Overgangen in het onderwijs

3 maart 2014 | Advies

Mevrouw de Minister,

U heeft de Onderwijsraad gevraagd advies uit te brengen over overgangen in het onderwijs. Met genoegen gaat de raad op uw verzoek in.

In dit briefadvies komt eerst de achtergrond van de adviesvraag aan de orde (1). Vervolgens geeft de raad antwoord op de adviesvraag en onderbouwt dat met de knelpunten die hij signaleert omtrent de overgangen (2). Tot slot doet de raad drie aanbevelingen om de overgangen te verbeteren (3, 4 en 5). Conform de adviesvraag gaat de raad daarbij uit van het huidige stelsel.

Opbouw van dit briefadvies

  1. Adviesvraag: verlopen de overgangen in het onderwijsstelsel soepel genoeg voor alle leerlingen en studenten?
  2. Advies: zet het belang van leerlingen tijdens overgangen voorop én verbeter de keuzes die ze maken.
  3. Aanbeveling 1: bewaak de ruimte die scholen hebben om leerlingen kansen te geven.
  4. Aanbeveling 2: verzacht overgangen met maatwerk voor specifieke groepen leerlingen.
  5. Aanbeveling 3: verbeter loopbaanontwikkeling en –begeleiding.

1. Adviesvraag: verlopen de overgangen in het onderwijsstelsel soepel genoeg voor alle leerlingen en studenten?

De vraag die aan dit briefadvies ten grondslag ligt is: verlopen de overgangen in het onderwijsstelsel soepel genoeg voor alle leerlingen en studenten – en zo nee, hoe kunnen ze worden verbeterd om het leerpotentieel zo goed mogelijk te benutten?

Soepele overgangen zijn belangrijk in een gedifferentieerd stelsel

In een sterk extern gedifferentieerd stelsel als het Nederlandse is het van groot belang om regelmatig te bekijken of de overgangen van de ene naar de andere onderwijssoort soepel verlopen.1 Dat belang neemt in deze tijd van kosten besparen en excellentie bevorderen alleen maar toe. Er zijn veel mogelijke overstapmomenten: van primair naar voortgezet onderwijs; van voortgezet onderwijs naar middelbaar en hoger beroepsonderwijs en universiteit; van middelbaar naar hoger beroepsonderwijs; en van hoger beroepsonderwijs naar universiteit. Ook binnen sectoren, opleidingen en leertrajecten kunnen leerlingen en studenten op veel momenten ‘opstromen’ naar een hoger niveau (bijvoorbeeld van de theoretische leerweg van het vmbo naar havo of van havo naar vwo) of ‘afstromen’ naar een lager niveau.

Uit analyses die de DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs) op verzoek van de Onderwijsraad heeft gemaakt, blijkt dat de ruim 187.000 leerlingen die in 2003 in het derde jaar van het voortgezet onderwijs zaten, in tien jaar tijd maar liefst elfduizend verschillende leerroutes aflegden, met daarbinnen vele overgangsmomenten.2

Goede overgangen geven leerlingen optimale kansen om hun talenten te ontwikkelen en (later) een succesvolle loopbaan op te bouwen. Voor leerlingen zijn alle overgangsbeslissingen van belang, maar zeker de beslissingen die relatief vroeg in de schoolloopbaan worden genomen, zoals het schooladvies, de plaatsing in het eerste jaar van het voortgezet onderwijs, en de overgangsbeslissingen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs. 3Goede overgangen besparen de samenleving bovendien kosten, omdat ze kunnen voorkomen dat leerlingen of studenten studievertraging oplopen, uitvallen of hun talenten onvoldoende benutten.4

Eerste signaal voor niet-soepele overgangen: schooluitval

Reden om de overgangen onder de loep te nemen is dat er signalen zijn dat ze niet goed verlopen. In verschillende onderwijssectoren is de schooluitval hoog en is er sprake van lage rendementen. Hiervoor zijn weliswaar uiteenlopende oorzaken, maar voor de raad zijn de cijfers over schooluitval wel aanleiding om vragen te stellen bij de soepelheid van de overgangen. In het studiejaar 2011-2012 verliet in het middelbaar beroepsonderwijs 46,5% van de leerlingen voortijdig de beroepsbegeleidende leerweg (niveau 1).5 In de beroepsopleidende leerweg (niveau 1) was het percentage voortijdig schoolverlaters 34,3%. Voor niveau 2 lagen de percentages op 13,2 (bbl) en 11,8 (bol). De uitval voor niveau 3 en 4 was veel lager (namelijk: lager dan 5%). In het hoger beroepsonderwijs stopte in het eerste jaar 16% van de studenten (cohort 2011).6 Hier haalde slechts 34% van de studenten het diploma binnen de normtijd. Vooral studenten met een mbo-vooropleiding vielen in het eerste jaar van het hoger beroepsonderwijs uit (23% in 2011). Van degenen die bleven studeren, wisselden studenten met een havo-vooropleiding het vaakst van studie (27%). De uitval in het eerste jaar van de universiteit bedroeg 6%, maar ook hier liep een groot deel van de studenten vertraging op. Slechts 28% van de studenten rondde de bachelor binnen de normtijd af.7

Tweede signaal voor niet-soepele overgangen: te scherpe selectie van leerlingen

Een extra reden om de overgangen onder de loep te nemen is dat er signalen zijn dat havo- en vwo-scholen en ook vervolgopleidingen steeds vaker leerlingen selecteren.8 Enerzijds kan selectie ervoor zorgen dat talenten worden benut doordat leerlingen doorstromen naar een passende plek in het vervolgonderwijs. Anderzijds vormen selectiemechanismen een extra struikelblok voor leerlingen die zich op het overgangsmoment (nog) niet overtuigend kwalificeren voor het gewenste onderwijsniveau (of -segment), maar wel de benodigde capaciteiten hebben.9 Daarbij zijn er aanwijzingen dat de kwaliteit en standaardisatie van selectieprocessen niet altijd gewaarborgd zijn, waardoor bij overgangen willekeur en kansenongelijkheid ontstaat.10 Dit zet de toegankelijkheid van het stelsel onder druk.

Afbakening en voorbereiding van het advies

De raad richt zich in dit advies op de overgangen van het primair naar het voortgezet onderwijs,11 de overgangen binnen het voortgezet onderwijs, en de overgangen van het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs naar het hoger onderwijs.

Dit advies is voorbereid door middel van een literatuurstudie (door dr. C. Sluijter), een onderzoek naar selectiemechanismen (door het Kohnstamm Instituut, Oberon en ITS), een analyse van leerroutes van het leerlingencohort dat in 2003 in het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs zat (door DUO), en door middel van gesprekken en paneldiscussies met deskundigen (door de Onderwijsraad). De achtergrondstudies en de adviesvraag van de minister zijn te raadplegen via de website van de Onderwijsraad.

2. Advies: zet het belang van leerlingen tijdens overgangen voorop én verbeter de keuzes die ze maken

De raad vindt het van groot belang dat overgangsbeslissingen zorgvuldig worden genomen en dat de belangen van leerlingen daarbij voorop staan. Verschillen in schoolloopbanen ontstaan tijdens de overgangen, en kunnen ook de (latere) arbeidscarrière en maatschappelijke positie van leerlingen sterk beïnvloeden.12 Verschillen in schoolloopbanen werken bovendien cumulatief – waardoor aanvankelijk kleine verschillen steeds groter worden.13 Vooral de overgang van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs is belangrijk.14

De overgangen verlopen nu niet soepel genoeg. Instellingen hanteren steeds vaker strengere selectiecriteria voor leerlingen.15 De selectie wordt mede veroorzaakt door de sterke nadruk in beleid op het verhogen van rendementen – en door de daaraan gekoppelde prestatiefinanciering.16 Die maken dat bij overgangsbeslissingen het belang van instellingen vaker prevaleert: zij selecteren bijvoorbeeld de voor hen ‘beste’ leerlingen.17 Bij een strengere norm wordt relatief veel leerlingen kansen onthouden.18 Dit treft vooral leerlingen van wie het niveau niet onomstotelijk vaststaat. Selectie kan dus de toegankelijkheid van het onderwijs onder druk zetten.19 De raad vindt dat het belang van leerlingen bij overgangen voorop moet staan, en dat dit goed bewaakt moet worden.

Leeslijn Toegankelijkheid

  • Presteren naar vermogen

    1 februari 2007 | Advies

    Veel leerlingen presteren onder hun niveau en scholen zouden beter toegerust moeten worden om deze leerlingen sneller in beeld te krijgen zodat zij gerichte maatregelen te kunnen nemen. Een daarvan is het inzetten van extra leertijd.

  • Examinering: draagvlak en toegankelijkheid

    13 november 2006 | Advies

    Examinering is een aspect van toegankelijkheid. Het is gericht op beoordeling van opgedane kennis en vaardigheden en is meestal alleen mogelijk na het volgen van een bijbehorende opleiding. Er zouden meer en betere mogelijkheden moeten zijn om erkenning te verkrijgen van (deels) buiten gangbare onderwijstrajecten verworven kennis en ervaring. Daarmee kunnen mensen doorlopend op alle niveaus examen doen en waardering krijgen voor hun verworven kennis en ervaring in de vorm van een erkend diploma.

  • De helft van Nederland hoogopgeleid

    1 december 2005 | Advies

    Voor leerlingen op alle onderwijsniveaus moet het mogelijk zijn om talenten zo te ontwikkelen dat ze het voor hen hoogst mogelijke onderwijsniveau bereiken. Daarvoor moeten werving en selectie op overgangsmomenten een positieve insteek hebben. Een zo breed mogelijk scala aan routes voor leerlingen op alle onderwijsniveaus en meer variëteit in het hoger onderwijs maken dat mogelijk.

  • Betere overgangen in het onderwijs

    1 december 2005 | Advies

    Soepele overgangen tussen de verschillende onderwijssectoren zijn cruciaal voor een hoog eindigende leerloopbaan, het benutten van talent en om voortijdig schoolverlaten tegen te gaan. Om belemmeringen voor leerlingen terug te dringen moeten er doorlopende trajecten komen, bepaalde groepen leerlingen meer leertijd krijgen en verdient loopbaanondersteuning op lange en korte termijn meer aandacht.

  • Toegankelijkheid van het Nederlandse onderwijs

    25 juni 1997 | Advies

    Zeven thema’s die van invloed zijn op de toegankelijkheid van het Nederlandse onderwijs:
    • de waarde van de buitenschoolse omgeving op de schoolse ontwikkeling;
    • doelen en standaarden (als garantie voor toegankelijkheid);
    • segregatie tussen scholen en concentratie van leerlingen met een specifieke sociaal-culturele achtergrond;
    • blokkades of mogelijkheden op stelselniveau;
    • de verantwoordelijkheidsverdeling in het onderwijs;
    • integraal of specifiek beleid en
    • mogelijkheden van een levenlang leren.

  • Overgangen in het onderwijs

    3 maart 2014 | Advies

    Selectie speelt een steeds grotere rol bij de diverse overgangen in het Nederlandse onderwijsstelsel. De raad constateert dat strengere selectie negatieve gevolgen kan hebben voor de toegankelijkheid van het onderwijs. Vooral laatbloeiers en leerlingen uit lagere sociaaleconomische milieus ondervinden de nadelen van deze strengere selectie. De raad vindt dat tijdens overstapmomenten het belang van de leerlingen centraal moet worden gesteld.

  • Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015-2025

    5 oktober 2015 | Advies

    In de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek wordt sterkt ingezet op flexibilisering, differentiatie en maatwerk. De raad onderschrijft de richting van de agenda op hoofdlijnen. Maar de raad vraagt ook een verduidelijking van wat met flexibilisering en differentiatie bedoeld wordt en waar maatwerk betrekking op heeft. Ook wijst de raad op diverse spanningsvelden rondom flexibilisering, differentiatie en maatwerk. De raad adviseert om flexibilisering en differentiatie vooral te zoeken in variëteit tussen (initiële) opleidingen en instellingen.

  • Samen voor een ononderbroken schoolloopbaan

    3 november 2014 | Advies

    Sommige jongeren met een ondersteuningsbehoefte hebben begeleiding vanuit onderwijs én jeugdhulpverlening nodig. Inhoudelijke samenwerking tussen beide domeinen is belangrijk om een samenhangende aanpak te kunnen bieden. De Onderwijsraad vindt dat een ononderbroken schoolloopbaan daarbij centraal zou moeten staan. Dan kunnen kwetsbare jongeren vaker schoolnabije hulp of een passend begeleidingsaanbod krijgen en wordt de kans kleiner dat zij thuis komen te zitten.

  • Nieuwe scholen

    17 juni 2016 | Advies

    Het starten van een school is onder de bestaande regelgeving erg lastig en een school moet altijd van een bepaalde richting zijn. Met het wetsvoorstel meer ruimte voor nieuwe scholen wordt het makkelijker om een school te starten zolang er maar sprake is van voldoende belangstelling en de onderwijskwaliteit voldoende zal zijn. De raad ondersteunt die verandering. Meer ruimte voor het starten van een school maakt het onderwijsaanbod flexibeler en ‘richtingvrije planning’ laat toe dat meer recht gedaan kan worden aan verscheidenheid en pluriformiteit.

  • Naar een nieuwe kleuterperiode in de basisschool

    26 mei 2010 | Advies

    Sommige leerlingen beginnen met een achterstand aan hun schoolloopbaan die zij later moeilijk in kunnen halen. Voor hen dreigt onderbenutting van hun potentieel. Om de voor- en vroegschoolse ontwikkeling van alle jonge kinderen te stimuleren zou het basisonderwijs uitgebreid moeten worden met een pedagogisch aanbod voor alle driejarigen.

  • Vroeg of laat

    8 maart 2010 | Advies

    Het vroege selectiemoment (op 12-jarige leeftijd) kan bij de overgang van primair naar voortgezet onderwijs nadelige gevolgen hebben voor de onderwijskansen van leerlingen uit de lagere sociaal-economische milieus. Maar uitstel voor alle leerlingen gaat ten koste van de best presterende leerlingen. Het is daarom beter de flexibiliteit van het stelsel te vergroten om maatwerk te kunnen bieden en optimale doorstroom mogelijk te maken

  • Hoger onderwijs voor de toekomst

    22 september 2011 | Advies

    Selectie mag deelname aan het hoger onderwijs wel bevorderen, maar niet belemmeren. Er is een grotere variëteit nodig in het hoger en wetenschappelijk onderwijs, zodat iedere student de studie kan volgen die bij hem past. Daarnaast moet de doorstroom binnen het hoger onderwijs vlotter verlopen.

  • Over de drempel van postinitieel leren

    26 juni 2012 | Advies

    Toegankelijkheidsproblemen bestaan niet alleen in het regulier bekostigd onderwijs, maar ook daarbuiten. Een deel van de jongeren verlaat het onderwijs zonder startkwalificatie. Om duurzaam inzetbaar te kunnen blijven op de arbeidsmarkt en om voldoende zelfredzaam te zijn in de maatschappij is het belangrijk voor deze groep dat de toegang tot leren behouden blijft.

  • Meer kansen voor kwetsbare jongeren

    12 december 2013 | Advies

    De raad pleit voor het uitwerken van alternatieven voor de startkwalificatie en voor meer flexibiliteit in het stelsel, zodat alternatieven routes naar het diploma mogelijk zijn.

  • Een smalle kijk op onderwijskwaliteit

    4 november 2013 | Advies

    De sociaaleconomische status van ouders is nog steeds medebepalend voor het opleidingsniveau van kinderen. De verschillen zijn weliswaar minder scherp dan vroeger en in vergelijking met andere landen zijn de verschillen op basis van afkomst gering. De vroege selectie die het Nederlands onderwijs kenmerkt, draagt echter wel bij aan de bestendigheid van deze verschillen.

Daarnaast constateert de raad dat de keuzes die leerlingen zelf maken, niet altijd goed uitpakken. Te veel leerlingen en studenten vallen uit of doen te lang over de opleiding. Dit is niet alleen problematisch voor individuele leerlingen, maar ook voor de samenleving als geheel. De raad denkt dat meer aandacht voor LOB (loopbaanontwikkeling en –begeleiding) zal leiden tot betere keuzes.

Strengere selectie kan een deel van de leerlingen kansen ontnemen

Druk op rendementen veroorzaakt strengere selectie

Verschillende mechanismen werken selectie – en ook strategisch gedrag van scholen – in de hand. De Inspectie beoordeelt het als positief als een middelbare school een onderbouwleerling naar een hoger niveau weet te brengen (bijvoorbeeld van de theoretische leerweg vmbo naar havo), maar geeft minpunten wanneer een leerling beter blijkt te passen op (en afstroomt naar) een lager niveau.20 Ook bij een dubbel advies (bijvoorbeeld havo/vwo) krijgen scholen minpunten wanneer een leerling niet op het hoogste, maar op het laagste niveau terechtkomt. Verder geldt dat indien leerlingen opstromen naar een hoger niveau, scholen het risico lopen dat hun rendement in de bovenbouw en het gemiddelde cijfer op het centraal examen dalen. Het valt immers te verwachten dat deze leerlingen gemiddeld lagere cijfers halen en een grotere kans hebben om te blijven zitten. In het voortgezet onderwijs proberen scholen daarom in toenemende mate het risico op ‘afstroom’ en daling van de schoolprestaties te reduceren, bijvoorbeeld door de instroom- en overgangsnormen aan te scherpen of door tussentijds extra toetsen af te nemen.21 Uit onderzoek door de Inspectie blijkt voorts dat sommige scholen in het voortgezet onderwijs alleen leerlingen toelaten met een hoge minimumscore op de eindtoets basisonderwijs, of leerlingen weigeren die ooit zijn blijven zitten.

Onder invloed van de nadruk op rendementsverhoging wordt ook in het middelbaar beroepsonderwijs en in het hoger onderwijs strenger geselecteerd dan voorheen. Er is in toenemende mate sprake van deficiëntieonderzoeken, aanvullende (reken)toetsen, bindende studieadviezen en aangescherpte overgangsnormen.22 In het hoger onderwijs is het aantal opleidingen dat decentraal selecteert op basis van een numerus fixus in tien jaar tijd aanzienlijk toegenomen: van 9 naar 32 in het hoger beroepsonderwijs en van 12 naar 50 in het wetenschappelijk onderwijs. Instellingen selecteren dan meestal op basis van resultaten in de vooropleiding, motivatie en geschiktheid. Vaak is het voor degenen die verantwoordelijk zijn voor selectie op onderwijsinstellingen onduidelijk welke intake- of toetsinstrumenten precies worden gebruikt en of de gebruikte instrumenten voldoende betrouwbaar en valide zijn. Het ontbreekt nogal eens aan standaardisatie van intake- en toetsinstrumenten en er is weinig geregeld om de kwaliteit van selectieprocedures te borgen.23 Bovendien blijkt uit onderzoek dat de voorspellende waarde van de meeste selectiecriteria (eerdere leerprestaties, motivatie, persoonlijkheidskenmerken, en dergelijke) gering is.24

Selectie kan leiden tot verschillen tussen regio’s en scholen

Het komt voor dat leerlingen andere kansen krijgen afhankelijk van de regio waar ze wonen of de school die ze bezoeken. Er zijn grote regionale verschillen in overgangsbeslissingen van het primair naar het voortgezet onderwijs. Basisscholen in Friesland adviseren vaker lager ten opzichte van de eindtoets dan scholen in Noord- en Zuid-Holland; scholen in Flevoland vaker hoger.25 Daarnaast hanteren binnen een regio niet alle scholen in het voortgezet onderwijs altijd dezelfde instroomnormen.26 Populaire scholen kunnen de beste leerlingen binnenhalen en betere onderwijsresultaten behalen, waarmee ze hun sterke positie op de regionale scholenmarkt versterken.27

Leerlingen met een lage sociaaleconomische achtergrond in het nadeel

Strenge selectie bij de eerste overgang (op twaalfjarige leeftijd) kan ertoe leiden dat vooral laatbloeiers, leerlingen met taalachterstanden en leerlingen afkomstig uit lagere sociaaleconomische milieus minder kansen krijgen.28 Bij latere overgangen beperkt de toegenomen (aanvullende) selectie de doorstroomkansen en de mogelijkheid tot stapelen van opleidingen (het na elkaar volgen van opleidingen van steeds hoger niveau).

Het risico bestaat dat vooral leerlingen van ouders met een lagere sociaaleconomische positie de dupe worden van strengere selectie. Volgens de Inspectie oefenen ouders druk uit op basisscholen om voor hun kind een zo hoog mogelijk schooladvies te krijgen. In de afgelopen periode is het aandeel leerlingen dat instroomde in havo en vwo vanuit groep acht gegroeid.29 De groei komt niet door hogere eindtoetsscores, maar doordat meer leerlingen een hoger schooladvies kregen. Vooral leerlingen van ouders met een hogere sociaaleconomische positie krijgen vaker schooladviezen die hoger zijn dan de eindtoetsscore aangeeft.30 Hun ouders hebben vaker hogere doelen voor ogen én de (financiële en sociaal-culturele) middelen om ze te verwezenlijken.31 Leerkrachten hebben ook vaker hogere verwachtingen van deze kinderen dan van leerlingen met laagopgeleide ouders. Onderzoek laat zien dat hoge verwachtingen vaker leiden tot overadvisering of plaatsing op een hoger niveau (ten opzichte van het schooladvies of de eindtoetsscore) en dat zo de kans op een gunstiger verloop van de schoolloopbaan groter wordt.32 Overgangsmomenten kunnen dus – zeker bij de overstap van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs – de verschillen vergroten tussen leerlingen met verschillende sociaaleconomische achtergronden.

Leerlingen maken niet goed onderbouwde keuzes

Leerlingen maken ook zelf keuzes voor de overgangen (vooral in het voortgezet onderwijs en in het middelbaar beroepsonderwijs). Het gaat onder andere om de keuze voor een sector, een profiel of een vervolgopleiding. Die keuzes zijn lang niet altijd optimaal, zo kan worden opgemaakt uit het percentage uitvallers en jongeren met studievertraging. Veel leerlingen maken nu geen onderbouwde keuze.33

Vervolgopleiding sluit vaak niet aan op verwachting

Leerlingen hebben vaak geen helder beeld van de keuzemogelijkheden of van de beroepen die ze kunnen kiezen. Uit onderzoek naar redenen van studieswitch/uitval blijkt dat uitvallers vaak van tevoren verwachtingen hadden van de studie die niet uitkwamen.34 Leerlingen die zich oriënteren op een vervolgopleiding doen dat nu vaak op basis van enkele gesprekken (bijvoorbeeld met de decaan), informatie verzameld via internet, open dagen en (sinds kort de verplichte) matchingsactiviteiten. De kennismaking met het vervolgonderwijs beperkt zich veelal tot ‘horen over’ en sfeer proeven. Dit is echter niet voldoende; leerlingen dienen informatie ook zelf actief aan te wenden om tot een overtuigde studiekeuze te komen.35 Dit geldt ook voor het hoger onderwijs, waar het aantal matchingsactiviteiten fors is toegenomen, maar de activiteiten zich vooral richten op aankomende studenten die hun keuze al sterk hebben ingeperkt of binnen korte tijd een keuze moeten maken.36

Te weinig aandacht voor LOB

Scholen besteden te weinig aandacht aan LOB. De aandacht gaat vooral uit naar het binnenboord houden van leerlingen, de studievoortgang en de prestaties, en niet naar wat ze na de opleiding gaan doen. Uit onderzoek blijkt echter dat naar mate het aantal studieloopbaanactiviteiten toeneemt, het risico op uitval kleiner wordt.37

Op de meeste scholen voor voortgezet onderwijs komt het onderdeel LOB pas in de derde klas voor het eerst aan de orde. De profielkeuze is dan al in zicht. Bovendien neemt de tijd besteed aan LOB in de havo en het vwo na het derde jaar (na de profielkeuze) weer sterk af.38 Op veel scholen ontbreekt bovendien het loopbaanperspectief. Uit een analyse van loopbaangesprekken in het beroepsonderwijs blijkt de loopbaan zelf nauwelijks onderwerp van gesprek te zijn.39 De nadruk bij LOB ligt op het beperken van switch en uitval door het aanbieden van informatie over de studie. LOB richt zich minder op talentontwikkeling en de kwaliteiten van elke leerling, het ontwikkelen van een onderzoekende houding en op het bevorderen van zelfsturing. Dit geldt zowel voor het voortgezet onderwijs als voor het middelbaar beroepsonderwijs. Leerlingen geven ook zelf aan dat de begeleiding bij het maken van de keuzes (vooral in het voortgezet onderwijs) onvoldoende is.40 Meestal gaat het om één gesprek met een schooldecaan rondom de eindexamenperiode. Wanneer er een definitieve keuze moet worden gemaakt, blijken scholieren zich weinig bewust te zijn van hun sterke kanten en hebben ze een vaag of onrealistisch beeld van beroepen en vervolgopleidingen.41 Dit vormt een extra risico voor leerlingen uit gezinnen met een lage sociaaleconomische status omdat hun ouders soms een beperkt beeld hebben van de mogelijkheden en LOB vaker zien als iets dat uitsluitend een taak van de school is.42 Tot slot ontbreken vaak de randvoorwaarden om goede LOB te realiseren. Er wordt vaak weinig prioriteit aan gegeven op het niveau van de directie of bestuur.43 Zo ervaart een groot deel van de docenten in het (v)mbo en hbo weinig draagvlak om loopbaangerichte begeleiding te realiseren.44

3. Aanbeveling 1: bewaak de ruimte die scholen hebben om leerlingen kansen te geven

Monitor of leerlingen op overgangen voldoende kansen krijgen

De raad is van mening dat leerlingen van wie het niveau (nog) niet vaststaat, van scholen meer ruimte moeten krijgen om hun talenten te ontplooien. Kort geleden heeft de staatssecretaris enkele maatregelen aangekondigd om dit te bewerkstelligen (zie kader). De raad verwacht positieve effecten van deze maatregelen, en adviseert ze goed te monitoren.

Maatregelen om meer kansen te creëren voor alle leerlingen

Sommige scholen beperken nu het risico op afstroom in de onderbouw of op lagere examencijfers door leerlingen minder vaak het voordeel van de twijfel te geven. Ze plaatsen leerlingen van wie het niveau niet helder is, op het laagste niveau: een leerling met een vmbo-tl-/havo-advies, wordt in een vmbo-tl-klas geplaatst. Dit kan lage rendements- of prestatiecijfers voorkomen. Omgekeerd kan de keuze van een school om leerlingen kansen te bieden resulteren in lage(re) rendements- of prestatiecijfers. Rendementen houden dus niet altijd rechtstreeks verband met de onderwijskwaliteit, ze kunnen ook te maken hebben met keuzes van een school of met de aard van de leerlingenpopulatie. In januari van dit jaar stuurde de staatssecretaris een brief aan de Tweede Kamer.45 Daarin gaf hij aan dat leerlingen die het voordeel van de twijfel krijgen en op een hoog niveau zijn geplaatst, in geval van afstroom niet zullen worden meegerekend in de rendementscijfers (motie-Ypma).

Daarnaast heeft de staatssecretaris het voornemen geuit om wettelijke eisen te stellen aan het basisschooladvies. Het versterken van de kwaliteit van het schooladvies kan in combinatie met de (inmiddels verplichte) eindtoets voor taal en rekenen voorkomen dat onder- én overgeadviseerd wordt. Ook de raad hecht aan het versterken van de kwaliteit van het schooladvies. Een beter schooladvies geeft scholieren overal dezelfde onderwijskansen, dus ongeacht de regio waar de school staat, het schooltype en de leerkracht die voor de klas staat.

Bovendien is het schooladvies voortaan leidend voor de toelating tot het voortgezet onderwijs. De verplichte eindtoets, die vanaf 2015 elk jaar rond 20 april zal worden afgenomen, dient als ‘second opinion’. Op basis van de uitslag van deze eindtoets kan het schooladvies worden herzien, maar in principe is het gebaseerd op gecombineerde informatie uit tussentijdse toetsen en de entreetoets, en op het oordeel van leerkrachten.

De raad wil niet alleen bovenstaande maatregelen monitoren, maar herhaalt zijn pleidooi voor een evaluatie van alle overgangsbeslissingen en hun effect op de toegankelijkheid van het onderwijsstelsel.46 Een monitor laat duidelijk zien welke effecten toenemende selectie heeft op het aantal studenten dat instroomt in het hoger onderwijs, of er verschuivingen plaatsvinden in aanmeldingen tussen de universiteit en het hoger beroepsonderwijs, en welk effect toenemende selectie heeft op de wijze van doorstroom in het funderend onderwijs. Door deze monitor periodiek te herhalen kunnen onwenselijke verschuivingen in loopbanen en mogelijke knelpunten bij overgangen en stapelroutes aan het licht komen.

Wees terughoudend met aanvullende selectie in het funderend onderwijs

De raad pleit verder voor uiterste terughoudendheid bij aanvullende selectie binnen het funderend onderwijs. Hij adviseert de minister om de naleving van afspraken in het veld te controleren. Zo is het binnenkort niet meer toegestaan dat middelbare scholen leerlingen die zich aanmelden voor het eerste jaar, aanvullend testen – nog vóórdat tot toelating wordt besloten.47 Ook is er een code opgesteld voor de overgang van vmbo-tl naar havo en heeft de VSNU 'guiding principles' geformuleerd voor de selectie van studenten door universiteiten.48

Naleving van dit soort afspraken kan er ook voor zorgen dat stapelroutes toegankelijk blijven. Als te strenge aanvullende selectie wordt tegengegaan, dan kunnen leerlingen makkelijker overstappen van bijvoorbeeld vmbo naar havo, of van havo naar vwo. De raad is daar voorstander van, omdat hij vindt dat een stelsel dat leerlingen relatief vroeg selecteert voor aparte onderwijstrajecten, ook ruimhartig moet zijn in het bieden van tweede kansen.

In het geval van te veel aanmeldingen voor een school vindt de raad dat scholen moeten overgaan op (regionale) loting in plaats van op strengere selectie. In het geval van aanvullende selectie voor speciale onderwijsprogramma’s – zoals tweetalig onderwijs – adviseert hij dat scholen dit op regionaal niveau met elkaar afstemmen. Twee scholen met tweetalig onderwijs in dezelfde regio moeten in beginsel dezelfde toelatingscriteria hanteren.

4. Aanbeveling 2: verzacht de overgangen met maatwerk voor specifieke groepen leerlingen

Bevorder doelmatig wegwerken leerachterstanden en deficiënties

Leerlingen moeten meer tijd en mogelijkheden krijgen om leerachterstanden weg te werken voordat ze overstappen naar vervolgonderwijs. De raad heeft hier al eerder over geadviseerd.49 Het tijdig wegwerken van achterstanden is doelmatiger dan deze later compenseren door opleidingen of diploma’s te stapelen, en kan schooluitval voorkomen. Zomerscholen, voetklassen en andere vormen van leertijdverlenging kunnen hierbij behulpzaam zijn. In zomerscholen krijgen leerlingen extra lessen Nederlands of andere vormende activiteiten. In voetklassen krijgt de leerling een jaar extra taallessen voordat hij naar de brugklas gaat. Hetzelfde principe (intensief, extra taalonderwijs) wordt ook toegepast in schakelklassen en kopklassen. De raad beveelt aan het benutten van deze mogelijkheden te (blijven) stimuleren. [49: Onderwijsraad (2005). Betere overgangen in het onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.]

Leeslijn Financiering

  • Kwaliteit belonen in het hoger onderwijs?

    24 juli 2007 | Advies

    Het is de moeite waard te bezien of door middel van de bekostigingssystematiek de kwaliteit van het hoger onderwijs verder kan worden bevorderd. Experimenten kunnen aantonen hoe bijzondere kwaliteit in het hoger onderwijs kan worden beloond.

  • Doelgericht investeren in onderwijs

    29 juni 2006 | Advies

    De overheid dient vooral te investeren in maatregelen die het hoogste rendement opleveren en waarvan de effecten bewezen zijn. Extra publieke middelen moeten ten goede komen aan het leerplichtige onderwijs, en dan vooral aan opvangvoorzieningen, het voorkomen van leerachterstanden en het leraarschap. Extra private middelen zijn - in combinatie met publieke - beter in te zetten in het niet-leerplichtige onderwijs, met name in het hoger onderwijs. Hier gaat het om maatwerk en differentiatie.

  • Bekostiging hoger onderwijs

    2 september 2003 | Advies

    Doelmatigheid, toegankelijkheid en kwaliteit zijn de criteria op basis waarvan de overheid het hoger onderwijs moet bekostigen of niet, met doelmatigheid als belangrijkste criterium. De criteria dienen in samenhang te worden bezien en gewogen.

  • Publiek en Privaat. Mogelijkheden en gevolgen van private middelen in het publieke onderwijs

    9 oktober 2001 | Advies

    De inzet van private bijdragen in het leerplichtige onderwijs moet ten goede komen aan activiteiten als excursies, buitenschools sporten of creatief bezig zijn. De toegang tot de verplichte kernactiviteiten in het leerplichtige onderwijs, het basispakket, mag onder geen beding afhankelijk worden van private middelen.

  • Een goede start voor het jonge kind

    2 juli 2015 | Advies

    Het op jonge leeftijd investeren in kinderen in de vorm van kwalitatief hoogstaande voorschoolse voorzieningen is doelmatig met het oog op de hogere opbrengsten en lagere investeringen later in het leven van deze kinderen. De Onderwijsraad stelt voor een integraal stelsel van voorschoolse voorzieningen te financieren voor kinderen van 2,5-4 jaar De specifieke peuterspeelzalen, voorschoolse educatie en een deel van de dagopvang kan dan verdwijnen Dit levert besparingen op aangewend voor het voorgestelde integrale stelsel.

  • Overgangen in het onderwijs

    3 maart 2014 | Advies

    Het wegwerken van leerachterstanden vóórdat besluiten over vervolgopleidingen worden genomen, is doelmatiger dan het later stapelen van opleidingen en diploma's. Programma's die leerlingen in de gelegenheid stellen deficiënties bij te stellen, dienen gestimuleerd te worden.

  • Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015-2025

    5 oktober 2015 | Advies

    In de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek presenteert de minister onder andere de investeringsagenda voor de besteding van de middelen die voortkomen uit de invoering van het studievoorschot. De raad adviseert om deze middelen minder uniform en minder eenzijdig in te zetten. In plaats van vooral ruimte te creëren voor extra docenten, zou volgens de raad ook - afgestemd op lokale behoeften - geïnvesteerd moeten worden in docentprofessionalisering en in innovatieve didactiek en innovatieve onderwijsvormen met de daarbij behorende voorzieningen en infrastructuur. Daarnaast adviseert de raad om strikter te sturen op besteding van de middelen. Daartoe kunnen kwaliteitsafspraken aan de hand van strategische doelen van de instellingen gehanteerd worden.

  • Naar doelmatiger onderwijs

    13 november 2009 | Advies

    Scholen dienen zich sterker te richten op het bereiken van een zo hoog mogelijke onderwijskwaliteit met de beschikbare middelen. Een belangrijke voorwaarde hiervoor is het versterken van doelmatigheidsbesef. Met de huidige inzet van middelen en personeel kan een beter resultaat worden bereikt.

  • Wijziging van de Wet studiefinanciering

    22 juli 2011 | Advies

    Hogere private bijdragen moeten passen in een breder langetermijnperspectief op de financiering van het hoger onderwijs, met een heldere visie over een redelijke verdeling van de kosten van studeren tussen overheid/samenleving en de student. Het volgen van hoger onderwijs leidt immers tot publieke en private opbrengsten. Een verhoging van de private bijdragen moet gerelateerd worden aan een kwaliteitsimpuls voor het hoger onderwijs.

  • Zicht op een macrodoelmatig opleidingsaanbod

    26 juni 2012 | Advies

    Het behoort tot de stelselverantwoordelijkheid van de overheid om bij te houden of er sprake is van een macrodoelmatig opleidingsaanbod in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs. In het uiterste geval moet de overheid kunnen besluiten opleidingen niet langer te bekostigen. Unieke en maatschappelijk relevante kleine opleidingen zouden door middel van een speciale licentie met extra bekostiging in de lucht moeten worden gehouden.

  • Artikel 23 Grondwet in maatschappelijk perspectief

    5 april 2012 | Advies

    Bij de voorwaarden om als nieuwe school voor overheidsbekostiging in aanmerking te komen, staat het recht op goed onderwijs voorop. Een school die voldoende leerlingen weet te trekken en vooraf deugdelijk onderwijs garandeert, voorziet in een maatschappelijke behoefte en voldoet daarmee aan de voorwaarden voor overheidsbekostiging.

  • Grenzen aan kleine scholen

    14 februari 2013 | Advies

    Een herziening van de opheffingsnormen en bekostigingssystematiek is nodig om de kwaliteit van het onderwijs duurzaam te waarborgen. De kleinescholentoeslag in het primair onderwijs kan worden vervangen door een toeslag voor scholen in dunbevolkte gebieden. De budgettaire besparing die dit oplevert, kan worden benut om te investeren in verbetering van de kwaliteit van het basisonderwijs.

Ook bij de overgang naar het hoger onderwijs moeten er voldoende flexibele en toegankelijke mogelijkheden zijn om deficiënties weg te werken – bijvoorbeeld voor wiskunde. De raad acht het raadzaam om te onderzoeken of ‘massive open online courses’ bruikbaar zijn voor doorlopende schakel- of bijspijkercursussen. Hogescholen en universiteiten kunnen hierin gezamenlijk optrekken. Al eerder heeft de raad bepleit om zelftoetsen voor aankomende studenten beschikbaar te stellen.50 Deze spelen geen rol in toelatingsbeslissingen, maar laten aan studenten zien in hoeverre ze adequaat zijn voorbereid op een vervolgopleiding en op welke punten ze zich zouden moeten laten bijspijkeren.

Zie toe op het voortbestaan van voldoende brede brugklassen

De raad adviseert de minister om het voortbestaan van brede en (zo mogelijk) meerjarige brugklassen te stimuleren. Volgens het onderwijsverslag 2013 van de Inspectie is het percentage leerlingen in heterogene klassen afgenomen (van 39 naar 33%).51 Wanneer leerlingen van verschillende niveaus al vroeg van elkaar worden gescheiden, kan dat een risico vormen voor de ontwikkelkansen van sommige (groepen) leerlingen. De brede brugklas verzacht de scherpe scheiding tussen de verschillende onderwijsniveaus en biedt leerlingen meer tijd om naar een passend onderwijsniveau door te stromen. Schoolbesturen kunnen echter besluiten om vanaf het eerste leerjaar met homogene klassen te werken. Zij hoeven er geen rekening mee te houden dat dit de kansen van bepaalde groepen leerlingen schaadt. In de visie van de raad heeft de overheid hierin een verantwoordelijkheid.

Zorg voor meer bekendheid van de associate degree

De raad adviseert de relatief nieuwe ad-opleidingen (associate degree) nadrukkelijker onder de aandacht te brengen van mbo-studenten. Deze tweejarige opleidingen maken sinds 1 september 2013 deel uit van het hoger onderwijs. Ze zijn onder andere bedoeld voor mbo’ers die door willen studeren maar voor wie de overstap naar een (vierjarige) hbo-bachelor te groot is. Het principe van ad-opleidingen voldoet aan een behoefte onder zowel mbo-studenten als werkgevers (vooral in het midden- en kleinbedrijf).52 Na de pilot-fase (2005-2012) is het aantal ad-programma’s sterk gegroeid, het zijn er nu ruim 150.53 De raad vindt dat deze nieuwe opleidingen kansen bieden voor mbo-studenten. Wel beveelt hij aan erop toe te zien dat ze voldoen aan een reële vraag en passen binnen de profilering van het hoger beroepsonderwijs.

5. Aanbeveling 3: verbeter loopbaanontwikkeling en –begeleiding

In de afgelopen jaren is de aandacht voor LOB gegroeid, maar er zijn nog steeds grote verschillen tussen scholen in de manier waarop en de mate waarin LOB een plaats krijgt binnen het curriculum.54 De raad adviseert om de kwaliteit en de positie van LOB structureel te versterken.

Start LOB eerder en ontwikkel een doorgaande leerlijn

LOB moet op scholen eerder van start gaan. Keuzes worden nu vaak gebaseerd op ideeën van ouders, docenten en leeftijdgenoten en op basis van praktische overwegingen zoals de locatie van de school. Met name voor leerlingen die thuis nauwelijks ondersteund worden bij studie- of loopbaankeuzes is een vroege start van LOB van belang. Een doorgaande leerlijn LOB met een bij de leeftijd passende didactiek houdt leerlingen betrokken en geeft scholen handvatten voor de ontwikkeling van loopbaancompetenties, zoals: reflecteren op motieven en kwaliteiten; onderzoeken; activiteiten ondernemen en keuzes maken die passen bij de loopbaanoriëntatie; en netwerken.55 Een vroege start met LOB helpt leerlingen later bij het succesvol inzetten van loopbaancompetenties.56 Dit is van belang voor een succesvolle overgang naar vervolgonderwijs en naar de arbeidsmarkt. Maar ook eenmaal op de arbeidsmarkt aanbeland, veranderen mensen steeds vaker van werk.

In groep 7 of 8 van de basisschool kan worden gewerkt aan LOB in de vorm van horizonverbreding. Het wordt in deze fase verweven in het bestaande onderwijsprogramma en sluit aan op het kerndoelgebied oriëntatie op jezelf en de wereld. Gedurende de schoolloopbaan kan de oriëntatie steeds specifieker worden. In het voortgezet onderwijs gaat het om het ontwikkelen van een beeld over werkzaamheden bij de diverse beroepen. Leerlingen kunnen zich een idee vormen over wat bij hen past en welke vervolgopleiding nodig is. In het middelbaar beroepsonderwijs kan het nog specifieker en gaat het bijvoorbeeld om het ontwikkelen van een professionele beroepsidentiteit, gerelateerd aan eisen, mogelijkheden, ontwikkelingen en cultuur van een werkplek.

Model voor doorlopende leerlijn LOB

Er zijn verschillende modellen die behulpzaam kunnen zijn bij de ontwikkeling van een doorlopende leerlijn LOB. Zo heeft het lectoraat Instroommanagement en aansluiting een model ontwikkeld waarin verschillende LOB-doelen voor de verschillende jaren in een havo-hbo-traject te onderscheiden zijn. In het eerste jaar moeten leerlingen kunnen vertellen waar ze goed in zijn, in het vijfde jaar moeten zij realistische verwachtingen hebben van specifieke opleidingen en beroepen. De begeleiding houdt niet op bij de eindexamens, maar gaat door tot en met de overstap naar de arbeidsmarkt.57

Versterk de rol van de decaan en betrek vooral de vakdocent bij LOB

De raad adviseert om mogelijkheden tot bij- en nascholing op het gebied van LOB voor decanen, mentoren en docenten te stimuleren. Er is te weinig ruimte voor/expertise over LOB op scholen; in de kern gaat het hierbij om prioritering. In het voortgezet onderwijs is de decaan vaak het enige aanspreekpunt voor leerlingen met vragen rondom de profiel- of studiekeuze. Zijn rol beperkt zich bovendien vaak tot het verstrekken van informatie over vervolgopleidingen.58 De raad vindt een uitgebreidere rolopvatting van de decaan belangrijk voor goede LOB. Een decaan ontwikkelt (mede) een visie op en beleid voor LOB, creëert draagvlak, versterkt de samenhang tussen LOB en het curriculum en borgt de kwaliteit ervan in het schoolbeleid. Ook kan hij de dialoog aangaan met leerlingen over ervaringen en keuzes, zodat zij aan het denken worden gezet en in actie komen en gebruik leren maken van netwerken. Dat is uiterst belangrijk in een tijd waarin van leerlingen verwacht wordt dat zij hun eigen loopbaan kunnen vormgeven en aanpassen – het liefst een leven lang.

Juist de vakdocent kan naar de mening van de raad een belangrijke rol spelen bij de loopbaanontwikkeling van leerlingen. Vakdocenten kunnen leerlingen vanuit hun eigen vakgebied een kijk geven op studie- en beroepsmogelijkheden en bijdragen aan de ontwikkeling van het zelfbeeld. Zij zijn bovendien vaak als eerste in staat kwaliteiten bij een leerling te identificeren. Vakdocenten kunnen leerlingen stimuleren om te leren, te oefenen en zich te profileren in het kader van de loopbaan.

Ook de omgeving zou meer bij LOB moeten worden betrokken: ouders, oud-leerlingen, ketenpartners en het bedrijfsleven. Ouders hebben een belangrijke invloed op het loopbaansucces van hun kinderen.59 Oud-leerlingen staan dicht bij de belevingswereld van de leerlingen en kunnen studie-ervaringen delen zonder dat (wervings)belangen een rol spelen. Ketenpartners spelen een belangrijke rol in het vergroten van de kennis over bepaalde opleidingen en de beroepsmogelijkheden daarna. Het bedrijfsleven kan bijdragen aan de vorming van beroepsbeelden. De mentor heeft in dit alles een spilfunctie. De decaan kan mentoren en vakdocenten begeleiden en ondersteunen en ze helpen zich verder te professionaliseren op dit gebied. Om dit goed van de grond te krijgen is het cruciaal dat het schoolbestuur en de directie hiervoor de juiste voorwaarden scheppen, zoals het beschikbaar stellen van voldoende middelen.60 Informatie over het studiesucces van leerlingen in het vervolgonderwijs kan de kwaliteit van LOB bevorderen.61 De raad adviseert dat instellingen deze informatie terugkoppelen.

Vergroot reële verwachtingen door intensievere samenwerking tussen sectoren

Meer samenwerking tussen vmbo, mbo en hbo en tussen voortgezet onderwijs en hoger onderwijs kan bijdragen aan meer realistische verwachtingen van leerlingen over het vervolgonderwijs en aan een betere voorbereiding erop. Een reëel beeld van een opleiding en van de studievaardigheden die nodig zijn, ontstaat vaak pas door er daadwerkelijk aan deel te nemen. De raad adviseert scholen en opleidingen hun leerlingen meer mogelijkheden te bieden om cursussen en opleidingsmodules te volgen van de vervolgopleiding.

Niet alleen voor de overgang tussen primair en voortgezet onderwijs en die tussen voortgezet onderwijs en hoger onderwijs, maar ook voor de overgang van middelbaar beroepsonderwijs naar hoger beroepsonderwijs vindt de raad een ‘warme overdracht’ van groot belang. Ook is de raad voorstander van nauwere regionale samenwerking tussen mbo- en hbo-instellingen. Deze samenwerking moet zich richten op de uitwisseling van docenten, overleg over leerinhouden en leerlijnen, en de inbreng van hogeschooldocenten bij examinering in het middelbaar beroepsonderwijs. Dit bereidt mbo-studenten niet alleen inhoudelijk beter voor op een vervolgopleiding in het hbo, maar leidt ook tot betere kennis over (de eisen in) het vervolgonderwijs, zowel onder mbo-docenten als -studenten. Hiervoor is niet alleen van belang dat betrokkenen de noodzaak van samenwerking zien, maar ook dat er voldoende tijd, geld en deskundigheid beschikbaar is op alle niveaus (beleid én uitvoering). Ook is monitoring nodig om na te gaan of beoogde doelen daadwerkelijk worden bereikt en of de samenwerking bijstelling behoeft.

Voorbeeld van intensieve samenwerking mbo-hbo

Een goed voorbeeld is RxH, een samenwerkingsverband tussen de HAN (Hogeschool van Arnhem en Nijmegen) en omringende grote en kleinere roc’s (regionale opleidingencentra) in Gelderland. Hbo- en mbo-instellingen gaan, naar rato van studentenaantallen, jaarlijks een gezamenlijke investeringsverplichting aan voor structurele samenwerking. In het kader van RxH zijn allerlei doorstroomprogramma’s ontworpen. Grote groepen roc-studenten krijgen onderwijs in deze programma’s op de HAN, verzorgd door zowel mbo- als hbo-docenten. Monitoring, terugkoppeling, overleg op alle niveaus en eventuele beleidsaanpassingen vinden periodiek plaats. Analyse laat zien dat studenten die deelnemen aan specifieke doorstroomprogramma's een gemiddeld hoog studiesucces hebben, vooral in de sector techniek.62

Ook voor het voortgezet onderwijs en het hoger onderwijs geldt dat de samenwerking beter kan. Zo worden LOB-activiteiten op middelbare scholen niet of nauwelijks afgestemd op matchingsactiviteiten van hogescholen en universiteiten.63 De raad is voorstander van matchingsactiviteiten, maar bepleit nauwere samenwerking met het voortgezet onderwijs om studenten eerder ervaringen met vervolgopleidingen te laten opdoen. Dit kan leiden tot realistischer verwachtingen over opleidingen onder scholieren en meer bekendheid in het voortgezet onderwijs met de eisen die aan studenten worden gesteld. Modules van het hoger beroepsonderwijs of de universiteit (bijvoorbeeld in de vorm van een ‘pre-university college’) die structureel deel uitmaken van het onderwijs in de hoogste klassen van de havo en het vwo, zouden daaraan kunnen bijdragen. De raad vindt dat dergelijke programma’s zich op alle leerlingen zouden moeten richten en niet alleen op de getalenteerde en ambitieuze leerlingen. Op deze manier krijgen alle leerlingen de kans om diepgaand kennis te maken met het vervolgonderwijs. Omdat het om grote aantallen leerlingen gaat kan hiervoor (mede) de inzet van massive open online courses worden onderzocht.

Bronnen

  1. Onderwijsraad (1997). Toegankelijkheid van het onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
  2. Deze achtergrondanalyse is te raadplegen op de website van de Onderwijsraad.
  3. Sluijter, C. (2013). Selectie bij overgangen in het onderwijs. Een beknopte literatuurstudie. Arnhem: Cito; ITS, Kohnstamm Instituut & Oberon (2013). Selectiemechanismen in het onderwijs. Nijmegen, Amsterdam, Utrecht: ITS, Kohnstamm Instituut, Oberon.
  4. Onderwijsraad (1997).
  5. Zie ook http://www.aanvalopschooluitval.nl/cijfers/vsv-cijfers-mbo geraadpleegd op 24 februari 2014.
  6. Vereniging Hogescholen (2013). Factsheet flyer studiesucces en uitval 2013. Geraadpleegd op 22 oktober 2013 via www.vereniginghogescholen.nl/vereniging-hogescholen/publicaties/doc_view/1857-factsheet-flyer-studiesucces-en-uitval-2013.
  7. VSNU (z.j.). Rendementen WO. Geraadpleegd op 24 februari 2014 via http://www.vsnu.nl/f_c_bachelorrendement.html geraadpleegd op 24 februari 2014.
  8. ITS e.a. (2013).
  9. Onderwijsraad (1997).
  10. Sluijter (2013).
  11. De raad heeft recent geadviseerd over de overgang van vmbo, praktijkonderwijs of VSO naar MBO 1 (entree-opleidingen). Dit blijft hier buiten beschouwing. Zie: Onderwijsraad (2013). Meer kansen voor kwetsbare jongeren. Den Haag: Onderwijsraad.
  12. Sluijter (2013).
  13. Merton, R. K. (1968). The Matthew Effect in Science. Science, 159(3810), 56-63; Rigney, D. (2010). The Matthew Effect: How advantage begets further advantage. New York: Columbia University Press; Terwel, J., Rodrigues, R. et al. (2011). Tussen afkomst en toekomst. Casestudies naar de schoolloopbanen van leerlingen van 10-21 jaar. Antwerpen/Apeldoorn: Garant.
  14. Zo kunnen leerlingen door onderadvisering (en vervolgens te lage plaatsing) belemmerd worden in hun ontwikkelingskansen. Uit onderzoek onder Friese leerlingen blijkt dat achterstand door onderadvisering later slechts ten dele wordt ingehaald. Zie ook: Paris, S.G., Lawton, T.A., Turner, J.C. & Roth, J.L. (1991). A Developmental Perspective on Standardized Achievement Testing. Educational Researcher, 20(5), 12-20; De Boer, H. (2009). Schoolsucces van Friese leerlingen in het voortgezet onderwijs. Groningen, RUG/GION; Sluijter (2013).
  15. ITS e.a. (2013).
  16. Bronneman-Helmers, R. (2011). Overheid en onderwijsbestel. Den Haag: Sociaal Cultureel Planbureau. Fettelaar e.a. (2013). Onderwijsraad (2013). Een smalle kijk op onderwijskwaliteit. Stand van educatief Nederland 2013. Den Haag: Onderwijsraad.
  17. ITS e.a. (2013).
  18. Sluijter (2013).
  19. Wilbrink, B. (1973). Selektie van studenten: achtergrond / effekten. OTO Hoger onderwijs cahiers, 13, 166-176.
  20. Inspectie van het Onderwijs (2012). Toezichtkader po/vo 2012. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.
  21. Inspectie van het Onderwijs (2013). De staat van het onderwijs. Onderwijsverslag 2011/2012. Utrecht, Inspectie van het Onderwijs; ITS e.a. (2013).
  22. ITS e.a. (2013).
  23. Sluijter (2013).
  24. Onderwijsraad (1997); Reumer, C. & Van der Wende, M. (2010). Excellence and diversity: The emergence of selective admission policies in Dutch Higher Education - A case Study on Amsterdam University College. Berkeley: University of Berkeley; Bergen, T.C.M., Van Bragt, C.A.C., Bakx, A.W.E.A. & Croon, M.A. (2011). Looking for students’ personal characteristics predicting study outcome. Higher Education, 62(1), 59-75.
  25. Inspectie van het Onderwijs (2013).
  26. ITS e.a. (2013).
  27. Waslander, S., Pater, C. & Van der Weide, M. (2010). Markets in Education: An Analytical Review of Empirical Research on Market Mechanisms in Education. OECD, Education Working Papers.
  28. Onderwijsraad (2010). Vroeg of laat. Den Haag: Onderwijsraad.
  29. Van Eck, E., Voncken, E., Glaudé, M. & Roeleveld, J.(2012). Opwaarts, mars! Een verklarende analyse van (verwachte) ontwikkelingen in de deelname aan het vmbo en het vo. Amsterdam: Kohnstamm Instituut.
  30. Zie bijvoorbeeld: De Boer, H. (2009). Schoolsucces van Friese leerlingen in het voortgezet onderwijs. Groningen: RUG/GION.
  31. Terwel, J., Rodrigues, R. & Van de Koot-Dees, D. (2011). Tussen afkomst en toekomst. Casestudies naar de schoolloopbanen van leerlingen van 10-21 jaar. Antwerpen/ Apeldoorn: Garant.
  32. Rosenthal, R. & Jacobson, L. (1968). Pygmalion in the classroom: Teacher expectation and pupils’ intellectual development. New York: Holt, Rinehart and Winston; Timmermans, A., Kuyper, H. & Van der Werf, G. (2013). Schooladviezen en onderwijsloopbanen. Voorkomen, risicofactoren en gevolgen van onder- en overadvisering. Groningen: GION.
  33. Wartenbergh, F. & Van den Broek, A. (2008). Studieuitval in het hoger onderwijs. Nijmegen: Researchned; Neuvel, J. & Van Esch, W. (2009). Van vmbo naar mbo: doorstroom en loopbaankeuzes. 's Hertogenbosch: ECBO; Van den Broek, A., Wartenbergh, F., Braam, C., Brink, M. & Poels, H. (2013). Monitor beleidsmaatregelen. Den Haag: ResearchNed.
  34. Van den Broek e.a. (2013).
  35. Van den Broek e.a. (2013).
  36. ITS e.a. (2013). En uit het panelgesprek over de overgang naar het hoger onderwijs.
  37. Van den Broek e.a.(2013).
  38. Borghans, L., Coenen, J., Golsteyn, B., Huygen, T. & Sieben, I. (2008). Voorlichting en begeleiding bij de studie- en beroepskeuze en de rol van arbeidsmarktinformatie. Maastricht: Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt.
  39. Mittendorff, K., Den Brok, P. & Beijaard, D. (2010). Career conversations in vocational schools. British Journal of Guidance & Counselling, 38(2), 143-165.
  40. Landelijk Aktie Komitee Scholieren (2013). LAKS-monitor 2012. Geraadpleegd op 25 januari 2013 via www.laks-monitor.nl; Schut, K., Kuijpers, M. & Lamé, M. (2013). Scholieren eisen tijd en begeleiding voor hun loopbaan. Utrecht, Onderwijsinnovatiegroep i.o.v LAKS.
  41. Zie bijvoorbeeld voor het vmbo Den Boer, P., Mittendorff, K. & Sjenitzer, T. (2004). Beter Kiezen. Onderzoek naar keuzeprocessen van jongeren in het vmbo en mbo. Delft, Deltapunt.
  42. Markuszower, N. (2009). IMC Weekendschool: onderzoeksbevindingen 2004-2008. Onderzoeksgroep IMC Weekendschool; Klaassen, C., Vreugdenhil, B. & Boonk, L. (2011). Ouders en de loopbaanoriëntatie van hun kinderen. Nijmegen: Vakgroep Sociologie, Radboud Universiteit.
  43. Kuijpers, M. & Meijers, F. (2008). Loopbaanleren: onderzoek en praktijk in het onderwijs. Antwerpen/Apeldoorn: Garant.
  44. Meijers, F., Kuijpers, M. & Bakker, J. (2006). Over leerloopbanen en loopbaanleren. Enschede: Twente Centre for Career Research. Kuijpers, M. & Meijers, F. (2009). Studieloopbaanbegeleiding in het hbo: mogelijkheden en grenzen. Den Haag: De Haagse Hogeschool.
  45. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2014). Brief bij ontwerp-Toetsbesluit PO. Brief van Staatssecretaris van OCW aan Voorzitter van de Tweede Kamer, 20 januari 2014. Kamerstukken II, 2013-2014, 33157, J.
  46. Onderwijsraad (1997).
  47. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2014.
  48. ITS e.a. (2013); Van der Linden, J. & Klein, T. (2013). Monitoring toelatingscode vmbo-havo; nulmeting. Utrecht: Oberon.
  49. Onderwijsraad (2005). Betere overgangen in het onderwijs. Den Haag: Onderwijsraad.
  50. Onderwijsraad (2009). De weg naar de hogeschool. Den Haag: Onderwijsraad.
  51. Inspectie van het Onderwijs (2013).
  52. De Graaf, D. & Van den Berg, E. (2013). Binnen een hbo-bachelpor zijn Ad-programma's op hun plek. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs & Management, 20(2), 31-35.
  53. Associate degree studie populair (2014). Nieuwsbericht. Geraadpleegd op 24 februari 2014 via www.rijksoverheid.nl/nieuws/2014/02/05/associate-degree-studie-populair.html.
  54. Bijvoorbeeld: Project Stimulering LOB (voor het vo), opgezet in 2009 door de VO-raad met middelen van het ministerie van OCW; Stimuleringsproject LOB in het mbo door MBO Diensten, MBO Raad, SBB en Skills Netherlands met middelen van het ministerie van OCW; MBO Stad (www.mbostad.nl), een portal die vmbo-leerlingen en mbo-studenten helpt bij het oriënteren op beroepsmogelijkheden binnen het mbo, opgezet door de MBO Raad en Podium Bureau voor Educatieve Communicatie. In het hoger onderwijs wordt op verschillende manieren getracht om betere voorlichting aan (aankomende) studenten te verstrekken. Een onafhankelijke bron van informatie over opleidingen is de website Studiekeuze 123 (zie http://www.studiekeuze123.nl/). Deze site is een initiatief van studenten, universiteiten en hogescholen en de Rijksoverheid. De website brengt onder meer prestaties, faciliteiten, toekomstperspectieven en studentensteden in kaart. Er is expliciete aandacht voor de kwaliteit van opleidingen en de arbeidsmarktperspectieven.
  55. Meijers e.a. (2006). Lacante, M. & Van Esbroeck, R. (2008). Met een dynamische keuzebegeleiding naar een effectieve keuzebekwaamheid. Brussel/Leuven: Vrije Universiteit Brussel/Katholieke Universiteit Leuven; Meijers, F., Kuijpers, M. & Winters, A. (2010). Leren kiezen/kiezen leren. ’s-Hertogenbosch/Amsterdam, ECBO.
  56. Kuijpers, M. & Meijers, F. (2011). Learning for Now or Later? Career Competencies Among Students in Higher Vocational Education in The Netherlands. Studies in Higher Education, 37(4), 449-467, Kuijpers, M., Meijers, F. & Gundy, C. (2011). The relationship between learning environment and career competencies of students in vocational education. Journal for Vocational Behavior, 78(1), 21-30.
  57. Zie ook: www.saxion.nl/wps/wcm/connect/05cd742e-2700-4840-877d-96e990602d60/Bouwen+geintegreerd+doorlopend+LOBhavoPRINT+mskienhuis2012.pdf?MOD=AJPERES, geraadpleegd op 24 februari 2014.
  58. Meijers e.a.(2010). Schut e.a. (2013). Dit kwam ook naar voren in het gesprek met de deelnemer van het panel over de overgang vo-ho.
  59. Oomen, A. (2010). Ouders en de loopbaan van hun kind. Utrecht, APS; Klaassen e.a. (2011).
  60. Lacante, M., (2008).
  61. Oomen, C., Dubbelman, E. & Klein,T. (2012). LOB-doorstroompilots. Utrecht: Oberon in opdracht van VO-raad en AOC-raad.
  62. Op basis van informatie van de heer S. Woldinga, aansluitmanager HAN en programmamanager RxH.
  63. Dit bleek uit één op één gesprekken met deskundigen en kwam ook naar voren in het gesprek met deelnemers aan het panel over de overgangen naar het hoger onderwijs.