Nieuwe scholen

17 juni 2016 | Advies

De Onderwijsraad brengt advies uit over het wetsvoorstel meer ruimte voor nieuwe scholen. De raad steunt het principe van het wetsvoorstel van staatssecretaris Dekker (onderwijs) om de procedure van het starten van scholen te moderniseren, maar vindt dat dit zorgvuldig en behoedzaam moet gebeuren. De raad sluit aan bij de zienswijze van de staatssecretaris dat ‘richting’ geen criterium meer hoort te zijn bij het besluit om een school te bekostigen en dat bij het starten van een nieuwe school naar de verwachte onderwijskwaliteit en het verwachte leerlingenaantal wordt gekeken. Wel roept de raad de staatssecretaris op om goed naar de uitwerking van het voorstel te kijken.

Wie nu financiering van de overheid wil voor een nieuwe (bijzondere) school, moet daarbij de richting van de school vermelden (bijvoorbeeld algemeen-bijzonder, protestants-christelijk of katholiek) en is afhankelijk van prognoses waaruit blijkt dat er ruimte is voor een school van die richting. De definitie van richting is vrij streng en beperkt tot geestelijke stromingen, waardoor slechts een klein aantal godsdiensten en levensbeschouwingen als zodanig geldt.

Het wetsvoorstel introduceert een nieuwe procedure voor het starten van nieuwe scholen in het primair en voortgezet onderwijs. Daarbij wordt niet meer gekeken naar de richting van de nieuwe school (scholen kunnen nog wel een richting hebben). Het te verwachten aantal leerlingen en de verwachte onderwijskwaliteit worden de nieuwe criteria op basis waarvan de Minister beslist de nieuwe school wel of niet te bekostigen.

Vrijheid van onderwijs vraagt om meer ruimte voor nieuwe scholen

De raad ondersteunt, net als in eerdere adviezen, het schrappen van richting (godsdienst of levensovertuiging) als criterium voor de bekostiging van scholen. Voldoende belangstelling en kwalitatief goed onderwijs zouden volgens de raad moeten volstaan om een nieuwe openbare of bijzondere school bekostigd te krijgen. De raad is van mening dat het starten van scholen ook mogelijk moet zijn enkel op basis van een pedagogische visie of een didactisch concept of vanuit geestelijke stromingen die nu niet binnen de definitie van het begrip richting vallen.

Daarmee wordt mede recht gedaan aan de verscheidenheid aan opvattingen van ouders en de pluriformiteit van ideeën over opvoeding en onderwijs in de Nederlandse samenleving. De grondwettelijk gegarandeerd vrijheid van stichting wordt er meer realistisch door. De raad vindt ook het vervallen van richting in andere wettelijke regelingen rondom scholenplanning logisch en consistent. Dat geldt ook voor de regeling op grond waarvan de laatste school van een richting kan blijven bestaan als het aantal leerlingen langdurig onder de opheffingsnorm zakt. Vanuit een oogpunt van rechtszekerheid en gerechtvaardigd vertrouwen steunt de raad echter eveneens de voorgestelde permanente overgangsregeling voor scholen die al onder die regeling vallen.

Betekenis vrijheid van richting behoeft nadere invulling

De staatssecretaris stelt voor om voortaan uit te gaan van een open richtingbegrip, dat wil zeggen dat richting niet langer beperkt zal zijn tot godsdiensten en levensbeschouwingen. Een andere invulling van het begrip richting heeft mogelijk gevolgen voor de grondwettelijk vastgelegde vrijheid van richting en de positie van de wetgever. De raad is voorstander van een open richtingbegrip, maar wijst op mogelijke onwenselijke en onbedoelde gevolgen van het onverkort toepassen ervan, bijvoorbeeld bij ontheffing van de leerplicht. De wetgever dient volgens de raad een duidelijke uitspraak te doen over de reikwijdte van de vrijheid van richting en de consequenties daarvan voor bestaande en toekomstige onderwijswetgeving en de positie van de wetgever. De raad onderscheidt daarbij vier mogelijke varianten ten aanzien van de interpretatie van het richtingbegrip en het niveau van bescherming die aan de vrijheid van richting ontleend wordt.

Raad pleit voor monitoring effecten en betere uitwerking bekostigingsprocedure

Vanuit een oogpunt van doelmatigheid en maatschappelijke samenhang heeft de raad bedenkingen bij een aantal aspecten van de uitwerking van de voorgestelde procedure tot bekostiging. Deze bedenkingen vragen vooral om nadere doordenking, verduidelijking en prudente invoering. In verband daarmee adviseert de raad het voorstel op onderdelen te herzien of te verduidelijken. De effecten van de voorgestelde wijziging op bestaande scholen en het lokale onderwijsaanbod zijn lastig te voorspellen. De raad adviseert deze effecten te monitoren en waar nodig bij te sturen.

In het bijzonder wijst de raad op mogelijke gevolgen voor bestaande scholen, mogelijke versnippering van het onderwijsaanbod en risico’s voor sociale samenhang. De raad ziet een spanning tussen meer ruimte voor nieuwe scholen enerzijds en een beweging naar meer samenwerking binnen het onderwijs. Dat is vooral dringend in gebieden met een dalend leerlingaantal. De beslissingsruimte van de Minister om een school al dan niet te bekostigen dient in de wet nader genormeerd te worden. Op basis van het voorstel is nu onduidelijk op welke gronden de Minister een aanvraag voor een nieuwe school mag afwijzen. Ook behoeft de rol van de gemeente in de bekostigingsprocedure heroverweging. Het is raadzaam gemeenten al in een vroeg stadium te betrekken bij een initiatief tot het starten van een nieuwe school, met name vanwege hun verantwoordelijkheid voor de huisvesting. Ook de belangstellingsmeting, de ex ante kwaliteitstoets en de werkwijze van de inspectie dienen volgens de raad meer uitgewerkt te worden. De raad doet daartoe enkele aanbevelingen.

Het advies is op 3 juni 2016 aan de staatssecretaris verzonden en op 17 juni 2016 door de raad openbaar gemaakt. De staatssecretaris zal op dit advies reageren in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp.

Lees de volledige publicatie ›