staat en heeft het IB daarom onderzocht tegen de achtergrond van internationalisering van het eigen onderwijssysteem. Verdere internationalisering van de eigen nationale curricula in het voortgezet onderwijs zal voor veel meer leerlingen effect hebben dan openstelling van het IB. Recentelijk heeft de raad een Internationaliseringsagenda 2006-2011 uitgebracht om te proberen meer structurele aandacht voor dit thema te verwerven. In het huidige advies bouwt de raad voort op wat in deze agenda aan de orde geweest is. De beantwoording van de vragen over het IB vindt dus plaats binnen het kader van het geheel aan bestaande en te ontwikkelen internationale curricula en leerwegen in het Nederlandse onderwijs.

In het voorgaande zijn het IB en de discussie over openstelling zo volledig mogelijk beschreven. Vervolgens zijn de argumenten pro en contra op een rij gezet en in al hun facetten bestudeerd. Via literatuuronderzoek, het bevragen van diverse (veld)deskundigen en discussies in extern en intern verband over de aard van het programma en de wenselijkheid van openstelling, heeft de raad zich een mening gevormd over deze kwestie. In dit hoofdstuk beantwoordt de raad de centrale vragen die in hoofdstuk 1 zijn benoemd.

Hoofdvraag
Is het wenselijk en haalbaar dat alle leerlingen die dat willen en kunnen het IB-programma doorlopen en het diploma behalen?

Deelvragen:
•    (1) Wat is de specifieke plaats en bijdrage van het IB te midden van andere (bestaande en nog te ontwikkelen) internationale leerwegen?
•    (2) Moet de minister toestaan dat scholen voor havo en vwo het IB aanbieden aan reguliere leerlingen? Zo ja, onder welke voorwaarden? In hoeverre zijn met name taal, kosten en aansluiting op vervolgopleidingen een probleem?
•    (3) Is het wenselijk dat de overheid de implementatie van het IB in het voortgezet  onderwijs (deels) bekostigt? Op welke wijze?

Paragraaf 5.2 beantwoordt de eerste deelvraag met een voorstel gericht op de totstandkoming van eigen internationale onderwijsvarianten. Paragraaf 5.3 en 5.4 beantwoorden respectievelijk deelvraag 2 en 3. Tot slot vat de raad in paragraaf 5.5 de adviesrichting samen.

5.2 Ontwikkelingsprogramma voor internationale leerwegen

Het debat over het IB laat zien dat het hoog tijd is om grondig na te denken over internationale leerwegen in ons onderwijs. Internationalisering van het onderwijs verkeert nog altijd in een beginfase. Een keur aan interessante activiteiten en projecten wordt uitgeprobeerd en vormgegeven, maar er is nog geen sprake van een structurele internationale dimensie in het onderwijs. Het terrein moet in de komende jaren tot wasdom komen. In zijn Internationaliseringsagenda 2006-2011 beveelt de raad dan ook aan om leerinhouden te beoordelen op mogelijke ‘internationaliseerbaarheid’: wat is of wat kan het internationale aspect (zijn) aan een bepaald onderwijsdeel? Internationale kennis kan bijvoorbeeld tot uiting komen in inhoudelijke aandacht voor andere culturen en voor niet-Nederlandse geschiedenis, internationale wet- en regelgeving, Europees recht, internationale economie en financiering, en vergelijkingen met andere landen.92

Om de gedachten te bepalen heeft de raad in het vorige hoofdstuk vier varianten van geïnternationaliseerde leerwegen in het onderwijs geschetst. De minister zou met het veld en leerplaninstanties een ontwikkelingsprogramma in gang kunnen zetten waarmee op termijn deze verschillende internationale leerwegen van basisonderwijs tot hoger onderwijs tot stand komen. Zodoende verkrijgen alle leerlingen en studenten via het onderwijs een voldoende basis aan internationale en interculturele kennis en vaardigheden. En kan een leerling of student kiezen voor de geïnternationaliseerde leerweg die bij hem of haar past.

De raad beveelt de minister aan dat zij initiatieven neemt om ervoor te zorgen dat het veld en de relevante leerplaninstanties werken aan een systematisch geheel van geïnternationaliseerde leerwegen over de sectoren heen. De minister zou opdracht moeten geven om in kaart te brengen welke verschillende varianten (gradaties) van internationale leerwegen er in het onderwijs aanwezig zijn en welke varianten nog tot stand zouden moeten komen. De raad heeft hiervoor in het vorige hoofdstuk een voorzet gegeven. Vervolgens kan de minister de resultaten bespreken met het veld en nagaan op welke wijze onderwijsinstellingen en leerplaninstanties zelf verder kunnen werken aan de ontwikkeling en invulling van de verschillende varianten. Dit zou moeten uitmonden in een voor het Nederlandse onderwijs samenhangend pakket van meer en minder internationaal georiënteerde leerwegen.

5.3 Openstelling IB in afwachting van Nederlandse internationale onderwijsvarianten

In hoofdstuk 3 zijn de principiële en praktische redenen die er kunnen zijn om het IB al dan niet open te stellen, onder de loep genomen. Wat zou de toegevoegde waarde zijn van openstelling? Welke problemen en bezwaren ontstaan mogelijk bij openstelling en zijn deze op te lossen? Deze paragraaf vat de bevindingen kort samen en presenteert het hieruit voortvloeiend advies van de raad.

Een zekere openstelling van het IB past binnen de autonomiegedachte
Nederland kent programma’s voor voortgezet onderwijs die voor de meeste leerlingen in principe voldoen. Voor leerlingen die het Engels (of Duits) op hoog niveau willen leren is daar sinds kort het tweetalig onderwijs aan toegevoegd. Wel is het zo dat het bovenbouwprogramma van havo en vwo (de tweede fase en het studiehuis) momenteel in de publieke en politieke belangstelling staat vanwege onder meer de fragmentatie van het programma, de onvolgroeide didactiek en problemen in de aansluiting op het hoger onderwijs.93 De geconstateerde problemen kunnen op zichzelf echter geen reden zijn om het IB open te stellen als alternatieve onderwijsroute. De problemen in de tweede fase zijn veeleer een reden om te zoeken naar manieren om de gewenste verbeteringen in het eigen onderwijsprogramma door te voeren. Deze discussie staat wat de raad betreft daarom los van de vraag of het IB kan worden opengesteld.

Zoals gezegd ziet de raad heel graag dat de aandacht voor internationalisering in het regulier onderwijs verder toeneemt in de komende jaren. Dit komt ten goede aan alle leerlingen en is daarmee belangrijker dan openstelling van het IB. Sterker nog: de bestaande vraag naar deelname aan het IB zal waarschijnlijk afnemen naarmate er meer aandacht is voor internationalisering van het reguliere onderwijsprogramma.

Ondanks het bovenstaande ziet de raad tevens de toegevoegde waarde van een zekere verbreding van de doelgroep van het IB. Het betreft immers een hoogwaardig programma en examen dat over de hele wereld wordt erkend. Het onderscheidt zich duidelijk van het huidige onderwijsaanbod (inclusief tweetalig onderwijs) doordat het een volledig internationale (bovennationale) oriëntatie en leerlingenpopulatie kent. Met name de toename van keuzevrijheid en onderwijsdiversiteit bij openstelling speelt een belangrijke rol in de overwegingen van de raad. In het advies Hoe kan onderwijs meer betekenen voor jongeren94 heeft de raad al aangegeven dat er in het onderwijs niet alleen aandacht zou moeten zijn voor leerlingen die extra zorg en begeleiding nodig hebben, maar ook voor getalenteerde leerlingen aan de ‘bovenkant’ van het onderwijsspectrum. Het meer toegankelijk maken van het IB (in afwachting van eigen internationale onderwijsvarianten) is een uitwerking van deze gedachte.

Verbreding van de doelgroep van het IB past goed in het Nederlandse overheidsbeleid dat gericht is op meer inhoudelijke ruimte, meer diversiteit in het aanbod, en meer autonomie voor scholen. Daarnaast is de beschikbaarheid van internationaal onderwijs voor hun Nederlandse werknemers een extra stimulans voor ondernemingen om zich in Nederland te vestigen of om hun activiteiten hier uit te breiden.

Praktische bezwaren?
In hoofdstuk 3 zijn de mogelijke bezwaren tegen openstelling van het IB geïnventariseerd en geanalyseerd. De belangrijkste zijn de buitenlandse voertaal, mogelijke problemen in de aansluiting van het IB op het Nederlands hoger onderwijs, de vrees voor een te grote regie vanuit het IBO en de hoge kosten van het IB. De analyses laten zien dat de Engelse voertaal en de aansluiting op het hoger onderwijs in elk geval geen onoverkomelijk beletsel hoeven te vormen voor openstelling. Wel is het zo dat de IBO de regie heeft over de inhoud en de kwaliteit van het IB-programma. De Nederlandse overheid heeft hierover geen formele zeggenschap. De Minister heeft echter wel het laatste woord in de beslissing of een bekostigde (of erkende) school het IB-programma mag aanbieden. De Minister kan de toestemming aan een school onthouden (of intrekken). Ten slotte zijn de kosten van het IB inderdaad erg hoog, maar dit hoeft volgens de raad geen belemmering te zijn voor een verbreding van de doelgroep, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan (zie paragraaf 5.4).

Sommige scholen en sommige leerlingen
Het bovenstaande wil niet zeggen dat de raad zich geheel kan vinden in de motie van Tweede-Kamerleden Lambrechts en Balemans. De leden spreken in hun motie in te globale termen over het binnen het bereik brengen van het IB voor gewone Nederlandse leerlingen. De raad ziet openstelling van het IB echter vooral als een tijdelijke optie in afwachting van verbeteringen in het eigen onderwijssysteem, die leiden tot voldoende eigen internationale opties. Onder de meeste leerlingen (en hun ouders) is bovendien naar verwachting geen vraag naar het IB. De meeste leerlingen, ook diegenen die voor het tweetalig onderwijs kiezen, houden naar verwachting liever een sterke band in stand met het Nederlands onderwijs en daarmee met Nederland. Degenen die voor tweetalig onderwijs kiezen, doen dat overwegend omdat zij daarnaast de Engels taal goed willen beheersen en hebben daar baat bij.

Welke leerlingen?
Voor een kleine groep leerlingen die nu het reguliere voorgezet onderwijs volgt is het IB een interessante optie. Een tentatieve prognose is dat het zou gaan om een vijfde deel van de huidige populatie leerlingen in het tweetalig onderwijs. Het gaat om een kosmopolitisch ingestelde doelgroep die bewust kiest om de mogelijkheid van een internationale toekomst en carrière open te houden: “Onderzoek de wereld en vind een goede plek voor jezelf”, zeggen de ouders van deze leerlingen. Het huidige aanbod aan regulier onderwijs is in feite niet internationaal genoeg voor de wensen en ambities van deze groep.

Welke scholen?
Niet iedere school is geschikt voor het IB. Een school die een IB-stroom wil opzetten en een licentie wil verwerven van de IBO zal veel te bieden moeten hebben en er veel tijd en energie in moeten steken. Allereerst moet er op zo’n school voldoende vraag zijn onder de leerlingen. Daarnaast zal de school docenten moeten trainen of werven die near native speaker zijn en geschoold zijn of worden in de pedagogisch-didactische uitgangspunten van het IB. In de praktijk zullen slechts weinig scholen zich hieraan wagen. In eerste instantie zullen naar verwachting vooral internationale scholen die al een IBstroom hebben, gebruikmaken van de verruimde mogelijkheden om leerlingen toe te laten. Daarnaast zullen wellicht ook sommige scholen met tweetalig onderwijs de IBlicentie proberen te verwerven. Zij hebben een voorsprong op het Nederlandstalig voortgezet onderwijs omdat een deel van hun docenten gewend is in het Engels les te geven. Deze voorsprong wordt versterkt indien het scholen betreft die daarnaast ook gewend zijn aan projectmatig onderwijs en een modulaire onderwijsopzet. Dat zijn bijvoorbeeld ook scholen die hun onderbouw vormgegeven hebben op basis van de uitgangspunten van het IBMYP (zie hoofdstuk 4). Daar sluit het IB-programma op aan.

Advies Onderwijsraad
Hoewel de raad de beoordeling van het IB plaatst binnen het kader van het geheel aan bestaande en te ontwikkelen internationale curricula en geïnternationaliseerde leerwegen in het totale Nederlandse onderwijs, vindt hij het niet nodig de besluitvorming op te schorten totdat een geheel pakket aan geïnternationaliseerde leerwegen operationeel is. In afwachting van voldoende Nederlandse internationale onderwijsvarianten is het niet wenselijk het IB hermetisch gesloten te houden. De kern van het advies van de Onderwijsraad luidt daarom als volgt.

Kern van het advies
1)    Stimuleer het onderwijsveld en leerplaninstanties om eigen internationale curricula en geïnternationaliseerde leerwegen te ontwikkelen en uit te breiden, via het opzetten van een ontwikkelingsprogramma.
2)    Situeer het IB als een mogelijke variant te midden van dit geheel aan bestaande en mogelijke internationale leerwegen.
3)    Stel in het kielzog van de door internationalisering verruimde doelgroep het IB tijdelijk open voor havo-vwo-scholen en -leerlingen, in afwachting van de verdere ontwikkeling van Nederlandse internationaliseringsvarianten.

5.4 Openstelling IB: randvoorwaarden en bekostiging

De raad stelt zich voor dat een school het IB pas kan aanbieden aan reguliere leerlingen wanneer aan bepaalde eisen is voldaan (paragraaf 5.4.1). Ook doet de raad voorstellen voor de wijze waarop de minister openstelling zou kunnen regelen (paragraaf 5.4.2). Dan gaat de raad na hoe de minister en de aanbiedende scholen kunnen zorgen voor de toegankelijkheid van het IB voor leerlingen met minder draagkrachtige ouders (paragraaf 5.4.3). Tot slot worden de condities samengevat waaraan een school die het IB wil gaan aanbieden moet voldoen (paragraaf 5.4.4).

Eisen aan een school die het IB wil aanbieden
Selectie van leerlingen
Leerlingen die willen deelnemen aan het IB zouden geselecteerd moeten worden. Minimale selectiecriteria zijn het taalniveau Engels én het taalniveau Nederlands; beiden moeten van een dusdanig hoog niveau zijn dat deelname aan het Engelstalige IB verantwoord is. Daarnaast is de ‘internationale context en motivatie’ van leerlingen een belangrijk selectiecriterium. In een gesprek met de leerling (en de ouders) of bijvoorbeeld via een schriftelijke opdracht kan de leerling de kans krijgen uit te leggen waarom hij/zij een internationale loopbaan ambieert en een IB-leerroute nodig acht. Ook kan gekeken worden naar de ouders van de leerling. Deze vallen wellicht (net) niet onder de huidige definitie van internationaal mobiele ouders (zoals vereist voor een plaats in het internationaal onderwijs), maar kunnen wel deel uitmaken van een internationale setting, zoals een zich internationaliserende instelling of een Nederlandse onderneming met internationale ambities. Hierdoor is het mogelijk dat het gezin in de toekomst tijdelijk in het buitenland zal wonen en de leerling nu al baat heeft bij een IB-plaats. Internationale scholen hanteren ook selectiecriteria ten aanzien van de vooropleiding van IB-leerlingen. Ook voor de nieuwe doelgroep kan als toelatingseis gelden: een havo-diploma of een bewijs van overgang van vwo-4 naar vwo-5.

De selectie van leerlingen voor het IB zou door scholen zelf ter hand genomen moeten worden. Eventueel kan de Inspectie toezien op de procedure: niet élke leerling die het ‘wel leuk’ lijkt, hoeft toegelaten te worden. Deze vorm van tussentijdse selectie is mogelijk binnen de huidige wetgeving waarin scholen zelf verantwoordelijk zijn voor de voortgang en doorstroming van leerlingen naar een volgend leerjaar of een andere stroming. Zo hanteren scholen voor tweetalig onderwijs ook criteria voor toelating. Vaak gaat het dan om een bepaalde cito-toetsscore, een vwo-advies van de basisschool, en soms een Engelse taaltoets.95 Vertegenwoordigers van internationale scholen en scholen met tweetalig onderwijs met wie in het kader van dit advies gesproken is, geven overigens aan het uitvoeren van deze selectie niet als een probleem te ervaren. Zij kennen de meeste leerlingen om wie het gaat al langer en hebben inmiddels voldoende ervaring opgedaan om te kunnen inschatten voor welke leerlingen het IB een betere optie zou zijn in de laatste twee jaren.

Relatie met reguliere havo-vwo-stroom
De raad stelt zich voor dat aan een reguliere school met een IB-stroom de eis gesteld wordt dat de reguliere havo-vwo-afdeling daarnaast gehandhaafd blijft (zoals ook in het internationaal georiënteerd onderwijs geregeld is). Zodoende kan een leerling tussentijds terugstromen naar het reguliere onderwijs als dit nodig is. Dan is het tevens mogelijk dat een leerling die nog niet het gewenste taalniveau Nederlands heeft, wel aan het IB van de school mag deelnemen onder voorwaarde dat hij/zij daarnaast het vak Nederlands blijft volgen op het reguliere vwo en daar ook examen in doet. Daarnaast zou de school ervoor moeten zorgen dat het verband tussen de reguliere stroom en de IB-stroom sterk is. Bijvoorbeeld door gezamenlijke ontmoetingsmomenten tussen de leerlingen van de verschillende stromen, excursies, pauzes, culturele activiteiten, enzovoort. Zo komen reguliere leerlingen in een internationale setting en kunnen IB-leerlingen contact leggen en houden met reguliere leerlingen en hun Nederlandse taalvaardigheid bijhouden. Scholen kunnen positieve facetten van de IB-methode in het regulier traject inbrengen en andersom, bijvoorbeeld door docenten op beide afdelingen te laten werken.

Eindverantwoordelijkheid beslissing bij Minister
We verwachten zoals gezegd dat het internationale scholenveld het IB wil aanbieden aan een deel van de leerlingen die nu in de reguliere stroom van hun school zitten. Daarnaast zal naar alle waarschijnlijkheid een klein aantal regulier bekostigde scholen waar voldoende vraag naar het IB is vanuit leerlingen die aan de selectiecriteria voldoen, streven naar een licentie voor het IB. Daarbij geldt dat de Minister eindverantwoordelijke blijft in de beslissing of een school het IB daadwerkelijk mag (blijven) aanbieden. Dit besluit kan onder meer berusten op het oordeel van de Inspectie over de kwaliteit van het IB-aanbod. Is de kwaliteit onvoldoende, dan kan overgegaan worden tot het stopzetten van de reguliere bekostiging voor de IB-stroom.

Wettelijk regelen van de verruimde toegang tot het IB
Naar de mening van de raad kan de minister de verruimde toegang tot het IB op verschillende manieren regelen, bijvoorbeeld via een wijziging van de bestaande regeling voor internationaal georiënteerd onderwijs of het uitvaardigen van een nieuwe beleidsregel (zie paragraaf 3.3). In de (nieuwe of gewijzigde) beleidsregel kan de minister tevens bepalen dat het IB alleen in het Engels aangeboden mag worden of, als zij dat wenst, ook in het Frans en/of Spaans. Wanneer dit via een beleidsregel geregeld wordt, is er geen kans op precedentwerking omdat de AWB een beroep tegen algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels uitsluit. De raad verwacht overigens niet dat er scholen zullen zijn die kiezen voor de Spaanse of Franse versie van het IB, mede omdat er weinig vraag naar zal zijn vanuit leerlingen. Maar hij ziet ook geen reden om dit te verbieden, mits leerlingen op taalvaardigheid geselecteerd worden.

Wanneer een beleidsregel uitgevaardigd is, kan een individuele school een verzoek indienen bij de minister om de uitzonderingsbepaling in te vullen met het aanbieden van het IB-programma. De minister beslist dan per school of zij dit toestaat.

Bekostiging IB in de nieuwe situatie
Scholen die het IB onder bovengenoemde condities willen en kunnen aanbieden zouden de reguliere bekostiging kunnen ontvangen voor de IB-leerlingen op hun school. Maar wie betaalt de extra kosten van het IB? In de huidige situatie ontvangen internationale scholen een extra vergoeding per IB-leerling die neerkomt op ongeveer 1.049 euro extra per leerling per jaar. Daarnaast zijn er hoge ouderbijdragen (3.000 tot 5.500 euro per jaar). In de praktijk wordt een soms aanzienlijke deel van deze kosten betaald door de werkgevers van de ouders (bedrijven als Shell, ambassades, enzovoort).

Geen extra overheidsmiddelen
De raad kiest er in elk geval voor eventuele openstelling van het IB niet te bekostigen uit extra overheidsmiddelen. De voorgestelde beperkte openstelling van het IB zou budgettair neutraal moeten zijn en toelating tot het IB zou zo min mogelijk afhankelijk moeten zijn van draagkracht. De raad doet hieronder een voorstel voor de wijze waarop bekostiging geregeld zou kunnen worden.

Regeling internationale scholen vervangen door schoolfondsen
Zoals betoogd betekent de huidige regeling, waarbij internationale scholen van overheidswege een extra bedrag ontvangen per leerling, in feite dat er een ongelijkheid in bekostiging bestaat tussen leerlingen met internationaal mobiele ouders en ‘gewone’ leerlingen. Het argument hiervoor is dat expat-leerlingen, die meestal maar tijdelijk in een bepaald land verblijven, moeilijker kunnen kiezen voor een andere onderwijsvorm dan het internationaal onderwijs en dus gedwongen zijn aan een dure onderwijsvorm deel te nemen. In die zin is het internationaal onderwijs vergelijkbaar met het – eveneens extra bekostigde – speciaal onderwijs. Dit argument lijkt echter met het steeds internationaler worden van de samenleving en het reguliere onderwijs aan kracht te verliezen. Het onderscheid tussen internationaal mobiele leerlingen en reguliere leerlingen zal vervagen met een voortgaande internationalisering. Aan de andere kant moeten leerlingen die slechts kort in Nederland verblijven hun onderwijsloopbaan zonder al te veel moeilijkheden kunnen vervolgen in het buitenland en dus deel kunnen nemen aan een internationaal programma. Een aanzienlijk deel echter van de populatie op internationale scholen komt uit behoorlijk welvarende gezinnen voor wie de hoge schoolkosten, meestal met hulp van de werkgever, goed op te brengen zijn.

De raad stelt gezien het bovenstaande voor, de huidige extra vergoeding voor internationale scholen in principe te handhaven vanwege het belang van internationaal onderwijs voor leerlingen, ouders en bedrijven die zich in Nederland willen vestigen. Maar de vergoeding zou anders ingezet moeten worden. Het voorstel is daarom de extra bekostiging te vervangen door een (even grote) overheidsbijdrage aan schoolfondsen. Hieruit kunnen beurzen verstrekt worden aan leerlingen die in aanmerking komen voor een IB-plaats, maar wier ouders (werkgevers van de ouders) het niet (geheel) kunnen bekostigen. Zowel de huidige internationale leerlingen als de nieuwe wat ruimer gedefinieerde categorie kunnen aanspraak maken op een beurs. Gedacht kan worden aan volledige en/of gedeeltelijke beurzen. Leerlingen uit minder draagkrachtige gezinnen die volgens de school (op grond van de selectiecriteria) in aanmerking komen voor een IB-plaats, kunnen aanspraak maken op een (gedeeltelijke) beurs of op deelname aan een loting waarmee het beurzengeld verdeeld wordt. Bijkomende wisselende kosten naast de ouderbijdrage (excursies, reizen) kunnen ook via dit fonds verstrekt worden.

Om de bureaucratie tot een minimum te beperken en het geld zoveel mogelijk bij de leerlingen zelf terecht te laten komen, denkt de raad niet aan een landelijke fonds. Beter is het wanneer scholen of groepen scholen met een IB-stroom zelf een fonds in het leven roepen en beheren. Het bestaan van een dergelijke fonds en het verstrekken van beurzen aan minder draagkrachtige leerlingen zou, wat de raad betreft, als conditie moeten gelden voor een school die ministeriële toestemming wil verwerven om het IB aan te bieden. De scholen zouden tevens bedrijven (werkgevers van de ouders) actief moeten aanmoedigen om een bijdrage te leveren aan hun IB-fonds.

Samengevat: wanneer kan een reguliere school het IB aanbieden?
Een reguliere school zou het IB pas kunnen aanbieden als aan de volgende condities is voldaan.
•    (1) Aantonen dat er voldoende vraag is naar het IB onder (de ouders van) leerlingen.
•    (2) Schriftelijke toestemming van de Minister verwerven en behouden.
•    (3) Een licentie van het IBO verwerven en behouden.
•    (4) Selectiecriteria helder weergeven. Daarbij horen in elk geval een taaltoets Engels en Nederlands, een gesprek over motivatie met de leerling en een inschatting van de internationale positie van de ouders.
•    (5) Een reguliere havo-vwo-afdeling handhaven en zorgen voor een productieve verbinding tussen beide stromen.
•    (6) Samen met andere scholen een fonds opzetten en beheren waaruit beurzen voor het IB verstrekt kunnen worden aan leerlingen uit minder draagkrachtige gezinnen.

5.5 Conclusie: naar een systematisch geheel van internationale leerwegen

Het regulier onderwijs staat voor de omvangrijke taak de bestaande internationaliseringsactiviteiten uit te bouwen, te evalueren, te verbeteren en structureel in het onderwijs in te bedden. Daarbij kan het gebruikmaken van de expertise voortkomend uit innovaties zoals het tweetalig onderwijs en de university colleges. De raad kijkt met belangstelling naar de ontwikkelingen op het gebied van vroeg en versterkt vreemdetalenonderwijs en tweetalig onderwijs. Scholen die deze vormen aanbieden, maar ook scholen met hoogwaardig vreemdetalenonderwijs, zouden bovendien kunnen proberen het voor leerlingen met talentalent mogelijk te maken een IB-certificaat te behalen voor Engels of een andere taal.

De raad plaatst de beoordeling van het IB binnen het kader van het geheel aan bestaande en te ontwikkelen internationale curricula en geïnternationaliseerde leerwegen in het Nederlandse onderwijs. Hij stelt voor dat onderwijsinstellingen en leerplaninstanties in de toekomst eigen internationale varianten van vakken ontwikkelen, naar het voorbeeld van de curricula op internationale scholen; deze varianten kunnen dan als keuzemogelijkheid opgenomen worden in het reguliere onderwijs. Zodoende kan een leerling ervoor kiezen een internationale variant van een bepaald vak te kiezen, bijvoorbeeld geschiedenis of aardrijkskunde met de nadruk op internationale thema’s en ontwikkelingen. Dat zou natuurlijk ook een aanpassing van het examensysteem betekenen: een leerling kan dan examen doen in een internationale vakkenvariant. Wellicht kan op termijn gedacht worden aan een internationaal profiel in de tweede fase van het havo/vwo, waarin de nadruk sterk ligt op talen en internationale varanten van vakken. Ook kan de mogelijkheid van een internationale leerweg in het vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs) onderzocht worden.96

De raad beveelt daarom de minister aan een ontwikkelingsprogramma te laten opzetten, waarmee zij de totstandkoming van internationale leerwegen door het hele onderwijs heen kan stimuleren. Totdat deze leerwegen operationeel zijn, zou de minister het IB kunnen openstellen voor een selecte groep leerlingen zoals in dit advies beschreven. In zijn Internationaliseringsagenda 2006-2011 heeft de raad aangegeven dat internationale programma’s een waardevolle aanvulling kunnen zijn op het eigen onderwijsaanbod. Dat is zo als deze programma’s een voorbeeld vormen voor het Nederlands onderwijs en ambitieuze internationaal gerichte groepen voor het onderwijs en de Nederlandse samenleving behouden. Het programma zou bovendien niet los moeten staan van de Nederlandse taal en cultuur. De raad is van mening dat het IB kan voldoen aan deze criteria. Hij ziet het aanbieden van dit programma aan een bredere doelgroep als een manier om de aandacht voor internationalisering van het onderwijs te stimuleren en bij te dragen aan de totstandkoming van een volledig pakket aan internationale curricula en geïnternationaliseerde leerwegen.

6. Noten

1 NRC Handelsblad, 12 en 30 november 2004.

2 Onderwijsraad, 2005b.

3 Brief van het Landelijk netwerk voor Tweetalig onderwijs aan de Onderwijsraad (31 oktober 2005).

4 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2005b.

5 Onderwijsraad, 2005b. De vier aspecten die in deze internationaliseringsagenda genoemd worden, zijn voor het huidige dit advies samengebracht tot drie punten.

6 Internationale en buitenlandse scholen functioneren op grond van een aanwijzing van de Minister van OCW (artikel 1, onderdeel b, onder 4, van de Leerplichtwet 1969). De Stichting Internationaal Onderwijs geeft aan dat er 16 international afdelingen van publieke scholen voor primair en voortgezet onderwijs zijn en 21 onafhankelijke internationale scholen (Twynstra & Gudde, 2005). Sommige onafhankelijke internationale scholen bieden het IB aan, maar veel scholen hanteren het curriculum van het land van herkomst (Groot-Brittannië, Japan, Duitsland, enzovoort).

7 Gepubliceerd in het Gele Katern nr. 25 van 2000. Wijziging van de regeling (betreffende minimaal aantal vereist leerlingen), gepubliceerd in het Gele Katern, nr. 13, van 2004.

8 Onderwijsraad, 2005b.

9 Twynstra & Gudde, 2005.

10 Tussen haakjes is steeds respectievelijk de Spaanse en Franse terminologie weergegeven.

11 Persoonlijke mededelingen van IBO-vertegenwoordigers dhr. I. Hill (deputy director general) en mw. N.A. Baragaño (regional director Africa/Europe/Middle East).

12 Artikel 1, onderdeel b, onder 4, van de Leerplichtwet 1969.

13 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2003b.

14 Panelgesprek 4 november 2005, zie bijlage 3 voor een lijst van deelnemers.

15 Idem.

16 Persoonlijke mededeling mw. Cox op basis van het Nuffic-onderzoek, panelgesprek 4 november 2005.

17 De richtlijnen van de procedures zijn te vinden op: http://www.ibo.org.

18 Persoonlijke mededelingen van IBO-vertegenwoordigers dhr. I.Hill en mevr. N.A. Baragaño.

19 Inspectie van het Onderwijs, 2004.

20 Gemiddeld betaalt de Nederlandse overheid 5.600 euro per jaar voor elke leerling in het voortgezet onderwijs (bron: www.ocw.nl).

21 Twynstra & Gudde, 2005. Overigens kent ook het tweetalig onderwijs in het regulier voortgezet onderwijs vaak een vrijwillige ouderbijdrage, maar deze is veel minder hoog (vaak tussen 200 en 800 euro per jaar).

22 Onderwijsraad, 2005c.

23 D66, 2004.

24 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2004b.

25 Persoonlijke mededelingen van IBO-vertegenwoordigers dhr. I. Hill en mw. N.A. Baragaño.

26 Qualification and Curriculum Authority, 2003. Dit is de landelijke organisatie die in het Verenigd Koninkrijk de standaard van het nationaal curriculum en bijbehorende examens behoudt en ontwikkelt, en de accreditatie van onderwijsinstellingen ter hand neemt.

27 Een dergelijke internationale validering van het curriculum heeft de SLO ook uitgevoerd voor Hong Kong.

28 Persoonlijke mededeling van IBO-vertegenwoordigers dhr. I. Hill en mw. N.A. Baragaño.

29 Inspectie van het Onderwijs, 2004.

30 Ekamper en Van der Harst, 2003.

31 In hoofdstuk 5 komen wij meer uitgebreid te spreken over het tweetalig onderwijs.

32 http://www.netwerktto.europeesplatform.nl/

33 Huibregtse, Admiraal, De Bot, Coleman & Westhoff, 2001.

34 De Stichting Internationaal Onderwijs is in 2003 begonnen met de ontwikkeling van een prognosemodel voor het internationaal onderwijs, maar is daarin niet geslaagd. Er waren te weinig (historische) leerlingengegevens beschikbaar om prognoses mogelijk te maken (Ekamper & Van der Harst, 2003).

35 Weenink, 2005.

36 Persoonlijke mededeling, 4 november 2005.

37 Onafhankelijke internationale scholen zoals The Japanese school Of Amsterdam, The British School of Amsterdam, the American school of Amsterdam bieden het IB meestal niet aan, maar sluiten aan bij het curriculum van het land in kwestie.

38 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2003a.

39 Van Til, 2005.

40 Dhr. dr. G. J. Westhof, taaldeskundige Interfacultair Instituut voor Lerarenopleiding Onderwijsontwikkeling en Studievaardigheden (IVLOS); dhr. prof.dr. W. Levelt, psycholinguïst en directeur Max Planck Instituut Nijmegen.

41 Telefonisch gesprek dhr. Levelt, 14 oktober 2005.

42 Salemans, 2004.

43 Mededeling dhr. Mos, voorzitter Dutch International Secondary schools, deelnemer panel 1 november 2005.

44 Telefonisch gesprek dhr. Levelt, 14 oktober 2005.

45 Telefonisch gesprek dhr. Levelt, 14 oktober 2005.

46 Concentratie op alleen het Engels is voor onze internationale positie die gekenmerkt wordt door een meertalige oriëntatie overigens niet aantrekkelijk.

47 De internationale scholen die volledig Engelstalig onderwijs mogen verzorgen vallen buiten de reguliere wetgeving (WPO, WVO).

48 Claessens, 2005.

49 Salemans, 2004.

50 Telefonisch gesprek dhr. W. Levelt, 14 oktober 2005.

51 Romeijn & Wever, 2000.

52 Claessens, 2005.

53 Claessens, 2005.

54 Persoonlijke mededeling mw. Cox, panelgesprek 4 november 2005.

55 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2005a.

56 Cox, 2004.

57 Onderwijsraad, 2005a.

58 De vakken van het IB zijn bestudeerd door de Vrije Universiteit Amsterdam en de Erasmus Universiteit Rotterdam, een ‘second opinion’ is gegeven door de Universiteit Maastricht en de Rijksuniversiteit Groningen.

59 Persoonlijke mededeling mw. M. Cox, Nuffic.

60 Regeling voor stichting, bekostiging en inrichting van Internationaal Georiënteerd Voortgezet Onderwijs, gepubliceerd in Gele Katern nr. 25 van 2000.

61 Claessens, 2005.

62 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2004b.

63 Zie ook Weenink, 2005.

64 De IBO gebruikt de term IB voor het totaal aanbod van drie programma’s. De afzonderlijke programma’s hebben steeds IB voor hun afkorting, bijvoorbeeld IBPYP.

65 Een beschrijving van het programma is te vinden op www.ibo.org.

66 www.ibo.org.

67 Sinds een paar jaar is het IPC verzelfstandigd onder de naam IPC Ltd.

68 Er zijn inmiddels tien igbo-scholen in ons land (Maastricht, Arnhem, Amsterdam, Groningen, Hilversum, Rotterdam, Leiderdorp, Den Haag - twee scholen - en Eindhoven). De scholen zijn toegankelijk voor kinderen van internationaal mobiele ouders die zich tijdelijk in Nederland gevestigd hebben.

69 www.stichtingnob.nl.

70 www.stichtingnob.nl.

71 www.stichtingnob.nl.

72 www.cie.org.uk/CIE.

73 In Bergen, Brussel (3), Mol, Culham, Varese, München, Karlsruhe, Frankfurt, Alicante en Luxemburg (2).

74 www.eursc.org.

75 Commissie van de Europese Gemeenschappen, 2004.

76 www.ibo.org

77 www.restena.lu/ecole_europ/ee_bac.html.

78 Edelenbos & De Jong, 2004.

79 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2005b.

80 www.netwerktto.europeesplatform.nl

81 Brief van het Landelijk netwerk voor Tweetalig onderwijs aan de Onderwijsraad (31 oktober 2005).

82 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 1991.

83 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2003c.

84 Persoonlijke mededeling mw. M.J. Maljers (12 januari 2006), Europees platform, hoofd dependance Den Haag.

85 Huibregtse e.a., 2001; Brok, 2000.

86 Inspectie van het Onderwijs, 2005.

87 Edelenbos & De Jong, 2004.

88 Twynstra & Gudde, 2005.

89 Twynstra & Gudde, 2005.

90 Onderwijsraad, 2005b.

91 Waar in de tabel Engels staat worden ook andere Europese talen bedoeld zoals Spaans, Frans of Duits, of een opkomende voor Nederland belangrijke internationale lingua franca. Op termijn wellicht ook Chinees of (zoete ironie van de geschiedenis) Bahasa Indonesia. Hier en daar gebeurt dit al: brugklassers havo/vwo van het Koning Willem I College uit Den Bosch kunnen Chinees als keuzevak nemen en dit zal vanaf volgend jaar ook gelden voor het Visser ’t Hooft Lyceum uit Leiden en het Da Vinci College uit Leiden. Bron: www.kw1c.nl en Leidsch Dagblad, 12 januari 2006.

92 Onderwijsraad, 2005b.

93 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2005c.

94 Onderwijsraad, 2004b.

95 Claessens, 2005.

96 Dit sluit tevens aan bij de activiteiten van ELOS (het Europees-Nederlands project Europa als Leeromgeving) om een internationale optie voor de nationale diploma’s voortgezet onderwijs te ontwikkelen (conform de internationale optie binnen de Franse baccalaureaatsopleiding).

7. Afkortingen

AWB
Algemene wet bestuursrecht

CAS
Creativity, Action, Service

CEF
Common European Framework of Reference for Languages

CIE
University of Cambridge International Examinations

CIPP
Cambridge International Primary Programme

EB
Europese baccalaureaat

ECTS
European Credit Transfer System

EU
Europese Unie

hbo
hoger beroepsonderwijs

HSV
Haagsche Schoolvereeniging

IB
internationaal baccalaureaat

IBDP
International Baccalaureate Diplome Programme

IBO
International Baccalaureate Organisation

IBMYP
International Baccalaureate Middle Years Programme

IBPYP
International Baccalaureate Primary Years Programma

ICLON
Interfacultair Centrum voor Lerarenopleiding, Onderwijsontwikkeling en Nascholing

IPC
International Primary Curriculum

igbo
internationaal georiënteerd basisonderwijs

IGCSE
International General Certificate of Secondary Education

igvo
internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs

ISH
International Schole of the Hague

it
informatie technologie

KBS
Kommissie Buitenlandse Studenten

mbo
middelbaar beroepsonderwijs

NOB
Nederlands Onderwijs in het Buitenland

Nuffic
Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs

OCW
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

OESO
Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling

PITON
Programma voor Internationaler Talen Onderwijs in Nederland

QCA
Qualification and Curriculum Authority

roc
regionaal opleidingen centrum

tl
theoretische leerweg

TOK
Theory of Knowledge

tto
tweetalig onderwijs

Unesco
United Nations Educational, Scientific and Cultural Organisation

vmbo
voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs

VSNU
Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten

VOO
Vereniging voor Openbaar Onderwijs

vvto
versterkt en vroeg vreemdetalenonderwijs

WOT
Wet op het onderwijstoezicht

WPO
Wet op het primair onderwijs

WVO
Wet op het voortgezet onderwijs

8. Literatuurlijst

Brok, Th.W.C. (2000). “Missie geslaagd!” Reactie op ‘Effecten en didactiek van tweetalig voortgezet onderwijs’. Toegepaste Taalwetenschap in Artikelen, 2000(64), 21-24.

Claessens, S.J.F.J. (2005). Beantwoording juridische vragen van de Onderwijsraad ten behoeve van een advies aan de Minister van Onderwijs inzake het Internationale Baccalaureaat. Notitie, te raadplegen via de website van de Onderwijsraad, www.onderwijsraad.nl.

Commissie van de Europese Gemeenschappen (2004). Mededeling van de commissie aan de raad en het Europees parlement. Raadpleging over opties voor de ontwikkeling van het systeem van Europese Scholen. Bulletin EU (7/8/2004). http://europa.eu.int/abc/doc/off/bull/nl/200407/p109024.htm)

Cox, M.W. (2004). Verslag vergelijking Nederlandse deficiëntieregelingen en buitenlandse programma’s. Den Haag: Nuffic (Interne publicatie).

Edelenbos, P. & Jong, J.H.A.L. de (red.) (2004). Vreemdetalenonderwijs in Nederland. Een situatieschets. Geraadpleegd op 17 januari 2006 via http://www.nabmvt.nl/MVTprojecten/publicaties/publ0304/

Ekamper, P. & Harst, D.J. van der (2003). Een prognosesystematiek voor internationaal onderwijs in Nederland: Een haalbaarheidsstudie. Den Haag: NIDI.

D66 (2004). Eindelijk alternatief voor Tweede fase Voortgezet onderwijs. Artikel op de website van D66 (9-11-2004) (www.d66.nl/news/)

Huibregtse, I., Admiraal, W. de, Bot, K. de, Coleman, L. & Westhoff, G. (2001). Effecten en didactiek van tweetalig voortgezet onderwijs. Toegepaste Taalwetenschap in Artikelen, 2000(64), 9-20.

Inspectie van het Onderwijs (2004). Onderwijsverslag 2002/2003. Utrecht: Onderwijsinspectie.

Inspectie van het Onderwijs. (2005). Bama Ontkiemt. Utrecht: Onderwijsinspectie.

Klaassen, R.G. (2001). The international university curriculum: Challenges in English-medium engineering education, proefschrift. Delft: Delft University Press.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (1991). Grenzen verleggen. Den Haag: Ministerie van OCW.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2003a). De ouderbijdrage: verplicht vrijwillig. Geraadpleegd op 17 januari 2006 via de website van het ministerie van OCW, http://www.minocw.nl/documenten/onderwijs-ouderbijdrage-ouderbijdrage.pdf.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2003b). Particulier primair en voortgezet onderwijs in Nederland. Geraadpleegd op 17 januari 2006 via de website van het ministerie van OCW, http://www.minocw.nl/documenten/brief2k-2003-doc-24988a.pdf.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2003c). Nieuwe subsidieregeling nationale programma’s voor internationalisering in het primair en voortgezet onderwijs. Uitleg, 2003(18).

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2004a). Kaderregeling Innovatie Voortgezet Onderwijs. OCenW regelingen. Uitleg, 2004(9).

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2004b). Brief minister van OCW aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, 12 maart 2004, VO/OK/2004/10523. Onderwerp: Tweede fase havo/vwo. Geraadpleegd op 17 januari 2006 via de website van het ministerie van OCW, http://www.minocw.nl/documenten/brief2k-2004-doc-10523.pdf.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2004c). Brief minister van OCW aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, 22 december 2004, FEZ/BTA/2004/61788. Onderwerp: Aangenomen moties en amandementen bij de OCW-begroting 2005. Geraadpleegd op 17 januari 2006 via de website van het ministerie van OCW, http://www.minocw.nl/documenten/brief2k-2004-doc-61788.pdf.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2005a). Brief minister van OCW aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, 11 november 2005, VO/OK/2005/47742. Onderwerp: Nederlands activiteitenprogramma moderne vreemde talen. Geraadpleegd op 17 januari 2006 via de website van het ministerie van OCW, http://www.minocw.nl/documenten/brief2k-2005-doc-47742.pdf.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2005b). Brief minister van OCW aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, 7 juli 2005, PO/ZO/2005/29329. Onderwerp: Onderzoek versterkt vreemde talenonderwijs. Geraadpleegd op 17 januari 2006 via de website van het ministerie van OCW, http://www.minocw.nl/documenten/brief2k-2005-doc-29329.pdf.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2005c). Brief minister van OCW aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, 21 november 2005, VO/OK/05/53213. Onderwerp: Tweede fase havo/vwo. Geraadpleegd op 17 januari 2006 via de website van het ministerie van OCW, http://www.minocw.nl/documenten/brief2k-2005-doc-29329.pdf.

Onderwijsraad (2004a). Onderwijs en Europa. Europese invloeden in Nederland. Den Haag: Onderwijsraad.

Onderwijsraad (2004b). Hoe kan onderwijs meer betekenen voor jongeren? Den Haag: Onderwijsraad.

Onderwijsraad (2005a). Briefadvies Wetsvoorstel tweede fase voortgezet onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.

Onderwijsraad (2005b). Internationaliseringsagenda voor het onderwijs, 2006-2011. Den Haag: Onderwijsraad.

Onderwijsraad (2005c). Werkprogramma 2006. Den Haag: Onderwijsraad.

Qualification and Curriculum Authority (2003). Report on Comparability between GCE and International Baccalaureate Examinations. Geraadpleegd op 17 januari 2006 via http://www.qca.org.uk/downloads/alevels_vs_ib.pdf.

Romeijn, F. & Wever, R. (2000). Engels als instructiemedium. Delft: Vereniging Studie- en Studentenbelangen Delft

Salemans, B. (2004). Vloeiend meertalig op je zesde verjaardag. Taalschrift, 15 oktober 2005. Geraadpleegd op 17 januari 2005 via http://taalschrift.org/reportage/000196.html.

TK 2004-2005, 29 800 VIII, nr. 56. Motie van de Leden Lambrechts en Balemans, 4 november 2004.

Twynstra Gudde (2005). Varianten van internationalisering in het Nederlands onderwijs. Verkenning in opdracht van de Onderwijsraad. Geraadpleegd op 17 januari 2006 via de website van de Onderwijsraad, www.onderwijsraad.nl.

Til, J. van (2005). Tweetalig onderwijs moet gratis. Inzicht, 139(5), 16-18.

Weenink, D. (2005). Upper Middle-Class Resources of Power in the Educational Arena. Dutch Elite Schools in an Age of Globalisation. Ph.D. thesis. University of Amsterdam.

9. Websites

International School Eerde
www.eerde.nl

The International Baccalaureate Organization
www.ibo.org

Het Netwerk Tweetalig Onderwijs
www.netwerktto.europeesplatform.nl

Ministerie van OCW
www.ocw.nl

University of Cambridge International Examinations
www.cie.org.uk

The European Schools
www.eursc.org

10. Geraadpleegde deskundigen

Deelnemers panelgesprek 4 november 2005

De heer drs. J.J. Mos
voorzitter van Committee Dutch International Secondary Schools (samenwerkingsverband igvo-scholen); directeur van de International School of The Hague

De heer drs. M.F. Elkerbout
bestuurslid van de Committee Dutch International Secondary Schools; directeur van het Rijnlands Lyceum in Oegstgeest

De heer drs. P.R.M. Bagchus
bestuurslid van de Stichting Internationaal Onderwijs

De heer C.W. Torreman
directeur internationale school Maartenscollege te Haren

Mevrouw M.W. Cox
onderwijsvergelijker en projectuitvoerder, afdeling Diplomawaardering en Certificering, Nuffic

De heer J. Divis
directeur afdeling Diplomawaardering en Certificering, Nuffic

De heer A. Schrauwers
voorzitter bestuur Stichting Nederlands

De heer G. Kroonen
bestuurslid Stichting Nederlands; aio vergelijkende taalwetenschap, Rijksuniversiteit Limburg

De heer dr. D. Weenink
onderzoeker aan de Universiteit van Wageningen (gepromoveerd op dutch elite schools en tweetalig onderwijs)

Afzonderlijke gesprekken
Naast het panel zijn (telefonische) gesprekken gevoerd met:

De heer I. Hill
deputy director general, IBO

Mevrouw N.A. Baragaño
regional director Africa/Europe/Middle East IBO

De heer prof.dr. W.J.M. Levelt
hoogleraar cognitieve psychologie (leeropdracht psycholinguïstiek); directeur Max Planck Instituut voor psycholinguïstiek

De heer prof.dr. G.J. Westhoff
taaldeskundige en onderzoeker Interfacultair Instituut voor Lerarenopleiding Onderwijsontwikkeling en Studievaardigheden

Mevrouw M.J. Maljers
hoofd dependance Den Haag van het Europees Platform voor het Nederlands Onderwijs

De heer F. Lander
voorzitter bestuur Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland; voorzitter van project Europa als Leeromgeving in Scholen van het Europees Platform

11. Bijlage 1: Adviesvraag

Download Bijlage 1 (PDF, 307 KB)

12. Bijlage 2: De ontwikkeling van internationale standaarden

Europa ontwikkelt internationale standaarden als richtlijn voor de inrichting en opbouw van een onderwijssysteem als geheel, de opbouw en inhoud van een curriculum, kwaliteitszorg en andere onderwijsinstrument. Deze bijlage beschrijft kort verschillende Europese standaarden die in ontwikkeling zijn.

In deze bijlage komen enkele, voor dit advies relevante, standaarden aan bod. De standaarden zijn onder te verdelen in: standaarden voor onderwijsinrichting (het Europese kwalificatieraamwerk en het bachelor-mastersysteem), voor curricula (language training standaards en referentiekader voor talen) en uitvoeringsstandaarden (samenwerking op het gebied van kwaliteitszorg en accreditatie).

Standaard voor onderwijsinrichting
In mei 2005 is een overkoepelende raamwerk van kwalificaties voor het hoger onderwijs vastgesteld door de Europese onderwijsministers.1 Dit raamwerk legt vast waartoe een opleiding in het Europese hoger onderwijs opleidt. Het is gebaseerd op drie cycli: bachelor, master en doctor, met de mogelijkheid van een tussenkwalificatie in de eerste cyclus.2 Het is de bedoeling dat landen hun op te stellen nationale kwalificatieraamwerken beargumenteerd plaatsen binnen het overkoepelende raamwerk.3

Standaard voor curricula
In 2004 hielden verschillende werkgroepen van de Europese Unie zich bezig met de ontwikkeling van Europese standaarden voor het curriculum, door het definiëren van kerncompetenties voor beroepsonderwijs of sleutelcompetenties voor het leren van een vreemde taal.4 Een voorbeeld zijn de Working Groups on Basic skills for foreign language teaching and entrepreneurship. Deze werkgroepen presenteerden een gedetailleerde lijst van aanbevelingen, in de vorm van definities, kennis, vaardigheden en houdingen die als sleutelcompetenties moeten gelden voor opleidingen in Europese landen.

Referentiekader voor talen van de Raad van Europa
Misschien wel de meest bekende en toegepaste Europese standaard is het gemeenschappelijke Europees referentiekader voor talen.5 Het Common European Framework of Reference for Languages (CEF) is een gemeenschappelijk beschrijvingskader om talen mee te leren, te onderwijzen en te evalueren in Europa. Het is inmiddels een standaardinstrument geworden voor verschillende (taal)opleidingen en taalcursussen. Het CEF is vooral bekend om zijn niveaubeschrijvingen van de taalvaardigheid. Met het CEF wordt het mogelijk de taalvaardigheid van verschillende leerlingen te vergelijken, ongeacht in welk jaar of in welke klas ze zitten. Die vergelijking is bovendien onafhankelijk van de taal, van de manier van leren van de taal en van de aan het leren bestede tijd. De niveaubeschrijvingen zijn zowel kwantitatief als kwalitatief van aard. Kwantitatief geeft het CEF-niveau aan wat taalleerlingen kunnen doen met de geleerde taal (bijvoorbeeld in staat zijn een eenvoudige boodschap op een ansichtkaart te schrijven) en kwalitatief hoe goed en efficiënt ze het doen.6

Wat houdt het gemeenschappelijk Europees referentiekader voor talen in?
Het CEF onderscheidt drie vaardigheidsniveaus: A voor de ‘basisgebruiker’, B voor de ‘onafhankelijke gebruiker’ en C voor de ‘vaardige gebruiker’. De basisgebruiker (niveau A) beheerst de meest elementaire vaardigheden van de taal, maar is bij communicatie nog afhankelijk van een bereidwillige gesprekspartner of correspondent, die de moeite wil nemen om zich aan dat niveau aan te passen. De onafhankelijke gebruiker (niveau B) kan zich doorgaans vlot redden in de alledaagse praktijk, spreekt begrijpelijk en in een normaal spreektempo. De vaardige gebruiker (niveau C) kent nauwelijks beperkingen in het gebruik van de taal. Op hun beurt zijn de drie niveaus weer opgedeeld: A1, A2, B1, B2, C1 en C2.

Het CEF maakt expliciet onderscheid tussen de verschillende vaardigheden (lezen, luisteren, mondelinge interactie, mondelinge productie en schrijven). Taalleerlingen en gebruikers van een taal zijn immers niet altijd even bekwaam in alle vaardigheden tegelijk. Ook is dat niet altijd nodig. Een ober moet bijvoorbeeld vlot en vaardig in de spreektaal kunnen handelen, terwijl voor een administratief bediende veel hogere eisen aan de schriftelijke vaardigheden worden gesteld. Het niveau wordt niet bepaald door al dan niet kennen van een bepaald woord, maar door vaardigheid in een talige situatie. De verschillende niveaubeschrijvingen worden dan ook per vaardigheid toegepast.

Bron: http://www.bop.vgc.be/tijdschriften/bitsbrief/02-03/jg9nr2.html (Brussels Onderwijs Punt)

Standaarden voor kwaliteitszorg
Richtlijnen Oeso en Unesco
De Oeso (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) en de Unesco (United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization) ontwikkelen momenteel richtlijnen voor kwaliteitszorg.7 De organisaties zijn niet bevoegd om internationale kwaliteitszorg- of accreditatiesystemen vorm te geven, maar bieden de lidstaten slechts richtlijnen die zij vrijwillig kunnen overnemen. Het doel hiervan is nationale kwaliteitszorg- en accreditatiesystemen toegankelijk te maken voor het onderwijs. Zodoende willen de organisaties ervoor zorgen dat grensoverschrijdend onderwijs voor wat de kwaliteit betreft op dezelfde manier wordt benaderd als nationaal onderwijs.

Afstemming accreditatie in EU-verband
In veel EU-landen is accreditatie (op nationaal niveau) in ontwikkeling of al gerealiseerd. Echter, accreditatie kan pas relevant zijn voor de vergelijkbaarheid tussen landen als er internationale afspraken zijn over de toetsingscriteria. De kwaliteitszorg van het hoger onderwijs is in Europa nog een veelsoortig begrip: er zijn traditionele kwaliteitszorgsystemen (Denemarken en Portugal), accreditatiesystemen (in Nederland en Oostenrijk, in Zweden wordt het overwogen) en instellingsaudits (recentelijk geïntroduceerd in het Verenigd Koninkrijk).8

Deze standaarden hebben weliswaar geen formele status, maar via beleidsbeïnvloeding en -sturing kunnen ze een harmoniserend effect hebben. De vraag is hoe dat dan past in de Nederlandse situatie met groeiende autonomie en differentiatie ten aanzien van onderwijsdoelen, waarbij instellingen meer vrijheid hebben eigen keuzes te maken ten aanzien van onderwijsdoelen, vakkenpakketten en leermethoden.9

13. Bijlage 3: Minimumeisen voor toelating tot wetenschappelijk onderwijs (samenvatting conclusies Nuffic en KBS)

Internationale leerwegen en het internationale baccalaureaat - tabel2

14. Bijlage 4: Bekostigde internationale scholen in Nederland

Basisonderwijs
Regional International School, Eindhoven: www.riseindhoven.nl
Amsterdam International Community School, Amsterdam: www.aics.esprit-sg.nl
Groningse School Vereniging, Groningen: www.g-s-v.nl
Elckerlyc International School, Leiderdorp: www.elckerlyc.net
Haagsche Schoolvereniging, Den Haag: www.hsvdenhaag.nl
The International School of The Hague, Den Haag: www.ishthehague.nl
De Blijberg International Department, Rotterdam: www.primary-blijberg.nl
Violenschool, International Department, Hilversum: www.violenschoolintdept.nl
Arnhem International School, Arnhem: www.arnheminternationalschool.nl
Basisschool Joppenhof, International Department, Maastricht: www.joppenhof.nl

Voortgezet onderwijs
International Secondary School Eindhoven, Eindhoven: www.stedelijkcollege.nl
Amsterdam International Community School, Amsterdam: www.aics.esprit-sg.nl
Maartens College Haren, Haren: www.maartenscollege.nl
Het Rijnlands Lyceum Oegstgeest, International School, Oegstgeest: www.isrlo.nl
The International School of The Hague, Den Haag: www.ishthehague.nl
Rotterdam International Secondary School, Rotterdam: www.wolfert.nl
International School Hilversum “Alberdingk Thijm”, Hilversum: www.klg.nl/ish
Arnhem International School, Arnhem: www.arnheminternationalschool.nl
International School Maastricht, Maastricht: www.ismaastricht.nl
International School Almere, Almere: www.internationalschoolalmere.nl (deze school is nog ‘aspirantlid’ van het igvo-onderwijs)

15. Noten bij bijlage 2

1 http://www.minocw.nl/brief2k/2005/doc/25078.pdf.

2 Bologna Working Group on Qualifications Frameworks, 2005.

3 Coles & Oates, 2005.

4 Onderwijsraad, 2004.

5 Council of Europe, 2001.

6 http://www.bop.vgc.be/tijdschriften/bitsbrief/02-03/jg9nr2.html (Brussels Onderwijs Punt).

7 UNESCO & OECD, 2005.

8 European Association for Quality Assurance in Higher Education, 2005.

9 Onderwijsraad, 2004.

16. Literatuur bij bijlage 2

Bologna Working Group on Qualifications Frameworks (2005). A Framework for Qualifications of the European Higher Education Area. Geraadpleegd op 15 juni 2005 via website From Berlin to Bergen and beyond, http://www.bologna-bergen2005.no/.

Coles, M. & Oates, T. (2005). European reference levels for education and training: promoting credit transfer and mutual trust: study commissioned to the qualifications and curriculum authority. Luxembourg: Office for Official Publications of the European Communities.

Council of Europe (2001). Common European Framework of Reference for Languages. Cambridge: Cambridge University Press.

European Association for Quality Assurance in Higher Education (2005). Standards and Guidelines for Quality Assurance in the European Higher Education Area. Helsinki: ENQA.

Onderwijsraad (2004). Onderwijs en Europa. Europese invloeden in Nederland. Den Haag: Onderwijsraad.

Unesco & OECD (2005). Concept guidelines on Quality Provision in Cross-border Higher Education. Parijs: OECD.