De stand van educatief Nederland 2009

10 februari 2009 | Advies

Maatschappelijke voorhoedes uit bedrijfsleven, politiek, sport en cultuur kunnen een grotere rol spelen in het onderwijs. Ook zou de discussie over wat leerlingen leren gevoerd moeten worden met alle docenten, ouders, leerlingen, vakgenoten en de branche. Dit leidt tot een grotere betrokkenheid van de maatschappij bij het onderwijs. Uitverkocht.

De raad komt tot deze wensen na een analyse van nationale en internationale gegevens en rapporten over onderwijs en onderwijsbeleid in de afgelopen vier jaar. Vier jaar geleden maakte de raad in zijn eerste Stand van educatief Nederland de balans op van het onderwijsbeleid. De voorliggende editie richt zich op de afgelopen vier jaar.

De prestaties van Nederlandse leerlingen zijn internationaal gezien nog steeds heel behoorlijk (subtop), maar het aantal leerlingen met een laag niveau van leesvaardigheid is volgens PISA-onderzoek de laatste jaren gegroeid. Daarnaast zijn de wiskundeprestaties (van vooral meisjes) de afgelopen tien jaar gedaald. Ook de resultaten van toetsen van de taal- en rekenvaardigheden van eerstejaarsstudenten in het hoger onderwijs zijn een reden tot zorg.

Ten opzichte van het buitenland presteren Nederlandse jongeren tot 15 jaar nog steeds goed. Op enkele ranglijsten zijn we echter wel gezakt ten opzichte van een aantal jaren geleden.

Maatschappij sterker betrekken bij onderwijs

De belangstelling van de samenleving voor het onderwijs is momenteel groot, maar wordt deels bepaald door een negatieve beeldvorming. De raad doet naar aanleiding van zijn bevindingen enkele aanbevelingen voor beleid, met als doel de maatschappij sterker bij onderwijs te betrekken.

Zo stelt de raad voor dat het debat over de inhouden van het onderwijs veel breder gevoerd zou moeten worden. Daarbij zouden docenten, vakgenoten, de branche, betrokken burgers, ouders en jongeren zelf een rol moeten krijgen. Daarnaast meent de Onderwijsraad dat het onderwijs de inbreng van maatschappelijke voorhoedes uit bedrijfsleven, politiek, sport en cultuur beter kan benutten.

Ten slotte vindt de raad dat de huidige 1040 uren voor brugklassers, de 940 uren in de basisschool, of de 850 uren op het mbo en de 15 of 20 contacturen per week in het hoger onderwijs slechts een startpunt voor het onderwijs mogen zijn. Buiten deze tijden vindt veel meer onderwijs en leren plaats. De raad introduceert hiervoor het concept Uitgebreid Onderwijs (UO). Dit concept maakt afwegingen tussen bijvoorbeeld bekostiging van verschillende vormen van UO mogelijk.

Infographics

 

 

Lees de volledige publicatie ›