Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015-2025

5 oktober 2015 | Advies

Begin juli 2015 heeft de minister van OCW de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2015-2025 gepubliceerd. De Onderwijsraad heeft op verzoek van de minister advies uitgebracht over deze agenda.

Onderwijsraad onderschrijft ambities

De Onderwijsraad onderschrijft de voorgestelde richting voor het hoger onderwijs en deelt de ambities van de minister om het hoger onderwijs te verbeteren en meer toekomstbestendig te maken. In de agenda is een aantal trends in het hoger onderwijs terug te zien en de minister formuleert een daarbij passende toekomstvisie. De agenda stelt kwaliteit in het hoger onderwijs terecht centraal. De raad is het ermee eens dat studenten meer uitgedaagd moeten worden en waardeert de erkenning van het belang van doorstroming en aansluiting binnen het onderwijs die uit de agenda spreekt. Ook steunt de raad het voornemen van de minister om in de overheidssturing op het hoger onderwijs meer uit te gaan van vertrouwen en minder van controle.

De raad plaatst echter ook enkele kanttekeningen bij de agenda en doet in dat licht aanbevelingen die de uitvoering van de agenda kunnen versterken. De raad pleit voor een bredere aanpak bij de besteding van middelen en meer aandacht voor spanningen tussen maatwerk en massaliteit, tussen individualisering en uniforme opleidingsstandaarden, tussen regionale inbedding en mondiale concurrentie, en tussen vorming en kennisoverdracht.

Regionale verankering en internationalisering

De raad ziet een spanning tussen de sterke focus in de agenda op de regio en internationalisering in het hoger onderwijs. Ook bij een sterkere regionale verankering van hogescholen en universiteiten hoort de internationale dimensie van het hoger onderwijs versterkt te worden om afgestudeerden zo groot mogelijke kansen op de arbeidsmarkt te geven. De visie op internationalisering in het hoger onderwijs moet volgens de raad breder en innovatiever.

Spanningsvelden rondom flexibilisering, differentiatie en maatwerk

De agenda zet sterk in op flexibilisering, differentiatie en maatwerk. De raad zou graag een verduidelijking zien van wat met flexibilisering en differentiatie bedoeld wordt en waar maatwerk betrekking op heeft. Ook is het nodig om consequenties hiervan voor bijvoorbeeld de rol van docenten, de organisatie van het onderwijs en de bekostigingssystematiek verder uit te werken. De raad wijst daarnaast op mogelijke spanningsvelden. De raad voorziet dat flexibilisering, differentiatie en maatwerk op het niveau van de individuele student juist standaardisering tussen opleidingen en instellingen noodzakelijk maakt. Bovendien kunnen ze op gespannen voet staan met de vorming van leergemeenschappen van docenten én studenten en met samenhang binnen opleidingsprogramma’s. Dat kan ten koste gaan van de onderwijskwaliteit. Flexibilisering, differentiatie en maatwerk kunnen ook ten koste gaan van de aansluiting van het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs op het hoger onderwijs en doorstroming binnen het hoger onderwijs. De raad adviseert daarom om flexibilisering en differentiatie vooral te zoeken in variëteit tussen initiële opleidingen en instellingen in plaats van in individuele leerroutes.

Niet doorschieten met persoonsvorming en talentontwikkeling

De minister wil meer aandacht voor persoonsvorming en talentontwikkeling in het hoger onderwijs. De raad deelt vooral de wens tot intellectuele vorming, maar constateert dat zich hier een spanning kan voordoen met andere onderwijsdoelen. De raad waarschuwt voor een eenzijdige kwaliteitsopvatting en een eenzijdige oriëntatie op een bepaald type student. De diversiteit van de studentenpopulatie en de onvoorspelbaarheid van de samenleving en arbeidsmarkt van de toekomst vragen om het toelaten van variëteit op die vlakken. Daarnaast wijst de raad erop dat voor veel beroepen en disciplines gedeelde kennis en het bereiken van een bepaald kwalificatieniveau van belang blijven. Een verschuiving ten gunste van persoonsvorming mag niet afdoen aan de kennisfunctie van het hoger onderwijs. Ook waarschuwt de raad ervoor om het hoger onderwijs niet eenzijdig te richten op studenten die op zoek zijn naar brede vorming, naar intensief en kleinschalig onderwijs en naar vergaande keuzevrijheid. Het hoger onderwijs heeft verschillende typen studenten te bedienen en hoort een onderwijsaanbod te bieden dat tegemoetkomt aan die verschillen.

Middelen kunnen breder ingezet worden

De besteding van het geld dat de komende jaren in het hoger onderwijs geïnvesteerd wordt, hoort volgens de raad aan te sluiten bij de inhoudelijke visie op goed hoger onderwijs. Dat geld kan volgens hem innovatiever en meer toekomstbestendig ingezet worden. De in de agenda aangekondigde investering in extra docenten is volgens de raad welkom. Een uitbreiding van de docentenstaf kan een bijdrage aan een hogere onderwijskwaliteit leveren. De raad betwijfelt echter of de genoemde aantallen voldoende zijn voor een aanzienlijke intensivering en een beweging naar kleinschalig onderwijs over de volle breedte van het hoger onderwijs. Die beweging is ook niet noodzakelijk. Voor goed hoger onderwijs is het vooral nodig om te investeren in de kwaliteit van docenten. Bovendien zijn voor kwaliteitsverbetering ook andere investeringen en veranderingen nodig, zoals de versterking van de kwaliteitscultuur binnen opleidingen en investeringen in ict-infrastructuur en voorzieningen voor andere onderwijsvormen en didactiek. De raad adviseert daarom om de middelen minder eenzijdig in te zetten en om daarover met de instellingen kwaliteitsafspraken te maken gebaseerd op lokale behoeften en door de hogescholen en universiteiten gestelde doelen.

Lees de volledige publicatie ›