Minimum leerresultaten, interventie en intern toezicht

3 april 2009 | Advies

Het advies Minimum leerresultaten, interventie en intern toezicht levert commentaar op het Wetsvoorstel goed bestuur, goed onderwijs. Dit wetsvoorstel bevat een aantal wijzigingen van wetten, die een slagvaardiger bestuur van onderwijsinstellingen mogelijk moeten maken.

De raad is in zijn algemeenheid positief over het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel maakt steviger ingrijpen van de minister mogelijk in gevallen waarin sprake is van zeer ernstige en aanhoudende problemen rondom het besturen van een school. Daarbij kan het gaan om financieel wanbeheer of om ernstig of langdurig tekortschieten van de kwaliteit van onderwijs. Daarbij wil de raad expliciet aandacht vragen voor de mogelijkheid van een vorm van (tijdelijke) bewindvoering over een school op initiatief van de rijksoverheid. Een school zou dan voor een bepaalde tijd onder bewind worden gesteld, waarbij de bewindvoerders worden benoemd door de rechtbank op voorstel van de minister. In het recente verleden hebben zich incidenteel situaties voorgedaan waarbij dergelijke problemen zich voordeden. Met behulp van de in het wetsvoorstel opgenomen instrumenten had in deze situaties effectiever kunnen worden opgetreden.

Met betrekking tot de wettelijke verplichting tot scheiding van bestuur en toezicht is de raad van mening dat diversiteit in de vormgeving mogelijk moet blijven. De overheid dient aan te geven welke inrichting in ieder geval niet voldoet aan de deugdelijkheidseisen. Daarbij moet specifiek worden aangegeven hoe kleine zogenoemde eenpitters aan dit principe kunnen voldoen zonder bijvoorbeeld gedwongen worden bestuurlijk te fuseren.

Bij het beoordelen van de resultaten van een school ligt de nadruk in het wetsvoorstel op een relatieve benadering. Daarbij worden de resultaten van een school in de eerste plaats vergeleken met andere scholen met een vergelijkbare leerlingenpopulatie. In de praktijk zal dit kunnen gaan betekenen dat voor een school met veel achterstandsleerlingen de lat lager komt te liggen. Ten onrechte kan daaruit de indruk ontstaan dat we van deze scholen minder mogen verwachten. De raad is voorstander van een verstandige combinatie van relatieve en absolute normering. De resultaten dienen niet alleen naast die van vergelijkbare scholen te worden gelegd, maar ook te worden beoordeeld aan de hand van een passende gemiddelde maat.

Beoordeling van scholen op grond van minimum leerresultaten kan leiden tot ongewenste neveneffecten. Scholen zouden in de verleiding kunnen komen een verscherpt toelatingsbeleid te voeren of meer te verwijzen naar het speciaal onderwijs. Ook kan de nadruk op een te kleine selectie van leerresultaten ten koste gaan van de brede vormende taak van scholen. Waar nodig zal de inspectie hier toezicht op moeten houden.

Lees de volledige publicatie ›