Ontwikkelingsrichtingen voor het middelbaar beroepsonderwijs

23 november 2009 | Verkenning

In deze verkenning schetst de Onderwijsraad de stand van zaken in het middelbaar beroepsonderwijs en gaat hij na in hoeverre het systeem toekomstbestendig is. De conclusie is dat dit inderdaad het geval is, en dat er drie ontwikkelingsrichtingen denkbaar zijn waarin het middelbaar beroepsonderwijs zich verder kan ontwikkelen. Het is met name aan de sector zelf om – uiteraard binnen wettelijke grenzen - keuzes te maken, eventueel ook op locatieniveau. De onderscheiden richtingen zijn: 1) meer verbindingen met algemeen voortgezet onderwijs; 2) verdere verticalisering binnen de beroepskolom; en 3) betere benutting van private mogelijkheden. 

Met de invoering van de WEB werd een aantal onderwijsvarianten geïntegreerd: lange en korte opleidingen met vier niveaus, voltijd- en deeltijdopleidingen, volwassenenonderwijs en educatie voor nieuwkomers, programma's voor moeilijk te kwalificeren jeugd. Het middelbaar beroepsonderwijs is daarmee een zeer breed geschakeerd terrein, dat heel verschillende doelgroepen en functies moet bedienen.

Met deze verkenning geeft de Onderwijsraad een stand van zaken van het middelbaar beroepsonderwijs. In hoeverre zijn de uitgangspunten van de WEB gerealiseerd, in hoeverre waarderen roc's en andere mbo-instellingen de uitgangspunten van de WEB en welke knelpunten doen zich hierbij voor? De invalshoek die de raad bij deze verkenning hanteert is die van de drievoudige kwalificatie: beroepskwalificatie, doorstroomkwalificatie en burgerschapskwalificatie. In het advies is bekeken welke ontwikkelingen in en buiten het onderwijs gevolgen hebben voor (de onderlinge verhouding van) deze functies. Naast deze algemene ontwikkelingen is gekeken hoe mbo-instellingen hun drievoudige opdracht in de praktijk invullen en welke knelpunten zij daarbij ervaren Een knelpunt is bijvoorbeeld de organisatie van de beroepspraktijkvorming. Verder is de doorstroom tussen educatie en beroepsonderwijs beperkt. De burgerschapsfunctie is voor sommige instellingen lastig te organiseren; het zogenoemde brondocument geeft te weinig steun.

Uit een vergelijking met het buitenland blijkt dat op een aantal punten het Nederlandse systeem goed scoort. In de eerste plaats gaat het daarbij om de gelijkwaardigheid van de beroepsopleidende en de beroepsbegeleidende leerwegen. In andere landen heeft óf de ene óf de andere leerweg de meeste status. Een tweede positief punt is de aandacht voor doorstroom vanuit het middelbaar naar het hoger beroepsonderwijs en het dubbelkwalificerende karakter van de hogere mbo-opleidingen. Leerpunten voor Nederland zijn de mogelijkheden om beroepsonderwijs meer te mengen met algemeen voortgezet onderwijs en versterking van de regionale verankering door ook partijen buiten het bedrijfsleven te betrekken.

Als overkoepelende opvatting is de raad gelukkig met het uitgangspunt van de drievoudige kwalificatie en hij ziet dan ook geen reden om deze te wijzigen. Het voorkomt een te eenzijdig gerichte benadering op hetzij het bedrijfsleven en de instellingen, hetzij het (vervolg)onderwijs, hetzij de maatschappij. De raad stelt dat de wettelijke verankering betekent dat er ook de nodige variëteit mag zijn in de wijze waarop de verhoudingen tussen de drie kwalificaties vorm krijgen. Dit sluit aan bij de grote verscheidenheid van eisen en doelgroepen. Deze variëteit zou dan verder uitgewerkt kunnen worden door als instelling meer of minder accent te leggen op een bepaalde richting: 1) combinaties met algemeen onderwijs opgezet vanuit beide onderwijssoorten; 2) verticalisering (ontwikkeling in de richting van verticaal georganiseerde beroepsscholengemeenschappen); of 3) betere benutting van leermogelijkheden in bedrijven en ontwikkelen van daarbij passende organisatievormen.