Goed opgeleide leraren voor het (voorbereidend) middelbaar beroepsonderwijs

19 april 2011 | Advies

Samenvatting

Een goede voorbereiding op lesgeven in het vmbo en het mbo
Hoe kan het opleidingenstelsel leraren adequaat toerusten voor het (voorbereidend) middelbaar beroepsonderwijs? Hierbij wordt zowel gekeken naar de kwaliteit van de lerarenopleidingen als naar de aantrekkelijkheid ervan. De Onderwijsraad pleit er in dit advies voor om de bestaande opleidingen voor leraren vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs) en mbo (middelbaar beroepsonderwijs) aan te passen. Dit is nodig omdat ze onvoldoende rekening houden met de kenmerken van die onderwijstypen. Leraren in het vmbo moeten kennis hebben van hun vak en van het beroepenveld, maar ook beschikken over specifieke pedagogische en didactische competenties. Leraren in het mbo moeten vooral beroepsgerichte en vakinhoudelijke competenties goed ontwikkeld hebben. Zij moeten bovendien betere voorbereid zijn op het functioneren in competentiegericht onderwijs en op het werken met kwalificatiedossiers.

De raad adviseert aanpassingen in de tweedegraads lerarenopleidingen in de algemeen vormende vakken (bijvoorbeeld Nederlands, Engels, aardrijkskunde, algemene economie), in de tweedegraads lerarenopleidingen in de beroepsgerichte vakken (bijvoorbeeld bouwkunde, grafische techniek, gezondheidszorg en welzijn, werktuigbouwkunde en pedagogiek) en in het stelsel als geheel. Dat verbetert de aansluiting tussen opleidingen en onderwijspraktijk, en maakt de lerarenopleidingen in de beroepsgerichte vakken aantrekkelijker.

Aanbevelingen voor de lerarenopleiding in de algemeen vormende vakken
Verplicht en verbeter de uitstroomprofielen
In de meeste lerarenopleidingen kunnen studenten bij de algemeen vormende vakken kiezen uit drie profielen: vakinhoudelijke vorming (dit profiel richt zich op lesgeven in havo/vwo), zorgontwikkeling (gericht op het vmbo) en beroepspraktijkvorming (gericht op het mbo). De raad stelt voor deze uitstroomprofielen verplicht te stellen voor alle lerarenopleidingen in algemene vakken en ze inhoudelijk aan te scherpen. Ook het basisprogramma van de lerarenopleiding in de algemeen vormende vakken moet inhoudelijk een oriëntatie bieden op het (v)mbo. De raad adviseert de kennis van de beroepsgerichte pedagogiek en didactiek uit te breiden om de lerarenopleiding algemene vakken op een hoger plan te tillen. Dit laatste geldt ook voor de andere opleidingsroutes tot docent (v)mbo.

Maak gebruik van de generieke bekwaamheidseisen en leg accenten
De generieke bekwaamheidseisen kunnen als leidraad dienen voor de inhoudelijke aanpassingen.Wel acht de raad het noodzakelijk daarbinnen accenten te leggen voor leraren in het vmbo en mbo.

Aanbevelingen voor de lerarenopleiding in de beroepsgerichte vakken
Stimuleer de clustering van kleine opleidingen
De raad adviseert de al genomen initiatieven om kleine beroepsgerichte opleidingen te clusteren,te stimuleren. Zo zijn bedrijfseconomische en kwalitatieve problemen als gevolg van een geringe studenteninstroom op te lossen en te voorkomen. Voorwaarde is wel dat de opleidingen hun vakinhoudelijke niveau behouden.

Bied hbo-studenten vroeg de mogelijkheid een lerarenopleiding te volgen
De raad adviseert om studenten in de hbo-vakopleidingen (hoger beroepsonderwijs) tijdenshun bachelor een educatieve minor aan te bieden. De minor zorgt samen met de al bestaande hbo-kopopleiding en het zij-instroomtraject voor meer flexibiliteit in het opleidingsstelsel. Dit maakt het leraarschap in de beroepsgerichte vakken aantrekkelijker.

Harmoniseer het zij-instroomtraject voor het mbo
In de praktijk is in het mbo een grote variëteit in zij-instroomtrajecten ontstaan. Dat geeft verschillenin de kwaliteit van de leraren en daarmee in de waarde van het diploma. De raad stelt voor dit opleidingstraject te harmoniseren door hiervoor wettelijke kaders op te nemen in de WEB (Wet educatie en beroepsonderwijs).

Aanbevelingen voor het hele stelsel
Benut de postinitiële mogelijkheden optimaal
Binnen de initiële lerarenopleidingen worden leraren opgeleid zodat ze startbekwaam zijn inhet uitvoeren van de verschillende taken die een leraar heeft. Startbekwaam betekent dat de leraar aan de minimale eisen voldoet om te mogen lesgeven. Het is belangrijk dat de ontwikkeling van de leraar niet stopt bij het afronden van de initiële opleiding. Een postinitieel professionaliseringstraject is noodzakelijk. De raad adviseert daarvoor gebruik te maken van het beroepsregister voor leraren en van de bijbehorende verplichte bij- en nascholing. Verder kunnen de mogelijkheden voor leraren in het vmbo en mbo om bedrijfsstages te lopen worden uitgebreid.

Verhoog het opleidingsniveau van leraren
De raad adviseert nieuwe leraren in de algemeen vormende vakken te verplichten zich postinitieelte laten bijscholen tot masterniveau (hoger beroepsonderwijs of wetenschappelijk onderwijs). Voor leraren in de beroepsgerichte vakken (waaronder veel zij-instromers) geldt deze verplichting niet. Wel acht de raad het noodzakelijk dat in ieder team expertise op masterniveau aanwezig is. De raad adviseert verder om voor leraren die lesgeven in het laatste jaar van het mbo op niveau 4 een eerstegraads bevoegdheid verplicht te stellen voor de algemeen vormende vakken. Die verplichting geldt immers ook voor de bovenbouw van de havo die eveneens toegang geeft tot het hoger onderwijs.

Betrek al het onderwijzend personeel bij de professionalisering
In het mbo zijn instructeurs, begeleiders en praktijkbegeleiders in de leerbedrijven evenzeerbelangrijk. De raad vindt dat zij moeten worden betrokken in initiatieven om beroepsgroepen van onderwijsgevenden te vormen.

1. Advies gevraagd over opleiden leraren voor (v)mbo

De Onderwijsraad adviseert de staatssecretaris over de vraag of leraren in het (voorbereidend) middelbaar beroepsonderwijs anders opgeleid en gekwalificeerd moeten zijn dan hun collega’s in het algemeen voortgezet onderwijs.

1.1 Aanleiding: lesgeven in vmbo en mbo stelt specifieke eisen aan leraren

Aparte bekwaamheidseisen nodig voor leraren vmbo en mbo?
Al enige jaren wordt gesproken over de vraag hoe leraren in het vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs) en het mbo (middelbaar beroepsonderwijs) opgeleid en gekwalificeerd moeten worden. De discussie hierover is gestart naar aanleiding van de invoering van de Wet-BIO (Wet op de beroepen in het onderwijs, 2006). Deze wet bepaalt dat bekwaamheidseisen voor leraren, schoolleiders en onderwijsondersteuners moeten worden vastgesteld. Het gaat om minimale beroepsvereisten, die ook fungeren als uitgangspunten voor het vormgeven van opleidingen en voor het op peil houden van de bekwaamheid gedurende de loopbaan. Ook zijn de bekwaamheidseisen een referentiepunt voor de noodzakelijke scholing van zij-instromers in het onderwijs (Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel 2005).

De vraag die het formuleren van de bekwaamheidseisen opriep, was: moeten er aparte eisen (en mogelijk aparte opleidingen) komen voor leraren in het vmbo en het mbo? Leraren worden in het huidige stelsel breed opgeleid, dus zowel voor het algemeen voorgezet onderwijs als voor het beroepsonderwijs. Een smallere opleiding – alleen voor het vmbo en mbo – zou beter recht doen aan de specifieke kenmerken van dit type onderwijs. Het gaat dan om de leerlingenpopulatie die anders is dan in het havo en het vwo, om de beroepsgerichtheid van de opleidingen en om de grote variatie aan vakken, leerwegen en niveaus. Deze kenmerken stellen specifieke eisen aan de leraren. Daar staat tegenover dat een brede opleiding de flexibiliteit van leraren op de onderwijsarbeidsmarkt ten goede komt.

Uiteindelijk is er één set bekwaamheidseisen geformuleerd voor het vmbo, het mbo, de onderbouw van de havo en het vwo, het praktijkonderwijs en de volwasseneneducatie. Iedereen die een hbo-lerarenopleiding (hoger beroepsonderwijs) heeft gevolgd (een tweedegraads opleiding) kan in al deze onderwijstypen lesgeven. Ook een eerstegraads lerarenopleiding geeft een bevoegdheid voor deze onderwijssoorten, net als een eenjarige hbo-kopopleiding (na het behalen van een bachelor) en een educatieve minor in het wetenschappelijk onderwijs. De laatste levert een bevoegdheid op voor de theoretische leerweg in het vmbo en voor de onderbouw van het havo en het vwo. Tot slot is er een mogelijkheid om de bevoegdheid voor het vmbo en het mbo te halen via een zij-instroomtraject. Overigens wijkt het mbo als het gaat om benoembaarheidseisen op één punt af van de andere onderwijssoorten (dus ook van het vmbo): leraren hoeven niet te voldoen aan bekwaamheidseisen voor een specifiek vak; de wet eist alleen een tweedegraads bevoegdheid. Leraren worden dus in het huidige stelsel breed opgeleid.

Bekwaamheidseisen voor leraren
Er zijn drie sets van bekwaamheidseisen voor:
• leraren in het primair onderwijs;
• leraren in het vmbo, het mbo, de onderbouw van havo/vwo, het praktijkonderwijs en de volwasseneneducatie (tweedegraads leraar); en
• leraren in de bovenbouw van havo/vwo: het voorbereidend hoger onderwijs (eerstegraads leraar).

De bekwaamheidseisen voor leraren zijn door de beroepsgroep zelf ontwikkeld onder leiding van de SBL (Stichting Beroepskwaliteit Leraren en ander onderwijspersoneel). Ze zijn geordend binnen zeven competenties die samen de bekwaamheid voor het geven van onderwijs omschrijven. Bij de bekwaamheidseisen en competenties horen deelcompetenties en indicatoren. Een aantal van deze indicatoren is specifiek voor leraren in het mbo. De bekwaamheidseisen en de specifieke indicatoren zijn opgenomen in bijlage 2.

Ook na het formuleren van de bekwaamheidseisen ging de discussie over smal of breed opleiden voor het beroepsonderwijs door. De meningen hierover lopen nog steeds sterk uiteen.1 Voorstanders wijzen erop dat smallere kwalificaties – specifiek dus voor het beroepsonderwijs en voor het algemeen voortgezet onderwijs, al dan niet naast brede kwalificaties – leraren beter voorbereiden op lesgeven aan een specifieke doelgroep. Versmalling van de eisen zou de sector ook aantrekkelijker kunnen maken voor aankomende leraren. Voor het vmbo en het mbo zelf kunnen specifiek voor het beroepsonderwijs opgeleide leraren aantrekkelijk zijn. Er zijn echter ook tegenstanders van versmalling. Zij voeren aan dat het voor scholen ingewikkelder wordt om mensen met veel verschillende kwalificaties een goede plek te geven binnen de organisatie. Ook de wendbaarheid van smaller opgeleide leraren op de arbeidsmarkt neemt af.

Blijkens signalen uit de praktijk, onder andere tot uitdrukking gebracht in het rapport Competentieprofiel leraar (v)mbo? van het LPBO (Landelijk Platform Beroepen in het Onderwijs) uit 2006, lopen docenten en leraren in het (v)mbo tegen een aantal specifieke omstandigheden aan. In de eerste plaats krijgen de leraren te maken met leerlingen die andere kenmerken hebben dan de leerlingen op de havo en het vwo. Daarnaast krijgen ze te maken met een grotere variatie aan vakken, leerwegen en niveaus dan op het havo en het vwo. Hiervoor zijn speciale pedagogische en didactische competenties nodig en sociale en communicatieve vaardigheden die docenten niet altijd mee krijgen in hun opleiding. Ook zijn docenten te weinig voorbereid op het competentiegerichte onderwijs en het werken met kwalificatiedossiers.

Niet alleen leraren geven onderwijs in het (v)mbo
Ook onderwijsassistenten, (praktijk)begeleiders en instructeurs verzorgen onderwijs in het vmboen mbo. Leraren zijn verantwoordelijk voor de lessen en voor de begeleiding van leerlingen. Onderwijsassistenten en (praktijk)begeleiders werken onder supervisie van een leraar en ondersteunen de lessen. Een instructeur ondersteunt of verzorgt praktijklessen. Tijdens de stages en beroepspraktijkvorming worden de leerlingen en deelnemers ook begeleid door praktijkbegeleiders en leermeesters op de werkplek. In dit advies staat de kwaliteit van het opleidingen- en kwalificatiestelsel van de leraar centraal, maar de raad besteedt ook aandacht aan andere betrokkenen bij het onderwijs.

Eerdere adviezen over smal of breed opleiden voor het vmbo/mbo
De minister heeft van verschillende partijen (gevraagd en ongevraagd) advies gekregen overhet opleidingenstelsel: de sociale partners in de sectoren primair en voortgezet onderwijs en de beroeps- en volwasseneneducatie, de HBO-raad (ondersteund door de vereniging van universiteiten VSNU), de MBO Raad en het LPBO. De volledige adviezen zijn in te zien via www. onderwijsraad.nl.

Bijna al deze partijen pleiten voor brede bevoegdheden voor leraren in het primair en voortgezet onderwijs en in het middelbaar beroepsonderwijs. De specialisaties die nu al mogelijk zijn in de lerarenopleidingen willen zij handhaven (jong – ouder kind; beroepsonderwijs – algemeen voortgezet onderwijs). Voor de tweedegraads lerarenopleidingen acht de HBO-raad verdieping van bestaande specialisaties wel wenselijk.

Het LPBO kwam in 2006 in het rapport Competentieprofiel leraar (v)mbo? tot de conclusie dat het huidige profiel van de tweedegraads leraar adequaat is voor de leraar in het (v)mbo. Afzonderlijke bekwaamheidseisen hebben volgens het LPBO een negatieve uitwerking op de transparantie en robuustheid van de kwalificatiestructuur én op de samenhang binnen de kwalificatiestructuur voor de onderwijsberoepen. Bovendien verschilt het beroepsmatig handelen van leraren in het (v)mbo naar het oordeel van het LPBO niet wezenlijk van het beroepsmatig handelen van leraren in het algemeen voortgezet onderwijs. Mede op grond van dit rapport besloot de minister geen aparte bekwaamheidseisen te formuleren voor leraren in het vmbo en het mbo. Hierbij woog het argument zwaar dat een brede bekwaamheid nodig is voor de beweeglijkheid van de leraar op de onderwijsarbeidsmarkt. De minister heeft in de beleidsreactie op het rapport van het LPBO wel aangegeven dat ze inspanningen omtrent de profilering en/of verdieping van de opleiding gericht op leraren (v)mbo toejuicht. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door specifieke uitstroomprofielen zichtbaar te maken op diploma’s, zodat een werkgever kan zien waarvoor de beginnende leraar inzetbaar is en voor welke domeinen hij nog competenties zal moeten verwerven.

De MBO Raad gaf een ander advies. Hij stelde dat het huidige kwalificatie- en opleidingsstelsel niet meer voldoet. De invoering van competentiegericht onderwijs vraagt naar het oordeel van de MBO Raad om een herbezinning op de rol en kwaliteiten van de leraar en van andere bij het onderwijs betrokkenen. De opleidingen zouden leraren moeten leveren die voorbereid zijn op deze manier van werken, en die dus op andere wijze vorm en inhoud kunnen geven aan het onderwijs. Omdat de opleidingen deze beroepskrachten nu niet leveren, moeten mbo-instellingen veel extra kosten maken voor bijscholing. De MBO Raad bepleit kwalificatiedossiers voor leraren (v)mbo die leidend zijn voor een nieuw onderwijsprogramma. Deze werkwijze is ook nodig voor andere beroepsgroepen betrokken bij het primaire proces, zoals instructeurs. De MBO Raad wil een zodanig flexibele structuur dat noodzakelijke veranderingen in de toekomst snel en efficiënt worden gerealiseerd. Ook wil de MBO Raad de kwalificatie-eisen voor het pedagogisch-didactisch gedeelte van de lerarenopleiding voor het mbo gelijkstellen aan de eisen voor het pedagogisch-didactisch getuigschrift (het getuigschrift pedagogisch didactische scholing WEB bedoeld in artikel 7a.4 van de WHW (Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek).

De Onderwijsraad neemt de argumenten en uitkomsten van deze verschillende adviezen in beschouwing bij het beantwoorden van de vraag in dit advies.

1.2 Adviesvraag: hoe kan het stelsel leraren adequaat opleiden voor het (v)mbo?

Naast de hiervoor genoemde ontwikkelingen heeft de Tweede Kamer op 25 maart 2010 een motie aangenomen van het lid Dibi (GroenLinks). De motie vraagt om een nadere beschouwing van de inrichting van het opleidingen- en kwalificatiestelsel voor leraren in het (v)mbo. Dit heeft er (mede) toe geleid dat de staatssecretaris de Onderwijsraad om advies vraagt over dit onderwerp.

De vraag aan de raad luidt: bereidt het huidige opleidingenstelsel leraren vmbo en mbo adequaat voor op hun onderwijstaak? Zo nee: welke maatregelen zijn nodig om het stelsel te verbeteren?

Bij het beantwoorden van de vraag in dit advies betrekt de Onderwijsraad alle opleidingsroutes voor leraren in het (v)mbo. Daaronder zijn de tweedegraads lerarenopleidingen in de algemene vakken (bijvoorbeeld Nederlands, Engels, aardrijkskunde, algemene economie) en die in de beroepsgerichte vakken (bijvoorbeeld bouwkunde, grafische techniek, gezondheidzorg en welzijn, werktuigbouwkunde en pedagogiek). De raad kijkt niet alleen naar de kwaliteit van de voorbereiding op het vmbo en mbo, maar ook naar manieren om de opleidingen in de beroepsgerichte vakken aantrekkelijker te maken.

De precieze vraag en deelvragen die de staatssecretaris heeft gesteld, staan achter in deze uitgave. De aanbevelingen die eruit voortvloeien, richt de raad aan de staatssecretaris.

Totstandkoming van dit advies
Voor dit advies heeft de Onderwijsraad onder andere een onderzoek uitgevoerd onder leraren in hetvmbo en het mbo. Hen is gevraagd naar hun mening over het huidige opleidingen- en kwalificatiestelsel. Een vragenlijst is uitgezet onder ruim 4700 leraren. Zo’n 2300 lijsten kwamen ingevuld terug (een respons van 49%). Alle sectoren, leerwegen en niveaus van het (v)mbo waren in de steekproef vertegenwoordigd. De resultaten staan op de site van de Onderwijsraad.

Daarnaast is in drie panels gesproken met achtereenvolgens vertegenwoordigers van de lerarenopleidingen, schoolleiders in het (v)mbo en sociale partners (sectorraden mbo, aoc, hbo, vo en Stichting Platforms VMBO). Een complete lijst van literatuur en geraadpleegde deskundigen is te vinden achter in dit advies.

Leeswijzer
Hoofdstuk 2 schetst de context van de adviesvraag: wat zijn de verschillen tussen lesgeven in het (v)mbo en in het algemeen voortgezet onderwijs, hoe ziet het huidige opleidingenstelsel voor leraren eruit en waar zitten knelpunten voor vmbo- en mbo-leraren? Hoofdstuk 3 geeft antwoord op de adviesvraag. De hoofdstukken 4, 5 en 6 lichten de in hoofdstuk 3 genoemde aanbevelingen uitgebreid toe.

2. Context: het (v)mbo is anders dan het algemeen voortgezet onderwijs

Goede vakmensen zijn onmisbaar voor onze samenleving. Een groot deel van de beroepsbevolking wordt opgeleid in het (v)mbo. Wat zijn de kenmerken van deze onderwijssoort en hoe worden leraren ervoor opgeleid?

2.1 De kenmerken van het (v)mbo

Het vmbo en het mbo bereiden leerlingen voor op een beroep, maar besteden ook aandacht aan algemene vorming en burgerschapscompetenties. Deze drievoudige kwalificatie is in de wet vastgelegd om een eenzijdige gerichtheid op het bedrijfsleven, het (vervolg)onderwijs of de maatschappij te voorkomen.

Het (v)mbo neemt een onmisbare plaats in binnen het onderwijsstelsel. Het vmbo is geen eindonderwijs, maar voor de meeste leerlingen de voorbereiding op een mbo-opleiding, en voor een klein deel op de havo. Het mbo bereidt niet alleen voor op een beroep, maar maakt ook voor veel leerlingen het hoger onderwijs bereikbaar. Het beroepsonderwijs is dus een belangrijke route voor sociale mobiliteit en vergroot de bereikbaarheid van hoger onderwijs voor grote groepen leerlingen die ‘anders’ leren dan leerlingen in het algemeen voortgezet onderwijs, of die op 12-jarige leeftijd om andere redenen niet naar een havo/vwo-opleiding zijn gegaan.2 Het middelbaar beroepsonderwijs is een belangrijke draaischijf in ons onderwijsstelsel en kan daarmee net als de havo en het vwo worden beschouwd als ‘voorbereidend hbo’.

In 2009 zaten er 147.500 leerlingen in vmbo 3 en 4, de bovenbouw van het vmbo. In dat jaar zaten 99.100 leerlingen in havo 3 en 4 en 86.000 leerlingen in vwo 3 en 4. Ongeveer 44% van de leerlingen in het derde en vierde leerjaar van het voortgezet onderwijs zit op het vmbo. In 2009 telde het mbo 519.200 leerlingen en het hbo zo’n 400.000 studenten.3 Vergeleken met andere onderwijssectoren heeft het mbo een aanzienlijke omvang.

In de afgelopen jaren is het aantal leraren in het voortgezet onderwijs gestegen. In het mbo (exclusief leraren in het groen onderwijs) is het aantal leraren in de periode 2001-2009 juist iets afgenomen. In dezelfde periode is het aantal leerlingen (deelnemers) gegroeid.4 Er zijn dus minder leraren beschikbaar voor de deelnemers. Zowel het voortgezet onderwijs als het middelbaar beroepsonderwijs zal in de komende jaren een hoge uitstroom van leraren meemaken als gevolg van de vergrijzing van de lerarenpopulatie. Dit betekent dat er een forse vraag zal zijn naar leraren in het voortgezet onderwijs (en dus ook het vmbo) en leraren in het mbo.5 De meeste Europese landen kampen met vergrijzing van het lerarencorps in het beroepsonderwijs.6

Hoe zit het (v)mbo in elkaar?
Het vmbo kent vier leerwegen: de basisberoepsgerichte, de kaderberoepsgerichte, de gemengde en de theoretische (vergelijkbaar met de vroegere mavo). Elke leerweg biedt andere doorstroommogelijkheden naar het mbo, dat onderwijs op vier niveaus aanbiedt. De basisberoepsgerichte leerweg leidt naar het mbo-niveau 2; de kaderberoepsgerichte, gemengde en theoretische leerwegen bereiden voor op mbo-niveau 3 en 4. Gediplomeerden uit de theoretische leerweg kunnen ook naar de havo. De leerwegen verschillen verder in manieren van leren. De basis- en kaderberoepsgerichte leerwegen zijn voor praktisch ingestelde leerlingen. De theoretische leerweg/mavo is bedoeld voor de meer theoretisch ingestelde leerlingen. De gemengde leerweg is een combinatie van theorie en praktijk. Het vmbo kent ook leerwegondersteunend onderwijs: dit biedt extra ondersteuning voor leerlingen die voldoende capaciteiten hebben om een vmbo-diploma te halen, maar kampen met leerachterstanden of gedragsproblemen.7

Het mbo heeft een heel divers aanbod. Er zijn in totaal 1.360 opleidingen. Er is keuze uit twee leerwegen: de beroepsopleidende leerweg en de beroepsbegeleidende leerweg. In de eerste leerweg gaan studenten voltijds naar school en lopen ze regelmatig stage in een bedrijf. De tweede leerweg is een combinatie van leren en werken: studenten volgen een deel van de week onderwijs en werken daarnaast in een bedrijf. Het mbo kent vier niveaus:
• assistentenopleiding (niveau 1): duurt één jaar, met aandacht voor algemene werknemersvaardigheden;
• basisberoepsopleiding (niveau 2): duurt twee tot drie jaar, met aandacht voor uitvoerende werkzaamheden, leidt op voor beroepen als kapper en autotechnicus;
• vakopleiding (niveau 3): duurt drie jaar, met aandacht voor het zelfstandig verrichten van uitvoerende werkzaamheden, leidt op voor beroepen als verzorgende en eerste monteur; en
• middenkaderopleiding (niveau 4): duurt drie tot vier jaar, met aandacht voor praktijk en theorie, leidt op voor beroepen als filiaalbeheerder en activiteitenbegeleider, bereidt ook voor op het hbo.8

2.2 Verschillen met het algemeen voortgezet onderwijs

Lesgeven in het vmbo of mbo is anders dan in het algemeen voortgezet onderwijs (havo en vwo). Waarin zitten de verschillen precies en wat betekenen ze voor de competenties van de leraar? Deze paragraaf geeft hierop antwoord.

De raad tekent hierbij aan dat niet gesproken kan worden van dé kenmerken van de vmboof mbo-leerling. De leerlingen in de theoretische leerweg bijvoorbeeld kunnen doorstromen naar de havo en zullen meer gemeen hebben met havo- en vwo-leerlingen dan met vmboleerlingen uit de basisberoepsgerichte leerweg. Leerlingen kunnen dus van elkaar verschillen, al was het maar door de verschillende leerwegen en opleidingsniveaus.

Pedagogisch-didactische kwaliteiten
De leerlingenpopulatie heeft in het (v)mbo andere kenmerken dan in het algemeen voortgezet onderwijs. De meeste vmbo- en mbo-leerlingen proberen liever iets uit dan dat ze een instructietekst doornemen. Ze leren door te doen. De behoefte aan structuur en instructie is vooral in het vmbo groot: leerlingen willen een duidelijke uitleg en een duidelijke opdracht. In het vmbo is meer dan in de havo en het vwo veel aandacht voor individuele leerprocessen van leerlingen. Daarnaast zijn er zowel in het vmbo als in het mbo relatief veel leerlingen met concentratieproblemen. Ze zijn snel afgeleid en hebben moeite met het combineren van taken.9 Het aantal zorgleerlingen in beide onderwijssoorten neemt toe.10 Tot slot zijn vooral vmbo-leerlingen zich bewust van de relatief lage status van hun opleiding. Dit is van invloed op hun motivatie voor school en op het vertrouwen in de eigen capaciteiten.11 De constatering dat voor veel jongeren de eigen leefwereld centraal staat12, gaat in het bijzonder op voor leerlingen in het vmbo. Voor jongeren in de beroepsgerichte leerwegen in het vmbo zijn de toekomstperspectieven relatief beperkt. Daarom richten zij zich eerder op wat plezier en zelfvertrouwen in het hier en nu oplevert.13

De leraar dient uiteraard te beschikken over vakinhoudelijke competenties, maar moet méér dan in de havo en het vwo een beroep doen op zijn pedagogische en didactische vaardigheden. Hij moet onderwijs aansprekend maken voor praktisch ingestelde leerlingen en hen kunnen motiveren. Tevens moet hij problemen met en van zorgleerlingen kunnen signaleren en daarmee kunnen omgaan. De leraar is relatief veel tijd kwijt met orde houden in de klas. Verder moeten leraren, zeker als het gaat om de omgang met zorgleerlingen, nauw kunnen samenwerken met collega’s, ouders en professionals uit andere sectoren, bijvoorbeeld jeugdzorg. Het ontwikkelen van maatwerkprogramma’s voor individuele leerlingen en deelnemers vraagt om specifieke pedagogische en didactische kwaliteiten, zoals coaching en begeleiding.14 Ook deze individuele trajecten maken een goede samenwerking tussen leraren in een team noodzakelijk.

Beroepsgerichtheid
In het vmbo en mbo krijgen leerlingen algemeen vormende vakken (zoals Nederlands, geschiedenis en wiskunde) en beroepsgerichte vakken (zoals gezondheidszorg en welzijn, bouwtechniek, omgangskunde en werktuigbouwkunde). De laatste komen alleen voor op het vmbo en mbo, de eerste ook in de havo en het vwo. De beroepsgerichtheid in het vmbo en mbo is een groot verschil met het algemeen voortgezet onderwijs. Er is veel ruimte voor praktijklessen en voor beroepsgerichte programma’s – in het mbo nog meer dan in het vmbo. In het mbo worden de leerlingen opgeleid tot beginnend beroepsbeoefenaar, in het vmbo ligt de nadruk meer op het oriënteren op beroepen en opleidingen. Verder wordt er vaker dan in de havo en het vwo gewerkt met leergebieden waarin verschillende vakken zijn opgenomen en met geïntegreerde opdrachten. De leraar moet in staat zijn als lesgever en begeleider te functioneren in het praktijkgericht en geïntegreerd onderwijs.15 Naast onderwijskundige, didactische en leerpsychologische kennis, onderwijskundige praktijkkennis en de theoretische kennis van het vak waarin de docent lesgeeft, is juist de kennis van de beroepspraktijk belangrijk in het (v)mbo. Om praktijkgericht les te kunnen geven, moeten docenten weten wat er in de praktijk speelt en hoe de werkprocessen in elkaar zitten.16 Relevante werkervaring lijkt een goede basis te bieden voor het praktijkgericht lesgeven, vooral voor beginnende docenten. Het biedt hen houvast en geeft zelfvertrouwen.17 Een belangrijke uitdaging bij dit praktijkgericht lesgeven is het onderhouden van de praktijkkennis. Docenten in het (v)mbo hebben meer dan docenten op de havo of het vwo te maken met ontwikkelingen op hun vakgebied. Over het algemeen ervaren docenten in het (v)mbo dat ze te weinig tijd hebben om deze kennis en vaardigheden te actualiseren, tenzij het gaat om inservice trainingen die formeel zijn geïntegreerd in het werk.18

De praktijkkennis is vooral belangrijk bij het begeleiden van leerlingen tijdens de stages in leerbedrijven (de beroepspraktijkvorming). Hierin komt de beroepsgerichtheid van het (v)mbo het meest tot uitdrukking. Bij de beroepspraktijkvorming zijn twee begeleiders betrokken: één op de werkplek (praktijkopleider of leermeester) en één in de onderwijsinstelling (docent-stagebegeleider). De docent-stagebegeleider staat vaak op grotere afstand van de beroepspraktijk dan de praktijkbegeleider. De rol van de docent-stagebegeleider is vooral om relevante theorie over te brengen en deze te koppelen aan de praktijk. Ook houdt hij het overzicht over de totale opleiding en speelt hij een belangrijke rol in het reflecteren op het functioneren van de stagiair. Juist dit laatste vergt (actuele) kennis van de beroepspraktijk. Daarnaast is de samenwerking met de praktijkopleider onmisbaar: de inhoud en het proces van praktijkleren moeten goed afgestemd worden. De praktijkbegeleider begeleidt de leerling binnen het bedrijf. Hij beschikt over de relevante praktijkgerichte competenties, maar richt zich daarbij vooral op kennis en vaardigheden die nodig zijn voor het specifieke beroep. Belangrijke competenties zoals sociale vaardigheden worden veelal uit het oog verloren.19 Daarnaast beschikt de praktijkbegeleider vaak beperkt over de benodigde pedagogische en didactische competenties. Uit verschillende buitenlandse studies blijkt dat een specifieke training voor praktijkbegeleiders gericht op deze pedagogische en didactische competenties de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming aanzienlijk verbetert.20

Loopbaanontwikkeling
In het vmbo en vooral in het mbo wordt aandacht besteed aan de loopbaanontwikkeling van leerlingen. De leerling houdt zich bezig met vragen als: waar sta ik (in mijn ontwikkeling), waar moet ik heen (met mijn ontwikkeling) en hoe kom ik daar (via mijn ontwikkeling). Hij stelt met hulp van de leraar een persoonlijk ontwikkelingsplan op en bepaalt in overleg welke middelen nodig zijn om aan de uitstroomeisen te voldoen (lessen, zelfstudie, stage, overleg met klasgenoten, projecten, simulatie, leren van feedback, voortgangstoetsen, gesprekken over het ontwikkelingsplan, enzovoort). De leraar die betrokken is bij de loopbaanbegeleiding moet in staat zijn deze leerprocessen te begeleiden.21 Terwijl sommige leerlingen al jong weten wat ze willen worden, maken andere pas veel later in hun onderwijsloopbaan een keuze. Een goede loopbaanbegeleiding is voor leerlingen persoonlijk van groot belang. Voor de samenleving als geheel vormen verkeerde loopbaankeuzes een aanzienlijke kostenpost.22

Competentiegericht lesgeven en werken op basis van kwalificatiedossiers
Tot slot kenmerkt vooral het mbo zich door competentiegericht onderwijs en het werken met kwalificatiedossiers. Competentiegericht onderwijs heeft een aantal uitgangspunten:
• het integreert kennisverwerving en kennistoepassing;
• het stelt problemen uit de beroepspraktijk centraal; en
• het doet een groter beroep op leerlingen om zelf actief kennis te verwerven, het kent een nieuwe rol toe aan toetsing, waarbij meer aandacht bestaat voor toetsing van vaardigheden en houdingen, en integratie van toetsing in het hele onderwijsleerproces.23

Leerlingen in het mbo leren (beroepsmatig) te handelen door het opdoen van een combinatie van vaardigheden, kennis en houding (competenties), zo veel mogelijk in de beroepscontext. Dat gebeurt bij bedrijven in de beroepspraktijkvorming, maar ook in simulaties op school en via het (zelfstandig) werken in groepsverband. Inhoudelijk zijn de kwalificatiedossiers daarbij belangrijk. Ze beschrijven de eisen waaraan de beginnend beroepsbeoefenaar na het afstuderen moet voldoen, welke kerntaken hij moet kunnen uitvoeren en welke competenties hij nog moet verwerven. Leraren moeten hun lessen en opdrachten kunnen baseren op de kwalificatiedossiers. Daarnaast vraagt het competentiegerichte lesgeven een specifieke didactiek en specifieke onderwijsontwikkeltaken. De docent moet binnen het competentiegerichte onderwijs in staat zijn om krachtige leeromgevingen te ontwerpen waarbinnen leerlingen competenties kunnen ontwikkelen. Deze leeromgevingen hebben de volgende kenmerken, ze moeten:
• compleet en rijk zijn;
• uitnodigen tot activiteit;
• realistisch zijn of ten minste ergens naar verwijzen;
• modellen bevatten en voorzien in coaching;
• de navigatie langzamerhand overlaten aan de lerende; en
• systematisch het besef van eigen bekwaamheid bij de deelnemer ontwikkelen.24

Om krachtige leeromgevingen in het mbo te ontwerpen, wordt onder andere gebruikgemaakt van natuurlijk leren, probleemgestuurd onderwijs, projectonderwijs en praktijksimulaties.25 Een belangrijk onderdeel van een krachtige leeromgeving is het coachen en begeleiden van de deelnemer bij het ontwikkelen van competenties. Er zijn verschillende didactische principes bruikbaar bij deze begeleiding. Het gaat dan om het verschaffen van voorbeeldmodellen (het voordoen), het (laten) articuleren van denk- en leeractiviteiten, het geven van feedback (coachen), scaffolding (begeleiden met tussenstapjes op maat), reflecteren en ervaring opdoen (exploreren).26 Docenten in het mbo moeten bekend zijn met deze didactische methoden en bekwaam zijn in de toepassing om effectieve leerprocessen bij leerlingen op gang te helpen.27

2.3 De lerarenopleidingen voor vmbo en mbo, en de knelpunten

Er zijn verschillende opleidingsroutes voor leraren vmbo en mbo. Deze paragraaf beschrijft ze en geeft de knelpunten aan.

Tweedegraads lerarenopleiding in algemeen vormende vakken (voltijd en deeltijd)
Studenten worden toegelaten tot deze hbo-opleiding als ze minimaal een afgeronde mboopleiding op niveau 4 hebben of een havo-diploma. Afgestudeerden zijn bevoegd om les te geven in de onderbouw van de havo en het vwo, in het vmbo en mbo, in het praktijkonderwijs en in de volwasseneneducatie. Algemeen vormende vakken zijn bijvoorbeeld aardrijkskunde, algemene economie, Nederlands en Engels. Het zijn vakken die zowel in het algemeen voortgezet onderwijs als in het (v)mbo gegeven worden.

Een punt van aandacht is het niveau van de tweedegraads lerarenopleidingen algemene vakken. In 2004 werden in verschillende rapporten problemen geconstateerd.28 Sindsdien zijn er maatregelen genomen. Zo werden in 2006 naar aanleiding van de Wet-BIO eindniveaus vastgelegd voor de lerarenopleidingen, via de ontwikkeling van een kennisbasis en het opstellen van eindtermen en examens. Eind 2009 zijn de kennisbases voor de meeste vakken gerealiseerd en momenteel werkt men hard aan de bijbehorende toetsen.29 Wat betreft de basiskwaliteit van de lerarenopleidingen zijn dus flinke stappen gezet.

Een ander knelpunt is dat studenten binnen deze opleiding beter worden voorbereid op een functie in de havo en het vwo dan op een functie in het (v)mbo.30 De aansluiting bij de praktijk in het vmbo en mbo behoeft aandacht. De tweedegraads lerarenopleidingen algemene vakken werken hier al aan: ze kennen nu drie uitstroomprofielen die de aansluiting moeten verbeteren. Studenten kunnen zich specialiseren in vakinhoudelijke vorming (dit profiel richt zich op lesgeven in havo/vwo), zorgontwikkeling (gericht op het vmbo) of beroepspraktijkvorming (gericht op het mbo). Het eerste profiel is duidelijk favoriet. Niet alle problemen zijn weggenomen: het vmbo en het mbo ervaren nog steeds aansluitingsproblemen. Stages van aankomende leraren in het vmbo en mbo zijn inmiddels wel gebruikelijk, maar niet verplicht. Ondanks de ingevoerde profilering blijven specifieke competenties die nodig zijn voor het lesgeven in het vmbo en mbo onderbelicht in de opleiding. Voor leraren vmbo gaat het om de benodigde pedagogische en didactische competenties. Om die reden worden in het vmbo vaak leraren ingezet met een lesbevoegdheid voor het primair onderwijs, omdat zij deze pedagogische en didactische competenties naar het oordeel van scholen meer bezitten. Bij de opleiding van leraren in het mbo is meer aandacht nodig voor het werken met kwalificatiedossiers, het functioneren binnen het competentiegerichte onderwijs en in een sterke beroepsgerichte context. Vooral het begeleiden van de beroepspraktijkvorming verdient in dit verband meer aandacht.

Tweedegraads lerarenopleiding in beroepsgerichte vakken (voltijd en deeltijd)
Ook studenten voor deze hbo-opleiding moeten minimaal een afgeronde mbo-opleiding op niveau 4 hebben of een havo-diploma. Afgestudeerden hebben een bevoegdheid om les te geven in het vmbo en mbo, in het praktijkonderwijs en in de volwasseneneducatie. Beroepsgerichte vakken zijn bijvoorbeeld bouwkunde, grafische techniek, gezondheidzorg en welzijn, werktuigbouwkunde en pedagogiek. Het zijn vakken die alleen in het (v)mbo gegeven worden. Deze lerarenopleiding leidt dus specifiek op voor het vmbo en het mbo. Niet voor alle beroepsgerichte vakken bestaat een opleiding. Zo is er geen lerarentraject voor de kappersopleiding in het mbo. Een onderwijsbevoegdheid voor de overige beroepsgerichte vakken kan behaald worden via het zij-instroomtraject (zie hierna).

De discussie over het niveau van de leraren speelt ook bij de lerarenopleiding voor de beroepsgerichte vakken.31 Het gaat dan vooral om het niveau van de vakinhoudelijke competentie. Een daarmee samenhangend en urgent probleem is de geringe studenteninstroom. Vooral de lerarenopleidingen in de techniek (PTH-opleidingen, PTH staat voor Pedagogisch-Technische Hogeschool) trekken weinig studenten. Door de geringe instroom is het moeilijk de gewenste kwaliteit te leveren en zijn opleidingen bedrijfseconomisch moeilijk in stand te houden.32 Er is relatief weinig geld voor het verzorgen van het onderwijs. De beschikbare middelen worden aangewend om leraren aan te stellen; er blijft te weinig geld over voor andere kwaliteitsaspecten, zoals de professionalisering van de leraren en het verbeteren en ontwikkelen van het curriculum. Dit probleem speelt al enige jaren. Recent zijn enkele opleidingen daarom een initiatief gestart om te clusteren.

Aandeel leraren met een bevoegdheid
Van de vmbo-leraren heeft 66,7% een onderwijsbevoegdheid, 10,7% is in opleiding en 22,6% is onbevoegd (waarvan zo’n 11% over een pabo-diploma beschikt). In het mbo is 89% van de leraren bevoegd. Daarvan heeft 71% de bevoegdheid op basis van een hbo- of wo-diploma met een onderwijsbevoegdheid (exclusief de pabo-opleiding). Daarnaast heeft 18% een bevoegdheid gehaald op basis van het pedagogisch-didactisch getuigschrift dat in de WEB geregeld is. Ongeveer 5% van de leraren heeft geen bevoegdheid en 6% beschikt over een pabo-diploma.33

Zij-instroomtraject
Sinds september 2000 is het mogelijk leraar te worden zonder een reguliere lerarenopleiding te volgen, namelijk via het zij-instroomtraject. Voor het zij-instroomtraject in het vmbo gelden andere regels dan voor het zij-instroomtraject in het mbo. Een uitgebreide beschrijving is te vinden op www.onderwijsraad.nl. Kandidaten komen voor de zij-instroomtrajecten in aanmerking als zij een getuigschrift hebben van een hbo- of wo-opleiding, of van een middenkader-, specialisten- of vakopleiding. Het zij-instroomtraject voor leraren vmbo start met een geschiktheidsonderzoek, meestal uitgevoerd door een lerarenopleiding. Bij een geschiktheidsverklaring krijgt de zij-instromer een tweejarig scholingsaanbod op maat, verzorgd door de school in samenwerking met de lerarenopleiding. De school krijgt hiervoor subsidie. Het zij-instroomtraject wordt afgesloten met een bekwaamheidsonderzoek. Bij een positieve uitslag krijgt de zij-instromer een tweedegraads onderwijsbevoegdheid.

Voor het zij-instroomtraject in het mbo bestaat nauwelijks een wettelijk kader.34 Kandidaten komen voor zo’n traject in aanmerking als zij een getuigschrift hebben van een hbo- of woopleiding, een bewijs van erkenning van beroepskwalificaties, of als zij vergelijkbare kwalificatieniveaus halen met een combinatie van opleiding en ervaring. Omdat er minder wettelijke eisen gelden voor de trajecten in het mbo dan voor die in het vmbo, is in het mbo een grote variëteit ontstaan. Er zijn verschillen in inhoud, omvang, vorm, kwaliteit en kosten van de opleidingen. Ook is er minder toezicht geregeld in de wet in vergelijking met het zij-instroomtraject voor leraren vmbo. Het kennisniveau van de zij-instromers varieert dan ook.

Hbo-kopopleiding
Een relatief nieuwe opleidingsroute tot leraar vmbo of mbo is de hbo-kopopleiding. Deze is opgezet vanwege het toenemende lerarentekort. Studenten kunnen er een tweedegraads onderwijsbevoegdheid mee halen. Kandidaten hebben een hbo- of wo-bacheloropleiding afgerond in een vak dat verwant is aan het vak waarin men de onderwijsbevoegdheid wil halen. De opleiding duurt een jaar en is vooral gericht op pedagogisch-didactische competenties. Vakinhoudelijke kennis hebben de studenten al opgedaan tijdens hun bacheloropleiding. In 2004 stroomden 40 studenten in; in 2009 was dit aantal gestegen naar 223.35 De kopopleidingen zijn minder gevoelig voor een geringe instroom van studenten per vakgebied, omdat de pedagogisch-didactische competenties toepasbaar zijn in verschillende vakgebieden. Net als voor de initiële lerarenopleiding in beroepsgerichte vakken geldt voor deze opleidingsroute dat er niet voor alle (beroepsgerichte) vakken in het mbo een verwante hbo-vakopleiding en/ of kopopleiding bestaat. Een alternatieve opleidingsroute zoals het zij-instroomtraject blijft daarom noodzakelijk. De hbo-kopopleiding beoogt de flexibiliteit en de aantrekkelijkheid van het tweedegraads opleidingenstelsel te vergroten. Studenten komen ook in aanmerking voor (maximaal) twaalf maanden extra prestatiebeurs. De kopopleiding is nog niet geëvalueerd, maar er komen positieve indicaties uit het beroepsonderwijs. De afgestudeerden lijken vooral vakinhoudelijk goed onderlegd.

Educatieve minor in de bacheloropleiding wo
Studenten in het wetenschappelijk onderwijs kunnen een educatieve minor volgen. Een bachelordiploma waarvan de minor deel heeft uitgemaakt, levert een bevoegdheid op om les te geven in de onderbouw van de havo en het vwo en in het vmbo-tl (theoretische leerweg; dus niet in andere leerwegen van het vmbo en ook niet in het mbo). Studenten die de educatieve minor hebben afgerond, komen bovendien in de meeste gevallen in aanmerking voor een verkort traject bij de universitaire eerstegraads lerarenopleiding. Alleen studenten van bepaalde opleidingen kunnen de educatieve minor volgen.36 Er is een verwantschapslijst opgesteld voor vakken waarin een educatieve minor te volgen is. Studenten kunnen alleen een minor volgen voor algemene vakken zoals Engels, Duits en economie.

Scholen zijn tevreden over het niveau van de studenten die de educatieve minor hebben gevolgd. Vooral op vakinhoud scoren zij hoog; pedagogisch-didactisch is nog wel wat winst te behalen, vinden zowel de studenten als hun begeleiders. Ruim twee derde van de studenten wil na afloop van de minor doorstromen naar de eerstegraads opleiding.37

3. Advies: pas de bestaande lerarenopleidingen aan

Het huidige stelsel van lerarenopleidingen houdt onvoldoende rekening met de specifieke kenmerken van het (v)mbo. De Onderwijsraad adviseert de bestaande opleidingen aan te passen. Een aparte opleiding voor het vmbo en mbo of aparte bekwaamheidseisen acht de raad niet raadzaam.

Leeslijn Leraren

  • Leraarschap is eigenaarschap

    12 september 2007 | Advies

    In dit advies staat de positie van de leraar centraal. Hoe zit het met de zeggenschap van leraren in het onderwijs? Zijn ze verworden tot uitvoerders of zijn ze eigenaar van hun vak?
    De aanbevelingen spitsen zich toe op het domein van de landelijke organisatie, zichtbaarheid en betrokkenheid van leraren en op het domein van de inhoudelijke en organisatorisch-bestuurlijke rolverrijking van de leraar.

  • Leraren opleiden in de school

    24 november 2005 | Advies

    Het opleidingstraject van leraren in de school moet voldoen aan duidelijke voorwaarden om de kwaliteit te kunnen garanderen. Het opleiden in de school heeft verankering nodig in het personeels- en opleidingsbeleid van de school. Een transparante en onafhankelijke eindbeoordeling van de studenten is een waarborg dat zij als volwaardige leerkrachten aan de slag kunnen. Toekomstige leraren moeten bovendien ervaring opdoen in meerdere onderwijssituaties zodat zij breed inzetbaar zijn.

  • Kwaliteit en inrichting van de lerarenopleiding

    24 november 2005 | Advies

    De vakkennis van afgestudeerde tweedegraadsleraren en pabo’ers is onvoldoende; vooral het taal- en rekenvermogen van de pabo’ers is gebrekkig. Dat komt omdat tussen 1980 en 2005 het accent in het curriculum van de opleidingen geleidelijk is verschoven: van kennis naar beroepsoriëntatie. De raad adviseert meer dan 50% van de opleiding te gaan besteden aan de vakinhoudelijke component. Ook moeten er landelijke richtlijnen komen voor de inhoud en de vorm van het eindassessment van de lerarenopleiding.

  • Internationaliseren met ambitie

    31 mei 2016 | Advies

    Internationalisering is erbij gebaat als docenten beschikken over een internationale oriëntatie en over didactische vaardigheden die specifiek nodig zijn voor internationaal gericht onderwijs. Daarom stelt de Onderwijsraad dat geïnvesteerd dient te worden in de internationale bagage van docenten. Internationalisering verdient meer aandacht programma’s van pabo’s en lerarenopleidingen en in professionaliseringsactiviteiten van docenten. Ook pleit de raad voor meer docentenmobiliteit en uitgaande mobiliteit van studenten aan pabo’s en lerarenopleidingen.

  • Een ander perspectief op professionele ruimte in het onderwijs

    27 september 2016 | Advies

    De raad spreekt liever over handelingsvermogen dan over professionele ruimte. Handelingsvermogen ontstaat als mensen hun werk zelf mede vorm kunnen geven doordat drie dimensies op elkaar zijn afgestemd: competenties, structuur en cultuur. Handelingsvermogen is niet een eigenschap van een persoon, maar het vermogen tot handelen van een persoon in een bepaalde omgeving onder bepaalde condities. Het huidige beleid focust te veel op competenties van individuele leraren en gaat te veel uit van verticale sturing. Handelingsvermogen kan versterkt worden door samenwerking binnen teams. Teams functioneren niet vanzelf, daar zijn ondersteunende structuren en cultuur voor nodig. De raad adviseert voor het vormgeven hiervan een andere sturingsfilosofie te gebruiken dan nu gangbaar is in het onderwijs. ‘Professional governance’ zet de leraar en zijn team centraal.

  • Kwaliteitsborging van het eindniveau van aanstaande leraren

    25 mei 2009 | Advies

    Om de kwaliteit van aanstaande leraren te waarborgen moet er een Landelijke Examencommissie Lerarenopleidingen hbo komen, onder auspiciën van het College voor Examens. Bij de examinering van de kenniscomponent van de lerarenopleidingen moeten externe examinatoren betrokken worden. De beschrijvingen van de kenniscomponenten van de lerarenopleidingen verschillen qua structuur en abstractie sterk van elkaar; dat zou meer in harmonie moeten komen.

  • Een stevige basis voor iedere leerling

    20 juni 2011 | Advies

    Om te zorgen dat leerlingen zich ten volle kunnen ontwikkelen, zijn goed opgeleide leerkrachten en vakbekwame schoolleiders nodig die opbrengstgericht werken en zichzelf professioneel blijven ontwikkelen. Ook pedagogische begeleiders in de voor- en vroegschoolse hebben een kwaliteitsslag nodig.

  • Goed opgeleide leraren voor het (voorbereidend) middelbaar beroepsonderwijs

    19 april 2011 | Advies

    Een aanpassing van de bestaande opleidingen voor leraren vmbo en mbo is nodig omdat ze nu onvoldoende rekening houden met de kenmerken van die onderwijstypen. Voor de algemeen vormende vakken zijn verplichte en verbeterde uitstroomprofielen nodig. De lerarenopleidingen moeten gebruikmaken van de generieke bekwaamheidseisen en accenten leggen. In de beroepsgerichte vakken kunnen kleine opleidingen beter worden geclusterd. Hbo-studenten moeten vroeg de mogelijkheid krijgen een lerarenopleiding te volgen.

  • Excellente leraren als inspirerend voorbeeld

    7 maart 2011 | Advies

    Excellente leraren moeten op hun school kunnen fungeren als inspirerend voorbeeld, als rolmodel. Als zij hun eigen kwaliteiten verder kunnen ontwikkelen en die van collega’s weten te bevorderen, komt dit ten goede aan de kwaliteit van het hele onderwijs en daarmee aan de prestaties van leerlingen. Als excellentie bij leraren wordt herkend en erkend, blijven topleerkrachten beter behouden voor het onderwijs. Ook anderen voelen zich dan tot het vak aangetrokken, wat nodig is om het tekort aan leerkrachten tegen te gaan.

  • Naar hogere leerprestaties in het voortgezet onderwijs

    28 februari 2011 | Advies

    Om scholen in staat te stellen om opbrengstgerichter te werken, is de kwaliteit van leraren en schoolleiders van cruciaal belang. Daarom moet bij- en nascholing van leraren en schoolleiders verplicht zijn. Het opleidingsniveau van leraren moet omhoog: voor nieuwe leraren in de onderbouw van het voortgezet onderwijs zou een opleiding op bachelorniveau de startkwalificatie moeten zijn. Binnen vijf jaar dienen ze een opleiding op masterniveau te hebben voltooid.

  • Herijking bekwaamheidseisen

    19 december 2013 | Advies

    De raad adviseert de minister over het voorstel van de Onderwijscoöperatie over de herijking van bekwaamheidseisen. De raad brengt hierbij de volgende overwegingen naar voren:
    . Onvoldoende duidelijk is waarom een volledig nieuwe set van bekwaamheidseisen noodzakelijk is
    . Het voorstel is inhoudelijk niet compleet
    . Onderhoud bekwaamheidseisen en verhoging beroepsstandaard zijn nog onvoldoende gewaarborgd.

    Daarnaast pleit de raad voor verhoging van het niveau van leraren.

  • Leraar zijn

    7 maart 2013 | Verkenning

    Nieuwe (beleids)initiatieven richten zich vaak op versterking van de professionaliteit van leraren. Het gaat meestal om de ‘buitenkant’ van het beroep, namelijk de status en het respect van de beroepsgroep, en veel minder op de ‘binnenkant’ van het leraarschap: de houding en het handelen van individuele leraren in de dagelijkse onderwijspraktijk. In deze verkenning ligt de nadruk op de persoonlijke professionaliteit die nodig is om binnen en buiten de klas goed te kunnen handelen.

  • Kiezen voor kwalitatief sterke leraren

    24 januari 2013 | Advies

    Het beleid van de afgelopen jaren was vooral gericht op het kwantitatieve lerarentekort. Nu is de tijd om de beoogde kwaliteitsslag te maken en structurele maatregelen te nemen voor de toekomst. Een sterke beroepsgroep draagt bij aan de kwaliteit van het onderwijs. Dit trekt op langere termijn andere, aankomende hoogopgeleiden aan om voor het leraarschap te kiezen, zodat de verwachte tekorten aan leraren zullen afnemen.

3.1 Het huidige stelsel bereidt niet adequaat voor op vmbo en mbo

Wil Nederland over goede vakmensen blijven beschikken, dan zijn goede leraren in het vmbo en mbo een eerste vereiste. De huidige lerarenopleidingen houden onvoldoende rekening met de specifieke kenmerken van het (v)mbo. Die kenmerken zijn: een andere leerlingenpopulatie dan in het algemeen voortgezet onderwijs, een sterke beroepsgerichtheid en (in het mbo) competentiegericht onderwijs en werken met kwalificatiedossiers. De competenties die hiervoor nodig zijn, blijven onderbelicht in de lerarenopleidingen. Sectororganisaties en scholen signaleren dit, en leraren onderschrijven het. Van de in opdracht van de Onderwijsraad geënquêteerde leraren zegt de helft ontevreden te zijn over de aansluiting tussen de eigen opleiding en het onderwijs.38 De raad adviseert de staatssecretaris de opleidingsroutes binnen het bestaande stelsel aan te passen.

Ten eerste stelt de raad aanpassingen voor in de tweedegraads lerarenopleiding in de algemeen vormende vakken. Deze opleiding moet beter aansluiten op de praktijk van het lesgeven in het vmbo en het mbo. Daarnaast zijn aanpassingen nodig in de tweedegraads lerarenopleiding in beroepsgerichte vakken. Deze opleiding kan flexibeler, om zo meer studenten te interesseren voor deze opleiding. Een derde opleidingsroute waarvoor de raad aanpassingen voorstelt, is het zij-instroomtraject. Er moet meer eenheid komen in de trajecten die opleiden tot zij-instromer in het mbo, door hieraan meer eisen te stellen. In de volgende paragraaf doet de raad een aantal concrete aanbevelingen voor aanpassingen in de opleidingsroutes. In deze paragraaf 3.1 beargumenteert de raad waarom verbeteringen in de opleiding van vmbo en mbo-leraren nodig zijn.

Goed lesgeven in het beroepsonderwijs vraagt om specifieke competenties
De initiële lerarenopleiding in de algemeen vormende vakken leidt op voor zowel algemeen voortgezet onderwijs als (v)mbo. De opleiding richt zich vooral op het eerste type onderwijs, en sluit niet goed aan op lesgeven in het vmbo en het mbo. Bepaalde competenties die in het beroepsonderwijs nodig zijn, blijven onderbelicht. Voor leraren in het vmbo gaat het hierbij vooral om vakinhoudelijke en vakdidactische competenties, maar ook om specifieke pedagogische en didactische competenties – het coachen en begeleiden van praktisch ingestelde leerlingen, en het signaleren en omgaan met leer- en gedragsproblemen. Leraren in het vmbo moeten bijvoorbeeld in staat zijn de vakinhoud te relateren aan de beroepscontext en een stage kunnen begeleiden. Deze competenties zijn ook belangrijk voor de leraren in het mbo. Voor hen zijn de beroepsgerichte en vakinhoudelijke competenties zelfs nog belangrijker. Ook kan de lerarenopleiding algemeen vormende vakken meer aandacht schenken aan het functioneren binnen het competentiegericht onderwijs en het werken met kwalificatiedossiers – de begeleidende en onderwijsontwikkelende rol van de leraar.

Te weinig studenten in de beroepsgerichte opleidingen
De lerarenopleiding in de beroepsgerichte vakken heeft nog een ander probleem. Vooral de technische opleidingen trekken weinig studenten. Dit levert bedrijfseconomische problemen en daarmee samenhangende kwaliteitsproblemen op. Deze opleidingen moeten daarom flexibeler en aantrekkelijker worden.

Niet alle zij-instroomtrajecten voor het mbo sluiten goed aan op de praktijk
De zij-instroomtrajecten voor leraren in het mbo laten een grote variëteit zien. De omvang, kwaliteit, inhoud en kosten van de trajecten in het mbo verschillen aanzienlijk. Ook is er minder toezicht geregeld in de wet in vergelijking met het zij-instroomtraject voor leraren vmbo. Door de verschillen in de zij-instroomtrajecten in het mbo zal de aansluiting op de onderwijspraktijk bij het ene traject beter zijn dan bij het andere. Dit levert dus ook leraren en diploma’s op die kwalitatief van elkaar verschillen. De waarde van het getuigschrift is daarmee niet geborgd. Het onderwijsveld weet niet wat ze kan verwachten van iemand met dit getuigschrift.39

Geen nieuwe opleiding of bekwaamheidseisen, maar aanpassingen in het bestaande stelsel
De raad kiest voor aanpassingen in het bestaande stelsel om de opleiding van leraren in het vmbo en mbo te verbeteren. Hij is geen voorstander van een aparte opleiding voor het beroepsonderwijs en vindt het evenmin nodig de bekwaamheidseisen aan te passen. Een aparte opleiding of aparte bekwaamheidseisen zouden ten koste gaan van de brede inzetbaarheid van leraren in het onderwijs. Ze bemoeilijken overstappen van de ene naar de andere onderwijssoort gedurende de loopbaan. Bovendien is een aparte opleiding zeer waarschijnlijk bedrijfseconomisch niet rendabel, gezien het geringe aantal studenten dat nu kiest voor de lerarenopleiding beroepsgerichte vakken en het geringe aantal studenten dat in de opleiding algemene vakken kiest voor de uitstroomprofielen die voorbereiden op het vmbo en mbo. De kwaliteit van aparte opleidingen voor het beroepsonderwijs kan daarmee waarschijnlijk niet geborgd worden. De generieke bekwaamheidseisen die nu gelden voor alle leraren in het tweedegraads gebied laten voldoende ruimte om accenten te leggen voor leraren in het vmbo en mbo.

3.2 Aanbevelingen voor een betere opleiding van leraren (v)mbo

Aanbevelingen voor de lerarenopleiding in de algemeen vormende vakken
De raad adviseert om de aansluiting tussen de tweedegraads lerarenopleidingen in dealgemeen vormende vakken en het (v)mbo te verbeteren. Hij formuleert daarvoor twee aanbevelingen.

Verplicht en verbeter de uitstroomprofielen
De meeste initiële lerarenopleidingen in de algemeen vormende vakken hebben al drie uitstroomprofielen gerealiseerd. Studenten kunnen kiezen voor vakinhoudelijke vorming (dit profiel richt zich op lesgeven in havo/vwo), zorgontwikkeling (gericht op het vmbo) of beroepspraktijkvorming (gericht op het mbo). De raad stelt voor deze uitstroomprofielen verplicht te stellen voor alle initiële lerarenopleidingen in algemene vakken. De leraar blijft breed bevoegd, maar om de bevoegdheid voor het andere onderwijsveld te activeren, moet hij een daarop toegesneden nascholing volgen van een nader te bepalen omvang. De raad adviseert de uitstroomprofielen inhoudelijk aan te scherpen en de voor het beroepsonderwijs benodigde competenties er een plek in te geven. Ook het onderwijsprogramma van de eerste jaren van de lerarenopleiding in de algemeen vormende vakken moet inhoudelijk een oriëntatie bieden op het (v)mbo.

Tot slot ziet de raad het ontwikkelen van de beroepsgerichte pedagogiek en didactiek als een noodzakelijke voorwaarde om de opleiding van docenten (v)mbo binnen de initiële lerarenopleiding algemene vakken te verbeteren. Deze kennisbasis biedt aanknopingspunten om de opleiding en de uitstroomprofielen vorm te geven. Deze kennis kan uiteraard ook gebruikt worden bij de vormgeving van de andere opleidingsroutes tot docent (v)mbo.

Maak gebruik van de generieke bekwaamheidseisen en leg accenten
De generieke bekwaamheidseisen en de accenten daarin voor de verschillende onderwijssectoren kunnen als leidraad dienen voor de inhoudelijke uitwerking.

Aanbevelingen voor de lerarenopleiding in de beroepsgerichte vakken
De Onderwijsraad adviseert de lerarenopleiding beroepsgerichte vakken flexibeler te maken.Door verschillende opleidingsroutes tegelijkertijd aan te bieden aan verschillende groepen potentiële leraren kunnen meer studenten geworven worden. Het behoud van kwaliteit binnen de verschillende opleidingsroutes staat hierbij voorop. De raad doet voor deze opleidingen de volgende aanbevelingen.

Stimuleer de clustering van kleine opleidingen
De initiële lerarenopleidingen in beroepsgerichte vakken hebben een geringe studenteninstroom. De opleidingen zijn bedrijfseconomisch moeilijk in stand te houden en dat bemoeilijkt ook het leveren van kwaliteit. De raad adviseert de al genomen initiatieven om de kleine opleidingen te clusteren, te stimuleren. Voorwaarde is wel dat de opleidingen hun vakinhoudelijke niveau behouden.

Bied hbo-studenten vroeg de mogelijkheid een lerarenopleiding te volgen
De raad adviseert om studenten in de hbo-vakopleidingen tijdens hun bachelor een educatieve minor aan te bieden. Op basis van de afgeronde hbo-vakopleiding mét educatieve minor is de student benoembaar in het vmbo en mbo in het verwante schoolvak. De student moet de eerste twee jaar nadat hij benoemd is intensieve bijscholing krijgen. Net zoals bij de zijinstromer zal het hier gaan om de verdere ontwikkeling van relevante pedagogische en didactische competenties. De raad stelt voor de op te stellen wettelijke kaders voor het zij-instroomtraject (zie hierna) tevens richtinggevend te laten zijn voor de postinitiële bijscholing van en het bekwaamheidsonderzoek voor de afgestudeerde hbo-studenten. Hij beveelt aan dat deze bijscholing en een positief resultaat voor het bekwaamheidsonderzoek voorwaardes zijn voor een continuering van de vermelding in het lerarenregister. De raad verwacht dat deze flexibiliteit in het opleidingsstelsel de aantrekkelijkheid van het leraarschap in de beroepsgerichte vakken ten goede komt.

Harmoniseer het zij-instroomtraject voor het mbo
De wet schrijft voor het mbo – anders dan voor het vmbo – niet nauwkeurig voor waaraan eenzij-instroomtraject moet voldoen. In de praktijk is hierdoor een grote variëteit in trajecten ontstaan. Dat geeft ook verschillen in de kwaliteit van de leraren, en daarmee in de waarde van het diploma. De raad wil dit opleidingstraject harmoniseren door hiervoor wettelijke kaders op te nemen in de WEB.

Aanbevelingen voor het hele stelsel
Omdat er veel gevraagd wordt van leraren adviseert de raad hun opleidingsniveau te verhogen. Ook moet er aandacht zijn voor de professionalisering van andere onderwijsprofessionals. De raad doet de volgende aanbevelingen.

Benut de postinitiële mogelijkheden optimaal
Binnen de initiële lerarenopleidingen worden leraren opgeleid zodat ze startbekwaam zijn in het uitvoeren van de verschillende taken van een leraar. Startbekwaam betekent dat de leraar aan de minimale eisen voldoet om te mogen lesgeven. Het is daarom belangrijk dat de ontwikkeling van de leraar en zijn vermogen om de relevante taken te vervullen, niet stopt bij het afronden van de initiële opleiding. Vooral voor het uitvoeren van de vakinhoudelijke en vakdidactische taak is permanent onderhoud noodzakelijk, omdat de ontwikkelingen in het vakgebied voortgaan. Een postinitieel professionaliseringstraject is noodzakelijk. De raad adviseert gebruik te maken van het in ontwikkeling zijnde beroepsregister voor leraren in het vmbo en mbo met de bijbehorende verplichte bij- en nascholing. Ook kunnen de mogelijkheden voor leraren in het vmbo en mbo om bedrijfsstages te lopen worden uitgebreid.

Verhoog het opleidingsniveau van leraren
De raad vindt dat de professionalisering van leraren niet mag stoppen bij het behalen van de startkwalificatie. Leraren moeten zich daarna verder professionaliseren via een masteropleiding (hbo of wo). De mastergraad moet binnen vijf jaar na het starten met lesgeven worden behaald in een postinitieel traject. Deze constructie past binnen het eerder genoemde lerarenregister. De verdere professionalisering is vooral van belang voor het realiseren van onderwijsontwikkeling en opbrengstgericht werken. Dit zijn aspecten die binnen een team van leraren gestalte moeten krijgen. De expertise zou idealiter bij elke leraar aanwezig moeten zijn, maar wanneer dit niet haalbaar is, moet de expertise in ieder geval binnen een team van leraren aanwezig zijn. De raad adviseert daarom het volgen van een masteropleiding verplicht te stellen voor nieuwe leraren in algemene vakken. Voor leraren in de beroepsgerichte vakken geldt de verplichting dat in ieder team expertise op masterniveau aanwezig moet zijn. Dit om geen onnodige blokkades voor deze groep leraren op te werpen.

De raad is verder van mening dat voor leraren die lesgeven in het laatste jaar van het mbo op niveau 4 een eerstegraads bevoegdheid verplicht moet zijn voor de algemene vakken. Het onderwijs op mbo niveau 4 geeft toegang tot het hbo en is in die zin vergelijkbaar met de bovenbouw van het voortgezet onderwijs, waar een eerstegraads lerarenopleiding voor leraren vereist is.

Betrek al het onderwijzend personeel bij de professionalisering
In dit advies staat de raad vooral stil bij de professionalisering van leraren in het vmbo en mbo, maar hij vindt het belangrijk de professionalisering niet te beperken tot deze groep. In het mbo zijn instructeurs, begeleiders en praktijkbegeleiders in de leerbedrijven ook belangrijk. Zij moeten worden betrokken in initiatieven om beroepsgroepen voor het vmbo en het mbo te vormen.

In de volgende hoofdstukken worden deze aanbevelingen nader toegelicht.

4. Aanbevelingen voor de lerarenopleiding algemeen vormende vakken

Om de aansluiting tussen de tweedegraads lerarenopleidingen in de algemeen vormende vakken en het (v)mbo te verbeteren, adviseert de Onderwijsraad de uitstroomprofielen meer gewicht te geven. De bekwaamheidseisen voor leraren kunnen als leidraad dienen.

4.1 Verplicht en verbeter de uitstroomprofielen

Verplicht de uitstroomprofielen voor alle lerarenopleidingen
In 2006 heeft de HBO-raad afspraken gemaakt met de lerarenopleidingen om binnen de initiëletweedegraads lerarenopleiding in algemene vakken drie uitstroomprofielen of specialisaties aan te bieden. Ze zijn al genoemd in hoofdstuk 2. Een nauwkeurige omschrijving van de profielen luidt als volgt (HBO-raad, 2006).
• Profilering vakinhoudelijke vorming: richt zich op de specifieke accentuering en verdieping in een schoolvak. Deze profilering is gericht op een adequate aansluiting bij de onderwijspraktijk in de havo en het vwo.
• Profilering zorgontwikkeling: richt zich op de specifieke accentuering en verdieping in de systematische beroepsgerichte zorgverlening. Deze profilering is gericht op een adequate aansluiting bij de onderwijspraktijk in het vmbo.
• Profilering beroepspraktijkvorming: richt zich op de specifieke accentuering en verdieping in de beroepspraktijk en de beroepsgerichte didactiek. Deze profilering is gericht op een adequate aansluiting bij de onderwijspraktijk in het mbo.

In 2006 heeft het Ministerie van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) een onderzoek laten uitvoeren om een beeld te krijgen van de initiatieven die lerarenopleidingen ondernemen ten behoeve van een gerichte voorbereiding op het leraarschap in het (v)mbo. Alle onderzochte tweedegraads opleidingen besteden aandacht aan het verschil tussen het werken in het beroepsonderwijs en het algemeen voortgezet onderwijs. De mate waarin en de manier waarop ze dat doen verschillen echter sterk.40 De meeste initiële lerarenopleidingen hebben zich al verder ontwikkeld en op veel opleidingen zijn de eerdergenoemde specialisatie-mogelijkheden al gerealiseerd. De raad stelt voor deze uitstroomprofielen verplicht te stellen voor alle initiële lerarenopleidingen in algemene vakken. Het uitstroomprofiel wordt op het diploma van de student vermeld. De leraar blijft wel breed bevoegd, maar om de bevoegdheid voor het andere onderwijsveld te activeren, moet hij een daarop toegesneden nascholing volgen van een nader te bepalen omvang.

Verwerk competenties voor het beroepsonderwijs in het basisprogramma en de profielen
Alleen het verplicht stellen van de uitstroomprofielen is niet voldoende. Uit de vragenlijststudie die is uitgevoerd in opdracht van de Onderwijsraad bleek dat de helft van de leraren ontevreden is over de aansluiting van de opleidingsroute op de lespraktijk in het vmbo en mbo.41 Deze groep beginnende leraren oordeelt het meest positief over de voltijd opleiding tweedegraads beroepsgerichte vakken, het zij-instroomtraject en de hbo-kopopleiding en het meest negatief over de duale opleidingsvariant van beroepsgerichte vakken en de initiële opleiding voor algemene vakken. Leraren vinden over het algemeen dat er binnen de opleiding te weinig aandacht is geweest voor het samenwerken met de mensen uit het bedrijfsleven en het vormgeven en realiseren van competentiegericht onderwijs. Ook vinden deze leraren dat er meer aandacht moet komen voor vakinhoudelijke en vakdidactische competenties, het omgaan met leer- en gedragsproblemen van leerlingen en het begeleiden en coachen van de leerlingen.42

De raad adviseert te bezien welke competenties een plek moeten krijgen in de initiële lerarenopleiding om een betere aansluiting op de lespraktijk vmbo en mbo te realiseren. De raad geeft daarbij in overweging een commissie leraren beroepsonderwijs in het leven te roepen, met vertegenwoordigers van de lerarenopleiding en vertegenwoordigers uit het vmbo- en mboveld. Bij de nadere uitwerking van de inhoud van de opleiding gaat het niet alleen om de uitstroomprofielen, maar nadrukkelijk ook om het onderwijsprogramma van de eerste jaren van de lerarenopleiding. Nu ligt in sommige gevallen in de eerste jaren nog veel nadruk op het lesgeven in de havo of het vwo. Een brede opleiding en oriëntatie in het begin van de opleiding is niet alleen noodzakelijk voor een goede aansluiting tussen opleiding en lespraktijk, maar is ook belangrijk voor de aantrekkingskracht van het uitstroomprofiel vmbo en mbo. Wanneer studenten eerder en beter kennismaken met het lesgeven op het vmbo of het mbo, kunnen ze een weloverwogen keuze maken. Dit kan de profielen vmbo en mbo aantrekkelijker maken.

Tot slot vraagt de raad aandacht voor het uitbreiden van de kennisbasis van een beroepsgerichte pedagogiek en didactiek. Er is weinig onderzoek verricht naar de inrichting van beroepsgerichte leeromgevingen. Het gaat om vragen als: hoe verlopen processen van competentieontwikkeling en loopbaanontwikkeling bij leerlingen die een opleiding volgen in het (v)mbo? Het gaat verder om inrichtingsvraagstukken als: wat zijn kenmerken van krachtige en competentiegerichte leeromgevingen in het (v)mbo en door welke maatregelen kan de effectiviteit ervan bevorderd worden?43 Een belangrijk aandachtspunt bij dit laatste is de wijze waarop docenten en praktijkbegeleiders leerlingen ondersteunen bij het integreren van componenten van competentie (kennis, vaardigheden en houdingen), het ontwikkelen van beroepsbeelden, het maken van een beroepskeuze en het ontwikkelen van hun leervermogen. Het intensiveren van het onderwijskundig onderzoek naar onderwijsleerprocessen in het beroepsonderwijs en het ontwikkelen van een op de Nederlandse situatie geënte beroepspedagogiek en -didactiek kunnen ten eerste een belangrijke bijdrage leveren aan de verbetering van de kwaliteit van het beroepsonderwijs. Ten tweede leveren ze een belangrijke bijdrage aan de (her)inrichting van de lerarenopleidingen voor het beroepsonderwijs, het onderwerp van dit advies. De raad ziet het ontwikkelen van een beroepsgerichte pedagogiek en didactiek als een noodzakelijke voorwaarde voor het verbeteren van de opleidingsroutes tot docent (v)mbo.

4.2 Maak gebruik van de generieke bekwaamheidseisen en leg accenten

De generieke bekwaamheidseisen voor alle tweedegraads leraren kunnen als leidraad dienen voor het uitwerken van de uitstroomprofielen. De raad adviseert accenten te leggen voor leraren in het (v)mbo via deelcompetenties of indicatoren. De bekwaamheidseisen bieden daar voldoende ruimte voor. De raad stelt voor de indicatoren die horen bij de generieke bekwaamheidseisen opnieuw te beschouwen en toe te snijden op drie groepen: havo/vwo, vmbo en mbo. De Stichting Beroepskwaliteit Leraren (die zal worden omgevormd tot de Coöperatie Leraren) kan hierin het voortouw nemen.

Voor leraren in het mbo zijn al accenten gelegd (zie bijlage 2). Maar te weinig uitgewerkt zijn bijvoorbeeld de eisen die aan de docent-stagebegeleider kunnen worden gesteld. Dat is vreemd, want de begeleiding van de beroepspraktijkvorming vormt een belangrijk onderdeel van de mbo-opleiding. Om de kwaliteit van het leren in de praktijk te kunnen borgen, zullen deze competenties uitgebreider moeten worden opgenomen in de indicatoren voor leraren in het beroepsonderwijs.

5. Aanbevelingen voor de lerarenopleiding beroepsgerichte vakken

De Onderwijsraad adviseert de beroepsgerichte opleidingen flexibeler te maken. Door verschillende opleidingsroutes tegelijkertijd aan te bieden aan verschillende groepen potentiële leraren kunnen meer studenten geworven worden. Het behoud van kwaliteit binnen de verschillende opleidingsroutes staat daarbij voorop.

5.1 Stimuleer de clustering van kleine opleidingen

Sommige initiële lerarenopleidingen in beroepsgerichte vakken hebben een geringe studenteninstroom. Dit geldt vooral voor de technische lerarenopleidingen (PTH-opleidingen). Deze zijn bedrijfseconomisch moeilijk in stand te houden en dat maakt het ook moeilijk kwaliteit te leveren. Door de kleine studentenaantallen is er relatief weinig geld om het onderwijs te verzorgen. De beschikbare middelen worden aangewend om leraren aan te stellen; er blijft te weinig geld over voor andere kwaliteitsaspecten. Dit maakt de opleidingen kwalitatief en kwantitatief kwetsbaar.44 Dit is gebleken bij de visitatieronde in 2003, waarin de PTH-opleidingen slecht scoorden.45 In reactie op deze uitkomst heeft de Hogeschool van Amsterdam een plan opgesteld om de PTH-opleidingen opnieuw in te richten. Er wordt een start gemaakt met de nieuwe opleiding Mens en Technologie, die verschillende techniekvakken clustert. Deze opleiding heeft onlangs de toets nieuwe opleiding doorstaan.46 Naast de bedrijfstechnische voordelen sluit dit concept aan bij ontwikkelingen binnen het vmbo en mbo. Er is een toenemende behoefte aan flexibele werknemers die – naast de vakspecialisten – leerlingen begeleiden in de techniekvakken. Dit heeft te maken met de ontwikkeling van intersectorale programma’s en opleidingsdomeinen in het vmbo en mbo.

De eindkwalificaties van deze opleiding zijn een uitwerking van de bekwaamheidseisen in de Wet-BIO. Daarnaast sluit de opleiding aan bij de generieke kennisbasis voor leraren. Voor het vakspecifieke deel is landelijk nog geen kennis ontwikkeld, maar wordt gebruik gemaakt van een aantal bestaande en landelijk erkende kennisbases. Binnen de opleiding worden twee soorten leraren opgeleid: de leraar technologie generiek en de leraar technologie specifiek. De eerste is in staat de ontwikkeling van de leerlingen vanaf de introductie in het middelbaar onderwijs tot het behalen van een startkwalificatie op alle mbo-niveaus te volgen en te stimuleren. Deze leraar begeeft zich op een breed terrein van de techniek en technologie en is in staat sectorbrede dan wel intersectorale en domeinbrede dan wel domeinoverstijgende onderwijsvormen toe te passen. De leraar technologie specifiek is in staat om in de onder- en bovenbouw van het vmbo en binnen de technische opleidingen van het mbo te doceren in een specifiek vak, zoals elektrotechniek en werktuigbouwkunde.47

De raad juicht deze oplossing toe. Een voorwaarde is wel dat zulke opleidingen voldoende vakinhoudelijke diepgang hebben, zodat de aankomende leraren over voldoende vakinhoudelijke competenties beschikken om les te kunnen geven op mbo 4-niveau. Deze diepgang mag niet verloren gaan door de verbreding van de opleiding.

5.2 Bied hbo-studenten vroeg de mogelijkheid een lerarenopleiding te volgen

Er is nog een manier om de flexibiliteit en de aantrekkelijkheid van de beroepsgerichte opleidingen te vergroten. De raad adviseert om studenten in de hbo-vakopleidingen, bijvoorbeeld bouwkunde en economie, al tijdens hun bachelor de mogelijkheid te geven een lerarenopleiding te volgen. Dat kan door ze een educatieve minor aan te bieden, vergelijkbaar met de minor in het wetenschappelijk onderwijs (zie paragraaf 2.3). Via dit onderdeel maken de studenten kennis met het leraarschap in de beroepsgerichte vakken in het vmbo en mbo. Op basis van de afgeronde hbo-vakopleiding mét educatieve minor kan de student aan te slag in het vmbo en mbo in het verwante schoolvak. De student dient de eerste twee jaar nadat hij benoemd is, echter intensieve bijscholing te krijgen gericht op de verdere ontwikkeling van relevante pedagogische en didactische competenties. De raad adviseert om de op te stellen wettelijke kaders voor het zij-instroomtraject ook richtinggevend te laten zijn voor de postinitiële bijscholing van deze studenten. Deze bijscholing en een positief resultaat op een bekwaamheidsonderzoek zijn dan voorwaarden om opgenomen te blijven in het lerarenregister. De raad verwacht dat deze flexibiliteit in het opleidingsstelsel de lerarenopleidingen in de beroepsgerichte vakken aantrekkelijker maakt.

De raad vindt het belangrijk dat binnen trajecten zoals de educatieve minor zo min mogelijk drempels worden opgeworpen voor studenten die via deze route als leraar aan de slag willen. Veel studies in het hbo sluiten maar beperkt aan op een schoolvak. Studenten krijgen daarom geen toegang tot een educatieve minor of hbo-kopopleiding. De raad adviseert om landelijk voor alle lerarenopleidingen in de beroepsgerichte vakken te bepalen welk vakinhoudelijk niveau een docent moet hebben. Om te worden toegelaten tot een lerarenopleiding is dan niet de specifieke studie die een student gevolgd heeft doorslaggevend, maar het antwoord op de vraag of de student over voldoende vakinhoudelijke bagage beschikt om te kunnen lesgeven in het (voorbereidend) beroepsonderwijs, dan wel geacht kan worden eventueel ontbrekende competenties binnen twee jaar via de verplichte bijscholing tijdens het werken in de praktijk te ontwikkelen. Wanneer een landelijk kader voor het vakinhoudelijke niveau van leraren in de beroepsgerichte vakken als uitgangspunt wordt genomen voor de lerarenopleiding, kunnen ook hbo-opleidingen die niet corresponderen met een schoolvak educatieve minors in hun programma opnemen.

5.3 Harmoniseer het zij-instroomtraject voor het mbo

Het zij-instroomtraject maakt het mogelijk dat mensen uit de beroepspraktijk les gaan geven in het vmbo en mbo. De wet- en regelgeving voor de instroom en het verloop van het zijinstroomtraject verschilt voor het vmbo en het mbo, maar beide onderwijssoorten bieden een tweejarig opleidingstraject op maat. In die twee jaar kunnen leraren de competenties die ze niet beheersen, alsnog verwerven.

De wet schrijft voor het mbo niet nauwkeurig voor waaraan een zij-instroomtraject moet voldoen. In de praktijk is hierdoor een grote variëteit in trajecten ontstaan. Er zijn verschillen in inhoud, omvang, vorm, kwaliteit en kosten van de opleidingen. De raad wil dit opleidingstraject harmoniseren door hiervoor wettelijke kaders op te nemen in de Wet educatie en beroepsonderwijs. Deze wettelijke kaders kunnen vergelijkbaar zijn met die in de Wet op het voortgezet onderwijs, die gelden voor het zij-instroomtraject in het vmbo. Het gaat daarbij om kaders voor een geschiktheidsonderzoek, de uitvoering en begeleiding van de scholing, de uitvoering van het bekwaamheidsonderzoek, het toezicht op het zij-instroomtraject en een sanctiemaatregel wanneer de kwaliteit van het traject niet in orde is.

Wettelijk vastgelegd: het zij-instroomtraject in het vmbo
Het zij-instroomtraject start met een geschiktheidsonderzoek dat wordt aangevraagd door het bevoegd gezag dat tot benoeming wil overgaan of door de betrokkene zelf. Het onderzoek wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het bestuur van een in dit verband erkende instelling. Doorgaans is dit een lerarenopleiding. Het geschiktheidsonderzoek is bij wet geregeld en omvat (1) een beoordeling of de gevolgde opleiding en de maatschappelijke of beroepservaring relevant zijn voor de beoogde werkzaamheden; (2) een onderzoek naar de geschiktheid voor die werkzaamheden, waartoe in ieder geval wordt gerekend de beoordeling of betrokkene in de klas verantwoord les kan geven; (3) een beoordeling welke scholing en begeleiding noodzakelijk zijn om met goed gevolg te kunnen deelnemen aan het bekwaamheidsonderzoek. Indien betrokkene voldoende geschikt wordt geacht voor het beroep van leraar en in staat wordt geacht binnen twee jaar na benoeming met goed gevolg een bekwaamheidsonderzoek te ondergaan, geeft het bestuur van de instelling waar het geschiktheidsonderzoek wordt uitgevoerd een verklaring af.

De geschikt verklaarde zij-instromer hoort een aanbod op maat te krijgen dat is afgestemd op de tijdens het geschiktheidsonderzoek vastgestelde leemten. Het gezamenlijk aanbod van de lerarenopleiding en de school wordt vastgelegd in een tripartite-overeenkomst tussen belanghebbende, lerarenopleiding en bevoegd gezag van de school, waarin minimaal de omvang, duur en prijs zijn omschreven. Het zij-instroomtraject wordt afgesloten met een bekwaamheidsonderzoek. Bij een positieve uitslag ontvangt de zij-instromer de lesbevoegdheid.

6. Aanbevelingen voor het hele stelsel

De Onderwijsraad adviseert om het opleidingsniveau van leraren te verhogen. Omdat juist het vmbo en het mbo veel vergen van leraren is de raad van mening dat leraren ná het behalen van hun startbekwaamheid moeten blijven werken aan hun professionalisering. Verder moet er aandacht zijn voor de professionalisering van andere betrokkenen: praktijkleraren, begeleiders en instructeurs.

6.1 Benut de postinitiële mogelijkheden optimaal

Van leraren in het beroepsonderwijs wordt veel gevraagd. Ze moeten verschillende taken kunnen uitvoeren: pedagogische, beroepsgerichte, vakinhoudelijke en onderwijsontwikkelende of onderwijsinnoverende taken. Hoewel al die taken belangrijk zijn en op een bepaald niveau beheerst moeten worden, kan er in de verschillende onderwijscontexten een accent liggen op een of meerdere taken. Binnen de lerarenopleiding worden studenten opgeleid, zodat ze startbekwaam zijn en al deze taken op een basisniveau kunnen vervullen. Ze voldoen aan de minimale bekwaamheidseisen uit de Wet-BIO. Het is daarom belangrijk dat de ontwikkeling van de leraar niet stopt bij het afronden van de initiële opleiding, maar dat de leraar zich verder professionaliseert. Vooral voor het uitvoeren van de vakinhoudelijke en vakdidactische taken is permanent onderhoud noodzakelijk, omdat de ontwikkelingen op het vakgebied en binnen bedrijven doorgaan. Dit onderhoud zal voor de leraren in de beroepsgerichte vakken intensiever zijn dan voor de leraren in algemene vakken, maar ook voor de laatsten zijn het onderhoud en de verdere uitbouw van de eigen bekwaamheid essentieel. Deze leraren moeten immers de vakinhoud kunnen relateren aan de relevante beroepscontext; dit is een wezenlijk aspect van het (v)mbo. Een postinitieel professionaliseringstraject is essentieel voor de verdere ontwikkeling van de professionaliteit van de leraren. De raad doet enkele aanbevelingen om deze postinitiële professionaliseringstrajecten een impuls te geven.

Een beroepsregister voor leraren met verplichte bij- en nascholing
De Onderwijsraad pleit ervoor gebruik te maken van het in ontwikkeling zijnde beroepsregister voor leraren in het vmbo en mbo, en van de daaraan gekoppelde verplichte bij- en nascholing. Daarbij zou het moeten gaan om bij- en nascholing die ingaat op ondervonden problemen van leraren rond pedagogische en didactische competenties en vooral ook vakinhoudelijke en beroepsgerichte competenties. Leraren die zijn geënquêteerd in opdracht van de raad onderkennen het belang van bij- en nascholing van bevoegde leraren.48

De raad denkt voor de omvang van de nascholingseisen aan 10% van de aanstelling. Een leraar die niet voldoet aan de scholingseisen uit het register verliest zijn bevoegdheid. Aan een dergelijk lerarenregister wordt al sinds 2007 gewerkt; het is zaak de ingezette beweging nu door te zetten.

Deze nascholing is ook van belang wanneer leraren willen switchen tussen de drie onderwijssoorten havo/vwo, vmbo en mbo. Wanneer studenten afgestudeerd zijn in een specifiek uitstroomprofiel aan de initiële lerarenopleiding algemene vakken, kunnen ze binnen de verplichte bij- en nascholing de competenties verwerven die nodig zijn in de betreffende onderwijssoort. Op deze manier kunnen de leraren hun onderwijsbevoegdheid activeren om les te geven in een ander onderwijsveld dan vermeld op het diploma.

De raad adviseert verder de verplichte nascholing te benutten om leraren postinitieel de mastergraad te laten behalen. Paragraaf 6.2 gaat nader in op deze aanbeveling.

Verruim de mogelijkheden voor bedrijfsstages als onderdeel van de professionalisering
Een wezenlijk kenmerk van het onderwijs in het vmbo en mbo is het beroepsgerichte karakter ervan. Het is van belang dat beroepsopleidingen blijven aansluiten bij ontwikkelingen in het bedrijfsleven.49 Daarom stelt de raad voor om in de bij- en nascholing voor leraren in het vmbo en mbo stages in het bedrijfsleven op te nemen.50 De raad vindt dat een vorm van bedrijfsstage een component moet zijn van het bijscholingspakket, maar de invulling ervan is maatwerk. Scholen kunnen daarover afspraken maken met hun stagebedrijven, variërend van individueel stagelopen tot een werkbezoek met meerdere leraren tegelijk.

6.2 Verhoog het opleidingsniveau van leraren

Leid leraren op tot masterniveau
In de onderwijspraktijk van het vmbo en het mbo is een goede kennisbasis onmisbaar. Dit geldt zowel voor de algemene als voor de beroepsgerichte vakken. Daarnaast hebben leraren in het beroepsonderwijs onderwijsontwikkeltaken en innoverende taken. Ze moeten zelf lessen kunnen vormgeven en opdrachten kunnen formuleren op basis van werkprocessen en op basis van de kerntaken uit het kwalificatiedossier. Ook wordt opbrengstgericht werken steeds belangrijker. Doelgericht werken aan onderwijskwaliteit en verhoging van leerprestaties vraagt om een betere koppeling tussen onderzoek en praktijk.51 Leraren moeten onderzoeksresultaten in de dagelijkse onderwijspraktijk kunnen vertalen naar hun werk met leerlingen, ze moeten onderzoeksvragen kunnen stellen en op basis van toetsgegevens hun onderwijs kunnen aanpassen aan de leerlingen. Dit zijn bij uitstek vaardigheden die ze in een masteropleiding kunnen aanleren. Het is daarom van belang dat leraren in het vmbo en in het mbo op masterniveau (hbo of wo) zijn opgeleid. Het kan dan gaan om een vakinhoudelijke of een educatieve master. Een bacheloropleiding geeft leraren een startkwalificatie. Als een leraar is gestart met lesgeven in het vmbo of het mbo, dient hij binnen vijf jaar via postinitiële nascholing de mastergraad te behalen. Deze constructie past binnen het hiervoor genoemde lerarenregister. De verplichte nascholing bij het landelijke register kan zich toespitsen op het behalen van het masterniveau.

De onderwijsontwikkelende taken en opbrengstgericht werken worden binnen een team van leraren uitgewerkt. De expertise zou idealiter bij elke leraar aanwezig moeten zijn, maar wanneer dit niet haalbaar is, moet de deskundigheid in ieder geval binnen het team van leraren aanwezig zijn. De raad adviseert daarom het volgen van een masteropleiding verplicht te stellen voor nieuwe leraren in algemene vakken. Voor de beroepsgerichte vakken geldt de verplichting dat in ieder team expertise op masterniveau aanwezig moet zijn. Dit om geen onnodige blokkades op te werpen voor leraren in de beroepsgerichte vakken.

Leraren die zich postinitieel laten bijscholen tot master kunnen uiteraard leren op de werkplek. Zo kunnen ze de opgedane kennis direct koppelen aan de eigen onderwijspraktijk. Cruciaal bij het leren op de werkplek is de rol van de begeleider. Er zijn masteropleidingen die in company verzorgd worden: de lerende leraar krijgt een begeleider van de masteropleiding in de school. In dit kader is de roc-academie een interessante ontwikkeling. Verschillende roc’s (regionale opleidingencentra) hebben een eigen academie opgericht die leraren en andere medewerkers opleidt. Binnen deze academies en in samenwerking met lerarenopleidingen en andere externe opleiders kan het postinitieel leren een stevige basis krijgen.

Stel een eerstegraads bevoegdheid verplicht in het laatste jaar van de mbo 4-opleiding
De raad vindt dat leraren die lesgeven in het laatste jaar van het mbo op niveau 4, een eerstegraadsbevoegdheid moeten hebben voor de algemene vakken. Het onderwijs op dit niveau geeft immers toegang tot het hbo en is in die zin vergelijkbaar met de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Ook daar is een eerstegraads bevoegdheid voor leraren verplicht.

6.3 Betrek al het onderwijzend personeel bij de professionalisering

In dit advies staat de raad vooral stil bij de professionalisering van leraren in het vmbo en mbo, maar hij vindt het belangrijk de professionalisering niet te beperken tot deze groep. In het mbo zijn instructeurs, begeleiders en praktijkbegeleiders in de leerbedrijven evenzeer van belang. Deze begeleiders hebben actuele kennis van het bedrijfsleven, maar hun pedagogisch-didactische expertise is vaak onvoldoende.52 Dit maakt de praktijkbegeleiding minder effectief dan mogelijk is.

Er zijn al initiatieven om een beroepsgroep van leraren in het mbo te vormen. De raad juicht dit toe, maar stelt voor om deze beroepsgroep breder op te zetten en naast leraren ook instructeurs, begeleiders en praktijkbegeleiders op te nemen. Binnen een georganiseerde beroepsgroep kunnen professionals ervaringen uitwisselen en van elkaar leren. De vorming van een beroepsgroep (of beroepsgroepen) kan worden gedifferentieerd naar niveau en bedrijfstak. De eerder genoemde stagemogelijkheid voor leraren in het bedrijfsleven is een van de opties om binnen de beroepsgroep te organiseren. Daarnaast valt te denken aan netwerken van begeleiders en aan kennismakingsbijeenkomsten, werkbezoeken en gastlessen van beroepskrachten op school. In de zorgsector zijn goede ervaringen opgedaan met de lecturer-practitioner relatie om praktijk en onderwijs dichter bij elkaar te brengen. De netwerk- en managementdagen die de Stichting Consortium Beroepsonderwijs organiseert, bieden bijvoorbeeld waardevolle mogelijkheden voor kennisuitwisseling. Dergelijke bijeenkomsten kunnen als deskundigheidsplatform bijdragen aan een verdere professionalisering van leraren en werknemers met een begeleidingsfunctie.

7. Afkortingen

hbo
hoger beroepsonderwijs

mbo
middelbaar beroepsonderwijs

OCW
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

PTH
Pedagogisch-Technische Hogeschool

roc
regionaal opleidingen centrum

SBL
Stichting Beroepskwaliteit Leraren en ander onderwijspersoneel

vmbo
voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs

tl
theoretische leerweg

WEB
Wet educatie en beroepsonderwijs

Wet
BIO Wet op de beroepen in het onderwijs

WHW
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

8. Literatuur

Berger, J. & Bal, J. (2006). Initiatieven voor opleidingen (v)mbo-leraar. Een inventarisatie. Literatuur Zoetermeer: EIM Onderzoek voor Bedrijf & Beleid.

Boer, P. den & Wee, E. ter (2002). Met twee benen in de praktijk. Het belang van beroepspraktijkkennis van docenten in het agrarisch beroepsonderwijs. Wageningen: Stoas Onderzoek.

Borghans, L. & Golsteyn, B. (2008). Modernising vocational education and training: the importance of information, advice and guidance over the lifecycle. In P. Descy, T. Tchibozo & M. Tessaring (eds.), Modernising vocational education and training, a fourth Cedevopreport on VET research: Background report (297-318). Luxemburg: Office for Official Publications of the European Communities, Reference series 69-I.

Bulk, L. van den (2011). Later kan ik altijd nog worden wat ik wil. Statusbeleving, eigenwaarde en toekomstbeeld van leerlingen in het voortgezet onderwijs. Proefschrift. Utrecht: Garant.

Bundesinstitut für Berufsbildung (2008). Germany national ReferNet report on progress in the policy priority areas for vocational education an training. Bonn: ReferNet.

Collins, A. (1996). Design issues for learning environments. In E. Vosniadou, E. de Corte, R. Glaser & H. Mandl (eds.), International perspectives on the design of technology-supported learning environments. New Jersey: Lawrence Erbaum associates publishers.

Collins, A., Brown, J.S. & Newman, S.E. (1989). Cognitive apprenticeship; teaching the crafts of reading, writing and mathematics. In L.B. Resnick (ed.), Knowing, learning and instruction : Essays in honor of Robert Glaser (453-494). Hillsdale, New Jersey: Erlbaum.

Cort, P., Harkonen, A. & Volmari, K. (2004). PROFF - Professionalisation of VET teachers for the future. Tessaloniki: CEDEFOP.

Corte, E. de (1990). Ontwerpen van krachtige leeromgevingen. In M.J. Ippel & J.J. Elshout (eds.), Training van hogere denkorde processen. Lisse: VOR/Swets en Zeitlinger.

Dalton, J. & Smith, P. (2004). Vocational education and training in secondary schools: challenging teachers’ work and identity. Journal of Vocational Education and Training, 56(4).

Dittrich, K. (2007). Toespraak tijdens VSNU-conferentie Studiesucces in de bachelorfase. Geraadpleegd op 15 april 2011 via de website van NVAO, http://www.nvao.net/news/item/toespraak_nvaovoorzitter_karl_dittrich_tijdens_vsnu-conferentie_studiesucces_in_de_bachelorfase_middelburg_23-24_augustus_2007/.

Evans, K., Dovaston, V. & Holland, D. (1990). The changing role of the in-company trainer: an analysis of British trainers in the European community context. Comparative Education, 26(1), 44-59.

Groeneveld, M.J., Benschop, M. & Olvers, D. (2010). Kenmerkend vmbo, mbo, havo en vwo. Hilversum: Hiteq, centrum van innovatie.

Harris, R., Simons, M. & Bone, J. (2000). More than meets the eye? Rethinking the role of workplace trainer, gepresenteerd tijdens NCVER, Brisbane.

HBO-raad (2009). Factsheet ‘kopopleidingen’ in het hbo. Den Haag: HBO-raad.

Herweijer, L. (2008). Gestruikeld voor de start. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Hobéon Certificering (2010). Adviesrapport ‘Toets nieuwe opleiding’. Den Haag: Hobéon Certificering.

Hovius, M., Kessel, N. van & Vergunst, N. (2010). Een nieuwe route naar het leraarschap. Nijmegen: ITS/IOWO.

Inspectie van het Onderwijs (2004). Onderwijsverslag 2002/2003. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.

Kok, J.J.M. (2003). Talenten transformeren. Over het nieuwe leren en nieuwe leerarrangementen. Oratie. Proefschrift. Fontys Hogescholen, Eindhoven.

Koopman, M. (2010). Students’ goal orientations, information processing strategies and knowledge development in competence-based prevocational secondary vocational education. Proefschrift. Eindhoven: Eindhoven School of Education.

Landelijk Platform Beroepen in het Onderwijs (2006). Competentieprofiel leraar (v)mbo? Utrecht: LPBO.

Lodewijks, J.G.L.C. (1993). De kick van het kunnen. Over arrangementen en engagement bij het leren. Inaugurele rede. Proefschrift. Tilburg/Nijmegen.

Lynch, R. (1998). Occupational experience as the basis for alternative teacher certification in vocational education. Quality of vocational eduation: background papers from the 1994 National Assessment of Vocational Education (43-64). Washington: US Dept of Education.

Meijers, F. (2008). Mentoring in Dutch vocational education: an unfulfilled promise. British Journal of Guidance and Counselling, 36(3), 235-252.

Merrienboer, J.J.G. van, Klink, M.R. van der & Hendriks, M. (2002). Competenties: van complicaties tot compromis. Den Haag: Onderwijsraad.

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2011). De grote uittocht. Vier toekomstbeelden van de arbeidsmarkt van onderwijs- en overheidssectoren. Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2008). Krachtig meesterschap. Den Haag: Ministerie van OCW.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2010). OCW in Kerncijfers 2005-2009. Den Haag: Ministerie van OCW.

Mittendorff, K., Jochems, W., Meijers, F. & Brok, P. den (2008). Differences and similarities in the use of the portfpolio and personal development plan for career guidance in various vacational schools in The Netherlands. Journal of Vocational Education and Training, 60(1), 75-91.

Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (2004). Notitie: metarapportage visitatie HBO Tweedegraads lerarenopleiding Den Haag: NVAO.

Netherlands Quality Agency (2004). Eindrapport van de visitatiecommissie Tweedegraads lerarenopleiding, deel A. Samen scholen. Den Haag: Netherlands Quality Agency.

Onderwijsraad (2010). Een diploma van waarde. Den Haag: Onderwijsraad.

Onstenk, J. (1997). Lerend leren werken. Proefschrift. Eburon, Delft.

Organisation for Economic Coordination and Development (2010). Reviews of volcational education and training. Parijs: OECD.

Rijst, R. van der, Duijn, G. van & Nedermeijer, J. (2011). Eindrapportage van het onderzoek naar de aansluitingsproblemen van de opleiding tot leraar in het vmbo en het mbo op de onderwijspraktijk en naar de mogelijkheden om deze aansluiting te verbeteren. Leiden: ICLON, Universiteit Leiden.

Sanden, J.M.M. van der (2004). Ergens goed in worden. Naar leerzame loopbanen in het beroepsonderwijs. Oratie. Proefschrift. Fontys Hogescholen, Eindhoven.

Sanden, J.M.M. van der, Bruijn, E. de & Mulder, R. (2003). Ontwikkelingen in het onderzoek op het terrein van het beroepsonderwijs. In M. Mulder, R. Wesslink, H. Biemans, L. Nieuwenhuis & R. Poell (eds.), Competentiegericht beroepsonderwijs.Gediplomeerd, maar ook bekwaam? (79-90). Houten: Wolters-Noordhoff.

Stiching Platforms VMBO (2010). Naar het VMBO. Ootmarsum.

Studulski, F. & Schoonhoven, R. van (2011). Beroep op het vmbo. Amsterdam: SWP.

Volman, M.L.L. (2006). Jongleren tussen traditie en toekomst. De rol van docenten in leergemeenschappen. Oratie. Amsterdam: Vrije Universiteit.

Ziehe, T. (2000). School and youth; a differential relation. Reflections on some blank areas in the current reform discussions. Young, Nordic Journal of Youth Research, 8(1).

Ziehe, T. (2004). Padagogische professionalitat und zeittypische mentalitatsrisiken. Key-note, gepresenteerd tijdens CSP Conference, Oslo.

9. Geraadpleegde deskundigen

Mevrouw L. Augustijn, beleidsadviseur, VO-raad
De heer R. Belmans, beleidsmedewerker, NVAO
Mevrouw E. van der Berg, vicevoorzitter, Stichting Beroepskwaliteit Leraren
De heer L. Bochem, MBO Raad
Mevrouw J. Bours, manager Centre for Teaching and Learning, Koning Willem I College/School voor de Toekomst, ’s-Hertogenbosch
Mevrouw A. Buys, directeur lerarenopleiding, Fontys Hogescholen, Tilburg
De heer J. van Dam, directeur Wartburgcollege, locatie De Swaef, Rotterdam
De heer H. Fuchs, manager domein Onderwijs, Leren en Levensbeschouwing, Hogeschool Inholland, Den Haag
Mevrouw I. Franssen, beleidsmedewerker, NVAO
De heer C. Govers, algemeen directeur, ROC Tilburg
De heer J. Haasjes, directeur CSG Het Streek, locaties VMBO/PRO, Ede
De heer S. Heinsman, directeur lerarenopleidingen VO/BVE, Utrecht
Mevrouw T. van der Heijden, oud-inspecteur voortgezet en hoger onderwijs, Inspectie van het Onderwijs
Mevrouw J. Kivits, beleidsadviseur lerarenopleidingen, HBO-raad
De heer J. Klein, directeur De Nuborgh, Elburg
De heer H. Kremers, voorzitter van het SPV-cluster Techniek, Stichting Platforms Vmbo
De heer H. Krijgsheld, sectordirecteur VMBO, Oosterlicht College, Nieuwegein
De heer F. Kuiper, directeur Trajectum College, Utrecht
Mevrouw J. van der Meer, externe deskundige, MBO Raad
De heer P. Murre, manager Lerarenopleidingen VO, Driestar Educatief
De heer A. Noorthoek, plaatsvervangend locatiedirecteur, Kalsbeek College, Woerden
De heer G.J. van Setten, afdelingsmanager lerarenopleiding, Hogeschool van Amsterdam
De heer M. Snoek, lector leren en innoveren, Hogeschool van Amsterdam
De heer L. Stomp, directeur Lerarenopleidingen VO/BVE, Zwolle
De heer M. Veldhoven, voorzitter college van bestuur, ROC de Leijgraaf, Tilburg
De heer H. Verweij, projectleider HRM, ROC van Amsterdam
De heer J. van der Waals, lector vmbo, Hogeschool van Amsterdam
De heer R. Westerhof, beleidsadviseur, AOC Raad
De heer R. Weststrate, projectleider, procesmanagement MBO 2010

10. Bijlage 1: Adviesvraag

Download bijlage (pdf, 952 KB)

11. Bijlage 2: Bekwaamheidseisen leraren

De Stichting Beroepskwaliteit Leraren en ander onderwijspersoneel vat de bekwaamheidseisen als volgt samen.

Een goede leraar is:
• interpersoonlijk competent; hij kan op een goede, professionele manier met leerlingen omgaan;
• pedagogisch competent; hij kan de leerlingen in een veilige werkomgeving houvast en structuur bieden om zich sociaal-emotioneel en moreel te ontwikkelen;
• vakinhoudelijk en didactisch competent; hij kan de leerlingen helpen zich de culturele bagage eigen te maken die iedereen nodig heeft in de hedendaagse samenleving;
• organisatorisch competent; hij kan zorgen voor een overzichtelijke, ordelijke en taakgerichte sfeer in zijn groep of klas;
• competent in het samenwerken met collega’s; hij kan een professionele bijdrage leveren aan een goed pedagogisch en didactisch klimaat op de school, aan een goede onderlinge samenwerking en aan een goede schoolorganisatie;
• competent in het samenwerken met de omgeving van de school; hij kan op een professionele manier communiceren met ouders en andere betrokkenen bij de vorming en opleiding van zijn leerlingen;
• competent in reflectie en ontwikkeling; hij kan op een professionele manier over zijn bekwaamheid en beroepsopvattingen nadenken en zijn professionaliteit ontwikkelen en bij de tijd houden.

De SBL heeft verschillende indicatoren beschreven die een leraar op havo/vwo niet hoeft te beheersen, maar leraren in het mbo wel. De leraar in het mbo:
• houdt rekening met wat gebruikelijk is in de beroepspraktijk waar hij/zij zich op voorbereidt en gebruikt voorbeelden uit de beroepspraktijk, bijvoorbeeld bij het bespreken van communicatie en omgangsvormen;
• helpt de leerlingen om ten opzichte van elkaar en/of van hun collega’s in bedrijf of instelling collegiale omgangsvormen te ontwikkelen en benut hierin de leeromgeving als oefenomgeving voor de werkomgeving;
• helpt deelnemers bij de ontwikkeling van hun beroepsidentiteit;
• ontwerpt leeractiviteiten die in het perspectief van de loopbaan van de deelnemer betekenisvol zijn en waarin hij rekening houdt met het niveau van taalbeheersing van de deelnemer: zowel brede geïntegreerde opdrachten of projecten als smalle, vakgerichte en zowel school-gerelateerde als werkplekgerelateerde;
• ontwerpt in overleg met de praktijkbegeleider opdrachten waarmee de deelnemer in het bedrijf zelfstandig aan de slag kan, die recht doen aan de specifieke kenmerken van het bedrijf of de bedrijfstak, die ervoor zorgen dat de leermogelijkheden op de werkplek optimaal benut worden en dat de deelnemer voor zijn loopbaan optimaal leerrendement haalt uit het werkplekgerelateerde leren;
• bepaalt met de deelnemer diens (individuele) leertraject, opgebouwd uit individuele activiteiten en groepsactiviteiten, rekening houdend met de mogelijkheden en ambities van de deelnemer;
• moedigt de deelnemer aan zijn leerervaringen in en buiten de opleiding onder woorden te brengen en met elkaar in verband te brengen;
• organiseert regelmatig overleg met de (praktijk)begeleider in het bedrijf of de instelling en met de deelnemer om de voortgang te bespreken en de begeleiding af te stemmen; hij administreert deze gesprekken in een (leerling)volgsysteem;
• zorgt in situaties van teamteaching en/of samenwerking met onderwijsassistenten of instructeurs en met begeleiders in leerbedrijven en -instellingen voor een duidelijke taakverdeling en -afstemming die ook bij de deelnemers bekend zijn;
• bespreekt op een open en constructieve manier de ontwikkeling van de deelnemer met de praktijkbegeleider, zodat eventuele problemen tijdig worden onderkend en opgelost;
• bouwt relaties op met bedrijven of instellingen en onderhoudt deze; hij helpt in het bedrijf of in de instelling mee om voor de deelnemers een betekenisvolle leerplek en veilige leeromgeving te creëren; hij zorgt voor een werkbaar evenwicht tussen de belangen van deelnemer, school en bedrijf zodat ook op lange termijn een goed samenwerking wordt gegarandeerd; verslagen van de contacten met bedrijven of instellingen administreert hij in een (digitaal) relatiebeheerssysteem, zodat de informatie voor zijn collega’s beschikbaar is;
• stelt zich ondernemend en marktgericht op, volgt de ontwikkelingen in het bedrijfsleven, bij instellingen en in de maatschappij en vertaalt deze naar het onderwijs; hij gaat adequaat om met vragen vanuit het bedrijfsleven en instellingen en benut deze vragen voor het onderwijs (bijvoorbeeld door ze te vertalen naar opdrachten voor deelnemers);
• geeft aansprekende voorlichting over de opleidingen aan (potentiële) deelnemers, bedrijven of instellingen die leerwerkplekken bieden of kunnen gaan bieden en aan ouders of verzorgers van de deelnemers.

12. Voetnoten

1 Landelijk Platform Beroepen in het Onderwijs, 2006; Ministerie van Onderwijs, 2008.

2 Herweijer, 2008; Onderwijsraad, 2010; Bulk, 2011; http://www.oecd.org/dataoecd/50/17/5037721.htm.

3 Ministerie van Onderwijs, 2010.

4 Ministerie van Onderwijs, 2010.

5 Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2011; Ministerie van Onderwijs, 2010.

6 Organisation for Economic Coordination and Development, 2010.

7 Stiching Platforms VMBO, 2010.

8 www.mboraad.nl.; www.mbo2010.nl.

9 Groeneveld, Benschop & Olvers, 2010.

10 Ministerie van Onderwijs, 2010; Groeneveld, Benschop & Olvers, 2010.

11 Bulk, 2011.

12 Ziehe, 2000; Ziehe, 2004.

13 Volman, 2006.

14 Onstenk, 1997; Rijst, Duijn & Nedermeijer, 2011.

15 Rijst, Duijn & Nedermeijer, 2011.

16 Boer & Wee, 2002; Organisation for Economic Coordination and Development, 2010.

17 Lynch, 1998.

18 Dalton & Smith, 2004.

19 Evans, Dovaston & Holland, 1990.

20 Harris, Simons & Bone, 2000; Bundesinstitut für Berufsbildung, 2008.

21 Mittendorff, Jochems, Meijers & Brok, 2008; Meijers, 2008; Studulski & Schoonhoven, 2011.

22 Borghans & Golsteyn, 2008.

23 Merrienboer, Klink & Hendriks, 2002. Koopman, 2010.

24 Corte, 1990; Lodewijks, 1993; Collins, 1996.

25 Kok, 2003.

26 Collins, Brown & Newman, 1989.

27 Onderzoek van Koopman ( 2010) liet zien dat docenten in het vmbo conceptuele kennis van competentiegericht onderwijs en bijbehorende vaardigeden nodig hebben om kennisontwikkeling bij leerlingen in competentiegerichte leeromgevingen tot stand te brengen. Koopman, 2010.

28 Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, 2004; Inspectie van het Onderwijs, 2004.

29 h ttp://www.kennisbasis.nl.

30 Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, 2004; Netherlands Quality Agency, 2004.

31 Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, 2004.

32 Dittrich, 2007.

33 w ww.bevoegd.nl.

34 De WEB schrijft geen geschiktheidsonderzoek voor en spreekt alleen van een geschiktheidsverklaring zij-instroom door het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling (art.4.2.4). Evenmin worden in de wet eisen of voorwaarden gesteld aan de scholing en het resultaat daarvan, bijvoorbeeld in de vorm van een bekwaamheidsonderzoek. Ook ontbreekt er een sanctiemaatregel in de wet voor het geval de scholing en/of het bekwaaamheidsonderzoek niet op orde is.

35 HBO-raad, 2009.

36 Zie website Universiteit Leiden: http://studiegids.leidenuniv.nl/studies/show/1229/educatieve_minor.

37 Hovius, Kessel & Vergunst, 2010.

38 Rijst, Duijn & Nedermeijer, 2011.

39 Onderwijsraad, 2010.

40 Berger & Bal, 2006.

41 Rijst, Duijn & Nedermeijer, 2011.

42 Rijst, Duijn & Nedermeijer, 2011.

43 Sanden, 2004; Sanden, Bruijn & Mulder, 2003.

44 Dittrich, 2007.

45 Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, 2004.

46 Hobéon Certificering, 2010.

47 Hobéon Certificering, 2010.

48 Rijst, Duijn & Nedermeijer, 2011.

49 Organisation for Economic Coordination and Development, 2010.

50 In sommige landen werken docenten in het beroepsonderwijs op gezette tijden in het bedrijfsleven om hun beroepsmatige competenties up-to-date te houden. Zie Cort, Harkonen & Volmari, 2004.

51 Commissie Nationaal Plan Toekomst Onderwijswetenschappen, 2011.

52 Organisation for Economic Coordination and Development, 2010.