Uitgebreid onderwijs

15 december 2010 | Advies

Samenvatting

Aanleiding
In de onderwijsdiscussie ligt een sterke focus op het minimum. Minimaal moet er 940 (primair onderwijs), 1.000 (voortgezet onderwijs) of 850 (middelbaar beroepsonderwijs) uren onderwijs worden geboden, maar onderwijs is veel interessanter en belangrijker dan zo een minimumnorm uitdrukt. Leerlingen en studenten besteden er feitelijk geregeld meer tijd aan, scholen en externe educatieve aanbieders bieden vaak meer leertijd en leermogelijkheden aan, terwijl het debat maar blijft gaan over de minimumnorm. Feitelijk wordt een ambitieuze onderwijsdiscussie belemmerd door deze focus op het minimum. De raad stelt een ambitieuzere insteek voor. In Stand van educatief Nederland 2009 werd het begrip uitgebreid onderwijs geïntroduceerd. Hiermee werd aandacht gevraagd voor de vele educatieve activiteiten die buiten het reguliere programma plaatsvinden. Het idee hierachter is dat leren zich niet beperkt tot het minimum aantal uren in het onderwijs en dat het onderwijs beter benut kan worden. Dit sluit aan bij de ambitie om van Nederland een van de top vijf-kenniseconomieën te maken en bij het daarmee samenhangende belang van bredere talentontwikkeling. In dit advies gaat de raad, mede hiertoe uitgenodigd door de minister, hier verder op in door aanbod en effectiviteit van uitgebreid onderwijs nader te preciseren en de vraag te beantwoorden welke maatregelen scholen en de overheid kunnen nemen om uitgebreid onderwijs systematischer en duurzaam vorm te geven.

Bevindingen
Onder uitgebreid onderwijs verstaat de raad een extra aanbod van de school of andere educatief gerichte partijen gericht op 1) het behalen van de wettelijke vereisten, 2) het breder en diepgaander ontwikkelen van talenten en 3) het verbreden van het perspectief van leerling of student op arbeid en samenleving. Deze drie doelen geven ook de drie vormen van uitgebreid onderwijs aan die onderscheiden kunnen worden: uitgebreid onderwijs gericht op verbetering van leerprestaties; uitgebreid onderwijs gericht op verrijking; en uitgebreid onderwijs gericht op oriëntatie op arbeid en samenleving.

Uit een online-enquête onder schoolleiders blijkt dat op dit moment vooral vo-scholen (voortgezet onderwijs) actief zijn met uitgebreid onderwijs (76%); meer dan mbo-instellingen (middelbaar beroepsonderwijs, 60%) en zeker meer dan basisscholen (39%). De variëteit aan initiatieven en activiteiten is in alle onderwijssectoren bijzonder groot. Er zijn vooral veel verschillende activiteiten met een verbeter- of verrijkingsfunctie; activiteiten met een oriënterend karakter komen minder voor. Het merendeel van de activiteiten richt zich op achterstandsleerlingen. Een klein deel richt zich op de specifiek gemotiveerde en begaafde leerling.

Knelpunt bij de organisatie van uitgebreid onderwijs blijkt onder meer het ondoorzichtige geheel van tijdelijke subsidiestromen, dat de continuïteit van activiteiten bemoeilijkt. Naast deze aspecten rond de beschikbaarheid van middelen spelen de inzet van onderwijspersoneel en die van leerlingen en studenten een belangrijke rol. Beide kennen grenzen die bewaakt moeten worden.

De raad komt tot de conclusie dat uitgebreid onderwijs inderdaad een belangrijke toevoeging kan zijn aan het reguliere onderwijs voor alle leerlingen en studenten. Om positieve effecten te bereiken op het gebied van leerprestaties of op gebieden als algemene ontwikkeling, discipline en sociale vaardigheden, moet wel aan een aantal eisen zijn voldaan, zoals een kwalitatief goed en doelgericht programma en een intensieve en enthousiaste deelname. Ook blijken vooral achterstandsleerlingen te profiteren van extra educatief aanbod.

Conclusie: uitgebreid onderwijs is belangrijk en gewenst
Vanwege het belang en de potentiële meerwaarde van uitgebreid onderwijs voor leerlingen en studenten vindt de raad een aanzienlijke uitbreiding en verbetering van uitgebreid onderwijs wenselijk. Tevens zou de organisatie ervan in termen van financiering en organisatie eenvoudiger kunnen. Volgens de raad zouden alle leerlingen en studenten toegang tot uitgebreid onderwijs moeten hebben. Hiervoor is een aantal redenen. Allereerst laten onderzoeken naar extra programma’s zien dat leerlingen en studenten uit achterstandssituaties hun (leer)achterstand kunnen verkleinen. Ten tweede is in de huidige complexe, kennisintensieve samenleving talentontwikkeling in brede zin belangrijk. Uitgebreid onderwijs vergroot de mogelijkheden hiervoor aanzienlijk. Ten derde kan met uitgebreid onderwijs ook excellentie op meerdere terreinen worden gestimuleerd, eveneens een belangrijke ambitie in de samenleving.

Aanbevelingen: minister faciliteert en stimuleert, scholen maken bewuste keuzes
Het belang van uitgebreid onderwijs vraagt van de minister om dit te faciliteren en van descholen om hierin bewuste keuzes te maken, zodat een meer samenhangende aanpak ontstaat en verdergaande, duurzame initiatieven ontwikkeld worden. Om dit te bereiken stelt de raad een aantal maatregelen voor.

Ten eerste is het van belang dat de minister actief uitgebreid onderwijs stimuleert door drempels op het gebied van financiering en organisatie bij scholen en andere organisaties weg te nemen. De faciliterende rol van de minister kan bijvoorbeeld ingevuld worden door het bij elkaar brengen van scholen (vragers) en de externe partijen (aanbieders). Een mogelijkheid hiervoor is het ontwikkelen van een digitaal portaal, waarin bij voorkeur ook een classificatiesysteem is opgenomen waarmee inzicht wordt gegeven in de verschillende soorten activiteiten en de kwaliteit van een bepaalde activiteit. Activiteiten kunnen beoordeeld worden op bewezen effectiviteit of op andere kwaliteitsaspecten. Aangeraden wordt om bestaande initiatieven op dit terrein te integreren of daarbij aan te sluiten.

Voorts kan de minister bijdragen aan meer systematiek in het aanbod aan uitgebreid onderwijs, onder andere door ervoor te zorgen dat het door leerlingen en studenten gevolgde uitgebreid onderwijs zichtbaarder wordt. Zij kan er tevens zorg voor dragen dat uiteenlopende soorten activiteiten meer en meer in eenzelfde kader geplaatst worden. Idealiter zou dit samengaan met een vereenvoudiging van de financieringsstromen voor deze activiteiten.

Verder stelt de raad voor dat de minister start met een meerjarig ontwikkelingsproject op honderd scholen in primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs om zo een begin te maken met een systematische aanpak van uitgebreid onderwijs én om meer inzicht te krijgen in de succesfactoren. Het verloop van dit project en de resultaten ervan zouden systematisch gevolgd moeten worden.

Een andere manier om systematiek in uitgebreid onderwijs aan te brengen en om deelname van leerlingen en studenten te stimuleren is door de afronding van kwalitatief goede activiteiten te formaliseren en zichtbaar te maken op bijvoorbeeld een diplomasupplement of onderwijskundig rapport. Voor prestatieverbeterende activiteiten gebeurt dit al, maar deelname aan verrijkende en oriënterende activiteiten zou eveneens beter zichtbaar gemaakt kunnen worden. De rol van de minister hierbij is het opstellen van landelijke kaders, bij voorkeur in samenwerking met de sectororganisaties.

Een van de voorwaarden voor effectief uitgebreid onderwijs is dat leerlingen en studenten frequent en langdurig deelnemen. Dit kan betekenen dat sommige scholen, vooral in het primair onderwijs, meer flexibiliteit en ruimte in het lesrooster opnemen, omdat het reguliere programma niet mag lijden onder het uitgebreid onderwijs. Bij voorkeur versterkt uitgebreid onderwijs het reguliere programma.

Aan scholen wordt gevraagd om de vele activiteiten die ze nu al uitvoeren, in een breder kader te plaatsen en zelf een bewuste keuze te maken voor een programma voor uitgebreid onderwijs en dit doelgericht opzetten, afgestemd op de lokale omstandigheden. In verband met de schaarse tijd van docenten en de professionalisering van het aanbod wordt aangeraden om gebruik te maken van externe partijen die gespecialiseerd zijn in educatieve activiteiten op allerlei terreinen. Ook andere externe partijen, zoals de maatschappelijke voorhoedes en bedrijven, kunnen meer bijdragen aan het onderwijs dan zij zich nu wellicht realiseren. Hier ligt tevens een rol voor de minister om deze partijen aan te moedigen om in het onderwijs te investeren.

Ten slotte kunnen sectororganisaties een rol spelen bij het stimuleren en verbeteren van het aanbod aan uitgebreid onderwijs. Zij kunnen onder meer een informatiepunt inrichten waar scholen met hun vragen terecht kunnen en het onderling van elkaar leren van scholen stimuleren.

1. Inleiding: scholen bieden steeds meer

Steeds meer onderwijsinstellingen in primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs organiseren uiteenlopende activiteiten om leerlingen en studenten de kans te geven beter te presteren, zich breder te ontwikkelen of zich beter te oriënteren op arbeid en samenleving dan wettelijk vereist. Over dit soort extra activiteiten gaat dit advies. De raad vat deze samen onder de noemer van uitgebreid onderwijs.

1.1 Aanleiding: aanpak nodig voor allerlei extra aanbod en extra benutting

Voor sommige leerlingen en studenten is de standaardonderwijstijd niet voldoende om de standaarden en referentieniveaus te halen; deze leerlingen en studenten1 hebben meer tijd nodig. Door middel van extra aanbod van de school krijgen deze leerlingen de extra tijd die ze nodig hebben. Tegelijkertijd zijn er leerlingen en studenten die de potentie en motivatie hebben om meer te leren in het onderwijs dan wettelijk vereist. Scholen spelen hierop in door het aanbieden van extra vakken, en ook instanties zoals musea en bedrijven bieden extra lessen aan. Deze aanvullende activiteiten geven niet alleen mogelijkheden tot talentontwikkeling in brede zin, maar kunnen ook leiden tot een bredere oriëntatie op beroepen en samenleving.

Dit advies schetst een aanpak om in dit geheel van educatieve voorzieningen en gebruiksmogelijkheden wat meer systematiek aan te brengen. Om een systematische aanpak mogelijk te maken en de overeenkomsten in het pluriforme aanbod duidelijk te maken, hanteert de raad daarbij het concept uitgebreid onderwijs.2

Er zijn een aantal aanleidingen om nu een advies over uitgebreid onderwijs uit te brengen. Ten eerste is de raad van oordeel dat de onderwijsdiscussie wordt belemmerd door een focus op het minimum. Minimaal moeten er 940 (primair onderwijs), 1.000 (voortgezet onderwijs) of 850 (middelbaar beroepsonderwijs) uren onderwijs worden geboden, maar onderwijs is veel interessanter en belangrijker dan deze minimumnorm uitdrukt. Leerlingen en studenten besteden er feitelijk geregeld meer tijd aan, en scholen en externe educatieve aanbieders bieden vaak meer leertijd en leermogelijkheden aan, terwijl het debat maar blijft gaan over de minimumnorm. De raad stelt een ambitieuzere insteek voor, overigens aansluitend bij passages uit het regeerakkoord van het kabinet-Rutte.3

Een tweede aanleiding is dat het aantal scholen en externe instanties (zoals huiswerkinstituten) dat extra onderwijsactiviteiten organiseert toeneemt, waarschijnlijk in belangrijke mate daartoe aangezet door maatschappelijke ontwikkelingen. Nederland wil als kennisland voorop staan en daarvoor is het nodig dat kinderen en jongeren hun talenten maximaal kunnen ontplooien. Deze toename in het aantal activiteiten vraagt om een scherpere afweging door scholen en door de minister over welk aanbod in welke situatie verantwoord dan wel noodzakelijk is.

De derde aanleiding sluit hierbij aan: de wens van de minister om, gezien pleidooien van de Onderwijsraad voor uitgebreid onderwijs, concreet te weten bij welke onderdelen een rijksverantwoordelijkheid ligt.4

Eerste aanleiding: een ambitieuzere aanpak
Het voordeel van een minimumnorm voor onderwijstijd is dat er een zekere waarborg is dat leerlingen en studenten een bepaalde hoeveelheid stof aangeboden krijgen. Het nadeel van een dergelijke minimumnorm is echter tevens dat de ambitie en inspanning vaak niet verder gaan dan dit minimum. Het minimum wordt al gauw het maximum. De raad staat een ambitieuzere aanpak voor, die zich richt op zowel leerlingen en studenten als scholen en andere educatieve aanbieders.

Tweede aanleiding: nieuwe behoeften in de samenleving
Deze ambitieuzere aanpak sluit aan bij nieuwe behoeften in de samenleving. Leerlingen en studenten laten in veel gevallen zien dat leren hen raakt en dat ze hun wereld expansief willen verkennen. Scholen willen hierop aansluiten en nemen daartoe initiatieven. Voor jonge leerlingen met ouders die geheel of gedeeltelijk werken komt daar nog bij dat de naschoolse opvang in veel gevallen een geschikt kader biedt voor uitgebreidere formele en non-formele leerervaringen. Deels wordt aan deze vraag tegemoetgekomen door de brede scholen. Mede door stimulerende maatregelen van de overheid was er in de afgelopen jaren een sterke groei van het aantal brede scholen, zowel in het primair als in het voortgezet onderwijs.5 Naast de brede school zijn er vele andere vormen waarin scholen ruimte bieden voor extra leerervaringen.

Daarnaast zijn verschuivingen in waarden van invloed op de groei van het uitgebreid onderwijs. Zo hebben algemene ontwikkeling en kwaliteit van leven aan belang gewonnen. Dit heeft onder meer geleid tot een toenemende behoefte aan kennis en expertise en aan participatie en emancipatie.6 De samenleving vertoont steeds meer de kenmerken van een ‘kennisintensieve’ samenleving, die vraagt om een hoog kennis- en vaardigheidsniveau voor iedereen, zowel in cognitief als in sociaal opzicht. Vanwege de vergrijzing en het daarmee afnemende percentage van de bevolking dat tot de actieve beroepsbevolking behoort, is het van belang om talenten van leerlingen en studenten zo optimaal mogelijk te ontwikkelen. Mede hierom wordt een groter belang gehecht aan het breder ontplooien van de talenten van leerlingen en studenten dan voorheen het geval was. Bij deze visie past het wegwerken van (leer)achterstanden en het stimuleren van excellentie. Aan achterstanden wordt al veel aandacht besteed, maar het kader van uitgebreid onderwijs biedt mogelijkheden om het achterstandenbeleid effectiever vorm te geven.

Scholen en hun sectororganisaties spelen hier al vaak voortvarend op in. Voor taken die verder reiken dan de primaire wordt gezocht naar samenwerkingsverbanden met andere partijen.7 De kennisintensieve samenleving wordt ook weerspiegeld in de aandacht voor opbrengstgericht werken op scholen en voor de daarmee samenhangende doelmatigheid van het onderwijs. De Onderwijsraad heeft hier in 2009 een advies aan gewijd, gericht op het reguliere onderwijsprogramma.8 Ook in dit advies komt de noodzaak naar voren om naar doelmatigheid van activiteiten te kijken en weloverwogen keuzes te maken.

Het grotere belang van een bredere talentontwikkeling wordt eveneens zichtbaar in de maatschappelijke betrokkenheid van bedrijven en andere organisaties. Zij voelen de verantwoordelijkheid om ‘iets’ te doen voor de maatschappij. Dit verantwoordelijkheidsgevoel zet hen aan om activiteiten voor leerlingen en studenten te organiseren. Een bekend voorbeeld hiervan is de IMC weekendschool, die door commerciële bedrijven gesponsord wordt.9

Derde aanleiding: uitwerken eerdere pleidooien voor uitgebreid onderwijs
De Onderwijsraad muntte het begrip uitgebreid onderwijs in Stand van educatief Nederland 2009. In dit advies werd uitgebreid onderwijs omschreven als alle extra activiteiten van scholen of andere partijen die vallen onder formeel leren of onder non-formeel leren. De eerstgenoemde activiteiten (formeel leren) hebben betrekking op de wettelijk vereiste of extra leerprestaties en zijn gericht op diploma’s en kwalificaties. In het voorliggende advies wordt dit uitgebreid onderwijs met een verbeterfunctie genoemd.

De activiteiten vallend onder non-formeel leren zijn gericht op intentioneel en systematisch leren, maar spelen zich af in een andere setting dan de school en leiden niet op voor een erkend diploma of voor een kwalificatie. In het huidige advies is dit type uitgebreid onderwijs verder opgedeeld in uitgebreid onderwijs met een verrijkende functie en uitgebreid onderwijs met een oriëntatiefunctie. Dit onderscheid wordt in paragraaf 1.2 toegelicht.

De term uitgebreid onderwijs heeft dus betrekking op een breed palet van educatieve activiteiten, variërend van danscursussen en huiswerkklassen tot commerciële talencursussen. De raad introduceerde in het genoemde advies het begrip uitgebreid onderwijs om die uiteenlopende activiteiten onder één noemer te brengen. De achterliggende gedachte hierbij is dat door een breed scala aan activiteiten als geheel te benaderen dergelijke activiteiten systematischer onderwerp van onderwijsbeleid kunnen worden, waardoor ook afwegingen over de inzet van middelen scherper en systematischer kunnen worden gemaakt.

In de beleidsreactie op dit advies onderstreepte de minister dat uitgebreid onderwijs geen compensatie mag worden voor mogelijk tekortschieten van het reguliere onderwijs.10 Verder vroeg de minister een verduidelijking van zijn rol en verantwoordelijkheid ten aanzien van uitgebreid onderwijs. De minister vroeg om meer zicht op het totale aanbod alvorens nadere maatregelen te nemen. “Gezien de grote variëteit van dit geheel aan activiteiten en initiatieven is dat een noodzakelijke voorwaarde.” De minister kondigde eigen onderzoek hiernaar aan, evenals een onderzoek naar de financiering van uitgebreid onderwijs.11

Eveneens in vervolg op Stand van educatief Nederland 2009 brengt de raad tegelijk met dit advies een advies uit over de rol van maatschappelijke voorhoedes bij het onderwijs. De Onderwijsraad pleit hierin voor meer waardering en hulp aan het onderwijs vanuit de samenleving, in het bijzonder van de plaatselijke en regionale maatschappelijke voorhoedes. De betrokkenheid van de plaatselijke en regionale voorhoedes bij onderwijs kan het zelfvertrouwen van het onderwijs verbeteren en een bredere betrokkenheid en een breder draagvlak vanuit de samenleving bij onderwijs stimuleren.

Andere aansluitende adviezen van de Onderwijsraad
Al in eerdere adviezen van de Onderwijsraad werd ingegaan op het onderwijsprogramma ende verbreding van de functie van de school. Een eerste relevant advies is Onderwijs en maatschappelijke verwachtingen uit 2008. Dit advies ging in op de vraag hoe breed scholen hun maatschappelijke opdracht moeten opvatten. Het advies riep scholen op meer bewust na te denken over de vraag in welke mate en op welke wijze zij maatschappelijke verwachtingen oppakken. Daarbij speelt de visie van de school een belangrijke rol, maar ook de directe omgeving van de school. In de beleidsreactie onderschreef de staatssecretaris dit advies. Eenzelfde oproep aan scholen om bepaalde zaken bewust wel of niet aan te bieden werd gedaan in het advies Sturen van vernieuwende onderwijspraktijken (2007). De redeneertrant van deze adviezen vormt de context voor het huidige advies.

Relevant is ook het advies Leren in samenspel uit 2003. Om te voorzien in nieuwe kennis- en leerbehoeften zijn andere leerarrangementen nodig, waarbij schools en buitenschools leren met elkaar verbonden worden. In het advies Onderwijs en Cultuur (2006) beargumenteerde de Onderwijsraad, samen met de Raad voor Cultuur, dat voorkomen moet worden dat cultuuractiviteiten volledig in een naschools programma worden gepland. Bij dit advies is daarom uitgegaan van het idee dat het reguliere programma voldoende basis moet bieden voor de gemiddelde leerling; uitgebreid onderwijs is voor de extra’s.

Ten slotte sluit het thema van dit advies deels aan bij Presteren naar vermogen (2007). Hierin werd aandacht besteed aan onderpresteren van voornamelijk leerlingen uit een achterstandssituatie en hoe dit voorkomen kan worden. In dit advies bleek dat er verschillende uitgebreidonderwijsactiviteiten zijn, die zich richten op een betere ontwikkeling van talenten van deze groep, op zowel cognitief als niet-cognitief terrein.

Conclusie: steeds meer uitgebreid onderwijs, maar er zijn ook vragen
Scholen en andere partijen ondernemen steeds meer initiatieven die vallen onder het begrip uitgebreid onderwijs. Zij worden daartoe uitgedaagd als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de groeiende kennisintensiviteit en de behoefte aan een hoger peil van algemene ontwikkeling. Daarnaast spelen minimumnormen een rol in het onderwijs. Hoewel de raad de betekenis van een minimumnorm nooit zal onderschatten, wil hij toch de lat hoger leggen. De raad vindt het belangrijk dat leerlingen en studenten het geboden onderwijs beter benutten en er zichtbaar meer uithalen en staat daarom positief tegenover uitgebreid onderwijs. De grote diversiteit in activiteiten roept wel de vraag op hoe deze initiatieven duurzaam verankerd kunnen worden in de schoolpraktijk en welke rol de minister, de scholen en hun sectororganisaties, de lagere overheden en andere organisaties hierin hebben. Op deze vragen zal dit advies verder ingaan.

1.2 Adviesvraag: hoe vormgeven aan uitgebreid onderwijs?

De hoofdvraag is als volgt geformuleerd: Welke maatregelen kunnen scholen en overheid nemen om uitgebreid onderwijs systematischer en duurzamer vorm te geven?

Deelvragen zijn:
• Hoe is uitgebreid onderwijs vormgegeven in de huidige situatie? Wat zou de gewenste situatie zijn?
• Wat zijn de resultaten van uitgebreidonderwijsactiviteiten gericht op
     • het verbeteren van de leerprestaties van leerlingen en studenten;
     • het verrijken van hun talenten; en
     • hun oriëntatie op arbeid en samenleving?
• Hoe kan uitgebreid onderwijs verder gestimuleerd worden?
• Wat is de rol van de minister, de onderwijsinstellingen en andere relevante actoren ten aanzien van uitgebreid onderwijs?

Doelen advies: meer inzicht, gerichter kunnen stimuleren
Met de beantwoording van deze vragen beoogt het advies drie doelen te realiseren. Ten eerste wil het advies inzicht geven in de initiatieven die scholen zelf nemen. Een tweede doel is het aanreiken van een aanpak die helpt bij het systematischer omgaan met uitgebreid onderwijs, waardoor met name de minister handvatten heeft voor het invullen van haar verantwoordelijkheid in deze. Hiervoor is het nodig een inventarisatie te maken van de verschillende activiteiten die gerangschikt kunnen worden onder uitgebreid onderwijs, zodat er een meer coherent en compleet beeld ontstaat. Daarnaast is het nodig om na te gaan welke resultaten uitgebreid onderwijs heeft op leren en talentontwikkeling in brede zin. Dit is van belang om te weten welke initiatieven en activiteiten verdere stimulans behoeven.

Ten slotte is een derde en overkoepelend doel dat de activiteiten en programma’s doelmatig en van goede kwaliteit zijn, zodat met de beschikbare middelen zo veel mogelijk talentontwikkeling plaatsvindt: meer dan met alleen het reguliere onderwijsprogramma en bij voorkeur ook nog met positieve effecten op dit reguliere programma.

Uitgebreid onderwijs - schema

Definitie en afbakening
Het begrip uitgebreid onderwijs betreft het extra aanbod van scholen en andere educatieve aanbieders om in het primair en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs een uitgebreider geheel aan leermogelijkheden en onderwijsprogramma’s te bieden, dat gericht is op het uitdrukkelijker behalen van hetgeen volgens de kerndoelen, referentieniveaus, examenprogramma’s en kwalificatiedossiers minimaal wenselijk is, en op een beter gebruik van de geboden leermogelijkheden en onderwijsprogramma’s, zodat een breder of hoger niveau wordt behaald en leerlingen en studenten een breder perspectief hebben. Bij externe aanbieders betreft het educatieve activiteiten van aanbieders die in contact staan met de school.12 In overeenstemming met de adviesvraag van de minister (zie bijlage 1) gaat het in dit advies niet om het beter inzetten van de beschikbare onderwijstijd, maar om “extra onderwijstijd of een heel andere inzet van de onderwijstijd, waarbij ook tijd buiten school wordt benut”. Leerlingen en studenten die gebruikmaken van de extra activiteiten tonen uiteraard van hun kant eveneens extra inzet. Zij volgen bijvoorbeeld meer lessen, werken thuis aan projecten of oefenen een nieuwe vaardigheid.

De raad onderscheidt drie vormen van uitgebreid onderwijs met elk een eigen doel.
• Verbetering: uitgebreid onderwijs dat bedoeld is om de leerprestaties te verbeteren.
• Verrijking: uitgebreid onderwijs gericht op het breder en diepgaander ontwikkelen van talenten. Leerlingen en studenten halen meer uit het reguliere onderwijs en daarmee wordt het onderwijs beter benut.
• Oriëntatie: uitgebreid onderwijs gericht op het verbreden van het perspectief van de leerlingen en studenten op arbeid en samenleving.

1. Uitgebreid onderwijs met een verbeterfunctie: leerprestaties verbeteren
Bij deze activiteiten is er sprake van extra inzet die vooral bestaat uit extra leertijd en extra instructie voor de schoolse vakken, in ieder geval Nederlands en rekenen/wiskunde. Deze extra inzet kan door de school geleverd worden, maar ook door andere partijen. Voorbeelden zijn schakelklassen of huiswerkbegeleiding. Vaak is hierbij het doel om leerachterstanden te voorkomen dan wel weg te werken. Het gaat hierbij om het voorkomen van zowel relatief als absoluut onderpresteren.13 Absolute onderpresteerders presteren lager dan ze zouden kunnen en ook onder het benodigde niveau; relatieve onderpresteerders presteren eveneens minder dan ze kunnen, maar wel voldoende om de klassen normaal te doorlopen. Door gebruik te maken van het extra aanbod zijn absolute onderpresteerders in staat een basisniveau te halen en kunnen relatieve onderpresteerders op hun beste niveau presteren. Bij uitgebreid onderwijs met een verbeterfunctie is er in de praktijk veelal sprake van een verlenging van de onderwijstijd. Veel van de activiteiten met een verbeterfunctie worden georganiseerd vanuit het achterstandenbeleid, maar scholen zijn niet verplicht om activiteiten aan te bieden om leerachterstanden weg te werken. Dergelijke activiteiten vallen daarom onder de noemer uitgebreid onderwijs en kunnen zo onderscheiden worden van het reguliere standaardprogramma.

2. Uitgebreid onderwijs met een verrijkingsfunctie: voor bredere talentontwikkeling
De tweede vorm van uitgebreid onderwijs is de inzet van scholen en andere partijen om bij te dragen aan de bredere talentontwikkeling van leerlingen en studenten. Hiermee kan een leerling of student meer halen uit het reguliere onderwijsprogramma of gebruikmaken van een aanbod dat verder reikt dan enkel het reguliere programma; er is sprake van een verrijkend onderwijsaanbod. Er is een directe band met kerndoelen, referentieniveaus, examenprogramma’s en kwalificatiedossiers. Voorbeelden zijn extra (examen)vakken en extra sport- of cultuurlessen. Naast activiteiten die gericht zijn op bredere talentontwikkeling kan eveneens worden gedacht aan activiteiten die gericht zijn op het ontwikkelen van specifieke talenten, zoals de plusklassen in het basisonderwijs of de ‘honoursprograms’ in enkele mbo-instellingen (middelbaar beroepsonderwijs).

3. Uitgebreid onderwijs met een oriëntatiefunctie: voorbereiden op arbeid en samenleving
Oriëntatie op arbeid en samenleving is onderdeel van het reguliere programma van scholen. Maar ook met betrekking tot oriëntatie worden activiteiten georganiseerd die verder gaan dan wat van scholen vereist wordt. Het doel van deze activiteiten is om het perspectief van leerlingen en studenten te verbreden door hen te laten kennismaken met delen van de maatschappij waar ze zelf niet mee in aanraking komen, zodat zij een hoger ambitieniveau krijgen of beter voorbereid op de samenleving de school verlaten. Veel van deze activiteiten worden door of in samenwerking met andere partijen georganiseerd en zijn in heel wat gevallen gericht op leerlingen en studenten uit achterstandsmilieus, soms op leerlingen in het beroepsonderwijs. Voorbeelden zijn gastlessen van professionals die vertellen over hun beroep.

Figuur 1: Uitgebreid onderwijs

Uitgebreid onderwijs - figuur 1

De organisatie en vormgeving van activiteiten en programma’s kunnen sterk verschillen. Ten eerste kunnen de extra activiteiten door scholen zelfstandig worden ondernomen, maar ook door andere partijen worden aangeboden. Andere partijen kunnen zijn culturele instellingen, sportverenigingen, verenigingen en stichtingen die actief zijn op educatief of maatschappelijk gebied, bedrijven, particuliere instituten, enzovoort. Ten tweede kunnen activiteiten onder de reguliere onderwijstijd plaatsvinden, maar ook daarbuiten. Ook de doelgroepen kunnen verschillen. Onderscheiden worden onder andere leerlingen en studenten met een leerachterstand, leerlingen en studenten uit een achterstandssituatie, en de (zeer) getalenteerden en gemotiveerden.

Breedte advies
Dit advies gaat niet in op initiatieven gericht op het effectiever of efficiënter inrichten of besteden van de wettelijk voorgeschreven onderwijstijd. Wel zal bij de analyse ingegaan worden op het onderkennen van gunstige effecten van uitgebreid onderwijs op lesstof die in het reguliere onderwijs aan bod komt. Mogelijkheden hiervoor en initiatieven op dit terrein kwamen al aan de orde in het advies Naar doelmatiger onderwijs (2009).14 De raad wil hier wel benadrukken dat initiatieven op het terrein van uitgebreid onderwijs pas aan de orde zijn, wanneer uit de beoordeling van de Inspectie van het Onderwijs is gebleken dat het wettelijk voorgeschreven aanbod van voldoende kwaliteit is of een betere kwaliteit hiervan te verwachten is door uitgebreid onderwijs.

Primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs
De adviesvraag van de minister is te vinden in bijlage 1. De vraag richt zich op het primair onderwijs. Voor het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs gaat de aandacht van de minister vooral uit naar het realiseren van voldoende reguliere onderwijstijd van goede kwaliteit. De Onderwijsraad hecht er echter aan het advies te richten op de gehele groep van zes- tot en met achttienjarigen: het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. De leeftijdsgroep van drie- tot en met vijfjarigen blijft in dit advies buiten beschouwing. Activiteiten in het kader van uitgebreid onderwijs richten zich doorgaans op jongeren vanaf zes jaar. Bovendien is over de jongere kinderen recentelijk geadviseerd in het advies Naar een nieuwe kleuterperiode in de basisschool.15

1.3 Aanpak en leeswijzer

Aanpak
De raad heeft zijn analyse gebaseerd op wetenschappelijke artikelen, beleidsrapporten en andere literatuur. Daarbij zijn ook internationale publicaties meegenomen, om uitgebreid onderwijs in perspectief te kunnen plaatsen, ideeën op te doen en meer informatie te krijgen over de effecten. Verder zijn gesprekken gevoerd met verschillende deskundigen uit de wetenschap en de beleidswereld, en is er gesproken met leraren en schoolleiders en met hun belangenorganisaties. Een lijst van gesprekspartners is achter in dit advies opgenomen. Naast de informatie die de raad zelf heeft verzameld, hebben onderzoekers van het lectoraat Integraal Jeugdbeleid van de Hanzehogeschool een literatuuronderzoek verricht naar het rendement van leertijdverruiming en naschoolse programma’s voor de jeugd tussen zes en achttien jaar.16 Daarnaast heeft Duo Market Research een online-enquête afgenomen onder 657 schoolleiders uit primair onderwijs (310), voortgezet onderwijs (254) en middelbaar beroepsonderwijs (93).17 De schoolleiders is gevraagd wat hun school doet aan uitgebreid onderwijs en hoe zij dit financieren. Beide onderzoeksrapporten zijn te vinden op de website van de Onderwijsraad. Ten slotte zijn de aanbevelingen voorgelegd aan een panel met belangrijke belanghebbenden, zoals bestuurders van onderwijsinstellingen, aanbieders van uitgebreid onderwijs en beleidsmedewerkers.

De Onderwijsraad heeft vijf criteria geformuleerd aan de hand waarvan hij adviseert, namelijk: toegankelijkheid, kwaliteit, doelmatigheid, keuzevrijheid en sociale cohesie. Voor dit adviesthema zijn alle criteria van belang. Kwalitatief goed onderwijs verzorgen heeft daarbij de eerste prioriteit. Het doel van uitgebreid onderwijs is immers om leerlingen en studenten nieuwe kennis en vaardigheden te leren. Activiteiten in het kader van uitgebreid onderwijs moeten dan ook positieve effecten hebben op leerprestaties en talentontwikkeling. Hierbij komt ook doelmatigheid om de hoek kijken: wat zijn de effecten afgezet tegen de kosten? Daarnaast is de toegankelijkheid van belang: zijn de activiteiten voldoende toegankelijk voor iedereen, of worden groepen die er baat bij zouden kunnen hebben uitgesloten? Dit hangt samen met keuzevrijheid. Beide worden direct bepaald door de manier van organiseren van uitgebreid onderwijs: is deelname aan een bepaalde activiteit verplicht of vrijwillig en voor wie? Ten slotte is van belang dat uitgebreid onderwijs indirect kan leiden tot meer of minder sociale cohesie, wanneer bepaalde groepen van deelname worden toegelaten of worden uitgesloten.

Leeswijzer
Hoofdstuk 2 beschrijft het huidige beleid voor uitgebreid onderwijs. In hoofdstuk 3 wordt hetaanbod per functie geïnventariseerd en worden enkele voorbeelden uitgelicht. In hoofdstuk 4 wordt vervolgens aandacht besteed aan de vraag welke middelen er beschikbaar zijn voor uitgebreid onderwijs. In hoofdstuk 5 worden de effecten van uitgebreid onderwijs geëvalueerd. Dit hoofdstuk beschrijft wat in de wetenschappelijke literatuur te vinden is over de effecten op leerprestaties en aspecten van de sociaalemotionele ontwikkeling. In hoofdstuk 6 volgen conclusies en aanbevelingen op basis van de analyse in de voorgaande hoofdstukken.

2. Beleid gericht op uitgebreid onderwijs

Hoe past uitgebreid onderwijs eigenlijk binnen het bestaande onderwijsbeleid? Om dit advies in zijn context te kunnen plaatsen wordt in dit hoofdstuk op hoofdlijnen het overheidsbeleid gericht op stimulering van uitgebreid onderwijs geschetst. Veel aandacht is er in het beleid voor het bestrijden van achterstanden. Aandacht voor brede en specifieke talentontwikkeling is groeiende.

Scholen nemen niet zomaar initiatieven om hun onderwijs uit te breiden. Ze spelen daarmee in op de behoeften van leerlingen en ouders, of worden daartoe door maatschappelijke ontwikkelingen aangemoedigd. Veel scholen worden daarbij ook gestimuleerd door het landelijk en gemeentelijk onderwijsbeleid. Hieronder wordt op hoofdlijnen dit beleid beschreven.

2.1 Accenten in beleid: veel aandacht voor achterstanden

Een deel van de activiteiten en programma’s die tot uitgebreid onderwijs gerekend kunnen worden is specifiek bedoeld voor leerlingen uit achterstandsmilieus. Voor deze groep is er al sinds eind jaren zeventig achterstandenbeleid. Het gaat om beleid dat zich richt op het vergroten van kansen voor deze groep en het voorkomen en verminderen van taal- en leerachterstanden. Tot 2006 lag de nadere invulling en uitvoering van het achterstandenbeleid bij de gemeente. Landelijk werd alleen een Beleidskader gemeentelijk achterstandenbeleid vastgesteld. Sinds 1 augustus 2006 geldt de Wet op het onderwijsachterstandenbeleid, waarbij de rol van de gemeente werd ingeperkt.18 Ook werden de middelen voor het achterstandenbeleid verschoven; deze gaan nu rechtstreeks naar het schoolbestuur in plaats van naar de gemeente. Dat gebeurt in het primair onderwijs in de vorm van gewichtengelden en impulsgelden en in het voortgezet onderwijs door middel van de regelingen Leerplusarrangement voortgezet onderwijs en Nieuwkomers voortgezet onderwijs. De verlengde schooldagen zijn eveneens een uitwerking van het achterstandenbeleid: een aantal po- (primair onderwijs) en vo-scholen (voortgezet onderwijs) met veel achterstandsleerlingen krijgt daarbij extra middelen om de schooldagen met een aantal uren te verlengen en in die tijd een aanvullend educatief programma te organiseren (zie paragraaf 3.3). Een uitzondering op de beschreven tendens vormen de middelen voor voorschoolse educatie en schakelklassen in het primair onderwijs, want deze gaan wel nog rechtstreeks naar de gemeente.

De Wet op het onderwijsachterstandenbeleid uit 2006 verkleinde dus de rol van de gemeente. Om ervoor te zorgen dat de gemeentelijke rol ten aanzien van onderwijs voldoende profiel bleef houden, werd tegelijkertijd een nieuwe wijze van lokaal overleg over onderwijsbeleid ingevoerd, de lokale educatieve agenda (lea). Afgesproken werd dat dit overleg niet alleen zou gaan over onderwijs en scholen, maar ook kijkt naar de verbinding met breder jeugdbeleid. In recente regelgeving krijgt de gemeente een duidelijke rol toegekend als het gaat om het samenbrengen van diverse partners rondom kinderen en jongeren. Het onderwijs is hierbij een belangrijke partner.19

Voortijdige schoolverlaters in het middelbaar beroepsonderwijs
Aandacht voor kansarme jongeren in het middelbaar beroepsonderwijs is van meer recente datum. Relevant zijn de maatregelen gericht op het terugdringen van voortijdig schoolverlaten. Sinds 2006 zijn onder de noemer aanval op uitval extra maatregelen genomen, zowel gericht op het voortgezet onderwijs als op het middelbaar beroepsonderwijs. Het Ministerie van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) heeft in alle rmc-regio’s (regionale meld- en coördinatiefunctie) convenanten afgesloten met contactgemeenten en onderwijsinstellingen. De instellingen ontvangen voor de uitvoering een prestatiesubsidie. Er is een aanvullende subsidie beschikbaar voor onderwijsprogramma’s. Daarmee kunnen de instellingen bijvoorbeeld opvangklassen inrichten voor potentiële schoolverlaters. Tevens kunnen zij hiermee vernieuwende onderwijsvormen inrichten op het gebied van sport en cultuur die, zo is de gedachte, leiden tot aantrekkelijker onderwijs.

2.2 Recent beleid: aandacht voor excellentie en bredere talentontwikkeling

Van meer recente datum in het huidige onderwijsbeleid is de aandacht voor ambitie, excellentie en bredere talentontwikkeling. De aandacht richt zich op verschillende zaken: verhoging van prestaties in taal en rekenen; een extra aanbod en uitdaging voor leerlingen met bijzondere talenten op intellectueel, sportief of cultureel gebied; bètavakken en techniek; en ondernemerschap.

Aandacht voor hoogbegaafdheid, ambitie en excellentie

Sinds 2001 subsidieert het Ministerie van OCW de SLO (Stichting Leerplan Ontwikkeling) om basisscholen te ondersteunen bij het omgaan met (hoog)begaafde leerlingen, maar verdere grootschalige overheidsaandacht voor hoogbegaafden is van later datum. Wel zijn er adviesorganisaties die zich bezighouden met het ontwikkelen van kennisproducten op dit terrein, zoals CPS Onderwijsontwikkeling en advies, die dit onderwerp als speerpunt heeft.

Hoogbegaafden krijgen in het landelijk beleid expliciete aandacht in de kwaliteitsagenda’s voor primair en voortgezet onderwijs (2007 en 2008) en in een recent onderzoek van de Inspectie.20 De kwaliteitsagenda voor primair onderwijs wijst op het belang van het aanbieden van een rijke omgeving waarmee de (zeer) talentvolle leerlingen voldoende uitdaging kan worden geboden. Hierbij wordt onder meer gewezen op het belang van brede scholen, omdat die bij uitstek ontwikkelingskansen bieden aan kinderen. “Tijdens buitenschoolse activiteiten gaat het informele leren gewoon door. Dat kan beter worden onderkend en benut. (…). Maar er kan juist ook aandacht worden besteed aan andere onderwerpen zonder dat dit ten koste gaat van de focus op taal en rekenen.”21 De agenda vermeldt verder dat mogelijkheden voor apart onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen nader zullen worden onderzocht en financieel worden gestimuleerd. Ook investeert het Ministerie in excellentieprogramma’s op lokaal niveau (opgezet door schoolbesturen zelf) en landelijke projecten. Universiteiten en basisscholen moeten meer structureel met elkaar gaan samenwerken. Hiervoor is onder andere het Orionprogramma gestart (zie bijlage 2).

De kwaliteitsagenda voor het voortgezet onderwijs, met als titel Onderwijs met ambitie, noemt het streven om het beste uit álle leerlingen te halen als één van de prioriteiten: “Elke leerling moet zo goed mogelijk terecht komen en gestimuleerd worden om uit te blinken in waarin hij of zij goed is. Het gaat daarbij om toptalent op alle niveaus. De ene jongere is cognitief zeer sterk, de andere jongere is een uitmuntende sporter of creatief zeer begaafd. Het onderwijs moet alle jongeren uitdagen hun talenten zo goed mogelijk te ontplooien en te gebruiken.”22 De agenda roept op tot het doorbreken van de zesjescultuur. Daarnaast is differentiatie tussen scholen belangrijk: scholen kunnen zich profileren op bijvoorbeeld bèta/techniek, cultuur, sport of meertaligheid. Maatwerk binnen scholen, gebaseerd op het goed volgen van vorderingen, is eveneens belangrijk. Tot slot noemt de agenda het belang van samenwerking tussen scholen en andere partijen. Waar nodig treedt de overheid hier faciliterend op, bijvoorbeeld door het stimuleren van het aannemen van combinatiefunctionarissen. Deze functionarissen zijn werkzaam bij minimaal twee instellingen: brede school, sportvereniging of culturele instelling.

In het regeerakkoord van het kabinet-Rutte wordt dezelfde ambitie getoond om talenten te ontwikkelen. “Om te komen tot meer excellent onderwijs is meer structuur en focus op kennis nodig. Er wordt toegewerkt naar een absolute kwaliteitsnorm waarbij de toegevoegde waarde zwaarder meeweegt. Ieder talent telt, of het nu jongeren betreft met een beperking, de gouden handen in het beroepsonderwijs of de knappe koppen op de universiteit. Presteren is geen vies woord maar een noodzakelijke voorwaarde. Iedereen in het onderwijs wordt hierop aangesproken: ouders, leraren, leerlingen en schoolbestuurders: de basis op orde, de lat omhoog”.23

Aantrekkelijk onderwijs in bètavakken en techniek
Sinds 2004 wordt sterk gestuurd op aantrekkelijk en interessant bètaonderwijs. Het Platform Bèta Techniek voert in dit kader diverse programma’s uit, in alle onderwijssectoren.24 De programma’s in het primair onderwijs streven naar verbreding van het onderwijsprogramma, in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs zijn programma’s mede bedoeld om het bètaonderwijs aantrekkelijker te maken voor (zeer) getalenteerde leerlingen. In bijlage 2 worden de belangrijkste programma’s kort genoemd.

Stimuleren van ondernemerschap
In het laatste decennium is ook meer aandacht gevraagd voor ondernemerschap. Aanvankelijk ging het beleid vooral uit van het bieden van kansen aan onderwijsinstellingen om initiatieven te ontplooien. Sinds 2009 is de ambitie om ervoor te zorgen dat scholen ondernemerschap ‘verduurzamen’ in hun onderwijsprogramma’s. Ondernemerschap moet een geïntegreerd onderdeel worden van het beleid, de organisatie en het lesprogramma van instellingen.

Culturele educatie en kunstzinnige vorming
Aandacht voor bredere talentontwikkeling vindt tevens plaats via het stimuleren van culturele educatie en kunstzinnige vorming. Scholen en culturele instellingen (waaronder musea en bibliotheken) kunnen een beroep doen op diverse subsidieregelingen.

Stimuleren van sport en bewegen, uitdagen van sporttalent
Stimuleren tot sport en bewegen heeft de aandacht van de ministeries van VWS (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en van OCW. Men wil leerlingen meer laten bewegen om zo gezondheidsproblemen zoals overgewicht en een ongezonde leefstijl op de langere termijn te voorkomen. Daarnaast is het doel om jeugdigen meer mogelijkheden te bieden voor het ontdekken en ontwikkelen van hun sporttalent. Nederland moet gaan behoren tot één van de tien beste sportlanden ter wereld, zo is de ambitie van de minister van VWS.25 In een beleidskader geven de twee departementen aan hoe een samenhangend en dekkend sport- en beweegaanbod voor jeugd tot stand kan worden gebracht. Sport moet een onderdeel worden van de naschoolse opvang en daarmee goed toegankelijk zijn in alle gemeenten. Ook wordt gepleit voor intensieve samenwerking tussen sport en onderwijs, voor goed opgeleide vakkrachten en goed geoutilleerde accommodaties.26

De aandacht richt zich ook op onderwijs aan jongeren met sporttalent. De overheid en het NOC*NSF (Nederlands Olympisch Comité*Nederlandse Sport Federatie) stellen een klein budget beschikbaar voor het inrichten van een zogenoemde LOOT-school (Landelijk Overleg Onderwijs en Topsport). LOOT-scholen zijn vo-scholen specifiek voor leerlingen die aantoonbaar de potentie hebben om uit te groeien tot topsporter. Op een LOOT-school kunnen zij opleiding en training goed combineren.

Stimuleren oprichten brede scholen
De overheid is al vanaf de jaren negentig bezig om de oprichting van brede scholen te stimuleren: scholen waar naast het geven van onderwijs ook activiteiten worden aangeboden op de terreinen van voor- en naschoolse opvang, zorg, welzijn, sport en cultuur. Aanvankelijk lag het accent op het bieden van kansen aan kinderen uit achterstandsmilieus. In de loop der jaren zijn er ook brede scholen gekomen die zich profileren met een gevarieerd uitdagend naschools aanbod gericht op bredere talentontwikkeling voor iedereen. In alle gevallen wordt samengewerkt met organisaties voor kinderopvang, welzijnsinstellingen en/of instellingen voor sport en cultuur. Het doel is het bieden van toegankelijke voorzieningen voor kinderen, jongeren en gezinnen in de buurt, met de school als middelpunt. Het vorige kabinet streefde naar 1.500 brede basisscholen in het basisonderwijs en 460 brede scholen in het voortgezet onderwijs in 2011. Dit aantal komt snel dichterbij. Gemeenten en scholen worden inhoudelijk en financieel ondersteund bij het realiseren hiervan, onder meer via het landelijk Steunpunt voor Brede Scholen. De diversiteit onder brede scholen is bijzonder groot.27

De Onderwijsraad beoordeelt deze ontwikkeling positief en pleit in het advies Naar een nieuwe kleuterperiode in de basisschool (2010) zelfs voor pedagogisch aanbod voor drie-, vier- en vijfjarigen verzorgd door de basisschool en met veel aandacht voor beweging, spel, expressie, sociale contacten en leren.28 De belangrijkste reden hiervoor is dat vrijwel alle driejarigen (92%) nu al naar een kinderdagverblijf, peuterspeelzaal of voorschool gaan. De kwaliteit van dit soort voorzieningen varieert echter sterk, en lijkt eerder af dan toe te nemen. Daarom zou dit aanbod beter door de basisschool kunnen worden verzorgd.

Tijdsbeleid
In lijn met de ontwikkeling rondom brede scholen is de recente aandacht van de overheid voor de tijdsbesteding van onder meer ouders en kinderen. Rijksbreed krijgt verbetering van openingstijden van openbare voorzieningen aandacht, waaronder die van basisscholen. Door flexibelere lestijden op basisscholen ontstaan er meer mogelijkheden voor uitgebreid onderwijs. Basisscholen worden gestimuleerd om samen te werken met andere partijen in bijvoorbeeld brede scholen, om zo te zorgen voor meer ‘sluitende dagarrangementen’ (zie bijvoorbeeld de motie-Van Aartsen-Bos uit 2007). Verder kondigde de toenmalige staatssecretaris Dijksma in november 2009 experimenten aan waarbij brede scholen en andere partijen inhoudelijk verder de handen ineen slaan, zodat zij een ‘brede buurtschool van de toekomst’ kunnen worden. Bedoeld wordt een school met openingstijden die zijn aangepast aan hedendaagse werktijden. Kinderen zouden hier vanaf de peuterleeftijd een voltijds ‘pedagogisch afgestemd pakket’ moeten kunnen volgen van opvang, school, cultuur en sport. Verschillende ouderorganisaties en projectgroepen zijn bezig met dit onderwerp, zoals de projectgroep Andere Tijden. Enkele scholen experimenteren met andere schooltijden en sluitende dagarrangementen onder de noemer van sterrenschool, integraal kindcentrum of educatief centrum. Zie voor meer informatie hierover bijlage 3.

2.3 Samenvattend: veelheid van beleidsinitiatieven en stimulansen

Uitgebreid onderwijs is een begrip waaronder uiteenlopende activiteiten vallen. Het raakt daardoor aan diverse beleidsthema’s en programma’s. In het verleden lag in het overheidsbeleid een accent op het bestrijden van (leer)achterstanden. Doelgroepen waren kinderen en jongeren met een leerachterstand en kinderen en jongeren in achterstandssituaties. Deze groepen overlappen elkaar grotendeels. In recenter beleid is er ook aandacht gekomen voor bredere talentontwikkeling en voor onderwijs aan de (zeer) getalenteerde leerling en student. Uit de beleidsthema’s blijkt dat de aandacht uitgaat naar deelthema’s van uitgebreid onderwijs, zoals cultuur, techniek en sport. Uitgebreid onderwijs als geheel vormt nog geen onderwerp van overheidsbeleid.

3. Uitgebreid onderwijs, schets van de praktijk

Dit hoofdstuk gaat dieper in op de drie functies van uitgebreid onderwijs: verbetering, verrijking en oriëntatie. Wat voor activiteiten ondernemen scholen in primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs? Hoe organiseren ze dit en waarvan financieren ze dit? Scholen blijken vooral actief met initiatieven gericht op verrijking, maar er is ook een ruim aanbod ter verbetering van leerprestaties. Oriëntatie op arbeid en samenleving krijgt minder aandacht. Het aanbod varieert sterk in inhoud, kwaliteit en samenhang.

Het eerste deel van dit hoofdstuk geeft een algemeen beeld van wat de scholen in primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs aan activiteiten ondernemen, met welke motieven ze dit doen en hoe ze dat betalen. We baseren ons hiervoor op de online afgenomen enquête onder schoolleiders.29 Daarnaast is gebruikgemaakt van al beschikbare studies naar vormen van uitgebreid onderwijs. Een belangrijke vraag hierbij is of er een dekkend aanbod van activiteiten is, omdat dit bepaalt hoe gemakkelijk een leerling of student toegang heeft tot een activiteit.

In het tweede deel worden per type uitgebreid onderwijs (verbetering, verrijking en oriëntatie) enkele voorbeelden gegeven, zo mogelijk van elke onderwijssector één. Gekozen is voor voorbeelden die landelijk enigszins bekend zijn en die als goed doordacht worden beschouwd.

3.1 Globaal beeld: hoe actief zijn scholen?

Uit de enquête blijkt dat vo-scholen het meest actief zijn met uitgebreid onderwijs, daarna volgen de mbo-instellingen en ten slotte de basisscholen. De extra inzet van scholen bestaat uit het verlengen van de onderwijstijd en extra aandacht voor sport, cultuur, techniek of andere vaardigheden door middel van gastlessen, cursussen of projecten.

Primair onderwijs: aanbod meer gericht op verrijking
Uit de enquête onder schoolleiders blijkt dat er op ongeveer 39% van de basisscholen een aanbod is van uitgebreid onderwijs dat meer dan een uur in de week behelst. Dit is dus minder dan de helft van het totaal aantal scholen. Ongeveer 6% van de scholen organiseert activiteiten tijdens vakanties of in de weekenden; de meeste activiteiten vinden op schooldagen plaats.

Activiteiten lijken in het primair onderwijs vaker gericht te zijn op verrijking dan op verbetering van onderwijsprestaties.30 Vooral brede scholen in de grote steden zijn actief met verrijkende vormen van uitgebreid onderwijs. Verrijkingsactiviteiten zijn vooral naschoolse activiteiten die sterk uiteenlopend van aard zijn en variëren van schaakles tot boerderijscholen. De scholen richten zich hierbij op twee doelgroepen. De eerste doelgroep bestaat uit de hoogbegaafden. Een groot deel van de basisscholen (75%) biedt enige vorm van differentiatie in het onderwijsaanbod voor de betere leerlingen, slechts bij een klein deel van deze basisscholen is er echt sprake van extra leeraanbod. Zo heeft ongeveer 16% een plusklas of ander verrijkingsprogramma voor deze doelgroep.31 De tweede groep waarvoor veel verrijkingsactiviteiten worden georganiseerd zijn de achterstandsleerlingen. Daarbij gaat het om het bieden van extra stimulansen op sportief, creatief en ander gebied die zij thuis niet krijgen. Deze krijgen onder meer vorm in de verlengde schooldag, die op ongeveer 7% van de scholen wordt aangeboden.

Activiteiten met een verbeterfunctie zijn dus minder frequent dan verrijkende activiteiten. De meest voorkomende activiteit op dit terrein zijn de schakelklassen, die op ongeveer 8% van de scholen worden aangeboden. Een nog kleiner deel van de scholen verzorgt studiebegeleidende activiteiten voor hun leerlingen.

Basisscholen zijn niet zo actief met uitgebreid onderwijs dat oriëntatie op arbeid en samenleving tot doel heeft. De bestaande oriënterende activiteiten zijn bovendien veelal bedoeld voor leerlingen uit achterstandssituaties, zoals de IMC weekendschool. Doel van dit soort activiteiten is het ambitieniveau van deze leerlingen te verhogen, waardoor ze meer gemotiveerd raken voor goed presteren en maatschappelijk succes. Initiatieven zoals Gast in de klas proberen het makkelijker voor scholen te maken om gastlessen te regelen en op die manier kinderen een bredere kijk op het leven te geven.

Basisschooldirecteuren noemen verschillende redenen om actief te zijn met uitgebreid onderwijs. Ongeveer 79% vindt het belangrijk om zich extra in te zetten voor het ontwikkelen van talenten in brede zin. Ook een betere aansluiting van het aanbod van school bij de behoefte van de leerling wordt veelvuldig als reden genoemd (67%). Andere genoemde redenen zijn: innovatief bezig willen zijn, aansluiting van het aanbod van school bij de wensen van de samenleving, en het omzetten van de visie van de school in de praktijk.32

Voortgezet onderwijs: veel scholen actief|
In het voortgezet onderwijs is het totale aanbod van uitgebreid onderwijs groot. Uit de enquête onder schoolleiders blijkt dat 76% van de scholen in ieder geval één activiteit van uitgebreid onderwijs aanbiedt. Zij zijn daarmee duidelijk actiever dan basisscholen.33 Een ruime meerderheid van de scholen organiseert activiteiten in het weekend of de vakantie. Deelname hieraan is vaak op individuele basis.

In het voortgezet onderwijs is er een ruim aanbod van uitgebreid onderwijs gericht op verbetering. Ongeveer de helft van alle vo-scholen biedt studiebegeleiding aan. Opvallend is hierbij dat veel meer scholen studiebegeleiding aanbieden aan vmbo-leerlingen (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs; twee derde van de scholen) dan aan vwo-leerlingen (twee vijfde van de scholen). Scholen nemen veelal zelf het initiatief tot activiteiten. Alleen het project onderwijstijdverlenging, waar ook een kleine groep vo-scholen aan deelneemt, is door de overheid opgezet.

De enquête laat zien dat vo-scholen tevens actief zijn met verrijking. Ongeveer 60% van de voscholen biedt extra activiteiten aan op het gebied van kunst en cultuur. Op ruim een derde van de scholen zijn er speciale extra vakken die gekozen kunnen worden en waarin ook examen kan worden gedaan, zoals Mandarijn. Deze worden met name aan vwo-scholieren aangeboden en veel minder aan vmbo-scholieren. Ook tweetalig onderwijs is vooral een vwo-activiteit.34 Getalenteerde leerlingen komen dus beter aan hun trekken in het voortgezet onderwijs dan in het primair onderwijs. Het onderzoek van het Platform Bèta Techniek merkt op dat “kijkend naar het aanbod van activiteiten voor het vo, in casu (onderbouw-)vwo, dan zijn er meer activiteiten specifiek gericht op excellente leerlingen. Gemotiveerde vwo’ers die tijd en ruimte over hebben, kunnen bijvoorbeeld proefstuderen, masterclasses volgen en proeven doen.”35 Voor de andere specifieke doelgroep, de achterstandsleerlingen, is er minder aanbod in het voortgezet onderwijs dan in het primair onderwijs. Wel heeft 60% van de vmbo-scholen een vorm van verlengde schooldag.

Ook vo-scholen zijn niet bijzonder actief bezig met extra oriënterende activiteiten. Soms zijn er gastlessen, werkbezoeken en snuffelstages, waarbij leerlingen een kijkje kunnen nemen in een voor hen wellicht onbekende beroepswereld.

De redenen voor vo-schoolleiders om uitgebreid onderwijs aan te bieden komen grotendeels overeen met die voor po-schoolleiders. Ontwikkeling van talent in brede zin is de voornaamste reden. De school aantrekkelijker maken voor nieuwe leerlingen is in het voortgezet onderwijs belangrijker dan in de andere sectoren. Maar liefst 34% noemt dit als reden, tegen 19% in het primair onderwijs.

Middelbaar beroepsonderwijs
Ongeveer 60% van de mbo-instellingen biedt een vorm van uitgebreid onderwijs aan. Specifiek voor het middelbaar beroepsonderwijs is de sterke binding met het bedrijfsleven. Deze is logischerwijs veel groter dan in de andere onderwijssectoren. Er is veel aandacht voor samenwerking met het bedrijfsleven, bijvoorbeeld bij het aanbieden van bepaalde beroepsgerichte vakken. Een aantal scholen – ook in het voortgezet onderwijs – werkt samen met bedrijven, waarbij bedrijven worden ingeschakeld voor het verzorgen van onderwijsactiviteiten als snuffelstages, opdrachten of kleinschalige onderzoeken. Initiatieven als Jet Net en Bedrijf plus school maken deze samenwerking mogelijk (zie bijlage 2).

Activiteiten organiseren met een verbeterfunctie wordt aan de onderwijsinstellingen zelf overgelaten. Ook is in het middelbaar beroepsonderwijs toenemende aandacht merkbaar voor het verhogen van de taal- en rekenprestaties. Uitgebreid onderwijs met een verbeterfunctie kan hierbij helpen. Nu biedt ongeveer 15% van de instellingen een vorm van studiebegeleiding aan, zoals examentraining. Daarnaast is er in circa 7% van de instellingen een systeem om te leren van groepsgenoten.

Het verrijkend uitgebreid onderwijs in het middelbaar beroepsonderwijs is vooral gericht op het leren van extra vaardigheden die de student in zijn verdere school- en arbeidsloopbaan kan gebruiken. Een student kan bijvoorbeeld een trekker-rijbewijs halen, of vakken volgen om door te kunnen stromen naar het hoger beroepsonderwijs of een eigen onderneming te starten. Ongeveer 40% van de mbo-instellingen heeft activiteiten die hierop gericht zijn. Activiteiten op de terreinen van cultuur, algemene ontwikkeling, sport en tweetalig onderwijs zijn er weinig.36

Mbo-instellingen zijn eveneens redelijk actief met uitgebreid onderwijs gericht op beroepsoriëntatie. Dat ligt voor de hand, omdat oriëntatie op het toekomstige beroep een belangrijk onderdeel vormt van het reguliere opleidingsprogramma. Uit de enquête blijkt dat mboopleidingen ook buiten hun programma mogelijkheden voor loopbaanoriëntatie bieden. In welke mate is echter niet bekend.37 Verder organiseren opleidingen onder andere excursies en programma’s voor jonge ondernemers. Maar veelal nemen de kenniscentra voor beroepsonderwijs en bedrijfsleven, en niet de onderwijsinstellingen, hiertoe het voortouw. Op het gebied van maatschappelijke oriëntatie is het aanbod van uitgebreid onderwijs in het middelbaar beroepsonderwijs erg beperkt.

De redenen die mbo-managers aangeven om uitgebreid onderwijs aan te bieden verschillen niet met die van de andere sectoren. Roc’s (regionale opleidingencentra) zijn, zeker in de grote steden, actief met hun maatschappelijke opdracht en vatten deze breed op. Om deze reden ondernemen zij initiatieven op de gebieden van zorg en hulpverlening, achterstandsbestrijding, en bevordering van veiligheid en sociale cohesie binnen de wijk.38

3.2 Voorbeelden van uitgebreid onderwijs gericht op verbetering van onderwijsprestaties

Uitgebreid onderwijs - schema

1. Primair onderwijs: pilot onderwijstijdverlenging
In augustus 2009 is het project onderwijstijdverlenging van start gegaan voor de duur van vier jaar (2009–2013). Een samenwerkingsverband van minimaal drie basisscholen, één school voor voortgezet onderwijs en een gemeente kan een subsidie aanvragen voor vier jaar. Het moet gaan om een project waarbij de effectieve leer- en instructietijd die wordt besteed aan taal en rekenen wordt verlengd. Het doel van de projecten is het tegengaan van onderpresteren en het zorgen voor een verbeterde overgang van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs. Er lopen momenteel 29 projecten in 22 steden.

De projecten zijn onder te verdelen in drie categorieën: verlenging van de schooldag, weekendschool en zomerschool. Er is in totaal 12 miljoen euro beschikbaar voor de projecten. Of het project voortgezet wordt na 2013 en onder welke voorwaarden en financiering, hangt af van de geboekte resultaten. Deze worden wetenschappelijk gevolgd; het beleid hieromtrent wordt dus ‘evidence based’.

Brede School Academie
In Middelburg wordt een langere schooldag aangeboden onder de titel Brede School Academie Middelburg. Het kerncurriculum rekenen, taal en lezen vormt de basis en het uitgangspunt van de Brede School Academie. Deelnemers krijgen in blokken van negentien weken drie uur per week extra onderwijstijd in groepen van zeven tot vijftien leerlingen. De groepen zijn samengesteld naar thema (rekenen, taal, lezen) en zijn heterogeen van samenstelling (leeftijd en school). Deelname aan een tweede, derde of volgend blok is afhankelijk van de leerresultaten en de motivatie van de leerling. Om een duurzaam effect te realiseren wordt in deze extra onderwijstijd opbrengstgericht en ‘research-based’ gewerkt.

Bron: www.onderwijstijdverlenging.nl

2. Primair onderwijs: kop- en schakelklassen
Een ander grootschalig project met een verbeterfunctie is het opstarten van schakel- en kopklassen.39 Een schakel- of kopklas is een extra jaar basisonderwijs met als doel leerlingen met een taalachterstand in staat te stellen deze in te lopen. Een kopklas is een speciale variant van een schakelklas tussen groep 8 en de brugklas in. Het gaat om leerlingen die door een taalachterstand niet het opleidingsniveau bereiken wat ze zouden kunnen bereiken. Leerlingen worden vooraf geselecteerd. De kwaliteit van het aanbod is voldoende.40

Op dit moment zijn er ongeveer zeshonderd schakelklassen in Nederland, waarvan twintig kopklassen.41 De schakelklassen worden apart gefinancierd door de gemeente, die hiervoor geld gebruikt uit het onderwijsachterstandenbudget. Ook scholen betalen mee, ongeveer 14%.42 Deelname is kosteloos voor ouders en leerlingen en daarmee is de schakelklas breed toegankelijk.

De resultaten van kopklassen zijn veelbelovend, ofschoon de gevonden resultaten verschillen en afhankelijk zijn van de manier waarop het taalonderwijs wordt gegeven. Uit onderzoek van het ITS en het Kohnstamm Instituut blijkt dat deelnemende leerlingen meer leerwinst boeken en hogere scores op de Cito-toets halen. Daarnaast constateren de scholen een sterke vooruitgang in werkhouding en gedrag van leerlingen. Door het opdoen van succeservaringen wordt het zelfbeeld van leerlingen versterkt.43

3. Voortgezet onderwijs: studiebegeleiding
Studiebegeleiding is in het voortgezet onderwijs de meest voorkomende vorm van uitgebreid onderwijs gericht op verbetering van onderwijsprestaties. Daarom noemen we dit hier als voorbeeld. Het aantal leerlingen dat hieraan deelneemt blijkt de laatste jaren sterk te groeien.44 Studiebegeleiding kan ook plaatsvinden in bijspijkerkampen en door middel van examentrainingen binnen of buiten de school.

Traditioneel waren het vooral vo-scholieren die gebruikmaakten van studiebegeleiding. Tegenwoordig maken ook po-leerlingen in de bovenbouw hier toenemend gebruik van en wordt ook aan mbo-studenten training en begeleiding aangeboden. Een recente studie van Research voor Beleid meldt dat 20% van de ouders een kind heeft op de basisschool dat heeft deelgenomen aan een studiebegeleidingsactiviteit, beroepskeuzetest of leerprobleemtest.45 Bijles, Cito-training en de leerprobleemtesten zijn hierbij de meest gebruikte activiteiten. Bij ouders met een kind in het voortgezet onderwijs is het percentage 15%. Vooral bijlessen en beroepskeuzetesten zijn hierbij populair. Uit een schatting die het GION (Gronings Instituut voor Onderzoek van Onderwijs) in opdracht van de Onderwijsraad heeft gemaakt, zijn er tussen de 60.000 en 110.000 leerlingen en studenten die gebruikmaken van studiebegeleiding, hetgeen neerkomt op respectievelijk 7 en 12%.46 Uit de online-enqûete bleek al dat scholen zelf ook studiebegeleidingsactiviteiten organiseren, meer voor vmbo-leerlingen dan voor vwo-scholieren.47

Er zijn ongeveer tweehonderd commerciële huiswerkinstituten en daarnaast vele individuele aanbieders.48 De huiswerkinstituten verschillen sterk in de mate van begeleiding. Er is nauwelijks zicht op de kwaliteit en deze kan hierdoor sterk wisselen. Alleen bij de instituten die aangesloten zijn bij de Landelijke Vereniging van Studiebegeleiding is er een kwaliteitscontrole; deze vereniging geeft een keurmerk uit.

Huiswerkbegeleiding Transvaal officieel geopend
Vanaf vandaag kan elke leerling in een rustige omgeving en onder deskundige begeleiding vier dagen per week elke dag werken aan het huiswerk van school. Voor ouders is het fijn dat er nu een plek in de buurt is waar hun kind geholpen wordt met huiswerk. Huiswerkbegeleiding Transvaal is een cadeau van Noeroel Islam Moskee en STEK/De Paardenberg aan vo-leerlingen in Transvaal. Deze organisaties worden daarbij gesteund door zestien andere Transvaalse organisaties, fondsen en de gemeente Den Haag.

Bron: www.transvaal.nu

In de meeste gevallen betalen ouders de kosten van de particuliere studiebegeleiding. Dit bedrag varieert van enkele tientallen tot honderden euro’s per maand.49 Studiebegeleiding op school wordt voor ongeveer een kwart uit de lumpsum betaald; er is aanvullende financiering van de overheid. Omdat studiebegeleiding meestal een aantal maanden of jaren duurt, kunnen de kosten hiervoor aardig oplopen. Het is daarom niet verwonderlijk dat ouders met een hoger inkomen aanzienlijk meer besteden aan studiebegeleiding voor hun kinderen.50 Volgens de studie van Research voor Beleid is er echter geen aanleiding om te vrezen voor een duidelijke tweedeling tussen de ‘haves’ en de ‘have nots’.51 Bepalend voor deelname zouden niet de kosten zijn, maar bekendheid met het aanbod en voldoende motivatie bij het kind.

4. Middelbaar beroepsonderwijs: leren van leeftijdsgenoten – ‘ peer assisted learning’
Er zijn niet zo veel activiteiten op mbo-instellingen in het kader van uitgebreid onderwijs met een verbeterfunctie. Daarom is een groepsgenoten-leersysteem (‘peer assisted learning’ systeem, ook ‘peer tutoring’ of ‘peer support’ genoemd) een interessant voorbeeld. Het is een methode waarbij ouderejaarsleerlingen als ‘tutor’ fungeren en jongere leerlingen extra (studie) hulp bieden. Bij het ROC Zadkine in Rotterdam bijvoorbeeld kunnen ouderejaarsleerlingen kiezen of ze nieuwe leerlingen wegwijs willen maken bij de start van hun opleiding, helpen bij het maken van opdrachten of toetsvoorbereiding, inwerken op een stageplaats en stageopdrachten uitleggen, of hulp bieden bij het maken van keuzes binnen leertrajecten.52

Het groepsgenoten-leersysteem wordt steeds verder ontwikkeld en wordt inmiddels op verschillende mbo- en vo-instellingen toegepast, soms in samenwerking met hogescholen. De kwaliteit van het aanbod is mede afhankelijk van de voorbereiding en begeleiding die de leerling- tutors krijgen en wisselt waarschijnlijk sterk.

Groepsgenoten bij mbo-techniek
Het doel van het project De doorstromer is het ontwikkelen van een methodiek voor het inzetten van groepsgenoten bij een op maat gemaakt extracurriculair programma voor de begeleiding van leerlingen mbo-techniek op niveau 2 (met een nadruk op allochtonen); doel is om door te stromen naar een technische opleiding op niveau 3 en 4. Dit zal in dit pilotproject heel doelgericht worden gedaan voor de procestechniek. In de regio Rijnmond is in die sector de vraag naar gekwalificeerd personeel erg hoog en schiet de toevoer van kandidaten vanuit het onderwijs tekort. In het project zal extra aandacht worden besteed aan een aantal factoren dat een succesvolle doorstroming van de leerling beïnvloedt, zoals taalbeheersing, omgangsvormen en de thuissituatie.

Bron: www.stichtingdiversity.nl

De kosten voor de school zijn doorgaans beperkt (ongeveer 6.000 euro per jaar).53 Scholen investeren wel in tijd: docenten begeleiden en trainen de ouderejaarsleerlingen en krijgen daarvoor zelf ook een training.

Uit onderzoek van Ecorys (2009) blijkt het leren van groepsgenoten een goede methode te zijn om voortijdig schoolverlaten te voorkomen. “Leerlingen die andere leerlingen begeleiden ontwikkelen assertiviteit en andere sociale en cognitieve vaardigheden. Het project geeft de deelnemer die als mentor fungeert meer inzicht in zichzelf en deze deelnemers worden aangesproken op hun verantwoordelijkheidsgevoel. (…) De begeleide leerling voelt zich veiliger op school, wordt gesteund in schoolwerk, ontwikkelt meer aangepast gedrag en ontwikkelt sociale en cognitieve vaardigheden.“54

3.3 Voorbeelden van uitgebreid onderwijs gericht op verrijking

1. Primair onderwijs: plusklassen voor meerbegaafden
Plusklassen zijn de meest voorkomende vorm van activiteiten voor hoogbegaafden, daarom worden ze hier besproken. Een plusklas houdt in dat zeer begaafde basisschoolleerlingen een aantal uur per week les krijgen in onderwerpen die aanvullend zijn op het reguliere programma. Een van de doelen is om kinderen leerstrategieën aan te leren en ze succes en falen te laten ervaren. De plusklas vindt plaats onder schooltijd. Vaak is dit op de school van het kind, maar er zijn ook particuliere plusklassen, waarvoor de ouders een bijdrage betalen (ongeveer 150 euro per maand). Er is aandacht voor cognitieve vakken zoals filosofie en sterrenkunde, daarnaast zijn leerlingen creatief bezig en zijn er gastsprekers die bijvoorbeeld vertellen over hun beroep. Er zit dus ook een oriënterend onderdeel in deze programma’s. Er zijn iets meer dan tweehonderd plusklassen in Nederland. Deze worden gefinancierd met een combinatie van het wsnsbudget (weer samen naar school), gemeentelijke gelden en de lumpsum.

2. Primair onderwijs: verlengde schooldag
In 1992 werd gestart met het experiment van de verlengde schooldag in de vier grote steden. Leerlingen krijgen op een aantal middagen na schooltijd activiteiten aangeboden op de gebieden van kunst en cultuur, techniek, sport en natuur, maar ook op die van intercultureel werken en spelend leren. Er ligt dus geen accent op taal en rekenen, zoals bij de huidige pilots onderwijstijdverlenging het geval is. De doelen van de experimenten zijn onder andere: het ontwikkelen van sociale competenties, het versterken van een binding met de school, en het bevorderen van zelfontplooiing. De activiteiten worden meestal ontwikkeld in samenwerking met instellingen voor sociaal-cultureel werk, sportverenigingen, centra voor kunstzinnige vormgeving, bibliotheken, enzovoort.

Het Expertisecentrum Brede School van het NIZW (Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn) voerde in de jaren 1997-2001 een landelijk experiment uit om de resultaten van de verlengde schooldag te meten.55 Hieruit bleek dat de leerprestaties niet direct verbeterden. Als redenen hiervoor werden genoemd dat de samenwerking tussen verschillende instanties niet altijd even soepel verliep, dat de verlengingsstof niet geïntegreerd werd met het onderwijs in de klas en dat het soms moeilijk was om de goede docenten te vinden.56 Uit verschillende evaluaties van de scholen bleek dat leerlingen en een deel van de docenten wel enthousiast waren.57

Recentelijk lijkt de verlengde schooldag weer in trek te komen met de opkomst van de brede scholen. Onder andere in Terneuzen, Rotterdam en Almere is men er weer mee begonnen.58 De kosten hiervan worden betaald door de gemeenten uit het achterstanden- of armoedebudget. Afgaande op de gegevens van de gemeente Rotterdam is er per school ongeveer 200.000 euro per jaar en 50.000 euro per school nodig voor een wijkarrangement. De verlengde schooldag is breed toegankelijk, op bepaalde scholen zelfs verplicht, en er zijn geen extra kosten voor ouders en leerlingen.

3. Voortgezet onderwijs: profielscholen
Scholen kunnen profielen kiezen op het gebied van cultuur, talen, sport, techniek en hoogbegaafdheid. Profielscholen hebben gemeenschappelijk dat zij meer uren les aanbieden in het profielvak en aanvullende workshops en dergelijke organiseren. Leerlingen kiezen aan het begin van hun schoolcarrière een profiel en zijn hier gedurende een aantal jaren een aantal uur per week mee bezig. Het programma van een profielschool is gestructureerd opgebouwd en docenten met de specifieke expertise worden aangetrokken. De scholen mogen zich alleen profielschool noemen als ze aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen. Reden voor het starten van een profielschool is veelal het aantrekkelijker maken van de school voor nieuwe leerlingen. Ervaringen met profielscholen zijn positief, maar een grondig evaluatieonderzoek is er nog niet.

Er zijn verschillende soorten profielscholen. Ten eerste is er een sportprofielschool. Deze wordt gecertifieerd door het KVLO (Koninklijke Vereniging van Leraren Lichamelijke Opvoeding) in samenwerking met het NOC*NSF, de SLO, de NKS (Nederlandse Katholieke Sportfederatie) en een aantal gemeenten.59 Dit is het meest voorkomende type profielschool. In 2010-2011 zijn 101 po-scholen en 60 vo-scholen gecertificeerd. Ook scholen met een cultuurprofiel zijn populair aan het worden als gevolg van de Regeling cultuurprofielscholen, die tussen 2004 en 2007 van kracht was. Inmiddels zijn er 29 cultuurprofielscholen. Begin 2008 zijn 22 andere vo-scholen gestart en circa 20 scholen willen zich nog aansluiten. Een derde type profielschool is het technasium. Een technasium is een formule voor scholen voor havo en vwo die zich profileren met onderwijs in de bètavakken. Op dit moment hebben 28 vo-scholen een technasiumlicentie.60 Technasia beogen verschillende doelen te realiseren, zoals het verbeteren van de kwaliteit van het bètaonderwijs, een betere aansluiting van het voortgezet onderwijs op bètastudies en een groter aantal leerlingen interesseren voor deze studies. Dit is nodig om in de toekomst voldoende hoogopgeleide technici te hebben. Daarom ondersteunen hoinstellingen (hoger onderwijs) het primaire proces op de technasia. Verdere expertise zit in de Stichting Technasium en een Expertisecentrum Technasium, en er zijn acht regionale technasiumnetwerken.61 Ten slotte zijn er nog de begaafdheidsprofielscholen voor de bollebozen. Het Project begaafheidsprofielscholen is in 2004-2005 gestart en wordt mede gestimuleerd door het Ministerie van OCW, via de sloa-regeling (subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten). Doel van het project is te komen tot een landelijk dekkend netwerk van begaafdheidsprofielscholen voor voortgezet onderwijs. Momenteel zijn er 23 vo-scholen met een begaafdheidsprofiel. Sommige scholen bieden meerdere profielen aan en laten hun leerlingen hiertussen kiezen.

4. Middelbaar beroepsonderwijs: centra voor innovatief vakmanschap
In het sectorinvesteringsplan van het middelbaar beroepsonderwijs voor 2011-2016 is een initiatief besproken dat een impuls zou moeten betekenen voor excellente mbo-studenten.62 De commissie-Hermans heeft geadviseerd om ongeveer dertig tot veertig centra voor innovatief vakmanschap op te zetten. Aan een meer gedetailleerde invulling hiervan wordt gewerkt. Deze centra zouden onderdeel moeten zijn van de mbo-instellingen, maar zich richten op het bieden van toponderwijs, zodat de studenten uitgroeien tot vakspecialisten in de economisch meest veelbelovende gebieden zoals chemie, water en high-techsystemen. Van de studenten wordt gevraagd om zich te specialiseren en een zwaarder programma te volgen. In de centra zouden bedrijven en onderwijs nauw moeten samenwerken. Per centrum zou een overheidsinvestering van ongeveer twee miljoen euro nodig zijn om een start te kunnen maken.

Rijk investeert 28 miljoen euro in kenniseconomie
De Nederlandse kenniseconomie krijgt een stevig zetje in de rug. De ministeries van OCW en EZ (EconomischeZaken) stellen de komende jaren 28 miljoen euro beschikbaar voor het opzetten van centra voor innovatief vakmanschap in het middelbaar beroepsonderwijs en centres of expertise in het hoger beroepsonderwijs. In deze centra gaan excellente onderwijsinstellingen nauw samenwerken met innovatieve bedrijven. Van deze bedrijven wordt samen met de partners (zoals gemeenten, provincies, stichtingen) verwacht dat zij voor de helft co-financieren. Zo wordt er uiteindelijk 56 miljoen euro in de kenniseconomie gepompt.

De centra worden gekoppeld aan zogeheten sleutelgebieden. Dit zijn kennisgebieden waarin bedrijven en kennisinstellingen samenwerken en die worden gezien als de pijlers van onze kenniseconomie, zoals chemie en water. Bijzonder aan deze aanpak is dat de bedrijven leidend zijn: als zij vinden dat er iets moet gebeuren, gaan de centra waaraan zij verbonden zijn, ermee aan de slag.

Bron: http://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2010/07/15/rijk-investeert-28-miljoen-in-kenniseconomie.html

3.4 Voorbeelden van uitgebreid onderwijs gericht op oriëntatie op arbeid of samenleving

1. Voortgezet onderwijs: beroepenoriëntatie bij JINC
In Amsterdam-West is JINC (voorheen de Campus Nieuw West) actief. Jaarlijks worden hiermee ruim 12.000 basisschool- en vmbo-leerlingen van acht tot zestien jaar bereikt. De bedoeling is dat jongeren op bezoek gaan of bliksemstages lopen bij bedrijven om zo de werksfeer te ervaren. Daarnaast geven medewerkers van die bedrijven gastlessen en trainingen op scholen. Ruim vierhonderd bedrijven en instellingen doen mee. Het doel is een juiste studiekeuze, minder kans op schooluitval en beter zicht op werk. JINC heeft zeven projecten: bliksemstages, sollicitatietraining, Ondernemen doe je zo!, training sociale vaardigheden, carrièrecoach, ICT KidZZ Academy en TaalTrip. Deze projecten zijn gericht op beroepsoriëntatie en het vergroten van (sociale en taal-) vaardigheden die jongeren nodig hebben op de arbeidsmarkt. JINC wordt voor 60% gefinancierd door bedrijven en scholen die lid zijn van de vereniging. Stadsdelen dragen 20% bij. De overige 20% bestaat uit incidentele projectsubsidies van fondsen en de gemeente. In totaal kostte het project in 2008 bijna 800.000 euro.

2. Middelbaar beroepsonderwijs: beroepen vergelijken bij de buren
In het kader van het project Ler(n)ende EU-regio zijn er projecten opgestart waarbij kennismaking met aanstaande collega’s in het buitenland centraal staat. Vaak gaat het om een uitwisseling van studenten, die elkaar informeren over de stand van zaken op hun vakgebied om zich zo te oriënteren op beroepsmogelijkheden buiten het eigen land. Het ROC Rijn IJssel organiseert bijvoorbeeld al verscheidene jaren een uitwisseling met het HPH Netz Niederrhein in Bedburg- Hau. Studenten verpleegkunde van beide instituten kunnen zo hun baanmogelijkheden vergroten, want verwacht wordt dat zeker in de grensregio’s een toenemend aantal werknemers een baan over de grens zal zoeken.63 Het project Ler(n)ende EU-regio stelt subsidie beschikbaar voor roc’s om dergelijke activiteiten te organiseren. De overige kosten en de inzet van docenten worden door de onderwijsinstellingen zelf betaald, eventueel in samenwerking met bedrijven.

3.5 Samenvatting en conclusie

Uit de inventarisatie van het aanbod blijkt dat een groot deel van de scholen al een of meerdere activiteiten aanbiedt in het kader van uitgebreid onderwijs. Vooral het voortgezet onderwijs is hierin actief, gevolgd door de mbo-instellingen en de basisscholen. De meeste initiatieven zijn goed toegankelijk en vragen geen hoge bijdrage van de ouders. De kwaliteit lijkt redelijk te zijn, voor zover het landelijke initiatieven betreft waarover meer informatie bekend is en die uitgebreid zijn geëvalueerd. Dit zijn overigens vaak activiteiten met een verbeterfunctie. Op de kwaliteit en doelmatigheid van andere initiatieven is weinig zicht.

In het primair onderwijs zijn er meer activiteiten gericht op verrijking dan activiteiten met een verbeterfunctie. In het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs is er geen duidelijk accent op een van de twee, hoewel in het voortgezet onderwijs het aanbod van activiteiten gericht op verbetering groter is dan dat van activiteiten gericht op verrijking, wanneer ook het grote particuliere aanbod met een verbeterfunctie (studiebegeleiding) meegewogen wordt. Kenmerkend voor het voortgezet onderwijs is tevens dat het uitgebreid onderwijs er wat planmatiger is vormgegeven dan in het primair onderwijs. Het lijkt erop dat basisscholen zich niet specialiseren op een bepaald vlak, maar proberen een aantal uur per week te vullen met allerlei activiteiten die relatief gemakkelijk beschikbaar zijn. Kenmerkend voor het middelbaar beroepsonderwijs is dat de activiteiten sterk loopbaangericht zijn. Oriënterende activiteiten komen in primair onderwijs en havo/vwo weinig voor; in het vmbo en mbo is dit aanbod groter.

Een aantal zaken behoeft verdere aandacht. Ten eerste is er in het middelbaar beroepsonderwijs geen dekkend aanbod van uitgebreid onderwijs met een verbeterfunctie. Uitbreiding van dit aanbod is zeker gewenst, om ervoor te zorgen dat bijvoorbeeld studiebegeleiding beschikbaar is voor de studenten en zij in ieder geval een startkwalificatie halen in plaats van voortijdig de school verlaten.

Een tweede punt van aandacht is dat vooral in het primair onderwijs achterstandsleerlingen de meest benaderde doelgroep vormen. De focus op de achterstandsgroepen leidt ertoe dat er vooral programma’s zijn op de scholen met veel van deze leerlingen, voornamelijk in grotere steden. Voor kinderen op basisscholen met weinig achterstandsleerlingen is er te weinig aanbod voor alle drie de vormen van uitgebreid onderwijs, onder andere omdat deze scholen minder inkomsten hebben.

Ten derde is de continuïteit van de activiteiten niet gewaarborgd; veel activiteiten zijn afhankelijk van een tijdelijke financiering. Dit geldt opnieuw vooral voor het primair onderwijs. Bovendien zijn activiteiten daar vaak niet ingebed in een doelgericht, samenhangend programma. Het zou de kwaliteit ten goede komen wanneer dit wel het geval zou zijn. Brede scholen bieden hiervoor soms goede mogelijkheden. Aangezien juist in het primair onderwijs veel gebruik wordt gemaakt van initiatieven die door de overheid zijn ontwikkeld, zou deze een grote rol kunnen spelen bij het verhogen van de kwaliteit van de programma’s.

4. Middelen voor uitgebreid onderwijs

Uit de voorgaande hoofdstukken blijkt dat de manier waarop uitgebreid onderwijs vormgegeven wordt, sterk kan verschillen per school en activiteit. De verschillen ontstaan onder andere doordat de beschikbaarheid van middelen in de onderwijsinstellingen verschilt. Hieronder wordt de beschikbaarheid van de belangrijkste middelen (tijd, personeel en geld) voor het uitgebreid onderwijs beschreven.

4.1 Middelen voor uitgebreid onderwijs: tijd, personeel en geld

Indien er sprake is van extra aanbod, vraagt uitgebreid onderwijs volgens de in dit rapport gehanteerde definitie om extra middelen: personeel, tijd en geld.64 Bij intensiever gebruik van het bestaande aanbod (zoals een extra examenvak) zijn er in eerste instantie geen extra middelen nodig.

Bij personeel gaat het ten eerste om de beschikbaarheid van het personeel. Vormt uitgebreid onderwijs een belasting of een uitdaging voor het personeel? En is het personeel voldoende opgeleid voor de activiteiten in het kader van uitgebreid onderwijs?

Bij tijd gaat het in eerste instantie om de beschikbare tijd van de activiteitenbegeleider, vaak een docent. Deze tijd is immers schaars. En naar de tijdsbesteding van een kind of jongere moet eveneens kritisch gekeken worden. Langer naar school gaan voor een activiteit kan nodig zijn om ervoor te zorgen dat het reguliere programma niet in de verdrukking komt. Door de onderwijstijd uit te breiden ontstaat echter het risico dat de vrije tijd in zijn geheel geprogrammeerd wordt. Dit raakt aan de discussie over schooltijden en het verplichtende karakter van uitgebreid onderwijs. Hierop gaat de volgende paragraaf in.

Uitgebreid onderwijs staat en valt met de financiering. Voor de inzet van personeel is geld nodig, evenals voor de huisvesting en het lesmateriaal. In paragraaf 4.3 wordt daarom op verschillende financieringsstromen ingegaan.

4.2 Middelen: gespecialiseerd personeel niet altijd aanwezig

Het organiseren en begeleiden van een activiteit lijkt vaak op de schouders neer te komen van een of meerdere docenten of ander onderwijspersoneelsleden die toevallig enthousiast en beschikbaar zijn. Dit heeft tot gevolg dat de opzet en uitvoering van de activiteit staat of valt met het enthousiasme en de expertise van de desbetreffende docenten. Dit brengt twee mogelijke problemen met zich mee. Ten eerste kan de organisatie van activiteiten een belasting vormen voor de organisatoren en begeleiders, omdat dit extra tijd kost en boven op de gewone werkzaamheden komt. Ten tweede is er voor bepaalde activiteiten expertise nodig waarover niet iedere begeleider beschikt.

Vooral op basisscholen lijkt dit te spelen. Daar is het personeelsbestand waaruit geput kan worden kleiner dan in het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. Uitgebreid onderwijs zal daarom eerder een extra belasting vormen voor het personeel in het primair onderwijs dan in de andere onderwijssectoren. Daarnaast is ook de gewenste expertise er niet altijd, zowel in primair onderwijs als in voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. Voor schakelklassen is bijvoorbeeld een docent nodig met een specialisatie in taal; voor lessen Mandarijn iemand met kennis hiervan, enzovoort.

Voor kwalitatief goed uitgebreid onderwijs dat een directe relatie heeft met de wettelijke kerndoelen, referentieniveaus, examenprogramma’s en kwalificatiedossiers, is een goed toegeruste docent nodig. Hiervoor worden ook externe partijen ingeschakeld. Dit kunnen culturele instellingen, bibliotheken, sportclubs, musea en dergelijke zijn, maar ook een lokale bemiddelende of uitvoerende organisatie. Deze kunnen de belasting voor het personeel verkleinen, de effectiviteit van de activiteit vergroten en zorgen voor meer diversiteit in het programma. Verschillende organisaties bieden kant-en-klare programma’s aan. Andere bieden losse activiteiten aan of nemen de organisatie uit handen van de school.

4.3 Middelen: tijd van personeel en van kind en jongere is beperkt

Primair onderwijs: uitgebreid onderwijs of vrije tijd?
In het primair onderwijs is tijd voor zaken als cultuureducatie, gymnastiek en projecten. Structurele extra activiteiten passen echter niet altijd in het lesrooster van een basisschoolleerling. Daarvoor zou uitbreiding van de onderwijstijd wenselijk kunnen zijn.

In het klassieke lestijdenmodel wordt er ongeveer 26 uur per week lesgegeven en zijn de middagen vrij besteedbaar vanaf ongeveer 15:00 uur. Gedurende de acht jaren die een leerling in het primair onderwijs doorbrengt, moeten er minimaal 7.520 uren onderwijs gegeven zijn. Per jaar is dit minimaal 940 uur in de bovenbouw en 880 uur in de onderbouw.65

Na de lessen gaat een steeds groter deel van de leerlingen naar een vorm van buitenschoolse opvang, al dan niet onderdeel van een brede school. Andere lestijdenmodellen zijn in ontwikkeling en worden op steeds meer scholen ingevoerd. Volgens de Projectgroep Andere Tijden, een samenwerking van de werkgeversorganisatie VOS/ABB, MO-groep Kinderopvang, BOinK (Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang en peuterspeelzalen), de PO-raad en het Kinderopvangfonds, zijn vijfhonderd scholen bezig met het aanpassen van de schooltijden. Vijftig scholen hebben dit al gedaan.66 Het meest populaire model hierbij is het vijf-gelijkedagenmodel, waarbij alle schooldagen even lang zijn en een korte middagpauze hebben. Andere opties zijn het kantoortijdenmodel, ook wel het volledige dagarrangement of de sterrenschool genoemd, en de bioritmeschool. Deze modellen zijn beschreven in bijlage 3. Kenmerkend voor deze modellen is dat er meer ruimte is tijdens of na de schooldag voor extra educatieve activiteiten, omdat leerlingen allemaal op dezelfde tijd uit zijn of omdat opvang met onderwijs wordt gecombineerd. Het structureel invoeren van een programma van uitgebreid onderwijs kan dus samengaan met langere schooldagen en aangepaste schooltijden.

Bij het invoeren van langere of andere schooltijden ontstaat er echter een spanning rondom de vrije tijd van kinderen, vooral in het primair onderwijs. Aan de ene kant moet er voldoende tijd zijn voor het reguliere programma, om te zorgen dat de kerndoelen niet uit het oog verloren raken. Overigens is uit onderzoek gebleken dat de extra tijd die besteed wordt aan onderwijs in veel gevallen leidt tot betere prestaties, in ieder geval voor de zwakke leerlingen.67 Aan de andere kant zit er een grens aan de hoeveelheid uren die een kind of jongere kan en wil besteden aan educatieve activiteiten. Er lijkt een tendens te bestaan om de ongeorganiseerde tijd van kinderen en jongeren te overprogrammeren en te institutionaliseren.68 Ook uitgebreid onderwijs, hoe wenselijk ook, heeft zijn grenzen.

Keuzevrijheid de oplossing?
Een oplossing voor dit spanningsveld kan zijn om deelname aan uitgebreid onderwijs vrijwillig te maken, zodat leerlingen kunnen kiezen of ze willen en kunnen deelnemen. Het voordeel van vrijwillige activiteiten is dat alleen gemotiveerde leerlingen deelnemen, waardoor de succeskansen groter zijn. Door een school verplichte deelname heeft echter ook voordelen. Ouders, leerlingen en leraren weten zo waar ze aan toe zijn. Uitgebreid onderwijs is voor een school makkelijker te organiseren en in te plannen als het deelnemersaantal groot en gegarandeerd is. En ten slotte wordt de doelgroep gemakkelijker bereikt.

Voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs
In het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs is de spanning rondom de vrije tijd wat minder groot. De leerlingen en studenten zijn ouder en dus minder snel vermoeid. Wel hebben zij zelf meer activiteiten, zoals bijbaantjes en hobby’s, die in tijd concurreren met (uitgebreid) onderwijs. Het is dus belangrijk dat het programma voor uitgebreid onderwijs deze concurrentie aan kan. Het aanbieden van verrijkende en oriënterende activiteiten blijkt het beste direct aansluitend op de lessen plaats te kunnen vinden. ‘Moeilijke’ tijdstippen verhogen de drempel tot deelname. Voor activiteiten met een verbeterfunctie (huiswerkbegeleiding bijvoorbeeld) is vrijwel altijd extra onderwijstijd nodig.

4.4 Middelen: inzetten van variëteit aan financiële bronnen

Uitgebreid onderwijs wordt bekostigd vanuit verschillende bronnen en tussen deze bronnen vinden verschuivingen plaats. Examentraining kan bijvoorbeeld plaatsvinden in aparte instituten en betaald worden door ouders, Het kan ook plaatsvinden binnen de school en in meerdere of mindere mate begeleid worden door leraren van de school en dus naar rato bekostigd worden door de school. En ten slotte kan examentraining ook plaatsvinden in de reguliere lessen en dus betaald worden door de school. Waar nu precies examentraining wordt gegeven, zal van geval tot geval verschillen en kan het ene jaar anders zijn dan het andere jaar.

In dit voorbeeld komt de bekostiging van ouders of van de school. Maar er zijn veel meer financiële bronnen van waaruit activiteiten in de sfeer van uitgebreid onderwijs worden bekostigd. Vanwege deze variëteit is een sluitend overzicht niet te maken. Als enkel gekeken wordt naar additionele projectsubsidies van de overheid gaat het om een bedrag in de orde van grootte van 300 miljoen euro op de begroting van OCW dat geïnvesteerd wordt of kan worden in uitgebreid onderwijs. Het precieze bedrag dat aan directe en indirecte subsidies besteed wordt, vraagt nog om nadere informatieverzameling.69

Uit de reeds ingewonnen informatie blijkt dat er meer besteed wordt aan programma’s voor achterstandsleerlingen dan aan extra algemene talentontwikkeling van alle leerlingen. Dit is zo in alle sectoren. Voor specifieke getalenteerde of gemotiveerde doelgroepen is in het budget slechts een tiende of minder beschikbaar van de gelden die besteed worden aan achterstandsleerlingen of voor algemene talentontwikkeling. Voor excellente mbo-studenten zijn er vrijwel geen subsidies. De gelden die voor algemene talentontwikkeling zijn bedoeld bereiken de leerlingen vaak via andere organisaties, in tegenstelling tot de regelingen voor achterstandsleerlingen. Bijvoorbeeld: stimulering van interesse in techniek gaat voor een groot deel via het Platform Bèta Techniek, dat voor alle niveaus programma’s heeft ontwikkeld. De indirecte financieringsstromen en de vele subsidies kunnen leiden tot een ondoorzichtig geheel.70 Toch is het zaak scherper in beeld te krijgen waar qua financiering kansen liggen voor extra aanbod of extra gebruik van onderwijs.

Uitgebreid onderwijs kan verschillende vormen aannemen. Om de gedachten te bepalen is de raad uitgegaan van een extra aanbod of extra gebruik van vier uur per week. Bij extra aanbod is een additionele bekostiging nodig, bij extra gebruik is dat niet altijd het geval omdat de activiteiten al worden bekostigd en alleen het gebruik wordt geïntensiveerd. Dat betekent dat de bekostiging van uitgebreid onderwijs vooral kan gebeuren via:
• additionele middelen onder meer in het kader van het achterstandenbeleid;
• intensiever gebruik van reeds bekostigd onderwijs, bijvoorbeeld door een extra vak op de eigen school of een extra curriculumonderdeel op een vervolgschool;
• additionele middelen vanuit anderszins publiek bekostigde instanties;
• additionele middelen vanuit private instanties; en
• benutting van open leermogelijkheden en sociale media.

Bij elkaar moeten al deze middelen een equivalent opleveren van tussen ongeveer 1.000 (primair onderwijs) en 1.350 euro (middelbaar beroepsonderwijs) per jaar per leerling/student om per schoolweek vier uur uitgebreid onderwijs per leerling/student te realiseren.71

Dit bedrag laat zien dat samenwerking tussen en cofinanciering door verschillende partijen (overheid, scholen, ouders, externe organisaties) onontbeerlijk is. In de praktijk blijkt dit ook zo te werken. Een groot deel van de scholen heeft al een programma voor uitgebreid onderwijs. Zij financieren dit op diverse manieren. Een belangrijke manier voor scholen met achterstandsleerlingen is het gebruik van de gelden die bedoeld zijn voor het wegwerken van achterstanden. Gelden die vanuit het Rijk en vanuit gemeenten worden opgebracht, soms met aanvulling van private inbreng.

Financiering van uitgebreid onderwijs met een verbeterfunctie
Voor uitgebreid onderwijs worden verschillende typen achterstandsgelden ingezet. In het primair onderwijs bijvoorbeeld krijgen scholen in postcodegebieden met veel achterstandsleerlingen extra geld, de zogenoemde impulsgelden. Het geld wordt toegevoegd aan de lumpsumbekostiging, is vrij besteedbaar en wordt gewoonlijk besteed aan uitgebreidonderwijsactiviteiten in de vorm van onder meer verlengde schooldagen en afzonderlijke verbeter-, verrijkings- en oriënterende activiteiten.

Basisscholen met achterstandsleerlingen krijgen bekostiging voor elke achterstandsleerling, de zogenoemde gewichtengelden. Deze zijn vrij besteedbaar, maar worden meestal ingezet voor klassenverkleining of voor andere maatregelen die ertoe leiden dat het reguliere onderwijs voor achterstandsleerlingen, en tegelijkertijd voor niet-achterstandskinderen die in de betrokken groepen zitten, betere resultaten oplevert. Naast de gewichtenregelingen en impulsgelden is er ook bekostiging door de gemeenten, bijvoorbeeld voor schakelklassen. In totaal besteedt de gemeenschap meer dan 100 miljoen euro per jaar aan achterstandenbestrijding.

In het voortgezet onderwijs zijn voor achterstandenbestrijding het Leerplusarrangement VO en de Nieuwkomersregeling de belangrijkste financieringsbronnen; bij elkaar zo’n 80 miljoen euro in 2010. Dit geld zou scholen meer mogelijkheden moeten geven om schoolprestaties te verbeteren en voortijdig schoolverlaten te voorkomen. Er zijn betrekkelijk hoge drempels voordat een school extra geld krijgt voor achterstandsleerlingen. Voor een vmbo-klas is deze drempel 30%, voor een havo-klas 50% en voor een vwo-klas 60%.

In het middelbaar beroepsonderwijs is er geen specifiek budget voor studenten die uit een achterstandssituatie komen. Wel is er een budget voor voorbereidende en ondersteunende activiteiten (voa), bestemd voor studenten die een aka-opleiding (arbeidsmarktgekwalificeerd assistent) doen en extra ondersteuning nodig hebben om hun opleiding af te kunnen ronden. Daarnaast zijn er vsv-gelden (voortijdig schoolverlaten), die als doel hebben om het voortijdig schoolverlaten tegen te gaan. In 2010 is ongeveer 62 miljoen euro uitgegeven aan vsv. Uit het onderzoek van de Hanzehogeschool, dat in het volgende hoofdstuk wordt besproken, blijkt dat bepaalde naschoolse programma’s kunnen helpen bij het voorkomen van voortijdig schoolverlaten.72

Financiering voor verbetering van leerprestaties komt in het primair onderwijs vrijwel helemaal van de overheid. Activiteiten worden of uit de lumpsum betaald of uit de (andere) achterstandsgelden. Dit zou mogelijk kunnen verklaren waarom er op vo-scholen minder besteed wordt aan uitgebreid onderwijs met een verbeterfunctie dan in het primair onderwijs; er is minder overheidsfinanciering voor.73 In het voortgezet onderwijs dragen ouders bij aan deze verbeterfunctie van het uitgebreid onderwijs, bijvoorbeeld door het inkopen van particuliere studiebegeleiding.

In het middelbaar beroepsonderwijs is professionele studiebegeleiding voor de onderwijsinstelling een aanzienlijke kostenpost, zo blijkt uit de online-enquête onder schoolleiders.74 Dit is zeker zo in vergelijking met de invulling van een deel van de onderwijstijd via een groepsgenoten- leersysteem, waarbij docenten alleen trainen en coördineren. De rijksoverheid draagt wel een flink steentje bij aan de studiebegeleidingsactiviteiten, net als de gemeenten.

Financiering van uitgebreid onderwijs met een verrijkingsfunctie
Voor verrijkingsactiviteiten bestaan veel afzonderlijke subsidies naast de lumpsum. Zo heeftde rijksoverheid subsidieregelingen voor po- en vo-scholen gericht op kunst en cultuur, en sport. Kunst en cultuur worden gestimuleerd met onder meer de regeling Er zit muziek in ieder kind, regelingen voor brede scholen en cultuur, en de regeling Versterking cultuureducatie PO.75 Sommige regelingen zijn specifiek voor primair of voortgezet onderwijs, andere voor beide. Sport en bewegen worden gestimuleerd met behulp van onder andere de bos-regeling (buurt, onderwijs en sport). Samenwerking tussen deze drie ‘spelers’ wordt hiermee bevorderd en bewegingsonderwijs binnen en buiten school beter op elkaar afgestemd.76 Onderdeel van dit project is het aanstellen van combinatiefunctionarissen.

De rijksoverheid en de gemeenten financieren eveneens openbare bibliotheken en verschillende musea, en daarmee indirect projecten die deze voor scholen organiseren. Bibliotheken zijn bijvoorbeeld betrokken als partner bij een brede school, voeren projecten uit op het gebied van ‘mediawijsheid’ en organiseren de Nationale Voorleeswedstrijd. Onduidelijk is welk deel van hun budget bibliotheken en andere organisaties besteden aan dit soort educatieve projecten. Landelijk zijn er ook tientallen fondsen waar scholen voor bepaalde projecten een bijdrage uit kunnen vragen.

Naast de landelijke regelingen hebben provincies en gemeenten vanuit hun autonome taakcomponent eigen subsidieregelingen voor po- en vo-projecten. Op sportgebied dragen de provincies bijvoorbeeld bij aan projecten in het kader van Sport en Bewegen Jeugd. Voor een aantal van deze regelingen moeten scholen samen met andere instellingen subsidie aanvragen, zodat samenwerking geborgd is. De provincie en gemeente financieren vooral kortdurende of incidentele activiteiten. Dit betekent niet alleen dat het moeilijk is de continuïteit van de activiteit te garanderen, maar ook dat er vaak enkel een inspanningsverplichting is (het aanbieden van een bepaald programma) zonder resultaatverplichting (leerlingen bereiken of doel behalen).

Er is voor het voortgezet onderwijs buiten de regelingen die zowel voor primair als voor voortgezet onderwijs gelden, relatief weinig geld beschikbaar vanuit de overheid voor uitgebreid onderwijs met een verrijkingsfunctie. Voor talentontwikkeling in het voortgezet onderwijs is dit slechts een paar miljoen. Dit betekent dat bijvoorbeeld de profielscholen grotendeels zichzelf moeten zien te redden met geld uit de lumpsum en een bijdrage van ouders.77 In Nederland is de ouderbijdrage laag in vergelijking met andere landen.78 Wettelijk is een school verplicht om onderwijs aan te bieden waarvoor geen ouderbijdrage is vereist. Dit leidt er op sommige vo-profielscholen bijvoorbeeld toe dat allochtone Nederlandse leerlingen minder geneigd zijn deel te nemen aan cultuur- en sportklassen, en meer zullen kiezen voor de gewone klassen waarvoor geen ouderbijdrage wordt gevraagd. Deze leerlingen kunnen hierdoor kansen mislopen.

Voor het middelbaar beroepsonderwijs zijn er maar weinig subsidies die voor verrijkend uitgebreid onderwijs bedoeld zijn. Er is alleen voor sportactiviteiten een aparte pot. Daarnaast is er een kleine ouderbijdrage.79 Bedrijven betalen mee aan de begeleiding van praktijkactiviteiten van studenten, maar aan uitgebreid onderwijs dragen zij buiten enkele vakgerichte cursussen nauwelijks bij.

Financiering van uitgebreid onderwijs met een oriënteringsfunctie
Bepaalde initiatieven zoals de weekendschool worden privaat bekostigd, gastlessen worden vaak gratis gegeven of worden bekostigd door de onderwijsinstelling, in samenwerking met bedrijven. Andere initiatieven, zoals een loopbaancentrum met beroepskeuzetrajecten op een roc, worden volledig uit de lumpsum betaald. Voor dit type activiteiten zijn voor zover bekend geen grote subsidies van de overheid beschikbaar. In het middelbaar beroepsonderwijs zou het budget voor vsv en voa ingezet kunnen worden om het beroepsperspectief van studenten te verbreden. In zogenoemde plusvoorzieningen voor een heel specifieke groep jongeren gebeurt dit al.

4.5 Conclusie: gespecialiseerd personeel is schaars en financiering ondoorzichtig

De bekostiging van uitgebreid onderwijs kan plaatsvinden via met name:
• additionele middelen onder meer in het kader van het achterstandenbeleid;
• intensiever gebruik van reeds bekostigd onderwijs;
• additionele middelen vanuit anderszins publiek bekostigde instanties;
• additionele middelen vanuit private instanties; en
• benutting van open leermogelijkheden en sociale media.

In dit advies is een begin gemaakt met het verzamelen van informatie gericht op het verkrijgen van een totaalbeeld van uitgebreid onderwijs. De daartoe geëigende instanties dienen dit proces van informatie-inwinning voort te zetten.

In het primair onderwijs is de inzet van voldoende tijd van zowel leraren (in de rol van activiteitenbegeleiders) als leerlingen een knelpunt. Voor leerlingen zou keuzevrijheid een oplossing kunnen zijn. Ook het kiezen voor alternatieve lestijdmodellen kan de benodigde flexibiliteit en tijd bieden om vrijwillige of verplichte activiteiten aan te bieden. Een tweede knelpunt is dat de gemiddelde basisschool over onvoldoende gespecialiseerd personeel en onvoldoende financiële middelen beschikt. Alleen op bepaalde scholen met veel achterstandsleerlingen lijkt geld beschikbaar te zijn voor uitgebreidonderwijsactiviteiten; op andere scholen wordt gebruikgemaakt van financiering buiten de overheid om. Ook zijn er enkele substantiële geldstromen naast allerlei kleinere en tijdelijke subsidieregelingen, waar scholen gebruik van kunnen maken voor uitgebreid onderwijs, maar die niet altijd een overzichtelijk geheel vormen.

In het voortgezet onderwijs geldt dat voor bepaalde activiteiten eveneens gespecialiseerd personeel nodig is. Tijd is ook in het voortgezet onderwijs een factor om rekening mee te houden. Uitgebreid onderwijs moet zo veel mogelijk het regulier onderwijs versterken. Financieel verschilt de situatie in het voortgezet onderwijs van die in het primair onderwijs. Er zijn veel afzonderlijke subsidieregelingen en minder omvangrijke geldstromen. Veel activiteiten worden uit de lumpsum betaald of er wordt een vrijwillige bijdrage van ouders gevraagd.

Voor mbo-instellingen is financiering het grootste knelpunt. Mbo-instellingen komen er relatief karig vanaf; zij krijgen geen grote subsidies voor uitgebreid onderwijs met een verbeterfunctie, terwijl zij wel hoge kosten hebben aan begeleiding en extra onderwijs. Ook voor verrijkende activiteiten is er weinig overheidsfinanciering. Hiervoor ligt het initiatief duidelijk bij de onderwijsinstellingen. In enkele gevallen investeert het bedrijfsleven in uitgebreidonderwijsactiviteiten.

Naar het plaatje kijkend lijkt er vanuit de overheid en vanuit andere financiers een substantieel bedrag beschikbaar voor uitgebreid onderwijs. Een totaaloverzicht is echter nog niet beschikbaar. De andere financieringsbronnen zijn noodzakelijk om op iedere school een programma op te zetten van een aantal uren uitgebreid onderwijs per week voor alle leerlingen/studenten in primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. Financieringsbronnen en doelstellingen kunnen beter op elkaar worden afgestemd. De geldstromen zijn veelal gescheiden georganiseerd, naar oogmerk en naar doelgroep, terwijl uitgebreid onderwijs juist een betere afstemming tussen doelen en financiering mogelijk maakt.

5. Evaluatie effecten uitgebreid onderwijs

In de voorgaande hoofdstukken is het aanbod van uitgebreid onderwijs besproken. Om een antwoord te geven op de vraag hoe uitgebreid onderwijs in beleid kan worden vormgegeven, is het van belang ook naar de effectiviteit van de aangeboden activiteiten te kijken. Uit onderzoek blijkt dat onder bepaalde voorwaarden positieve resultaten geboekt worden.

5.1 Internationaal onderzoek vooral uit Verenigde Staten

Om een completer beeld van de effecten van uitgebreid onderwijs te krijgen, heeft de raad een literatuuronderzoek laten uitvoeren door de Hanzehogeschool. In dat onderzoek zijn langlopende internationale studies geanalyseerd, die inzicht geven in de effecten van deelname van kinderen en jongeren aan naschoolse activiteiten.80

Vooral Amerikaans onderzoek…
Een opvallende bevinding in dit literatuuronderzoek is dat vrijwel alle studies naar effecten van uitgebreid onderwijs afkomstig zijn uit de Verenigde Staten. In Nederland is er nog geen stevige onderzoeksmatige onderbouwing van de effecten van deze activiteiten. Oorzaak hiervoor is dat de Verenigde Staten een aanzienlijk langere traditie kennen op het gebied van uitgebreid onderwijs dan andere landen. Verschillende organisaties zijn verantwoordelijk voor de organisatie en uitvoering van de naschoolse programma’s en er wordt regelmatig samengewerkt met buurtinstellingen. De naschoolse programma’s bestaan uit een combinatie van sport, cultuur, taal, rekenen, en training in sociale vaardigheden. Ze zijn dus gericht op zowel verbetering van prestaties als bredere talentontwikkeling (verrijking) en perspectiefverbreding ten aanzien van arbeid en samenleving (oriëntatie). Er zijn nauwelijks studies waarin specifieke activiteiten geëvalueerd worden.

Reden hiervoor zijn onder meer de praktische moeilijkheden die het uitvoeren van een wetenschappelijk verantwoorde studie belemmeren. Een van deze moeilijkheden is het ontbreken van gestandaardiseerde metingen en goede controlegroepen. Het is bijvoorbeeld onduidelijk wat de leerlingen doen die niet aan een bepaald naschools programma deelnemen; wellicht dat een deel van hen elders activiteiten onderneemt. Een onderzoek naar de buitenschoolse opvang in een Nederlandse brede school, die enigszins te vergelijken is met sommige van de Amerikaanse programma’s, liet zien dat de vooruitgang van de kinderen in het cognitieve domein niet direct verklaard kon worden door het bredeschoolprogramma.81 Waarschijnlijk komt dit doordat het concept brede school op iedere school anders wordt ingevuld en er daarnaast scholen zijn die zichzelf geen brede school noemen, maar die wel activiteiten organiseren die in een brede school zouden passen.

… naar Amerikaanse programma’s
De Amerikaanse programma’s die zijn geëvalueerd bestaan uit ‘out of school activities’. De meeste programma’s hebben als voornaamste doel om leerprestaties te verbeteren van leerlingen uit achterstandssituaties, zoals het ‘Knowledge is Power Program’ of het ‘Los Angeles Better Educated Students for Tomorrow-program’ (LA’s BEST). Deze streven dus min of meer dezelfde doelen na als het Nederlandse uitgebreid onderwijs met een verbeterfunctie. Andere programma’s richten zich op verrijking en oriëntatie of op een combinatie van verschillende functies. Voorbeelden hiervan zijn de ‘communities in schools’, verlengde schooldagen en zomercursussen. Bij de meeste programma’s neemt niet iedere leerling deel, maar omdat de scholen een grote leerlingenpopulatie hebben, is op de meeste scholen het absolute aantal deelnemers toch aanzienlijk.

In enkele gevallen worden ook de ouders bij het programma betrokken. Een voorbeeld hiervan is het ‘Village Model of Care’, waarbij Afro-Amerikaanse ouders en jongeren uit risicovolle buurten ondersteund worden om onder andere risicogedrag (alcohol- en drugsgebruik) te verminderen en sociale vaardigheden en schoolvaardigheden te verbeteren.82

In de komende paragrafen worden de effecten van uitgebreid onderwijs besproken. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen effecten op de leerprestaties en effecten op andere vaardigheden. Onder andere vaardigheden vallen werkhouding, betrokkenheid bij het eigen onderwijs, en aspecten van de sociaalemotionele ontwikkeling als zelfvertrouwen en discipline. Uitgangspunt van de onderzoekers is dat alle drie de typen uitgebreid onderwijs op zowel leerprestaties als andere vaardigheden effect kúnnen hebben. Dat verrijkingsactiviteiten zouden leiden tot verbetering in leerprestaties op basisvakken is minder waarschijnlijk, want deze activiteiten zijn niet gericht op het oefenen van deze vakken.

5.2 Positieve effecten voor leerprestaties van achterstandsgroepen

De internationale studies naar ‘out-of-school-activities’ geven een wisselend beeld met betrekking tot de effecten op de leerprestaties, met een tendens naar positieve resultaten.83 Sommige programma’s laten een significant positief effect zien op leerprestaties, andere niet.84

Een studie zonder eenduidige positieve effecten is bijvoorbeeld een evaluatie van een stage-programma onder 1.289 jongeren in de mbo-leeftijd. Dit programma had een sterke beroeps-oriënterende functie, maar was ook gericht op verbetering; de bedoeling was ook om voortijdig schoolverlaten tegengaan. Het idee erachter was dat jongeren door stage te lopen in sectoren zoals kunst, techniek en sport communicatievaardigheden zouden opdoen en contacten zouden leggen die hen verder zouden helpen in hun loopbaan. Een verwacht neveneffect was dat ze het schoolse leren meer zouden waarderen, omdat ze zouden inzien waar het geleerde voor nodig was. Inderdaad raakten deelnemers meer betrokken bij school en spijbelden ze minder. Daardoor haalden meer leerlingen hun diploma met betere resultaten. Het positieve effect op de werkhouding en betrokkenheid bleek echter na een jaar verdwenen.85

Ook in de Beacon Centers in San Francisco lukte het niet om de leerresultaten van tieners te verbeteren, ondanks de planmatige opzet en het gekwalificeerde personeel. Alle leerlingen, niet alleen achterstandsleerlingen, namen hieraan deel. De deelnemers waren zelf wel enthousiast en voelden zich zekerder op school, maar dit resulteerde niet in betere toetsresultaten. De onderzoekers noemen zelf als reden hiervoor dat er onvoldoende instructie en oefening was. De nadruk lag op mentoring en huiswerkbegeleiding. Ook zou de deelname-intensiteit te laag zijn geweest. Gemiddeld was deze een tot drie keer per week.86

Toch zijn er indicaties, zowel in het literatuuronderzoek van de Hanzehogeschool als in eerdere adviezen van de Onderwijsraad, dat naschoolse programma’s positieve effecten kunnen hebben, in ieder geval voor leerlingen uit een achterstandssituatie.87 Het blijkt dat er zelfs op een termijn van meerdere jaren nog positieve effecten te vinden zijn bij deze achterstandsleerlingen.88 In een studie naar het LA’s BEST-programma, waarbij deelnemers vier jaar lang werden gevolgd, bleek deelname voor achterstandsleerlingen te leiden tot betere rekenprestaties. In een andere studie werd gevonden dat deelname aan buitenschoolse programma’s van goede kwaliteit op jonge basisschoolleeftijd tot betere prestaties leidde in het voortgezet onderwijs.89 En in een uitgebreide metastudie van naschoolse programma’s voor achterstandsleerlingen werden significante verbeteringen in het reken- en taalniveau zichtbaar.90 Programma’s met individuele begeleiding die maatwerk leverden, hadden nog meer effect.

Als reden waarom uitgebreid onderwijs juist voor achterstandsleerlingen effectief is, wordt genoemd dat hun alternatief voor het naschoolse programma vaak tamelijk pover is. Dat bestaat vooral uit passieve activiteiten: rondhangen, internet en voor de tv zitten. Deze kinderen krijgen van huis uit te weinig prikkels om zich te ontwikkelen en die prikkels krijgen ze wel in het naschoolse programma.91

In Nederland leeft ook een groep kinderen in een weinig stimulerende omgeving.92 Uit het onderzoek Kinderen in Tel bleek bijvoorbeeld dat in 2008 16,6% van de Nederlandse kinderen in een achterstandswijk woonde.93 Deze groep heeft minder toegang tot vrijetijdsvoorzieningen. Onderzoek van het SCP (Sociaal en Cultureel Planbureau) wees uit dat ongeveer 18% van de kinderen (veel) te weinig participeert in het sociale leven.94 Voor deze kinderen zouden extra activiteiten die gratis door de school worden aangeboden een goede aanvulling zijn. Veel kinderen en jongeren uit middenklasse en hogere klasse hebben dit minder nodig omdat zij al gebruikmaken van naschoolse voorzieningen of lid zijn van clubs en door hun ouders meer prikkels tot leren aangeboden krijgen.

5.3 Programma’s dragen bij aan sociaalemotionele ontwikkeling en betrokkenheid

De meeste naschoolse programma’s hebben niet alleen tot doel om leerprestaties te verbeteren, maar zijn ook gericht op een sterkere betrokkenheid van leerlingen bij school en de sociale omgeving, een verbeterde discipline, een betere werkhouding, minder wangedrag en meer zelfvertrouwen. Indirect zouden deze zaken tot een verbetering van de leerprestaties kunnen leiden.

Grootschalige evaluaties van naschoolse programma’s voor kansarme jongeren tonen aan dat deze programma’s positieve effecten hebben op de sociaalemotionele ontwikkeling van de achterstandskinderen: de kinderen tonen meer betrokkenheid en hebben een betere werkhouding.95 Een evaluatie van ‘The After School Corporation’ bijvoorbeeld kwam tot de conclusie dat een mix van naschoolse activiteiten voor kansarme basisschoolleerlingen leidde tot meer aanwezigheid op school en een verbeterde verhouding tussen school, kind en ouder.96 Een andere studie liet zien dat leerlingen in het algemeen een betere discipline en een sterkere motivatie krijgen wanneer zij de naschoolse programma’s volgen.97 Zij hebben vaker hun huiswerk af en spijbelen minder vaak.98 Ook verrijkende activiteiten, zoals extra sportlessen, kunnen deze positieve effecten hebben op zelfdiscipline en andere sociaalemotionele aspecten.99 Ongeacht de aard van de naschoolse activiteiten lijkt het zelfvertrouwen ten aanzien van het schoolse leren toe te nemen.100

Een metastudie naar vijftien naschoolse programma’s die delinquent gedrag en drugsgebruik zouden moeten verminderen, kwam niet tot eenduidige conclusies. De studie liet zien dat deelname aan deze programma’s delinquent gedrag vermindert onder vo-scholieren, maar niet onder basisschoolleerlingen.101 De afname kon niet verklaard worden door de inhoud van de activiteiten, maar door de motivatie van de leerlingen om minder drugs te gaan gebruiken en de positieve relaties met leeftijdsgenoten. Motivatie en sociale processen zijn factoren waar nog verder onderzoek naar nodig is. Mogelijk zouden deze factoren ook de tegenstrijdige onderzoeksresultaten kunnen verklaren.

In een Amerikaanse metastudie waarin de effecten van onderwijstijdverlenging werden onderzocht, bleek dat er nauwelijks onderzoek was gedaan naar de effecten van meer leertijd op andere zaken dan leerprestaties. Het wordt wel waarschijnlijk geacht dat meer tijd besteden aan studie leidt tot betere prestaties, mits de leerlingen of studenten deze extra tijd ook daadwerkelijk besteden aan het oefenen met de lesstof.102

5.4 Vier voorwaarden voor resultaat

Uit de Amerikaanse studies blijkt dat er niet één doorslaggevende succesfactor is van effectieve programma’s. Wel zijn er een aantal voorwaarden te noemen die kunnen bijdragen aan het succes van uitgebreid onderwijs.

1. Intensieve deelname gedurende een langere tijd
Ten eerste is het belangrijk dat er intensief en gedurende langere tijd wordt deelgenomen. Er moet voldoende tijd zijn voor instructie en oefening.103 Uit een onderzoek van LA’s BEST bleek bijvoorbeeld dat leerlingen die meer dan 100 dagen per jaar deelnamen wel betere rekenresultaten behaalden, maar leerlingen met een lage deelnamegraad (1-20 dagen per jaar) niet.104 Regelmatig deelnemen betekent in dit geval meerdere uren per week gedurende minstens een jaar. Een intensieve deelname aan uitgebreid onderwijs hangt dus voor de leerlingen en studenten meestal samen met een verlenging van de tijd die ze op school doorbrengen.105

Meer uren les krijgen blijkt inderdaad effectief voor achterstandsleerlingen, in ieder geval verbeteren de reken- en taalprestaties.106 Ook is gebleken dat zomerscholen bijdragen aan verbeterde prestaties, mits leerlingen consequent een aantal jaar deelnemen.107 Onbekend is nog wat het optimale aantal extra lesuren is en of meer uren les ook voor niet-achterstandskinderen effectief is.

Dat kinderen en jongeren die regelmatig en actief deelnemen meer profiteren van het programma kan deels een selectie-effect zijn, omdat veel activiteiten min of meer vrijwillig zijn. Vooral de gemotiveerden blijven regelmatig deelnemen; misschien hangt hun motivatie samen met een beter startpunt of meer discipline of kunnen zij sneller leren.

2. Kwaliteit van het programma
Ten tweede is de kwaliteit van het arrangement van belang. Bij een onderzoek waarin naschoolse activiteiten op school vergeleken werden met opvang door ouders of anderen of zelfopvang, bleek dat het schoolse programma beter was dan de andere drie vormen.108 Als verklaring werd gegeven dat de kwaliteit van de opvang beter was: er werd gediplomeerd personeel ingezet samen met vrijwilligers, en het programma was gericht op leren en verrijking.

Volgens onderzoekers van het Harvard Family Research Project zijn de kenmerken van een kwalitatief goed aanbod:109
• een inhoudelijk degelijk programma;
• goed en specifiek opgeleide leraren of activiteitenbegeleiders; goed klassenmanagement;
• flexibele programma’s (niet te strak en te schools, maatwerk);
• diverse vormen van hulp en begeleiding;
• niet te grote groepen zodat voldoende individuele aandacht mogelijk is;
• goede monitoring van voortgang; en
• bij samenwerking met andere instanties: goede afstemming, ook tussen regulier en uitgebreid onderwijs.

3. Een mix van interventies
Naast intensieve deelname en een kwalitatief goed programma lijkt een mix van interventiesbeter dan een eenzijdig programma, indien talentontwikkeling in brede zin of sociaalemotionele ontwikkeling het doel is. Uit een studie waarbij kinderen die naschools alleen aan sport deden werden vergeleken met kinderen die naast sport deelnamen aan andere activiteiten, bleek dat de opbrengsten met betrekking tot de sociaalemotionele ontwikkeling in de laatste groep groter waren.110 Sporters bleken ook lager te presteren.

‘Harlem Children Zone’ zorgt voor afname prestatieverschillen
Van een mix van interventies was ook sprake bij de Harlem Children Zone. Bij dit project werd metgoed gevolg zowel geïnvesteerd in de lokale gemeenschap (bijvoorbeeld ouders betrekken) als in extra schoolse activiteiten. Na het volgen van dit project bleek het verschil in prestatieniveau op rekenen/ wiskunde tussen zwarte achterstandskinderen en blanke niet-achterstandskinderen geheel te verdwijnen. Het prestatieverschil op taal bleek met de helft te zijn afgenomen.

4. Motivatie van deelnemers
Ten vierde is de motivatie van deelnemers van belang voor het resultaat van een programma.Bij het onderzoek naar zomerscholen in de Verenigde Staten bleek bijvoorbeeld dat niet alleen een continue deelname het succes bepaalde, maar ook dat leerkrachten steeds hun best deden om leerlingen, en soms ook hun ouders, te motiveren.111 Ook de Nederlandse weekendscholen danken hun succes aan de gemotiveerdheid van de leerlingen.

5.5 Conclusie: uitgebreid onderwijs succesvol onder bepaalde voorwaarden

De diverse studies geven een indicatie dat uitgebreid onderwijs met een verbeterfunctie tot betere leerresultaten kan leiden, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Dat uitgebreid onderwijs met een verrijkings- of oriëntatiefunctie leerprestaties verbetert is minder duidelijk, maar een direct verband tussen bijvoorbeeld tekenlessen en rekenprestaties ligt ook minder voor de hand. Wel is gebleken dat verrijkend uitgebreid onderwijs kan bijdragen tot een betere sociaalemotionele ontwikkeling, een betere werkhouding en meer betrokkenheid bij school.

Vooral voor achterstandsleerlingen hebben de diverse programma’s uitgebreid onderwijs positieve resultaten. Zij hebben het meeste te winnen bij de extra leertijd en bij de mogelijkheden om zich diepgaander en breder te ontwikkelen.

Voorwaarden voor succes zijn onder meer frequente en langdurige deelname, een kwalitatief goed en doelgericht programma, een combinatie van interventies, en gemotiveerde deelnemers. Het succes van een programma lijkt dus bepaald te worden door een combinatie van de inhoud en opzet van het programma, de inzet en motivatie van de leerling en de professionaliteit van de begeleider.

Duidelijk wordt uit het literatuuronderzoek dat er onvoldoende bekend is over de effecten van uitgebreid onderwijs. Vooral voor de Nederlandse situatie ontbreekt kennis over de succesfactoren en de voorwaarden voor succes.

6. Conclusie en aanbevelingen: meer en beter uitgebreid onderwijs

Uitgebreid onderwijs voor álle leerlingen en studenten is een manier om meer te halen uit het onderwijs. Veel scholen ondernemen al activiteiten in de sfeer van uitgebreid onderwijs, maar er bestaat een grote variëteit tussen scholen. Vanwege de potentiele meerwaarde van uitgebreid onderwijs voor leerlingen is een aanzienlijke uitbreiding en verbetering hiervan gewenst. Dit vraagt om een systematischer aanpak: van de minister om uitgebreid onderwijs te faciliteren en van de scholen om hierin bewuste keuzes te maken. Ook voor de sectororganisaties is een belangrijke rol weggelegd.

Inleiding
In de verkenning Leren in samenspel (2003) en het advies Stand van educatief Nederland 2009adviseerde de raad om meer open en interactieve leerarrangementen binnen en buiten de school te realiseren.112 Die leerarrangementen werden samengevat onder de noemer uitgebreid onderwijs. De raad vervolgt in dit advies zijn aanpak om uitgebreid onderwijs systematischer ingang te doen vinden. Hiervoor ziet de raad drie aanleidingen. Ten eerste wil de raad ambitieuzere doelen stellen en het onderwijs naar een hoger niveau tillen. Leerlingen en studenten laten in veel gevallen zien dat leren hen raakt en dat ze hun wereld expansief willen verkennen. Scholen willen hierbij aansluiten en nemen daartoe initiatieven. Er is dus behoefte aan het verder benutten van het onderwijs. De insteek van de raad sluit in de tweede plaats aan bij de ontwikkeling in de maatschappij, waarbij het met name gaat om een meer kennisintensieve samenleving. Ten derde heeft de minister in de beleidsreactie op Stand van educatief Nederland 2009 aangegeven behoefte te hebben aan meer duidelijkheid over aanbod en effecten van uitgebreid onderwijs alvorens zijn rol te kunnen bepalen.

Volgens de raad is het van groot belang dat alle leerlingen en studenten aan uitgebreid onderwijs kunnen deelnemen. Hiervoor is een aantal redenen. Allereerst laten de resultaten van de verrichte studies naar de effecten van extra programma’s zien dat de leerprestaties van leerlingen en studenten uit achterstandssituaties verbeteren en dat zij ook op sociaalemotioneel vlak baat hebben bij uitgebreid onderwijs. Met uitgebreid onderwijs kunnen zij hun (leer)achterstand inlopen en krijgen zij meer kansen zich te ontplooien. Door losse activiteiten in een kader van uitgebreid onderwijs te bezien kan het beleid hieromtrent systematischer worden vormgegeven en worden scholen verder gestimuleerd om hiermee actief te zijn.

Ten tweede is in de huidige complexe, kennisintensieve samenleving niet alleen kennis, maar ook talentontwikkeling in brede zin belangrijk. Het reguliere onderwijsprogramma biedt hiervoor al mogelijkheden, maar uitgebreid onderwijs vergroot deze aanzienlijk, bijvoorbeeld op het gebied van talen, cultuur, techniek, sport, en algemene ontwikkeling. Ten derde kunnen met uitgebreid onderwijs bovengemiddelde en excellente prestaties worden gestimuleerd, eveneens belangrijk als Nederland tot de top vijf-economieën moet gaan behoren.

Leeslijn Kwaliteit

  • Een eigentijds curriculum

    19 mei 2014 | Advies

    De raad pleit voor een structurele aanpak van het proces van curriculumvernieuwing in het Nederlandse onderwijs. Bijzondere aandacht is daarbij nodig voor 21ste-eeuwse vaardigheden.

  • Toegevoegde waarde

    7 april 2014 | Advies

    Leerwinst en toegevoegde waarde zijn waardevolle instrumenten voor scholen om hun onderwijs te verbeteren. Inzicht in de ontwikkeling van leerlingen (leerwinst) helpt leraren hun onderwijs goed af te stemmen op de leerlingen. Kennis over wat de school aan de groei van leerlingen bijdraagt (toegevoegde waarde) stelt scholen in staat hun resultaten te vergelijken met andere scholen en hiervan te leren. Toegevoegde waarde kan echter geen maatstaf zijn waarop een oordeel over scholen wordt gebaseerd.

  • Versteviging van kennis in het onderwijs II

    6 september 2007 | Advies

    Deel II van het advies bevat een veldraadpleging. Daaruit komen drie aanbevelingen naar voren: zorg voor betere bewaking van het kennisniveau; stel onderwijsinhoud centraal, ook bij procesvernieuwing; en behoud en versterk het kennisniveau van leraren. Andere aanbevelingen betreffen de invoering van leerstandaarden, strengere exameneisen voor Nederlands, Engels en Wiskunde, maak het onderwijs intensief en vraag meer inzet van leerlingen en studenten. Verder moet een gemeenschappelijke brede culturele kennisbagage gewaarborgd zijn, ook onder mbo- en ho-studenten.

  • Versteviging van kennis in het onderwijs

    7 december 2006 | Verkenning

    Kennis in het onderwijs moet verstevigd worden door zes maatregelen.
    1. Betere bewaking van het kennisniveau door landelijke, structurele peilingen.
    2. Reparatie van kennistekorten Nederlands en wiskunde, met steun van de overheid.
    3. Verbetering van de systematiek van het vaststellen en vastleggen van onderwijsinhouden; meer mensen hierbij betrekken.
    4. Los van alle vernieuwingen in het onderwijsproces behoren de vakinhouden tot de centrale component in het onderwijs te blijven.
    5. Behoud en versterk het kennisniveau van leraren.
    6. De lat kan omhoog: stel hogere eisen aan leerlingen.

  • Naar meer evidence based onderwijs

    19 januari 2006 | Advies

    Keuzes voor leermethoden moeten beter onderbouwd worden op basis van wetenschappelijk bewijs. Een digitaal loket met onderzoeksresultaten en een inspanningsverplichting van scholen om hun methodekeuzes toe te lichten kan daarbij helpen.

  • Onderwijs en burgerschap

    25 september 2003 | Advies

    Na een periode van ‘back to the basics’ is er weer belangstelling voor de brede taakstelling van het onderwijs. Burgerschap is belangrijk voor sociale cohesie en integratie en heeft versterking nodig in het onderwijs. Dat kan onder meer door explicitering van de doelen ervan in diverse sectorwetten en de aanscherping van de kerndoelen.

  • De kern van het doel

    25 april 2002 | Advies

    Een minimum niveau van leerstandaarden en daaraan gekoppelde toetsen is nodig om de wettelijke vaststelling van de kwaliteit van het basisonderwijs en het daarbij behorende inspectietoezicht te kunnen bepalen.

  • Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015-2025

    5 oktober 2015 | Advies

    De raad is het met de minister eens dat kwaliteit in het hoger onderwijs centraal hoort te staan en deelt de ambities van de minister om die kwaliteit te verbeteren. De raad is het eveneens met de minister eens dat er meer aandacht besteed moet worden aan persoonsvorming. Maar de raad adviseert ook om daarin niet door te schieten. Naast brede persoonsvorming blijven bij veel beroepen en disciplines gedeelde basiskennis en het bereiken van een bepaald kwalificatieniveau van belang. Het hogeronderwijsbeleid hoort uit te gaan van de meervoudigheid aan kwaliteitsopvattingen in plaats van eenzijdig de nadruk te leggen op optimale voortuitgang per student en individuele talentontwikkeling.

  • Wetsvoorstel lerarenregister

    18 mei 2015 | Advies

    De Onderwijsraad bepleit in reactie op het wetsvoorstel lerarenregister een sterke en zichtbare betrokkenheid van de beroepsgroep bij het verdere totstandkomingsproces en een zorgvuldige invoering. De raad ondersteunt de invoering van een publiekrechtelijk lerarenregister omdat dit ten doel heeft de positie van leraren te versterken en hun kwaliteit te bevorderen.

  • Doeltreffender onderwijstoezicht

    24 december 2014 | Advies

    Het initiatiefwetsvoorstel van de leden Bisschop, Van Meenen en Rog regelt dat de reikwijdte van het begrip kwaliteit wordt ingeperkt. De raad concludeert dat een definitie die zich beperkt tot deugdelijkheid als onbedoeld effect kan hebben dat scholen zich vooral op de wettelijke voorschriften richten, wat ten koste kan gaan van het streven naar kwaliteitsverbetering. De inspectie dient duidelijker onderscheid te maken tussen toezicht op naleving van wettelijke voorschriften en kwaliteitsbevordering. Ook moet er ruimte zijn voor de eigen visie van scholen als het gaat om kwaliteitsbeoordeling en -verbetering.

  • Samen voor een ononderbroken schoolloopbaan

    3 november 2014 | Advies

    Dit advies richt zich op de vraag hoe de inhoudelijke samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulpverlening bevorderd kan worden. De raad vindt dat een ononderbroken schoolloopbaan van jongeren een gezamenlijk uitgangspunt in de samenwerking zou moeten zijn. Daarvoor is het nodig dat schoolbesturen een actievere rol spelen in het lokale overleg met gemeenten. Ook zou de jeugdhulpverlening een structureel onderdeel moeten worden van de ondersteuningsstructuur op school.

  • De volle breedte van onderwijskwaliteit

    10 mei 2016 | Advies

    De bijdrage van onderwijs komt zowel tot uiting in kennis en vaardigheden, als in bijvoorbeeld houdingen, attituden en waarden. De Onderwijsraad vindt dat deze bijdrage beter gekend, erkend en geborgd moet worden. Daartoe dienen scholen expliciet aan onderwijskwaliteit in brede zin te werken en deze kwaliteit ook zichtbaar te maken.

  • kwaliteit test

  • Internationaliseren met ambitie

    31 mei 2016 | Advies

    Internationalisering van het onderwijs hoort gericht te zijn op het internationaal competent worden van leerlingen/studenten. Daarbij gaat het om het opdoen van internationale kennis en het ontwikkelen van een internationale oriëntatie. Het gaat ook om leren samenwerken en communiceren in internationale contexten en leren reflecteren op internationale vraagstukken. Alle de drie de domeinen van onderwijs – kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming – hebben daarbij internationale kanten.

  • Partners in onderwijsopbrengst

    17 december 2008 | Advies

    Opbrengstgerichtheid is een kenmerk van een school waar concrete doelstellingen voor leerlingen op basis van de leerlingenpopulatie worden geformuleerd en waarin alle betrokken partijen er gericht aan werken die gestelde doelen te bereiken. Het gaat zowel om cognitieve kennis als sociale vaardigheden. Hierbij kunnen leerstandaarden en leerlingvolgsystemen behulpzaam zijn. Een stimuleringsladder geeft een overzicht van de verschillende rollen van schoolbestuur, docenten, leerlingen en ouders bij opbrengstgericht onderwijs.

  • Vreemde talen in het onderwijs

    19 juni 2008 | Advies

    Op termijn moet ten minste drie kwart van de Nederlandse burgers twee vreemde talen spreken op een niveau waarmee zij zich in de praktijk in uiteenlopende situaties kunnen redden. Aanbevelingen die hieraan kunnen bijdragen zijn onder meer: een vreemde taal vanaf groep een of groep vijf van de basisschool; minimaal een vreemde taal op het mbo.

  • Kaders voor de referentieniveaus

    24 juli 2009 | Advies

    De invoering van referentieniveaus is een goede zaak. Zij vormen een belangrijk hulpmiddel om te lage prestaties van leerlingen in vooral het funderend onderwijs tegen te gaan, en om mogelijke problemen bij de overgang tussen sectoren te voorkomen. Zo worden knelpunten weggenomen die de ontwikkeling en ontplooiing van leerlingen nadelig kunnen beïnvloeden. Maar het succes van de invoering van referentieniveaus is mede afhankelijk van de helderheid en hanteerbaarheid ervan. Het streefniveau van het minimum referentieniveau moet niet te laag zijn: ten minste 90% van de leerlingen moet dit in principe kunnen halen, en niet slechts 75%.

  • Examens in het vmbo

    23 april 2009 | Advies

    Net als voor havo/vwo is aanscherping van de exameneisen in het vmbo nodig. Voor vmbo-t kunnen de eisen aan de examencijfers voor de basisvakken Nederlands, Engels en wiskunde strenger; voor de beroepsgerichte leerwegen kan de beroepsrichting het Engels vervangen.

  • Uitgebreid onderwijs

    15 december 2010 | Advies

    Bezien vanuit de optiek van de kenniseconomie is inzetten op het minimum voor het Nederlandse onderwijs onvoldoende. Het onderwijs zou uitgebreider en verbeterd moeten worden. Vanwege het belang en de potentiële meerwaarde van uitgebreid onderwijs zouden alle leerlingen en studenten daar toegang toe moeten hebben. Onderzoeken laten zien dat leerlingen en studenten uit achterstandssituaties met extra programma’s hun (leer)achterstand kunnen verkleinen. Ten tweede biedt uitgebreid onderwijs meer mogelijkheden voor talentontwikkeling, wat belangrijk is in de huidige complexe, kennisintensieve samenleving. Ook kan het helpen om excellentie op meerdere terreinen te stimuleren.

  • Naar een nieuwe kleuterperiode in de basisschool

    26 mei 2010 | Advies

    Alle driejarigen zouden vijf ochtenden moeten spelen en leren in een pedagogisch rijke omgeving onder verantwoordelijkheid van de basisschool en onder leiding van goed opgeleid personeel. Daarbij is het van belang dat ontwikkelingsdoelen worden opgesteld zoals in Vlaanderen. Het gaat niet om doelen met een resultaatsverplichting zoals de kerndoelen en referentieniveaus, maar om brede doelen voor cognitieve, sociale en motorische ontwikkeling, met een inspanningsverplichting voor scholen.

  • Een stevige basis voor iedere leerling

    20 juni 2011 | Advies

    Het Actieplan basis voor presteren van de minister van OCW richt zich op het basisonderwijs. De raad doet vier aanbevelingen voor dit plan:
    • draag zorg voor een brede ontwikkeling van leerlingen in het primair onderwijs;
    • gebruik toetsing als diagnostisch instrument (referentieniveaus, leerlingvolgsysteem);
    • realiseer een professionele lerende cultuur;
    • versterk het pedagogisch aanbod vanuit school voor drie- en vierjarigen.
    Wat toetsing betreft moet er rekening gehouden worden met ongewenste neveneffecten; de kwaliteit van een basisschool kan niet enkel en alleen worden afgemeten aan de resultaten van leerlingen op de doorstroomrelevante vakken, zeker niet wanneer er bekostigingsconsequenties aan zijn gekoppeld.

  • Onderwijs vormt

    29 maart 2011 | Advies

    Aandacht voor vorming betekent dat de wereld van leerlingen groter wordt door middel van brede cultuuroverdracht, wat hen meer oriëntatie geeft. Leerlingen krijgen zo noties mee die richting geven of aangeven wat van waarde is. Aandacht voor vorming is belangrijk en gewenst. Niet alleen omdat het een wettelijke taak is van scholen in alle sectoren, maar ook omdat de huidige sociaal-culturele context erom vraagt. De complexe, pluriforme en dynamische samenleving stelt hoge eisen aan jongeren, zowel aan hun persoonlijkheid als aan hun functioneren in sociaalmaatschappelijk en beroepsmatig opzicht. Vormend onderwijs bereidt hen daarop voor.

  • Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs

    28 februari 2011 | Advies

    In het Actieplan Beter Presteren voor het voortgezet onderwijs van het kabinet is ruimte voor het verhogen van het kennisniveau van alle leerlingen in het voortgezet onderwijs. Dat kan met een koppeling aan hoge eisen. Vier aanbevelingen om de kwaliteit van het onderwijs en de leerprestaties te verhogen, luiden:
    • bevorder de kwaliteit van het onderwijsprogramma door meer focus;
    • bevorder de kwaliteit van de school door inzet op opbrengstgericht werken;
    • versterk de kwaliteit en professionaliteit van leraren en schoolleiders;
    • waardeer getoonde kwaliteit.

  • Verder met burgerschap in het onderwijs

    27 augustus 2012 | Advies

    De verdere ontwikkeling van het burgerschapsonderwijs ligt bij scholen zelf, maar de overheid kan een actievere rol vervullen dan nu het geval is. Voor beter burgerschapsonderwijs moet de overheid scholen en leraren meer steunen bij de ontwikkeling ervan en stimuleren dat zij systematisch kennis opbouwen. Verder zouden scholen baat hebben bij een inhoudelijk kompas, bijvoorbeeld door aanscherping van kerndoelen en verantwoording over de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs.

  • Cultuureducatie: leren, creëren, inspireren!

    28 juni 2012 | Advies

    Cultuureducatie heeft vaak een marginale plek in het curriculum van scholen in het primair onderwijs. Het onderwijs in kunst en cultuur is steeds meer weggeorganiseerd van de scholen en leraren. Scholen slagen er tot nu toe, om diverse redenen, onvoldoende in om cultuureducatie de plek te geven die het verdient. Ook de verschillende overheidslagen zijn rond dit thema onvoldoende op elkaar afgestemd, waardoor een versnipperde culturele infrastructuur is ontstaan. Er moet daarom een referentiekader cultuureducatie komen, meer deskundigheid binnen de school en de culturele infrastructuur moet in dienst van de school staan.

  • Een smalle kijk op onderwijskwaliteit

    4 november 2013 | Advies

    De raad pleit voor waardering voor alle doelen van het onderwijs. Ook voor niet-cognitieve doelen dienen indicatoren beschikbaar te zijn, die inzicht geven in opbrengsten.

6.1 Bevindingen

Aanbod
Uitgebreid onderwijs betreft de extra inzet van scholen en andere educatieve aanbieders om in primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs een uitgebreider geheel aan leermogelijkheden en educatieve programma’s aan te bieden. Dit aanbod is gericht op het uitdrukkelijker behalen van hetgeen wettelijk minimaal vereist is en op het beter benutten van het onderwijs. Dit alles met als doel om een breder of hoger niveau te behalen.

De raad deelt uitgebreid onderwijs in aan de hand van drie functies: de verbeterfunctie, gericht op het verbeteren van leerprestaties; de verrijkingsfunctie, met als doel brede en diepgaande talentontwikkeling; en de oriëntatiefunctie, gericht op oriëntatie op arbeid en samenleving.

Uit de enquête die voor dit advies is uitgevoerd, blijkt dat op dit moment vo-scholen het meest actief zijn met uitgebreid onderwijs (76%), gevolgd door mbo-instellingen (60%) en basisscholen (39%). De variëteit aan initiatieven en activiteiten is in alle onderwijssectoren bijzonder groot. Basisscholen nemen veelal deel aan landelijke projecten ter verbetering van de leerprestaties en organiseren daarnaast allerlei losse verrijkingsactiviteiten. In vo-scholen en mbo-instellingen is geen duidelijk accent op een van de drie functies aan te geven, ofschoon oriënterende activiteiten duidelijk in de minderheid zijn. Verrijkende activiteiten in het voortgezet onderwijs zijn over het algemeen planmatiger opgezet dan in het primair onderwijs. Uitgebreid onderwijs van mbo-instellingen is vanzelfsprekend sterker beroepsgericht. De indruk is dat scholen keuzes voor bepaalde activiteiten sterk laten bepalen door meer ‘toevallige’ factoren, zoals de mate van ondernemerschap van de schoolleiding en de beschikbaarheid van aanbod.

Beschikbare middelen: personeel, tijd en financiering
Scholen betalen hun extra inzet uit hun reguliere bekostiging, uit ouderbijdragen (vooral inprimair en voortgezet onderwijs) en uit uiteenlopende subsidies die beschikbaar zijn voor het stimuleren van onderwijs in cultuur, sport en techniek. In vergelijking met vo-scholen en mboinstellingen zijn basisscholen meer afhankelijk van subsidieregelingen. Geldstromen blijken bovendien veelal gescheiden te zijn georganiseerd: er zijn verschillende budgetten voor het voorkomen en verminderen van leerachterstanden en verschillende budgetten voor bredere talentontwikkeling of excellentie. Naast geld bepaalt het aantal beschikbare uren van het personeel sterk de inhoud en omvang van het aanbod, want de organisatie en uitvoering van uitgebreid onderwijs kan veel tijd vergen.

Het tekort aan tijd, de complexiteit van geldstromen en de afhankelijkheid van subsidies leiden ertoe dat uitgebreid onderwijs vaak een versnipperd en weinig duurzaam karakter heeft. Additionele financieringsbronnen naast de overheid zijn nodig om het aanbod van uitgebreid onderwijs structureel uit te breiden en te verbeteren.

Resultaten van uitgebreid onderwijs
Er is een externe literatuurstudie verricht naar de resultaten van uitgebreid onderwijs. Bij dit onderzoek is hoofdzakelijk gebruikgemaakt van buitenlandse studies, omdat (kwalitatief goede) Nederlandse studies op dit terrein ontbreken. Uitgebreid onderwijs blijkt te leiden tot een verbetering in leerprestaties, maar heeft ook positief effect op zaken als zelfvertrouwen, betrokkenheid bij de school en werkhouding. Positieve effecten worden vooral gevonden bij leerlingen uit een achterstandsmilieu of met een leerachterstand. Om positieve resultaten te bereiken moet wel aan bepaalde voorwaarden worden voldaan. De belangrijkste zijn: een goede kwaliteit van het programma of het aanbod met goede docenten; een mix van interventies; langdurige en intensieve deelname; en een sterke motivatie van de leerling of student.

Conclusie: uitgebreid onderwijs is belangrijk en gewenst
Er bestaat een maatschappelijke behoefte aan uitgebreid onderwijs. Uitgebreid onderwijs biedt scholen kansen om de leerprestaties en talentontwikkeling van leerlingen te optimaliseren. Onderzoek naar de resultaten van uitgebreid onderwijs levert aanwijzingen op dat uitgebreid onderwijs de ontwikkeling van leerlingen positief kan beïnvloeden. Er is wel een aanzienlijke verbetering van het aanbod mogelijk én nodig. Kort weergegeven: scholen kunnen doelbewuster kiezen voor een bepaalde vorm van uitgebreid onderwijs (verbetering, verrijking en/of oriëntatie); activiteiten kunnen kwalitatief beter worden opgezet; en het aanbod kan winnen aan samenhang. Om dit te realiseren is de inzet van scholen nodig, maar ook van de minister en de sectororganisaties. Hieronder wordt in enkele aanbevelingen uitgewerkt wat de diverse partijen kunnen doen om te zorgen voor een breed toegankelijk en inhoudelijk goed aanbod. Een belangrijke achterliggende gedachte bij deze aanbevelingen is de wens om bestaand enthousiasme verder aan te moedigen en te prikkelen tot verdergaande, duurzame initiatieven, zonder deze te verplichten.

Uitgebreid onderwijs - schema

6.2 Wat kan de minister doen?

Aanbeveling 1: uitgebreid onderwijs stimuleren door het opzetten van een ervaringsplatform en stroomlijning van middelen
Het concept van uitgebreid onderwijs is waardevol, omdat het de mogelijkheid biedt om verschillendesoorten activiteiten van verschillende aanbieders bestemd voor verschillende doelgroepen van leerlingen en studenten als geheel te beschouwen. Uitgebreid onderwijs is voor iedereen belangrijk, met of zonder achterstand en met of zonder speciale talenten. Het past bij de ambitie van Nederland om een vooruitstrevend kennisland te zijn met een hoog niveau van algemene ontwikkeling. Daarom ziet de raad het als taak van de minister om uitgebreid onderwijs te faciliteren. Faciliterende overheidsmaatregelen richten zich in eerste instantie op een meer systematische benadering van uitgebreid onderwijs en op het weghalen van belemmeringen bij scholen en andere partijen. Drempels zijn er onder andere op het gebied van:
• financiering (niet structureel en veel gescheiden geldstromen);
• bureaucratie (vele losse subsidieregelingen);
• alternatieve aanbieders (onbekendheid met aanbieders en aanbod); en
• tijd (van personeel en ruimte in lesrooster leerlingen en studenten).

Bij een systematische aanpak gaat het tevens om het aanmoedigen van scholen om brede ervaringen op te doen met uitgebreid onderwijs en deze ervaringen te delen via een ervaringsplatform. Met behulp hiervan kan kwaliteitsverbetering plaatsvinden en het beleid afgestemd worden op de praktijk. Deze ervaringen kunnen betrekking hebben op activiteiten die niet alleen verschillen in hun functie (verbetering, verrijking of oriëntatie), maar ook in de extra tijd die al dan niet aangeboden wordt en in de wijze van uitvoering (school of externe aanbieders). Zoiets als examentraining kan plaatsvinden in een cursus waar ouders apart voor betalen, maar ook in een door de school georganiseerde training.

Het stroomlijnen van middelen en het doen opzetten van een ervaringsplatform voor uitgebreid onderwijs is een eerste taak die de raad de minister aanbeveelt.

Aanbeveling 2: meerjarig ontwikkelingsproject op honderd scholen in primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs
Naast en in samenhang met de eerste aanbeveling beveelt de raad de minister aan om eenmeerjarig ‘honderdscholenproject’ op te zetten, dat als doel heeft om uitgebreid onderwijs verder te stimuleren en meer gefundeerde kennis te verkrijgen van de resultaten. In een dergelijk project zouden deelnemende scholen en instellingen, ondersteund door externen, bepaalde aspecten van uitgebreid onderwijs verder moeten ontwikkelen. Zij kiezen daarbij voor één van de drie typen (verbetering, verrijking, oriëntatie) of een combinatie daarvan. Anders dan bij een gewoon project in de sfeer van achterstandenbeleid gaat het hier om het uitzoeken van de wisselwerking tussen de drie typen en de wijze waarop de verschillende soorten interacties van nut zijn voor respectievelijk benut worden door verschillende groepen leerlingen en studenten.

Belangrijke criteria voor dit programma zijn: aard en inhoud zijn afgestemd op de leerlingen- of studentenpopulatie; de doelstellingen zijn zo veel mogelijk meetbaar geformuleerd; en deelname van leerlingen vraagt, gezien het belang van intensieve deelname beschreven in hoofdstuk 5, minimaal vier extra klokuren per week. Gezien de behoorlijke extra kosten voor scholen zal de overheid een groot deel van de financiering op zich moeten nemen. Voor overige kosten kunnen de scholen naar vermogen zelf een bijdrage leveren. Op basis van de kosten die de gemeente Rotterdam maakt voor zes uur extra aanbod per week (200.000 euro) wordt verwacht dat ongeveer 13 miljoen euro herprioritering nodig is per jaar voor deze honderd scholen.

Aangezien uit het literatuuronderzoek is gebleken dat er meer goede studies naar uitgebreid onderwijs in een Nederlandse context nodig zijn, worden uitvoering van de programma’s en de behaalde resultaten formatief geëvalueerd ten behoeve van een bijstelling en verbetering. Gekeken zal worden naar de factoren in het inhoudelijke programma en de organisatie die bijdragen aan een succesvol uitgebreid onderwijs. Wat werkt wel en wat werkt niet? De huidige financieringsmogelijkheden en -knelpunten worden als extra aandachtspunt in de evaluatie van het project meegenomen. Aan de hand van de resultaten van deze studie hebben niet alleen de minister, maar ook schoolleiders en andere betrokkenen meer inzicht in de effectiviteit van bepaalde programma’s en activiteiten.

Aanbeveling 3: afronding van kwalitatief goede activiteiten formeel zichtbaar maken
Als het gaat om activiteiten gericht op verrijking of oriëntatie wordt de inzet van leerlingendoorgaans niet formeel gemeten en genoteerd, terwijl dit bij prestatieverbeterende activiteiten wel het geval is. Dit kan bij leerlingen en leraren de indruk geven dat verrijking en oriëntatie ‘leuk maar niet nodig’ zijn. Dit beeld motiveert scholen en leraren niet om zich in te zetten voor kwaliteitsverbetering; het motiveert leerlingen en studenten niet tot deelname. Om dit tegen te gaan kunnen scholen de getoonde extra inzet van leerlingen en studenten op het gebied van bredere talentontwikkeling of oriëntatie beter zichtbaar maken en ook expliciet vermelden. In het primair onderwijs kan dat bijvoorbeeld met een aantekening op het onderwijskundig rapport, in het voortgezet onderwijs met een diplomasupplement, en in het middelbaar beroepsonderwijs met een vermelding in het portfolio of op het school(sector)certificaat. Het is in eerste instantie aan de scholen om activiteiten te vermelden. Voor een landelijke erkenning is het nodig dat de minister landelijke kaders aangeeft waaraan een activiteit moet voldoen om vermeld te mogen worden.

Aanbeveling 4: harmonisatie van financieringsmogelijkheden voor extra leermogelijkheden
Het huidige subsidiestelsel kent twee belemmeringen. Ten eerste bestaat het voornamelijk uittijdelijke projectsubsidies, waarvan de continuïteit niet is gewaarborgd. Scholen kunnen hierop geen meerjarenplan baseren. Ten tweede zijn er zo veel verschillende subsidiepotjes voor verschillende doelgroepen dat scholen het overzicht verliezen. Het harmoniseren van subsidiestromen kan een oplossing zijn voor beide belemmeringen. Scholen zouden dan in plaats van allerlei losse subsidies één of enkele meerjarige subsidies moeten krijgen om uitgebreid onderwijs vorm te geven.

Omdat vergaande bundeling van geldstromen een langetermijnvisie is, geeft de raad de suggestie om in eerste instantie de huidige en vooral toekomstige subsidieregelingen (voor achterstandenbeleid, voor onderwijstijdverlenging, voor bevorderen van cultuureducatie, sport, beweging, enzovoort) op elkaar af te stemmen. Op korte termijn zouden de gebruikte termen en verantwoordingseisen van verschillende subsidiegevers op elkaar afgestemd kunnen worden, zodat een basis wordt gevormd om op een later moment subsidies te bundelen. Elke afzonderlijke regeling kan de aanhef krijgen van uitgebreid onderwijs en vervolgens de specificatie hiervan aangeven.

Aanbeveling 5: aanbieders makkelijker bereikbaar maken
Scholen hebben het over het algemeen te druk om veel tijd te besteden aan het vinden vangoede externe activiteitenaanbieders. De raad adviseert de minister daarom om, eventueel met medewerking van gemeenten of provincies, het aanbod van uitgebreid onderwijs toegankelijker te maken voor scholen door de organisatie ervan te vereenvoudigen en het beschikbare aanbod aan uitgebreid onderwijs beter zichtbaar te maken.

Aanbod toegankelijker maken met digitaal portaal
Een mogelijkheid om de toegang tot aanbieders van uitgebreid onderwijs te verbeteren is hetontwikkelen van een digitaal portaal. Een dergelijk portaal geeft scholen en opleidingen een overzicht van aanbieders van uitgebreid onderwijs en kan een schakel vormen tussen scholen (vragers) en aanbieders. Dit vergemakkelijkt het organiseren van activiteiten.

Idealiter wordt ook informatie over kwaliteit en effectiviteit aan het overzicht van het aanbod toegevoegd. Scholen kunnen dan gemakkelijk zien welke activiteiten tot goede resultaten leiden. Deze informatie kan worden weergegeven door middel van een classificatiesysteem dat de minister kan laten ontwikkelen. Programma’s worden dan beoordeeld aan de hand van criteria, zoals:
• doel en inhoud;
• omvang en intensiteit;
• ervaren kwaliteit; en
• effectiviteit.113
De raad beveelt aan om aan te sluiten bij lopende initiatieven of om deze op te nemen in het portal.114

Externe partijen activeren
Bedrijven, maatschappelijke voorhoedes en andere externe partijen zijn zich niet altijd voldoendebewust van de meerwaarde die zij kunnen bieden voor de ontwikkeling van kinderen en jeugdigen. De minister kan hen stimuleren om zich in te zetten voor uitgebreid onderwijs door het geven van onder meer gastlessen of excursies. De minister kan deze mensen en organisaties wijzen op bestaande subsidiemogelijkheden en hen zo stimuleren tot een bijdrage aan het onderwijs. Tevens kan het leveren van een bijdrage aan het onderwijs ook voorwaarde voor (lokale en provinciale) subsidie zijn voor bepaalde organisaties.

Over het stimuleren van één specifieke groep om zich in te zetten voor het (uitgebreid) onderwijs, de maatschappelijke voorhoede, gaat het advies Een onderwijsprogramma met maatschappelijke voorhoedes dat de Onderwijsraad samen met dit advies uitbrengt.

6.3 Wat kan de school doen?

Aanbeveling 6: Scholen gaan systematischer na welke mogelijkheden uitgebreid onderwijs voor hen biedt
Om aan alle leerlingen en studenten een goed aanbod te doen, is het nodig om uitgebreidonderwijs verder in te bedden in de dagelijkse onderwijspraktijk. Vooral in het primair onderwijs is dit nodig, aangezien minder dan de helft van de basisscholen uitgebreid onderwijs aanbiedt. Op brede scholen wordt wel een naschools programma aangeboden, maar dit is nog niet altijd doelgericht en educatief.

Een eerste stap naar een betere inbedding van uitgebreid onderwijs in het reguliere programma is dat de school weloverwogen bepaalt welke functie uitgebreid onderwijs kan vervullen voor welke groep leerlingen en studenten in welk leerjaar: verbetering, verrijking en/of oriëntatie. Daarbij kijkt de school naar interne en lokale externe omstandigheden, zoals de leerlingenpopulatie en het beschikbare aanbod aan uitgebreid onderwijs. Vervolgens kan de school een programma uitgebreid onderwijs (laten) ontwikkelen. Niet elke school hoeft een uitgebreid aanbod te hebben. Beter een compact maar goed aanbod dat duurzaam is verankerd in het schoolbeleid én in de dagelijkse schoolpraktijk, dan een groot aanbod dat matig is van kwaliteit en weinig planmatig is opgezet. Wel is van belang dat er voor iedere leerling iets extra’s is, ook voor de slimme leerling op een school met veel achterstandsleerlingen.

Voor verschillende activiteiten die momenteel worden ondernomen geldt dat onvoldoende duidelijk is met welk doel ze worden gedaan en tot welke resultaten ze leiden. Om hierin verbetering aan te brengen is het belangrijk erop te letten dat programma’s en activiteiten aan een aantal eisen voldoen met betrekking tot doelgerichtheid, kwaliteit, toegankelijkheid en intensiviteit.115

Belangrijk is ook dat scholen actief gebruikmaken van het digitale portaal voor uitgebreid onderwijs (zie aanbeveling 5). Dat kan door het delen van de ervaringen van gebruikers met aanbieders en programma’s op het digitale portaal. Deze ervaringen zijn tevens bruikbaar voor het actueel houden van het classificatiesysteem. Daarmee kunnen andere scholen geholpen worden bij het maken van een doordachte keuze.

Vooral voor basisscholen, maar ook voor andere scholen, kan het organiseren en uitvoeren van uitgebreid onderwijs een taakverzwaring betekenen. Om deze reden is het inschakelen van externe gespecialiseerde partijen wenselijk. Bovendien hebben gespecialiseerde mensen en organisaties doorgaans meer inhoudelijke deskundigheid dan leraren wanneer het gaat om verrijkings- of oriënterende activiteiten. Met de inbreng van externe specialisten kan de kwaliteit van het aanbod worden verhoogd.

Aanbeveling 7: Scholen gaan na welke randvoorwaarden voor uitgebreid onderwijs vervuld kunnen worden, onder meer met betrekking tot tijd
Voor de effectiviteit van activiteiten met een verbeterfunctie is het belangrijk dat een leerlingof student een substantieel aantal uren per week deelneemt; er moet voldoende tijd zijn om de lesstof te oefenen. Tegelijk is het ook belangrijk dat er tijd overblijft voor verrijking en extra oriëntatie op arbeid en samenleving. Om dit te kunnen realiseren is in het basisonderwijs in bepaalde gevallen uitbreiding en/of flexibilisering van het lesrooster nodig. Wettelijk gezien hebben scholen hiervoor al ruimte, want het aantal onderwijsuren is een minimum. In de praktijk blijkt het veranderen van het reguliere lesrooster echter een lastig punt, waarbij belangen van leerlingen, ouders en onderwijsgevenden tegen elkaar moeten worden afgewogen. Scholen zouden, met hulp van projectgroepen zoals de Werkgroep Andere Tijden, van elkaar kunnen leren hoe deze hindernissen het beste genomen kunnen worden.

Het rooster in het voortgezet onderwijs en ook het middelbaar beroepsonderwijs biedt meer mogelijkheden voor uitgebreid onderwijs. In deze sectoren blijkt deelname sterk bepaald door de aansluiting in tijd bij het reguliere programma. Dit is iets om terdege rekening mee te houden. Uiteraard mag ook in deze sectoren het reguliere programma niet lijden onder uitgebreid onderwijs en is het wenselijk dat uitgebreid onderwijs bijdraagt aan een versteviging van het reguliere onderwijs.

Aanbeveling 8: sectororganisaties (PO-raad, VO-raad en MBO Raad) stimuleren kwaliteitsverbetering
Als vertegenwoordiger van basisscholen, voortgezet onderwijs en mbo-instellingen hebbenook de sectororganisaties een rol bij het verbeteren van de kwaliteit van uitgebreid onderwijs. De raad ziet hiervoor twee manieren: het opstellen van kwaliteitseisen en het stimuleren van scholen om van elkaar te leren.

Transparant maken van de kwaliteit van het aanbod
De sectororganisaties kunnen een belangrijke rol vervullen bij het opstellen van heldere kwaliteitseisenvoor uitgebreid onderwijs en de scholen vragen zich hiervan rekenschap te geven. Tevens kunnen zij als informatiepunt dienen waar scholen terecht kunnen met vragen over de inhoud en organisatie van uitgebreid onderwijs.

Deze informatie kan ook verspreid worden door middel van netwerken. Scholen (schoolleiders/ managers en docenten) kunnen, als het gaat om uitgebreid onderwijs, meer voor elkaar betekenen dan nu vaak het geval is. De raad geeft, aansluitend bij aanbeveling 1, de sectororganisaties de suggestie om onderling leren van scholen op dit terrein een impuls te geven door netwerken van scholen op te zetten die zich met uitgebreid onderwijs willen profileren. Binnen deze netwerken kunnen scholen ervaringen uitwisselen en met elkaar bespreken hoe ze kunnen zorgen voor duurzame verankering.

7. Afkortingen

aka
arbeidsmarktgekwalificeerd assistent

BoinK
Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang en peuterspeelzalen

EZ
Economische Zaken

GION
Gronings Instituut voor Onderzoek van Onderwijs

ho
hoger onderwijs

KVLO
Koninklijke Vereniging van Leraren Lichamelijke Opvoeding

LA’s BEST
Los Angeles Better Educated Students for Tomorrow-program

LOOT
Landelijk Overleg Onderwijs en Topsport

mbo
middelbaar beroepsonderwijs

NIZW
Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn

NKS
Nederlandse Katholieke Sportfederatie

NOC*NSF
Nederlands Olympisch Comité*Nederlandse Sport Federatie

OCW
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

rmc
regionale meld- en coördinatiefunctie

roc
regionaal opleidingencentrum

po
primair onderwijs

SCP
Sociaal en Cultureel Planbureau

SLO
Stichting Leerplan Ontwikkeling

sloa
subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten

vmbo
voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs

vo
voortgezet onderwijs

VOS/ABB
(vereniging van werkgevers in het openbaar onderwijs)

vsv
voortijdig schoolverlaten

VWS
Volksgezondheid, Welzijn en Sport

wsns
weer samen naar school

8. Literatuur

Afterschool Alliance (2007). Evaluations Backgrounder: A Summary of Formal Evaluations of Afterschool Programs' Impact on Behavior, Safety and Family Life. Washington D.C.: Afterschool Alliance.

Andere Tijden (2010). Hoeveel scholen hanteren andere tijden? Andere tijden in onderwijs en opvang, 2(5), 3.

Angrist, J.D., Dynarski, S.M., Kane, T.J., Pathak, P.A. & Walters, C.R. (2010). Who benefits from KIPP? Geraadpleegd op 5 november 2010 via de website van NBER, http://www.nber.org/papers/w15740.

Berdowski, Z., Berger, J. & Bal, J. (2010). Geld naast de school. Private uitgaven in basis- en voortgezet onderwijs. Zoetermeer: Research voor Beleid i.o.v. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Blomfield, C.J. & Barber, B.L. (2009). Brief Report: Performing on the Stage, the Field, or Both? Australian Adolescent Extracurricular Activity Participation and Self-Concept. Journal of Adolescence, 22(33), 733 - 739.

Boom, E. van der, Aa, R. van der & Bruin, G. de (2009). Goed voorbeeld doet goed volgen. Rotterdam: Ecorys.

Borman, G.D. & Maritza, D.N. (2006). Longitudinal Achievement Effects of Multiyear Summer School: Evidence From the Teach Balitmore Randomized Field Trial. Educational Evaluation and Policy Analysis, 28(1), 25-48.

Centraal Bureau voor de Statistiek (2009). Jaarboek onderwijs in cijfers 2009 (2e ed). Den Haag/ Heerlen: CBS.

Citycollege St. Franciscus (2003). Beschrijving van de Verlengde Schooldag op de LPKS-projectscholen. Rotterdam.

Claassen, A., Knipping, C., Koopmans, A. & Vierke, H. (2008). Variatie in brede scholen en hun effecten. Nijmegen: ITS.

College Jan Tinbergen (2010). Leren is leuk. TVWO Internationaal. Geraadpleegd op 6 december 2010 via http://www.jantinbergencollege.nl/LerenisLeuk/tabid/266/Default.aspx.

Cornelissen, T. & Pfeifer, Chr. (2007). The Impact of Participation in Sports on Educational Attainment: New Evidence from Germany. Geraadpleegd op 5 november 2010 via de website van IZA, http://www.iza.org/index_html?lang=en&mainframe=http%3A//www.iza.org/en/webcontent/members&topSelect=members.

Gemeente Den Haag (2002). Evaluatierapport Verlengde Schooldag in Den Haag. Den Haag.

Grinsven, V. van & Elphick, E. (2010). Omnibusonderzoek 'extra' activiteiten in het basis-, voortgezeten middelbaaronderwijs. Utrecht: Duo Market Research.

Grote prijsverschillen huiswerkbegeleiding (2010, 10 mei). De Telegraaf.

Harris, E. (2008). Highlights From the Out-of-School Time Database. Research Update 3. Harvard Family Research Project.

Harris, L. & Princiotta, D. (2009). Reducing Dropout Rates through Expanded Learning Opportunities Issue Brief. Washington: NGA Center for Best Practices.

Harvard Family Research Project (2010). Partnerships for learning: Promising practices in integrating school and out-of-school time program supports. Cambridge: Harvard graduate school of education.

Hermans, L., Schneiders, J., Hamers, G., Pernis, M. van, Hey, A.M. & Wintels, A. (2010). Sectorinvesteringsplan mbo 2011-2016: meer mbo-techniek studenten op topniveau door Centra voor Innovatief Vakmanschap. Den Haag: MBO Raad/Platform Bèta Techniek.

Hofman, R.H., Spijkerboer, A.W., Dijkstra, B.J. & Werf, M.P.C. van der (2009). Uitwijken en inbrengen (onderzoek iov Onderwijsraad in kader van advies De Stand van Educatief Nederland). Groningen: GION.

Hoxby, C.M. & Murarka, S. (2008). New York City Charter Schools. Who attends them and how well they teaching their students? . Education next, 8(3), 1-8.

Inspectie van het Onderwijs (2010a). Het onderwijsaanbod aan hoogbegaafde leerlingen in het basisonderwijs. Begeleidende beschouwing bij het onderzoeksrapport van GION. Utrecht:Inspectie van het Onderwijs.

Inspectie van het Onderwijs (2010b). Vrijwillige ouderbijdrage in het voortgezet onderwijs. De resultaten van een inspectieonderzoek in het schooljaar 2008/2009. Utrecht: Inspectie van hetOnderwijs.

Kassenberg, A. (2010). Literatuurstudie uitgebreid onderwijs. Groningen: Hanzehogeschool: lectoraat Integraal Jeugdbeleid.

Kuijk, J. van, Hulsen, M., Thomassen, M., Uerz, D. & Kessel, N. van (2007). Schoolkostenmonitor 2006-2007. Schoolkosten in het voortgezet onderwijs en de mbo-bol. Nijmegen: ITS-Radboud Universiteit Nijmegen.

Ledoux, G. & Veen, A. (2010). Beleidsdoorlichting onderwijsachterstandenbeleid. Amsterdam: SCO-Kohnstamm Instituut.

Litke, E. (2009). After the Bell Rings: Student Perceptions of After-School New York City Public Schools. Teachers College Record, 111(8), 1954 - 1970.

Mahoney, J.L., Cairns, B.D. & Farmer., T.W. (2003). Promoting Interpersonal Competence and Educational Success Through Extracurricular Activity Participation. Journal of Educational Psychology, 95(2), 409-418.

Minderman, G., Eijk, K. van, Vermaas, J. & Kruisbrink, P. (2010). De School als maatschappelijke onderneming. Onderzoeksverslag fase 1. Amsterdam: VU University Press Amsterdam.

Ministerie van Financiën (2010). Subsidieoverzicht Rijk (SOR) 2010. Geraadpleegd op 8 november 2010 via http://www.minfin.nl/Actueel/Kamerstukken/2010/03/BZ10_170_aanbiedingsbrief_subsidieoverzicht_Rijk.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2007). Scholen voor morgen. Den Haag.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2008). Onderwijs met ambities. Den Haag.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2009). Beleidsreactie onderwijstijd. Brief van Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan Voorzitter van de Tweede Kamer, 27 maart 2009. Kenmerk VO/OK/2009/93615.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (2008). Beleidskader Sport, Bewegen en Onderwijs. Geraadpleegd op 10 november 2010 via http://www.rijksoverheid.nl/documenten-enpublicaties/kamerstukken/2008/10/14/beleidskader-sport-bewegen-en-onderwijs.html.

Mulder, L., Hoeven, A. van der, Vierke, H., Veen, I. van der & Elshof, D. (2009). Inrichting en effecten van schakelklassen. Resultaten van het evaluatieonderzoek schakelklassen in het schooljaar 2007/08. Utrecht: ITS/SCO-Kohnstamm Instituut.

Onderwijsraad (2003). Leren in een kennissamenleving. Den Haag: Onderwijsraad.

Onderwijsraad (2006). Doelgericht investeren in onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.

Onderwijsraad (2007). Presteren naar vermogen. Den Haag: Onderwijsraad.

Onderwijsraad (2008a). Een rijk programma voor ieder kind. Den Haag: Onderwijsraad.

Onderwijsraad (2008b). Onderwijs en maatschappelijke verwachtingen. Den Haag: Onderwijsraad.

Onderwijsraad (2009a). Stand van educatief Nederland 2009. Den Haag: Onderwijsraad.

Onderwijsraad (2009b). Naar doelmatiger onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.

Onderwijsraad (2010a). Naar een nieuwe kleuterperiode in de basisschool. Den Haag: Onderwijsraad.

Onderwijsraad (2010b). Vroeg of laat. Den Haag: Onderwijsraad.

Palmiter, A.S., Arcaira, E.R., White, R.N. & Reisner, E.R. (2009). The literacy programs of save the children. Westport: Save the children.

Patall, E.A., Cooper, H. & Allen, A. Batts (2010). Extending the school day or school year: a systematic review of research (1985-2009). Review of Educational Research, 80(3), 401-436.

Platform Beta Techniek (2009). Inventariserend vooronderzoek Orion Programma. Platform Beta Techniek.

Roest, A., Lokhorst, A.M. & Vrooman, C. (2010). Sociale uitsluiting bij kinderen: Omvang en achtergronden. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).

Rubens, W. (2009). CvI managementconferentie #cvi09: zet leerlingen in bij uitvalbestrijding. Geraadpleegd op 3 december 2010 via http://wilfredrubens.typepad.com/wilfred_rubens_weblog/2009/03/cvi-managementconferentie-cvi09-zet-leerlingen-in-bij-uitvalbestrijding.html.

Russell, C.A., Mielke, M.B., Miller, T.D. & Johnson, J.C. (2007). After-school programs and high school success: Analyses of post-program educational patterns of former middle-grades TASC participants. New York.

Russell, C.A., Mielke, M.B. & Reisner, E.R. (2009). Evidence of program quality and youth outcomes in the DYCD out-of-school time initiative: Report on the initiative's first three years. New York: Policy Studies i.o.v. New York City Department of Yout and Community Development and The Wallace Foundation.

Smith, B.A. (2000). Quantity matters: Annual instructional time in an urban school system. Education Administration Quarterly, 36(5), 652-682.

Steketee, M., Mak, J. & Tierolf, B. (2010). Kinderen in Tel databoek 2010: kinderrechten als basis voor lokaal jeugdbeleid. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.

Valkestijn, M. & Oenen, S. van (2002). Talent in actie. Opbrengsten landelijk experiment Verlengde Schooldag voortgezet onderwijs. Amsterdam: SWP.

Vandell, D.L., Reisner, E.R. & Pierce, K.M. (2007). Outcomes Linked to High-Quality Afterschool Programs: Longitudinal Findings from the Study of Promising Afterschool Programs. Policy Studies Associates, Inc.

Vegt, A-L. van der & Hoogeveen, K. (2009). Overzicht schakelklassen. Utrecht: Sardes.

Visser, S. (2009). Huiswerk is geen thuiswerk meer: de explosieve groei van het uitwijkonderwijs. van 12 tot 18, 2009(6), 34-36.

Vrijheid en verantwoordelijkheid. (2010). Regeerakkoord VVD-CDA. Geraadpleegd op 5 november 2010 via http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2010/09/30/regeerakkoord-vvd-cda.html.

Walking Eagle, K.P., Miller, T.D., Cooc, N., LaFleur, J. & Reisner, E.R. (2009). Evaluation of New Jersey After 3: Reaching and engaging New Jersey's Youth through Afterschool Programs, 2005-2008. Geraadpleegd via http://www.njafter3.org/edu/docs/Evaluations_NJAfter3-Year3Evaluation-ExecSummary.pdf.

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2009). Vertrouwen in de school. Over de uitval van 'overbelaste' jongeren. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

Zimmer, R., Hamilton, L. & Christina, R. (2010). After-school tutoring in the context of no Child Left Behind: Effectiveness of two programs in the Pittsburgh Public Schools. Economics of Education Review, 29(1), 18-28.

9. Geraadpleegde deskundigen

Bij de totstandkoming van dit advies is gesproken met de volgende deskundigen:

De heer P. van Bergen
(voormalig) Directeur basisschool Christophoor

Mevrouw M. Bokhorst
Communicatieadviseur Steunpunt Brede scholen

Mevrouw A. Duin
Projectleider projectgroep Andere Tijden

De heer T. Filarski
(voormalig) Algemeen bestuurslid JOB

De heer G. Geerts
(voormalig) Voorzitter JOB

De heer R. Geurs
Afdelingshoofd Onderwijs, Gemeente Rotterdam, Dienst JOS

De heer G. Jellesma
Voorzitter BOinK

De heer S. de Jong
Voorzitter LAKS

Mevrouw J. Langeraap
Locatiehoofd obs Driemaster Sneek

De heer J. Mols
Adviseur Edu-Art

De heer S. Nelissen
Beleidsmedewerker JOB

Mevrouw L. Odeh
Algemeen beleidsmedewerker JOB

De heer M. Oldenhof
(voormalig) Algemeen bestuurslid JOB

Mevrouw J. Ploeg
(voormalig) Algemeen bestuurslid JOB

Mevrouw M. Ploegman
Directeur De School Zandvoort

De heer J. van Velsen
Projectleider Steunpunt Brede scholen

De heer J. Vlaanderen
Teammanager VOS/ABB

Mevrouw X. de Vroom
Beleidsadviseur Gemeente Rotterdam, Dienst JOS

De heer H.W.G.M. Weeber
Vestigingsdirecteur Scala college Alphen a/d Rijn

Mevrouw I. Wegter
Programmamanager De Wereld op Zuid

 

Mevrouw E. van Bokhorst
Beleidsmedewerker PO-raad

Mevrouw P. Brandon
Directeur Mocca-expertisenetwerk cultuureducatie

Mevrouw A. Dijkhuizen
Directeur Bergse Zonnebloem Vo-school, Rotterdam

De heer R.J. Heerema
Coördinator Stichting LOOT

De heer W. van Katwijk
Directeur, Ouders & COO

Mevrouw N. Markuszower
IMC Weekendschool, Amsterdam

De heer S. Meershoek
Hoofd afd. Dienstverlening en Innovatie, Europees Platform

De heer M. Merkelbag
Beleidsmedewerker VO-raad

Mevrouw E. Nelissen
Voorzitter Landelijke Vereniging van Studiebegeleidingsinstituten

10. Bijlage 1: Adviesvraag

Download bijlage (pdf, 1869 KB)

11. Bijlage 2: Overzicht van enkele subsidies, regelingen en programma’s

Organisatie algemeen

Subsidie huisvesting brede school
Sinds januari 2009 geldt een regeling voor het stimuleren van aanpassing van huisvestinggericht op vorming van brede scholen. De regeling biedt gemeenten de mogelijkheid om subsidie aan te vragen voor de aanpassing van bestaande schoolgebouwen. Gemeenten kunnen per school een aanvraag indienen voor een bijdrage van ten hoogste 500.000 euro. Een gemeente kan meerdere aanvragen indienen. In totaal heeft het kabinet 28 miljoen euro beschikbaar gesteld voor deze regeling.

Subsidie voor scholing vrijwilligers tussenschoolse opvang
Voor de scholing van deze vrijwilligers kunnen schoolbesturen subsidie aanvragen bij hetMinisterie van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap). Er zijn diverse cursussen en opleidingen voor overblijfkrachten. Hiermee kunnen zij hun deskundigheid op het gebied van de tussenschoolse opvang vergroten. Aanbieders van deze cursussen en opleidingen zijn onder meer de ouderorganisaties, roc’s (regionale opleidingencentra) en het IOS (Instituut voor de Ontwikkeling van Schoolkinderopvang).

Impuls brede scholen, voor inzet van combinatiefuncties
Met de Regeling impuls brede scholen stimuleert de overheid via gemeenten onder meer dezogenoemde combinatiefunctionarissen. Een combinatiefunctionaris organiseert activiteiten op het gebied van kunst, cultuur en sport. Hij draagt bij aan het uitwisselen van allerlei praktische kennis en ervaring tussen verenigingen en onderwijsinstellingen. Het gaat om activiteiten die plaatsvinden met en bij sportverenigingen en culturele organisaties. Het doel is dat in 2012 2.500 fulltime combinatiefunctionarissen aan de slag zijn.

Verrijking

De bos-impuls (buurt, onderwijs en sport)
Sinds 2004 loopt de bos-impuls, een tijdelijke stimuleringsmaatregel van het Ministerie vanVWS (Volksgezondheid, Welzijn en Sport). De impuls beoogt achterstanden van jongeren van vier tot negentien jaar aan te pakken. Het laagdrempelig aanbieden van arrangementen moet een gezonde en actieve leefstijl bevorderen én onderwijs- en opvoedingsachterstanden terugdringen. Gemeenten konden tot 1 april 2006 voorstellen indienen voor projecten. Buurt-, onderwijs- en sportorganisaties werken samen onder regie van de gemeente om een bos-initiatief op wijkniveau te realiseren. Sportactiviteiten maken in ieder geval onderdeel uit van de bos-arrangementen. Meestal spelen ook gezondheidsonderwijs en buurtactiviteiten een rol. Zo’n 226 gemeenten in Nederland hebben een bos-project opgestart met een bijdrage van het Ministerie van VWS. In totaal gaat het om 443 projecten. Voor de periode 2005-2011 is hiervoor in totaal 80 miljoen euro uitgetrokken. Inmiddels is de stimuleringsregeling uitgeput.

Versterking cultuureducatie
Er zijn verschillende regelingen om cultuureducatie te bevorderen. Voor het primair onderwijsis er de Regeling versterking cultuureducatie (10,90 euro per leerling per jaar), de Plusregeling cultuurparticipatie en de Regeling brede scholen en cultuureducatie. In het voortgezet onderwijs is er de cultuurkaart ter waarde van 15 euro per jaar per leerling, die jongeren individueel of met school kunnen gebruiken voor extracurriculaire activiteiten. Voorts kunnen basisscholen zich profileren als kunstmagneetschool en middelbare scholen als cultuurprofielschool.

Excellentieprogramma primair onderwijs
Sinds 2008 loopt in het primair onderwijs het Excellentieprogramma primair onderwijs: eenstimuleringsregeling voor excellentie van cognitief toptalent. Voor de periode tot 2011 is een bedrag van 10 miljoen euro uitgetrokken om projecten op te starten gericht op het stimuleren van uitmuntende prestaties van toptalenten op basisscholen en het stimuleren van een omgeving waarin excellentie wordt gewaardeerd. Dit vindt plaats door schoolbesturen te stimuleren tot het opzetten van excellentieprojecten op lokaal niveau, door te stimuleren tot landelijke projecten met een dekkend aanbod en door het stimuleren van aanbod vanuit universiteiten voor basisscholen. Tot voor kort was de samenwerking tussen universiteiten en basisscholen gericht op talentontwikkeling nog weinig structureel van aard. Om dit te verbeteren heeft het Platform Bèta Techniek het zogeheten Orionprogramma opgestart.

Wetenschap en techniek

Het Orionprogramma
Het Orionprogramma stimuleert de totstandkoming van zogenoemde regionale wetenschapsknooppunten. De kern van een dergelijk knooppunt bestaat uit een universiteit (penvoerder), meerdere basisscholen en een intermediair. Dat kan bijvoorbeeld een science centrum zijn, een nlt-steunpunt (natuur leven technologie) of een academische pabo. Het doel is te komen tot een betere afstemming tussen vraag naar en aanbod van wetenschappelijke kennis voor het basisonderwijs. Duurzame samenwerking binnen de wetenschapsknooppunten moet resulteren in inhoudelijke activiteiten en onderwijsarrangementen voor basisschoolleerlingen. Deze activiteiten/arrangementen laten kinderen op een inspirerende manier kennis maken met de wetenschap. Een van de resultaten van het Orionprogramma is de oprichting van zogenoemde wetenschapsknooppunten, samenwerkingsverbanden tussen universiteiten, pabo’s en basisscholen.

Verbreding techniek basisonderwijs
Het programma Verbreding techniek basisonderwijs beoogt basisschoolleerlingen in aanraking te brengen met wetenschap en techniek, zodat zij hun talenten ontdekken en een positieve houding ten aanzien van wetenschap en techniek ontwikkelen. Gestreefd wordt om wetenschap en techniek een structurele en geïntegreerde plek in het basisonderwijs te geven. Scholen krijgen voor een periode van drie jaar financiële, organisatorische en inhoudelijke steun om dit op hun eigen manier binnen de school vorm te geven. Daarnaast bieden scholingsarrangementen handreikingen aan leerkrachten om wetenschap en techniek in hun lessen te integreren en worden basisschoolleerkrachten gestimuleerd en geïnspireerd voor bètaonderwijs door middel van de W&T Academie (voorheen VTB Summerschool). Deze academie wordt in samenwerking met universiteiten georganiseerd. Tijdens een W&T Academie krijgen de leerkrachten een programma aangeboden, verzorgd door bekende hoogleraren en universitaire docenten die ervaring hebben met het presenteren van hun vak voor een breed publiek. Zij besteden vooral aandacht aan bruikbare bètatechnische kennis.

Ambitieprogramma (vmbo en mbo)
Het Ambitieprogramma beoogt scholen voor vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs)en mbo (middelbaar beroepsonderwijs) te stimuleren werk te maken van aantrekkelijk bètatechnisch onderwijs dat aansluit op de leefwereld van jongeren. Deelnemende scholen doen dat elk op eigen wijze maar alle met het oog op een (relatieve) toename van het aantal leerlingen dat kiest voor de sector techniek. Met bijvoorbeeld aantrekkelijke snijvakopleidingen, aandacht voor de aansluitingen tussen vmbo, mbo en hbo (hoger beroepsonderwijs) en activiteiten gericht op voortijdige uitval zetten ambitie-instellingen zich in om jongeren te enthousiasmeren en te behouden voor de technische sector. Het doel is dus tweeledig: het verdiepen van technische vaardigheden en het enthousiasmeren voor technische beroepen. Er zijn inmiddels 150 vmbo-ambitiescholen en circa 27 mbo-ambitiescholen.

Jet Net
Jet-Net (Jongeren en Technologie Netwerk Nederland) is een samenwerking tussen bedrijven, onderwijs en overheid (via Platform Bèta Techniek). In Jet-Net zetten bedrijven samen met havo/vwo-scholen uitdagende activiteiten op, die aansluiten bij de bètavakken. Hiermee wil Jet-Net de keuze van scholieren voor bèta en techniek in positieve zin beïnvloeden. De activiteiten zijn enerzijds gericht op het verrijken van de lesstof met concrete praktijkvoorbeelden en anderzijds op het zichtbaar maken van de toekomstperspectieven. Aan Jet-Net zijn 39 bedrijven en 167 havo/vwo-scholen verbonden.

Oriëntatie

Havenmavo
De Havenmavo is een initiatief van het Havenbedrijf Rotterdam, LMC voortgezet onderwijs, NML en het EIC Mainport Rotterdam en bestaat uit een lespakket met excursies en gastlessen, bedoeld voor vmbo-leerlingen van 12-14 jaar. Doel van de lessen is om leerlingen te interesseren voor het werk in de haven, omdat hier grote tekorten aan werknemers verwacht worden in de toekomst. De Havenmavo heeft daarmee een sterk beroepsoriënterende functie. Het lessenpakket wordt op verschillende middelbare scholen verspreid, in eerste instantie in Rotterdam en omgeving, later over het hele land. Inmiddels hebben er 8.000 leerlingen aan deelgenomen.

Actieprogramma onderwijs en ondernemen
Sinds 2000 loopt het Actieprogramma onderwijs en ondernemen, bedoeld om ondernemerschapin het onderwijs te stimuleren. Het programma valt onder de ministeries van EZ (Economische Zaken), OCW en LNV (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) en wordt uitgevoerd in samenwerking met organisaties uit het onderwijs en het bedrijfsleven. Aanvankelijk ging de aandacht in het beleid vooral uit naar het bieden van kansen aan onderwijsinstellingen om initiatieven te ontplooien. Sinds 2009 is de ambitie om ervoor te zorgen dat scholen ondernemerschap ‘verduurzamen’ in hun onderwijsprogramma’s. Ondernemerschap moet een geïntegreerd onderdeel worden van het beleid, de organisatie en het lesprogramma van instellingen. De inspanningen van dit kabinet richten zich op het aanmoedigen, ondersteunen en professionaliseren van onderwijsinstellingen. Het kabinet stelt met dit doel voor ogen tot en met 2011 indicatief 30 miljoen euro beschikbaar.

12. Bijlage 3: Overzicht van alternatieve schooltijden

De meeste scholen in Nederland die kiezen voor alternatieve schooltijden, kiezen voor een verlenging van de schooldag. Deze extra tijd wordt dan uitgesmeerd over de dag of komt erbij aan het einde van een gewone lesdag. Vaak is er sprake van een combinatie van opvang en onderwijs. Voorbeelden die in Nederland voorkomen zijn het vijf-gelijke-dagenmodel, de kantoortijdenschool en de bioritmeschool. Daarnaast zijn er ook scholen die de schooldag verlengen en deze verlenging invullen met educatieve activiteiten voor achterstandsleerlingen. Dit voorbeeld van verlengde schooldagen is reeds beschreven in hoofdstuk 3.

In het buitenland, bijvoorbeeld de Verenigde Staten, zijn er nog andere vormen van alternatieve schooltijden, waarbij didactische aanpassingen worden gedaan in het schoolconcept. De generationschool en het KIPP (Knowledge Is Power Program) zijn hier voorbeelden van, die beschreven worden in deze bijlage.

Vijf-gelijke-dagenmodel
Het vijf-gelijke-dagenmodel houdt in dat op alle vijf schooldagen tussen circa 8:30 en 14:00 uur onderwijs wordt gegeven. De vrije woensdagmiddag komt dan te vervallen. De school heeft een continurooster met een korte middagpauze van twintig of dertig minuten, waarbij de kinderen onder begeleiding van de eigen leerkracht een lunch hebben. Aansluitend aan de schooldag is er een (facultatief) aanbod van naschoolse activiteiten. Momenteel werken slechts enkele scholen met een dergelijk rooster, maar de belangstelling voor dit model is groot. Volgens de Projectgroep Andere Tijden, een samenwerking van VOS/ABB, MO-groep Kinderopvang, BOinK, de PO-raad en het Kinderopvangfonds, zijn vijfhonderd scholen bezig met het aanpassen van de schooltijden, waarvan de meeste willen kiezen voor het vijf-gelijkedagenmodel.116 Zowel schoolbestuur als docenten en ouders moeten het eens zijn over een dergelijke aanpassing van het rooster. Voor sommige scholen is het eerder noodzaak dan wil; zij krijgen eenvoudigweg de tussenschoolse opvang niet meer geregeld en gaan daarom over op een vijf-gelijke-dagenmodel met korte lunchpauze. Meningen van ouders hierover zijn verdeeld. Een deel is positief en ziet de meerwaarde van een gemakkelijkere aansluiting op de buitenschoolse opvang. Maar andere ouders noemen de activiteiten op woensdagmiddag waar hun kind niet meer aan kan deelnemen of vinden dat er te lang achter elkaar wordt geleerd.

Ouders en Coo, de landelijke vereniging voor ouders en ouderraden, over het 8-tot-2-rooster
Directeur Werner van Katwijk: ”Ouders gaan vaak mee in de wensen van de school. Maar wij moetenons juist hard maken voor een lesrooster dat past bij het bioritme van kinderen. Uit onderzoek blijkt dat het kind het meeste leert tussen 10.00 en 12.00 uur en tussen 14.30 en 16.30 uur. Zorg dan dat daartussen tijd is voor bijvoorbeeld sport en muziek. Dat zou de school moeten regelen.”

Bron: Algemeen Dagblad, 8 september 2010

Kantoortijdenschool of parapluschool
Op sommige basisscholen wordt geëxperimenteerd met langere lesdagen en een alternatieflestijdenmodel. Een voorbeeld is de kantoortijdenschool die open is van ongeveer 8:00 tot 18:00 uur en waarop onderwijs en andere activiteiten (met name opvang) elkaar afwisselen. Deze wordt ook wel paraplu- of sterrenschool genoemd en vertoont grote gelijkenis met de integrale kindcentra of educatieve centra, omdat er sprake is van een combinatie van regulier onderwijs en naschoolse activiteiten.

Op sommige van deze scholen wordt ook in de schoolvakanties lesgegeven. Deze scholen zijn dan 50 of 52 weken open en kinderen en docenten kunnen zelf kiezen wanneer zij vakantie opnemen, onder de voorwaarde dat leerlingen wel de wettelijk voorgeschreven uren voor onderwijs volgen. Het dagelijkse lesprogramma verschilt dus per leerling. De School in Zandvoort is pionier bij dit type scholen (zie kader).117 Ook in Ede en Zwolle is men inmiddels gestart met een soortgelijke school, en op andere plaatsen zijn vergevorderde plannen.

Zandvoortse school open in zomer
Leerkrachten en leerlingen nemen vakantie op wanneer ze willen
Alle scholen zijn dicht, op eentje na: De School in Zandvoort. Daar zitten kinderen nog te rekenen.
“Ze zitten helemaal niet te wachten op zes weken vakantie.” Op het plein van De School in Zandvoort bakt de zesjarige Shaelique een zandtaart. Ze garneert ’m met steentjes en toefjes tak. Vanwege het mooie weer mag ze lekker lang buiten spelen, maar daarna wacht serieus schoolwerk. “Nog maar zeven bladzijden en ik heb mijn hele rekenboek af”, zegt het meisje trots. Shaelique is een van de 35 leerlingen van De School, een algemeen bijzondere basisschool die in augustus 2008 opende. Sindsdien gingen de deuren nauwelijks dicht: alleen rond Kerst twee weken. Leerkrachten en leerlingen nemen vakantie op wanneer ze willen. Drie weken naar Thailand in oktober? Prima, maar dat betekent doorwerken in de zomer. Want met het wettelijk verplichte minimum van 940 lesuren wordt niet gesjoemeld, zegt directeur Marjolein Ploegman (45). “De meeste kinderen hier volgen veel meer uren onderwijs.” Naast flexibele vakantietijden heeft de school ook een flexibel dagrooster: van 8 tot 18 uur kunnen kinderen er terecht. “Wij willen leven en leren integreren”, zegt Ploegman. “Wij bieden maatwerk.” En niet alleen door het schooljaar tot vijftig lesweken te verlengen: “Ons uitgangspunt is: elk kind is uniek.”

Dit concept vergt een andere inzet van de drie leerkrachten van De School. Ook zij werken 1.659 uur, zoals in de cao voor fulltimers is vastgelegd. Maar die uren zijn verspreid over meer werkweken, waardoor er niet langer twaalf vakantieweken overblijven.

Bron: Trouw, 29 juli 2009

Bioritmescholen: rooster aangepast aan energieniveau
Bioritmescholen zijn scholen die de lestijden afstemmen op de veronderstelde ‘energetischepieken in het bioritme’ van kinderen. Onderzoek zou hebben aangetoond dat er gedurende de dag twee periodes zijn waarop het attentieniveau, de alertheid en de geheugenwerking van kinderen gemiddeld genomen beter functioneren.118 Dat zou zijn tussen 10 en 12 uur en tussen 15 en 17 uur. Kinderen zouden in die perioden ook tot betere leerprestaties komen.119 Vooral in Frankrijk zijn bioritmescholen populair. Het Franse Ministerie van Onderwijs heeft scholen zelfs aangeraden om in het dagelijks lesprogramma en de weekindeling rekening te houden met het bioritme. Ook in Nederland zijn inmiddels de eerste bioritmescholen gestart.

De Schatkaart
Het bioritme van kinderen geeft niet alleen de tijd van wakker zijn en slapen aan, maar beïnvloedtook de hersenactiviteit. Het lesrooster op de Schatkaart houdt rekening met het bioritme van kinderen. Aan het begin van de dag hebben kinderen de gelegenheid om op gang te komen en te wennen aan de schoolse setting. Tussen 10 en 12 is het kortetermijngeheugen van kinderen het meest actief. Dat is het moment voor het leren en oefenen van nieuwe lesstof. De leerkracht geeft veel instructie. Na een rustmoment tussen de middag is het langetermijngeheugen het actiefst. Dan wordt aanwezige kennis uitgebreid en toegepast.

Bron: www.deschatkaartdelft.nl

Generation Schools: een nieuwe indeling van de dag
In de Verenigde Staten zijn diverse initiatieven genomen om de lestijd uit te breiden door lestijdenen schoolroosters aan te passen, waardoor lestijd efficiënter wordt benut. Een voorbeeld zijn de scholen die werken volgens het model van Generation Schools. Deze zijn opgericht in 2004 als een non-profitorganisatie die een ander schoolsysteem wilde invoeren waarin alle leerlingen voldoende kansen kregen, maar zonder extra kosten. Binnen dit model wordt met een (qua kosten) vergelijkbaar personeelsbestand onderwijs verzorgd als op een reguliere school, maar er werken relatief meer leraren en aanzienlijk minder onderwijsondersteunend personeel. Docenten nemen namelijk een deel van het ondersteunend werk over. De klasgrootte varieert meer met het type lessen. Het dagprogramma van een Generation School (voor primair onderwijs) ziet er als volgt uit.

Gedurende de ochtend krijgen de leerlingen in kleine groepen (maximaal 14 leerlingen) twee blokken van 90 minuten onderwijs, de ‘foundation courses’. In deze tijd wordt onderwijs verzorgd in de basisvakken taal, rekenen/wiskunde en science. In de middag volgen de leerlingen in iets grotere groepen (maximaal 24) één of meer (in vo) ‘studio courses’ van elk 1 uur. In deze tijd wordt onderwijs gegeven in de overige vakken, aanvullend of remediërend. Leerlingen die zwak zijn volgen verplicht remediërende cursussen, de overige leerlingen kunnen kiezen uit een aanbod. Eén course duurt circa 6 à 8 weken.

Leraren werken in teams van maximaal vier mensen. Na de lessen heeft elk team twee uur per dag tijd voor overleg en het maken van afspraken. Gedurende twee maal per jaar volgen leerlingen gedurende één maand een ‘intensive course’, daarin staan training/ verbetering van schoolse vaardigheden centraal (bijvoorbeeld taalvaardigheid of spelling), maar er vindt tevens kennismaking plaats met de beroepspraktijk. Deze intensive courses worden verzorgd door een apart team van leraren, zodat de leraren die de reguliere lessen verzorgen, kunnen worden vrij geroosterd voor nascholing, overleg of vakantie.

Knowledge of Power Program: KIPP-scholen
Nogal wat achterstandsgroepen (Latino’s en Afro-Amerikanen) doen het helemaal niet goedop de Amerikaanse scholen. Opvallend is dat ze gedurende het eerste leerjaar wel duidelijk evolueren, maar niet in gelijke mate met de blanke kinderen. Maar nog veel problematischer is de start van het tweede leerjaar. Tijdens hun vakantie komen ze immers niet in contact met lezen of rekenen. In hun milieu wordt dit niet gestimuleerd, waardoor het geleerde niet wordt vastgehouden. De vakantie ontneemt hun kansen omdat die voor hen veel te lang duurt.

Om dit probleem aan te pakken, richtte men in de armste wijken van South Bronx de KIPP Academy op voor kinderen van negen tot dertien jaar. Leerlingen zijn uitsluitend Afro-Amerikaans of Latino-Amerikaans. De KIPP Academy maakt duidelijke afspraken met de kinderen; er worden bijvoorbeeld strenge gedragsregels opgesteld. De school begint om 7:25 en stopt om 17:00. Nadien is er vaak nog huiswerk te maken. Ze doorlopen dezelfde leerstof als op de andere scholen, maar in een trager tempo of beter met meer stimulerende interventies. De leerlingen van de KIPP-scholen spenderen gemakkelijk 60 tot 70% meer tijd in een klaslokaal dan de gemiddelde Amerikaanse kinderen. Ook in de vakantie gaan ze nog minstens drie extra weken door. De resultaten van deze willekeurig gekozen kinderen uit een lage-inkomensklasse met een slechte behuizing en van wie de ouders nooit veel succes hebben gekend in onderwijs, is even goed als de bevoorrechte kinderen van de rijke Amerikanen. Wiskunde is bij het einde van hun schoolcarrière vaak hun lievelingsvak.

De succesfactor zou zijn dat de kinderen in de KIPP-scholen hebben geleerd dat er een verband is tussen inspanning en resultaat. Ze kunnen de vicieuze cirkel van de kansarmoede doorbreken via onderwijs. Onderzoek toont aan dat het KIPP-programma inderdaad positieve effecten heeft op de leerprestaties voor rekenen en meer nog voor taal. Niet verwonderlijk is dat de meeste vooruitgang wordt geboekt in de groep van leerlingen met een taalachterstand.120

13. Bijlage 4: Voorzet classificatiesysteem uitgebreid onderwijs

Criteria voor indeling en beschrijving van uitgebreid onderwijs

Vooraf: onder uitgebreid onderwijs wordt verstaan: alle extra inzet die scholen en leerlingen of studenten ondernemen om leerprestaties te verbeteren zoals die in de wettelijke doelen genoemd zijn, om bredere talentontwikkeling te stimuleren (verrijking) en om de leerling te helpen zich te oriënteren op arbeidsmarkt en maatschappij. Deze definitie houdt in dat wanneer er geen sprake is van éxtra inzet, de activiteit bij het reguliere onderwijsprogramma hoort.

Indeling van het aanbod naar doel en inhoud:

• Leerprestaties verbeteren:
   • gericht op taal/Nederlands/moderne vreemde talen;
   • gericht op rekenen/wiskunde;
   • gericht op andere zaakvakken/geschiedenis/aardrijkskunde, en dergelijke;
   • gericht op leer- en studeervaardigheden (werkhouding, discipline);
   • gericht op interactievaardighedencombinatie of anders.
• Verrijken van lespakket/bredere talentontwikkeling:
   • algemene ontwikkeling;
   • cognitieve activiteit;
   • creatieve activiteit;
   • sportieve activiteit;
   • technische activiteit;
   • talige activiteitcombinatie of anders.
• Oriëntatie op arbeidsmarkt en maatschappij:
   • oriëntatie op maatschappij;
   • oriëntatie op arbeid;
   • combinatie of anders.

Beschrijving van aanbod

Beschrijving van intensiteit, duur en omvang van het aanbod
• Frequentie/intensiteit (inschatting van aantal uur dat leerlingen/studenten er gemiddeld per week mee bezig zijn gedurende de periode dat de activiteit wordt aangeboden):
   • minder dan 1 uur per week;
   • 1-2 uur per week;
   • 3-5 uur per week;
   • 5-10 uur per week;
   • meer dan 10 uur per week;
   • onbekend.
• Duur van activiteit voor leerling (inschatting van over welke periode leerling/student ermee bezig is):
   • gedurende 1 week in het schooljaar;
   • gedurende 1 maand in het schooljaar;
   • gedurende 2 à 3 maanden in schooljaar;
   • meer dan 3 maanden in schooljaar;
   • op verschillende momenten gedurende hele schooljaar.
• Duur van aanbod door school (inschatting hoe lang activiteit op school wordt aangeboden):
   • minder dan 1 jaar;
   • 1 jaar (steeds wordt jaarlijks bekeken wat wordt aangeboden);
   • minimaal 2 jaar;
   • minimaal 4 jaar;
   • onbekend.

Uitvoering (wie vervult de belangrijkste rol in de uitvoering van de activiteiten?)
• de school/de leraar zelf;
• een overheidsinstelling met educatieve taken (bijvoorbeeld een museum, een bibliotheek,een muziekschool);
• de gemeente;
• een gespecialiseerde uitvoeringsorganisatie, bijvoorbeeld cultuurnetwerk, een bedrijvennetwerk;
• een particuliere instelling of bedrijf (bijvoorbeeld sportclub);
• anders of onbekend.

Gegevens over kwaliteit van het aanbod:
• Oordeel van gebruikers (leraren en leerlingen/studenten) over het aanbod en de activiteiten:
   • schaal van 1-10 (5 of lager = onvoldoende).
• Informatie over effecten;
   • systematische informatie over toetsing effectiviteit;
      • geen gegevens beschikbaar;
      • casusbeschrijvingen beschikbaar;
      • niet-wetenschappelijk beschrijvend onderzoek beschikbaar;
      • wetenschappelijk beschrijvend onderzoek beschikbaar;
      • wetenschappelijk (quasi-)experimenteel onderzocht.
   • tijdelijke of blijvend effecten:
      • geen of negatief resultaat gevonden;
      • wisselende resultaten;
      • positief effect op korte termijn (na 1 jaar);
      • positief effect ook op lange termijn (na 3 jaar).

14. Voetnoten

1 Tot 18 jaar spreekt de raad van leerlingen, vanaf 18 jaar en ouder van studenten.

2 De term onderwijs wordt hierbij niet gebruikt als juridische term, maar zoals in het dagelijkse spraakgebruik.

3 Vrijheid en verantwoordelijkheid, 2010.

4 Onderwijsraad, 2009a.

5 Claassen, Knipping, Koopmans & Vierke, 2008.

6 Minderman, Vermaas & Kruisbrink, 2010.

7 Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2009; Minderman, Eijk, Vermaas & Kruisbrink, 2010.

8 Onderwijsraad, 2009b.

9 Zie voor een uitgebreide beschrijving hiervan Onderwijsraad, 2010b.

10 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2009.

11 Het onderzoek naar de financiering is inmiddels afgerond. Het is niet bekend of het inventariserende onderzoek in gang is gezet.

12 Deze definitie wil zeggen dat een externe examentraining wel onder uitgebreid onderwijs valt, maar les op de plaatselijke particuliere muziekschool niet, omdat er in het eerste geval wel contact is met de docent over het aan te bieden programma en in het tweede geval niet. Er moet bovendien sprake zijn van een directe relatie met de wettelijke kerndoelen, referentieniveaus, examenprogramma’s en kwalificatiedossiers.

13 Onderwijsraad, 2007.

14 Onderwijsraad, 2009b.

15 Onderwijsraad, 2010a, waarin is aanbevolen de driejarigen vijf ochtenden naarde basisschool te laten gaan, zodat binnen het primair onderwijseen kleuterperiode voor drie-, vier- en vijf jarigen opgezet kan worden.

16 Kassenberg, 2010.

17 Grinsven & Elphick, 2010

18 Wet van 7 juli 2006 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid, 2006.

19 Zie www.lokaleeducatieveagenda.nl.

20 Inspectie van het Onderwijs, 2010a.

21 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2007, p.16.

22 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2008, p.19.

23 Vrijheid en verantwoordelijkheid, 2010.

24 Achterliggende ambitie is te zorgen voor voldoende en kwalitatief goed opgeleide bèta's en technici, onder andere blijkend uit een hogere uitstroom (ten opzichte van 2000) van studenten uit het bètatechnisch hoger onderwijs. Het Platform Beta Techniek heeft een agenda voor 2011- 2016 opgesteld. Voor de uitvoering van deze agenda is in het primair en voortgezet onderwijs 25 tot 30 miljoen euro benodigd, in het middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs 30 tot 35 miljoen euro.

25 http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/sport/topsport.

26 Ministerie van Volksgezondheid, 2008.

27 Claassen, Knipping, Koopmans & Vierke, 2008.

28 Onderwijsraad, 2010a.

29 Grinsven & Elphick, 2010. In deze enquête hebben 310 directeuren basisonderwijs, 254 directeuren voortgezet onderwijs en 93 directeuren/ middenmanagers uit het middelbaar beroepsonderwijs vragen beantwoord over de extra activiteiten die zij op school organiseren, die meer dan een uur per week behelsen.

30 Grinsven & Elphick, 2010.

31 Grinsven & Elphick, 2010.

32 Grinsven & Elphick, 2010.

33 Hierbij moet de kanttekening worden gemaakt dat het aanbieden van extra examenvakken ook als uitgebreid onderwijs wordt gezien, en dat dit makkelijk te realiseren is voor scholen. Dit kan een enigszins vertekend beeld geven.

34 Grinsven & Elphick, 2010.

35 Platform Beta Techniek, 2009.

36 Grinsven & Elphick, 2010.

37 Grinsven & Elphick, 2010.

38 Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2009.

39 De schakelklassen zijn uitgebreid beschreven in het advies  Vroeg of laat? (2010). Op www.schakelklassen.nl is meer informatie te vinden.

40 Ledoux & Veen, 2010; Mulder, Hoeven, Vierke, Veen & Elshof, 2009.

41 Vegt & Hoogeveen, 2009.

42 Grinsven & Elphick, 2010.

43 Mulder, Hoeven, Vierke, Veen & Elshof, 2009 Zie voor voorbeelden: www.schakelklas.nl van schakelklassen.

44 Berdowski, Berger & Bal, 2010.

45 Berdowksi, Berger & Bal, 2010.

46 Grote prijsverschillen huiswerkbegeleiding, 2010; Hofman, Spijkerboer, Dijkstra & Werf, 2009.

47 Grinsven & Elphick, 2010.

48 Visser, 2009.

49 Berdowski, Berger & Bal, 2010.

50 Berdowski, Berger & Bal, 2010.

51 Berdowski, Berger & Bal, 2010.

52 Rubens, 2009.

53 Grinsven & Elphick, 2010.

54 Boom, Aa & Bruin, 2009, p.32.

55 Valkestijn & Oenen, 2002.

56 Gemeente Den Haag, 2002.

57 Citycollege St. Franciscus, 2003.

58 Zie bijvoorbeeld: http://www.terneuzen.nl/Wonen_en_Leven/Onderwijs_en_Jeugd/Project_Verlengde_Schooldag.

59 http://www.schoolensport.nl/.

60 College Jan Tinbergen, 2010.

61 http://www.technasium.nl/ORGANISATIE/Expertisecentrum.aspx.

62 Hermans, Schneiders, Hamers, Pernis, Hey & Wintels, 2010.

63 http://www.lerende-euregio.com/nl/voorbeeldprojecten/onderwijsinstellingen/uitwisseling-roc-rijn-ijssel---hph-netz-niederrhein-.

64 In dit hoofdstuk worden de middelen van eventuele andere educatieve aanbieders buiten beschouwing gelaten.

65 Zie http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/schooltijden-en-onderwijstijd/onderwijstijd-basisscholen.

66 Andere Tijden, 2010.

67 Patall, Cooper & Allen, 2010.

68 Onderwijsraad, 2008a.

69 Gebaseerd op gesprekken met OCW en de bedragen die genoemd worden in het onderzoek onder schoolleiders. Schoolleiders is gevraagd een grove schatting te maken van de kosten voor bepaalde activiteiten. Er is niet naar gedetailleerde cijfers gevraagd en deze kunnen dan ook niet als zodanig worden geïnterpreteerd.

70 Zie onder andere Ministerie van Financiën, 2010.

71 Geschat op basis van de bekostiging per leerling in de rijksbegroting van OCW 2011 (zie http://www.rijksoverheid.nl/documentenen-publicaties/vragen-en-antwoorden/welk-bedrag-geeft-het-ministerie-van-ocw-per-leerling-uit.html). Een po-leerling kost 5.800 euro, een vo-leerling 7.386 euro en een mbo-student 7.200 euro per jaar. Ervan uitgaande dat iedere leerling het minimum aantal uren volgt: 940 in po, 1.000 in vo en 850 in mbo, is berekend dat om 40 weken 4 uur extra les aan te bieden dit voor een po-leerling 987 euro zou kosten, voor een vo-leerling 1.182 euro en voor een mbo-student 1.355 euro.

72 Kassenberg, 2010.

73 Grinsven & Elphick, 2010.

74 Grinsven & Elphick, 2010.

75 http://www.cultuurplein.nl/po/beleidenregelingen/subsidieregelingen.

76 http://www2.provincie-utrecht.nl/prvutr/internet/j20_10.nsf/files/Provinciale_uitvoeringsnota_Utrecht_in_Beweging_juni_2008.pdf/$FILE/Provinciale_uitvoeringsnota_Utrecht_in_Beweging_juni_2008.pdf.

77 Inspectie van het Onderwijs, 2010b; Centraal Bureau voor de Statistiek, 2009.

78 Kuijk, Hulsen, Thomassen, Uerz & Kessel, 2007.

79 Centraal Bureau voor de Statistiek, 2009.

80 Kassenberg, 2010.

81 Claassen, Knipping, Koopmans & Vierke, 2008.

82 Kassenberg, 2010 ID 96.

83 Kassenberg, 2010.

84 Vgl. Zimmer, Hamilton & Christina, 2010; Palmiter, Arcaira, White & Reisner, 2009; Walking Eagle, Miller, Cooc, LaFleur & Reisner, 2009; Patall, Cooper & Allen, 2010.

85 Kassenberg, 2010. ID 35.

86 Kassenberg, 2010 ID 37.

87 Onderwijsraad, 2006.

88 Kassenberg, 2010 (Deborah Lowe Vandell et al., 2007).

89 Kassenbert, 2010 (Russell, Mielke, Miller & Johnson, 2007).

90 Kassenberg, 2010 ID 123.

91 Vandell, Reisner, & Pierce, 2007.

92 Steketee, Mak & Tierolf, 2010.

93 Steketee, Mak & Tierolf, 2010.

94 Roest, Lokhorst & Vrooman, 2010.

95 Vandell, Reisner & Pierce, 2007.

96 Kassenberg, 2010, ID 46.

97 Harris, 2008; Harris & Princiotta, 2009.

98 Russell, Mielke, Miller & Johnson, 2007; Russell, Mielke & Reisner, 2009.

99 Cornelissen & Pfeifer, 2007.

100 Blomfield & Barber, 2009; Afterschool Alliance, 2007; Mahoney, Cairns & Farmer., 2003.

101 Kassenberg, 2010, ID 138.

102 Patall, Cooper & Allen, 2010.

103 Smith, 2000.

104 Kassenberg, 2010, ID 63 & 118. Met betrekking tot de taalprestaties was er overigens geen verschil tussen de groepen.

105 Dit hoeft niet per se onderwijstijd in de juridische zin te zijn.

106 Hoxby & Murarka, 2008.

107 Borman & Maritza, 2006.

108 Kassenberg, 2010, ID 124.

109 Litke, 2009; Harvard Family Research Project, 2010.

110 Kassenberg, 2010 ID 84 & ID 81.

111 Borman & Maritza, 2006.

112 Onderwijsraad, 2003; Onderwijsraad, 2009a.

113 Zie bijlage 4 voor een uitgebreidere versie van een mogelijk classificatiesysteem.

114 Initiatieven zijn bijvoorbeeld Gast in de Klas en Bedrijf + School, de Sociaal-emotionele databank van de Stichting Leerplanontwikkeling en de Best Evidence Encyclopedia van TIER.

115  Doelgericht zijn: helder omschreven doelen die geëvalueerd kunnen worden. Doelen kunnen betrekking hebben op leerprestaties, sociaal-emotionele ontwikkeling, groepsprocessen, of betrokkenheid van leerlingen bij leren, school, werk of de samenleving.
Kwaliteit: zie hoofdstuk 5: aantoonbaar effectief, regelmatig geëvalueerd worden, toegankelijk zijn voor alle leerlingen en studenten die het nodig hebben; dus zonder substantiële verplichte eigen bijdrage; voldoende langdurig en frequent worden aangeboden; inhoudelijk worden afgestemd op het reguliere onderwijsprogramma van de school.
Toegankelijk: iedereen die wil deelnemen en die het nodig heeft kan deelnemen.
Intensiviteit: dit verwijst naar een frequentie en langdurige deelname.

116 Andere Tijden, 2010.

117 Zij hebben gekozen voor een van-ochtend-tot-avondarrangement, niet alleen om werkende ouders tegemoet te komen, maar ook vanuit hun sociocratische werkwijze.

118 Schreuder, 2010.

119 Balledux, Schreuder & Laukon-Bakker, 2005.

120 Angrist, Dynarski, Kane, Pathak & Walters, 2010.