Passend onderwijs voor leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte

4 mei 2011 | Advies

De raad adviseert over het concept-wetsvoorstel passend onderwijs. Dit concept-wetsvoorstel beoogt een herziening van het stelsel van speciale onderwijszorg.

Op 4 mei jl. heeft de Onderwijsraad de minister geadviseerd over het concept-wetsvoorstel passend onderwijs. Adviezen van de Onderwijsraad over beoogde wetswijzigingen worden openbaar op het moment dat de minister het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer stuurt of na een periode van uiterllijk drie maanden.

De raad onderschrijft de doelen van het concept-wetsvoorstel passend onderwijs, zoals het vereenvoudigen van het stelsel van speciale onderwijszorg, het scheppen van een duidelijke verantwoordelijkheidsdeling en het hanteren van een bekostigingsmodel met ruimte voor maatwerk.

De raad maakt in de context van passend onderwijs een andere indeling dan die tussen lichte en zware vormen van zorg. Hij gaat uit van de driedeling basiszorg, breedtezorg en dieptezorg. Basiszorg is de zorg die iedere school in huis zou moeten hebben (minimumniveau). Deze zorg wordt voor een groot deel gegeven door de leraar van de leerling met een zorgbehoefte. Breedtezorg is de speciale zorg die op een bepaalde school beschikbaar is. Hierbij speelt samenwerking en afstemming met externe onderwijs- en zorginstellingen een rol. En ten slotte is dieptezorg de zorg die buiten de reguliere school is georganiseerd. Dieptezorg wordt geboden in speciale onderwijsvoorzieningen, settings of groepen.

De raad benadrukt mede in verband hiermee  de centrale rol van de leraar. Het succes van passend onderwijs zal gezocht moeten worden in de relatie tussen leraar, leerling en ouders. Dit vraagt om professioneel onderwijspersoneel. Een hoog niveau van het initiële opleidingstraject vormt daarbij de beste garantie voor goed onderwijs voor leerlingen die speciale zorg nodig hebben. Daarnaast zijn postinitiële trajecten onmisbaar om de kennis van leraren op peil te houden. 

De raad plaatst ook kanttekeningen bij onderdelen van de voorgestelde wetgeving. Die hebben onder meer te maken met het te korte tijdsbestek waarin veel zaken geregeld moeten worden door nieuw te vormen samenwerkingsverbanden primair onderwijs en voortgezet onderwijs. Bovendien loopt de samenwerking vooruit op wetgeving. Afspraken maken zonder wettelijk kader is moeilijk werkbaar. De wet zou daarom pas in werking moeten treden ten minste twee volledige schooljaren nadat de Eerste Kamer de wet heeft aangenomen.