Over de drempel van postinitieel leren

26 juni 2012 | Advies

Goed initieel onderwijs is de voornaamste manier om duurzame inzetbaarheid van burgers te garanderen. De praktijk laat echter zien dat een deel van de jongeren het onderwijs verlaat zonder startkwalificatie. Voor deze groep van laagopgeleiden heeft de overheid een belangrijke verantwoordelijkheid. Om de positie van laagopgeleide volwassenen op de arbeidsmarkt en in de samenleving te verstevigen, doet de raad vier aanbevelingen om hen te stimuleren tot postinitieel leren.

Als gevolg van ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en in de maatschappij worden er steeds hogere eisen gesteld aan volwassenen. Hierdoor komt de positie van, toch al kwetsbare, laagopgeleiden (mensen met een opleiding op maximaal mbo 1-niveau) verder onder druk te staan. Om duurzaam inzetbaar te kunnen blijven op de arbeidsmarkt en om voldoende zelfredzaam te zijn in de maatschappij is postinitieel leren voor deze groep belangrijk.

De raad is van mening dat goed initieel onderwijs de voornaamste manier is om duurzame inzetbaarheid van alle burgers te garanderen. De praktijk laat echter zien dat een deel van de jongeren het onderwijs verlaat zonder startkwalificatie (zonder diploma op mbo 2-niveau). Voor deze groep van laagopgeleiden heeft de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid. Om de positie van laagopgeleide volwassenen op de arbeidsmarkt en in de maatschappij te verstevigen doet de raad vier aanbevelingen om hen te stimuleren tot postinitieel leren.

Laat stimuleringsmaatregelen  aansluiten bij specifieke behoeften laagopgeleide
De raad adviseert het bedrijfsleven en de overheid om bij het stimuleren van postinitieel leren laagdrempelig te beginnen. Betrokken partijen kunnen dit het beste doen door gebruik te maken van kleinschalige samenwerkingsverbanden. De dagelijkse werk- en leefomgeving van de potentiële deelnemer moet centraal staan en er kan meer ingezet worden op sociale contacten die mensen kunnen helpen in hun loopbaan. Verder zou postinitieel leren standaard onderdeel moeten zijn in het loopbaanbeleid van bedrijven, zowel voor vaste werknemers als voor flexwerkers.

Borg kwaliteit ervaringscertificaten
Ervaringscertifi caten zijn behulpzaam bij het erkennen van informeel leren en het stimuleren van postinitieel leren, maar de kwaliteit van evc (erkenning van verworven competenties) blijkt wisselend. De raad adviseert het toezicht op het erkenningsproces te verscherpen. Hiertoe zou het Ministerie van OCW het toezicht op de kwaliteit van de licentieverlenende instanties moeten onderbrengen bij een overheidsinstelling. Tevens stelt de raad voor om de kwaliteit van evc-aanbieders zichtbaarder te maken door resultaten van beoordelingen openbaar te maken.
Door vaker te controleren kan een licentie afgegeven worden voor een langere periode. Verder stelt de raad voor naast de reguliere erkenning per kwalifi catieprofi el ook een erkenning op het niveau van de instelling in het leven te roepen.

Stel scherpe eisen aan aanbieders educatietrajecten
Een aanzienlijk deel van de laagopgeleiden is laaggeletterd en daardoor extra kwetsbaar. Daarom adviseert de raad om heldere kwaliteitseisen op te stellen voor aanbieders van volwasseneneducatie. Hiermee zou de kwaliteit geborgd kunnen worden, terwijl tegelijkertijd educatietrajecten beter op de verschillende deelnemersvragen afgestemd kunnen worden.

Experimenteer met maatregelen en onderzoek hun werking en effectiviteit
De deelname aan postinitieel leren wordt te globaal gemeten om het succes van stimuleringsmaatregelen goed te kunnen beoordelen. In het bijzonder voor de heterogene groep van laagopgeleiden beveelt de raad aan om op kleine schaal te experimenteren met initiatieven die beloftevol zijn gebleken. Deze maatregelen moeten systematisch op hun werking en effectiviteit worden onderzocht, voordat er wordt geïnvesteerd in maatregelen op grote schaal.

Lees de volledige publicatie ›