Doordacht digitaal

9 mei 2017 | Advies

Samenvatting

De voortdurende ontwikkeling van informatie- en communicatietechnologie (ict) leidt ertoe dat steeds meer producten en diensten een digitale vorm krijgen. Het onderwijs probeert zich te verhouden tot deze ontwikkeling, maar zoekt nog naar een geschikte inhoud, vorm en rol. Een duidelijke visie op de relatie tussen onderwijs en ict ontbreekt in veel gevallen, waardoor er grote variatie bestaat in de manier waarop onderwijsinstellingen digitalisering vormgeven en de mate waarin zij bijdragen aan digitale ontwikkelingen en innovaties.

Volgens de Onderwijsraad vraagt de snel digitaliserende samenleving om een antwoord van het onderwijs waarin plaats is voor digitale onderwijsdoelen, de inzet van digitale leermiddelen, en het gebruik van digitale toepassingen voor de organisatie van het onderwijs. Tegelijkertijd ziet de raad risico’s aan digitaliseren ‘puur omdat het kan’ en pleit hij daarom voor het maken van doordachte onderwijskeuzes. Om ervoor te zorgen dat het onderwijs optimaal kan profiteren van de mogelijkheden die digitalisering biedt, doet de raad drie aanbevelingen.

Ontzorg het onderwijs door garanderen van randvoorwaarden voor digitalisering

De raad is van mening dat onderwijsinstellingen zich geen zorgen zouden hoeven te maken over de randvoorwaarden voor doordachte digitalisering. Hiertoe is het allereerst van belang dat de inhoud van ict-toepassingen wordt losgekoppeld van een aantal technische aspecten. Deze technische aspecten dienen volgens de raad collectief te worden vormgegeven, zodat niet elke uitgever of ontwikkelaar dit voor eigen producten hoeft te doen en scholen niet worden opgezadeld met een keur aan technische systemen die niet op elkaar aansluiten. De raad pleit voor een samenwerkingsverband van overheid, onderwijs, uitgeverijen, technologische bedrijven en ouders, waarin aanbesteding en vormgeving van deze technische aspecten kan worden opgepakt. Daarnaast beveelt de raad de rijksoverheid aan om in te staan voor de cybersecurity en de privacy voor onderwijsinstellingen. Hiervoor moeten onderwijsinstellingen de beschikking hebben over een ‘security officer’. Privacy dient breder te worden bezien dan louter het beschermen van persoonsgegevens: de dreiging die uitgaat van ‘big data’ voor het onderwijs is wellicht ernstiger dan tot nu toe gedacht. Onderwijsinstellingen dienen zich beter bewust te zijn van de risico’s op het gebied van internetbeveiliging en de gevaren van cyberaanvallen, maar ook van hun eigen verantwoordelijkheid. Ook de basale infrastructuur is een voorwaarde voor doordacht digitaliseren: onderwijsinstellingen moeten kunnen beschikken over voldoende moderne hardware van goede kwaliteit, stabiele toegang tot snel internet en toereikende financiële middelen.

Vergroot het eigenaarschap van digitalisering in het onderwijsveld

De raad is van mening dat leraren en andere betrokkenen aan de vraagkant van de markt meer eigenaarschap van digitalisering moeten krijgen. Hun betrokkenheid bij het vormgeven van innovatieve toepassingen op basis van eigen wensen en eisen is cruciaal. Het formuleren en bundelen van (onderwijs)inhoudelijke vragen gericht aan de aanbieders in de markt draagt hieraan bij. Het onderwijsveld dient dit zelf op te pakken, maar heeft hierbij initieel meer ondersteuning nodig dan beschikbaar is. Die ondersteuning kan de rijksoverheid versterken door uitbreiding van de taken, bevoegdheden en financiering van organisaties die digitalisering van het onderwijs namens de rijksoverheid faciliteren en aanjagen. Daarnaast dienen alternatieve scenario’s voor samenwerking in de educatieve infrastructuur te worden verkend, zodat de sterke punten van educatieve uitgeverijen worden benut, met als resultaat het bevorderen van innovatie. Ook het ontwikkelen, delen en bewerken van open leermiddelen dient krachtiger te worden ondersteund dan nu het geval is. De rijksoverheid dient voor alle sectoren budget beschikbaar te stellen om open onderwijs uit de sfeer van hobbyisme en altruïsme te trekken. Onderwijsinstellingen kunnen hieraan bijdragen door activiteiten en professionalisering op het gebied van open onderwijs op te nemen in het taakbeleid. Ondersteuning en facilitering van het gebruik van open leermiddelen zou krachtiger moeten worden vormgegeven dan nu het geval is. Voor doordacht digitaliseren is het ten slotte noodzakelijk dat de digitale deskundigheid in het onderwijsveld wordt uitgebouwd. Totdat deze deskundigheid minimaal op teamniveau is gegarandeerd, is het van belang dat iedere onderwijsinstelling beschikt over een ict-coördinator of e-coach die specifieke ondersteuning biedt bij de integratie van technologie en didactische en pedagogische aspecten.

Verken digitale toepassingen om ervaring op te doen en visie te ontwikkelen

Doordacht digitaliseren vraagt om een duidelijke visie op de relatie tussen ict en onderwijs. Deze ontwikkelen leraren en bevoegd gezag samen, vanuit het verkennen van digitale toepassingen. Leraren kunnen enthousiast worden voor digitalisering door digitale toepassingen uit te proberen in kleinschalige en laagdrempelige pilots. Reflectie (‘wat werkt?’) op de uitkomsten van dergelijke pilots kan vervolgens als basis dienen voor gezamenlijke en interactieve ontwikkeling van een visie op de relatie tussen onderwijs en ict. Voor het opschalen van de pilots zijn voldoende tijd en de juiste implementatievoorwaarden nodig. Bij opschaling dient rekening gehouden te worden met mogelijke keerzijden van digitalisering. Een ieder moet zich veilig kunnen ontwikkelen, zich kwetsbaar of rebels kunnen opstellen en kunnen groeien, zonder hier later mee geconfronteerd te worden door afbeeldingen, teksten of andere sporen op het internet. De raad adviseert om onverminderd belang te blijven hechten aan de onderwijsinstelling als oefenplaats, zodat direct contact in een fysieke leeromgeving tussen leraar en leerling/student en tussen leerlingen/studenten onderling kan bijdragen aan kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming. Ten slotte benadrukt de raad het belang van voldoende ‘klep-dicht-tijd’, zodat de voordelen van niet-digitale leermiddelen worden benut en de nadelige cognitieve, fysieke en mentale gevolgen van een overdaad aan ict-gebruik worden ingeperkt.

1. Onderwijs zoekt naar juiste rol en vorm in het digitale tijdperk

Digitalisering van de maatschappij voltrekt zich in hoog tempo. Het onderwijs zoekt aansluiting bij deze ontwikkeling, maar dreigt achter te lopen. Hoe kan het onderwijs optimaal profiteren van de mogelijkheden van digitalisering?

We leven in een tijdperk van digitalisering. Ontwikkelingen op het gebied van ict (informatie- en communicatietechnologie) gaan razendsnel. De producten en diensten in de huidige samenleving hebben in veel gevallen een digitale vorm gekregen. Het onderwijs zoekt naar manieren om zich te verhouden tot de snelle digitalisering in de rest van de samenleving.

1.1 Aanleiding: maatschappij digitaliseert snel, onderwijs nog zoekend

De maatschappelijke gevolgen van digitalisering zijn ingrijpend en voltrekken zich in een hoog tempo. De wereld waarin we leven wordt steeds meer digitaal, waardoor er een andere relatie tussen mens en technologie ontstaat en bovendien de rol van kennis en informatie anders wordt. Door deze trends in de maatschappij staat een aantal aspecten van het onderwijs ter discussie. De functie van de onderwijsinstelling en de rol van de leraar veranderen door het digitaal worden van onze wereld. Begrippen als curriculum, vak, opleiding, instelling, accreditatie, doorlopende leerlijn en examen krijgen een nieuwe invulling.1 Ook wordt gewezen op de nadelen van het verdwijnen van de fysieke leeromgeving in het onderwijs.2 Iedereen in het onderwijs, zowel leraren en docenten als leerlingen en studenten, dient zich op een andere manier te verhouden tot technologie dan voorheen. Door een andere organisatie van kennis verandert de rol van het onderwijs. Gemiddeld genomen is het onderwijsveld van voorschoolse educatie tot een leven lang leren nog zoekend naar de invulling van zijn rol in de veranderende samenleving.3

De samenleving bevindt zich al in het digitale tijdperk

We voeren steeds meer van onze dagelijkse handelingen uit met behulp van een computer, smartphone en het internet. Van het bestellen van de dagelijkse boodschappen tot het volgen van een opleiding: bijna alles kan online geregeld worden. Ook andere aspecten van het leven krijgen vaker een digitale component. Sociale media spelen bijvoorbeeld een steeds grotere rol in verkiezingscampagnes, in het dagelijkse nieuws en in het sociale leven op school. Huishoudelijke apparaten ‘hangen’ aan het internet om gebruik en gemak te optimaliseren. Dit ‘internet der dingen’4 draagt soms bij aan een comfortabel bestaan, maar alle apparaten die aan het internet gekoppeld zijn, leveren ook gegevens over ons leven. Dit heeft gevolgen voor onze privacy. Alle gegevens (‘big data’5) die worden verzameld, hetzij via de aan het internet gekoppelde apparaten, hetzij via surfgedrag en internetverkeer, leveren mogelijkheden tot het voorspellen en het, in positieve of negatieve zin, beïnvloeden van menselijk gedrag.

Met de opkomst van internet en artificiële intelligentie verandert niet alleen onze positie ten opzichte van technologie, maar ook de interactie tussen mensen onderling. De verwachtingen voor de toekomst lopen sterk uiteen. Sommigen waarschuwen vooral voor de ontwrichtende invloed die de robot en artificiële intelligentie zullen hebben op onze maatschappij6, anderen zien ook kansen en mogelijkheden.7 Wat zij gemeen hebben is dat ze de oplossing zoeken in het onderwijs. Er moeten meer mensen hoger opgeleid worden omdat er andere vaardigheden nodig zijn in complexere banen die het gevolg zijn van technologische ontwikkelingen. Daarnaast moeten opleidingen zich vooral richten op datgene waar robots (nog) niet goed in zijn, zoals creatief denken en sociaal interacteren. Ook dient het onderwijs voor te bereiden op een leven lang leren, zodat men voortdurend in staat blijft zich aan te passen aan de snelle veranderingen die technologisering met zich meebrengt.8

Digitalisering verandert onze maatschappij dusdanig ingrijpend dat dit steeds meer wordt beschouwd als een paradigmaverschuiving, vergelijkbaar met die van de industriële revolutie of de uitvinding van de boekdrukkunst.9 Onze huidige maatschappij zou zich middenin de paradigmaverschuiving bevinden van de ‘orde van het boek’ naar de ‘orde van het internet’.10 Binnen de orde van het boek is informatie die te boek is gesteld al snel waar en relevant: de veronderstelling is dat iemand met kennis van zaken heeft besloten dat het boek de moeite van het drukken waard was. Binnen de orde van het internet is er juist een overvloed aan ongefilterde feiten en meningen, waardoor het noodzakelijk is om de status van informatie voortdurend ter discussie te stellen. De vanzelfsprekende selectie die voor informatie in boeken leek te gelden, geldt immers voor het internet niet. Mensen hebben daarom zelf meer kennis nodig om de informatie op het internet op waarde te kunnen schatten en feiten van fictie te kunnen onderscheiden.

Digitale tijdperk stelt inrichting van het onderwijs ter discussie

De ontwikkeling naar een meer digitale wereld heeft op veel aspecten van het onderwijs zijn uitwerking. Kennisoverdracht hoeft bijvoorbeeld niet meer uitsluitend plaats te vinden in een fysiek gebouw door een daadwerkelijk aanwezige persoon; lessen en colleges kunnen op elk moment en op iedere plaats in de wereld gevolgd worden. Deze onafhankelijkheid van tijd en plaats roept vragen op over de manier waarop onderwijs nu wordt georganiseerd. Is het nog nodig dat er grote onderwijsinstellingen zijn waar honderden rechtenstudenten tegelijkertijd college kunnen volgen of dat in grote bibliotheken informatie verzameld ligt? Verdergaande digitalisering stelt ook de gebruikelijke manier van toetsen ter discussie. Als niet iedereen tegelijkertijd dezelfde lessen op een fysieke locatie volgt, dan is het evenmin wenselijk dat iedereen op hetzelfde moment op dezelfde plaats een toets of tentamen maakt. Het tempo en de volgorde waarin opleidingen kunnen worden doorlopen, kunnen daardoor variabel worden. Door dergelijke mogelijkheden voor differentiatie en personalisatie van het onderwijs kan iedere leerling of student in theorie zijn eigen curriculum volgen. Dit plaatst wel vraagtekens bij het toezicht op het onderwijs en bij de waarde van diploma’s, en ook bij de vormgeving van het curriculum: kerndoelen en eindtermen zijn moeilijker vast te houden door flexibiliteit in leerroutes en verschillende nationale en internationale standaarden.

De rol van de leraar of docent kan eveneens veranderen, informatie kan immers ook door computers of robots worden aangedragen. Door de introductie van het internet en mobiele apparaten kan iedereen altijd en overal informatie opzoeken. Er wordt daarom wel beargumenteerd dat kennisoverdracht minder belangrijk zou worden, en dat het onderwijs zich meer zou moeten richten op het aanleren van vaardigheden. Zo betogen sommigen dat er onderwijsinhoudelijk minder nadruk moet liggen op wiskunde en lezen en meer op een bredere set persoonlijke en intellectuele vaardigheden die nodig zijn om naast en met ‘slimme machines’ te kunnen werken11 of dat het onderwijs vooral oog moet hebben voor de ontwikkeling van creativiteit en sociale vaardigheden.12 De aandacht voor 21ste-eeuwse vaardigheden13 in het onderwijs past in deze lijn, evenals het advies van de Commissie Onderwijs 2032, dat pleit voor meer aandacht voor digitale geletterdheid in het curriculum.14

Onderwijs zoekt naar juiste mate en juiste manier van digitaliseren

In het beleid rondom digitalisering van het onderwijs is in eerste instantie vooral ingezet op het op orde krijgen van de infrastructuur: zorgen dat onderwijsinstellingen in elk geval over ict-apparatuur beschikten en de randvoorwaarden voor gebruik hiervan op orde waren. Vervolgens ontstond aandacht voor deskundigheidsbevordering, zodat de beschikbare infrastructuur ook daadwerkelijk kon worden gebruikt. Een volgende stap is het vormgeven van educatief en geïntegreerd ict-gebruik vanuit een duidelijke visie op de relatie tussen ict en onderwijs. Er zijn zeker onderwijsinstellingen die vanuit een duidelijke visie weloverwogen bezig zijn met educatief en geïntegreerd gebruik van ict in hun onderwijs, maar er zijn ook scholen die tablets aanschaffen zonder nagedacht te hebben over wat ze er precies mee willen gaan doen, en over waarom en onder welke voorwaarden ze dat willen. Dit gebrek aan een goed onderbouwde visie op de relatie tussen onderwijs en ict draagt bij aan grote variatie in de manier waarop onderwijsinstellingen digitalisering een plek geven.

Voor alle sectoren geldt dat digitale toepassingen hun weg hebben gevonden naar de administratieve aspecten van het onderwijs. Alle scholen voor primair onderwijs maken inmiddels gebruik van digitale leerlingvolgsystemen, in het voortgezet onderwijs gebruiken bijna alle scholen digitale omgevingen voor het aangeven van het huiswerk en de absentie, en in het hoger onderwijs zijn digitale systemen voor het inschrijven voor tentamens, het maken van de roosters en het registeren van cijfers inmiddels gemeengoed. In verschillende sectoren zijn ook digitale systemen15 beschikbaar voor het registreren van competenties en het bijhouden van ontwikkelingen en bijscholing (bijvoorbeeld in het kader van de Wet op de beroepen in het onderwijs en het leraren- en schoolleidersregister).

Het formuleren van digitale onderwijsdoelen16 en het inzetten van digitale leermiddelen zijn minder vanzelfsprekend. In de huidige kerndoelen voor het primair onderwijs en in de eindtermen voor het voortgezet onderwijs is weinig aandacht voor de ontwikkeling van digitale geletterdheid, mediawijsheid, ‘computational thinking’ of programmeren.17 Wat onderwijsinstellingen aanbieden, is vooral afhankelijk van het enthousiasme van het team of soms zelfs van een enkeling binnen dat team.18 Ditzelfde geldt voor de digitale leermiddelen: er is zeker sprake van een toenemend gebruik van digitale mogelijkheden in het onderwijs, maar er is grote variatie in de manier waarop deze worden ingezet.

Het onderwijsveld zoekt bovendien nog naar zijn rol in het vormgeven van nieuwe educatieve digitale toepassingen. Het ontwikkelen van dergelijke toepassingen, zowel generieke als domeinspecifieke educatieve software, vindt vooral plaats buiten het onderwijs, door commerciële partijen. Het onderwijsveld heeft weinig invloed op deze digitale innovaties. Ze worden meestal ook niet vormgegeven in en door het onderwijsveld, terwijl juist door digitalisering nieuwe mogelijkheden ontstaan voor het onderwijsveld om zelf richting te geven aan ontwikkelingen die het onderwijs beter, aantrekkelijker, doelmatiger of toegankelijker kunnen maken.

1.2 Adviesvraag: hoe kan het onderwijs optimaal profiteren van de mogelijkheden die digitalisering biedt?

De Onderwijsraad neemt grote verschillen waar in de mate waarin en de manier waarop onderwijsinstellingen gebruikmaken van de mogelijkheden die digitalisering biedt. De raad heeft daarom de volgende adviesvraag geformuleerd:

Hoe kan het onderwijs optimaal profiteren van de mogelijkheden die digitalisering biedt?

Hierbij wordt ‘optimaal’ gedefinieerd aan de hand van de criteria die de Onderwijsraad hanteert bij zijn adviezen. Waar kan digitalisering bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs? Hoe kan het ervoor zorgen dat het onderwijs doelmatiger wordt? Welke aspecten van digitalisering zouden impact kunnen hebben op de toegankelijkheid van ons onderwijs? Blijft de pluriformiteit van het onderwijs en daarmee de keuzevrijheid voor ouders en kinderen gegarandeerd? Wat is de wisselwerking tussen digitalisering in het onderwijs en bijvoorbeeld sociale samenhang en democratische waarden?

Totstandkoming advies

Het voorliggende advies is op initiatief van de Onderwijsraad zelf tot stand gekomen. Het advies heeft betrekking op alle sectoren, van het primair onderwijs tot en met het hoger onderwijs. De ontwikkelingen met betrekking tot digitalisering verschillen tussen de onderwijssectoren. De inhoud van het advies is overwegend van toepassing op het funderend en middelbaar beroepsonderwijs, maar de aanbevelingen gelden in meer of mindere mate ook voor het hoger onderwijs. Het voorliggende advies bevat geen concrete aanbevelingen over de inhoud van het curriculum met betrekking tot digitale onderwijsdoelen, aangezien de raad over het curriculum nog aan de bewindslieden zal adviseren.19

Voor het advies is literatuuronderzoek verricht, een analyse van relevante beleidsdocumenten gemaakt en een inventarisatie opgesteld van kansen en bedreigingen voor onderwijs in het digitale tijdperk. Er zijn gesprekken gevoerd met diverse groepen betrokkenen, waaronder leerlingen en studenten, leraren en docenten, schoolleiders/directeuren, bestuurders, en ict-coördinatoren uit alle sectoren. Daarnaast zijn individuele gesprekken gevoerd met diverse andere deskundigen, met belangen- en sectororganisaties, en met uitgeverijen en distributeurs. Ook heeft de Onderwijsraad op zijn website een oproep gedaan om over het adviesonderwerp mee te denken; hierop zijn verschillende reacties verkregen. Een overzicht van gesprekspartners is opgenomen achter in dit advies. Tot slot zijn bijeenkomsten bezocht rondom het thema digitalisering in onderwijs, ook hiervan is een overzicht terug te vinden achter in het advies.

Op basis van een analyse van de beschikbare informatie doet de Onderwijsraad drie aanbevelingen op hoofdlijnen die hij cruciaal acht bij het vormgeven van onderwijs in de nabije toekomst van het digitale tijdperk.

2. Digitaliseer op basis van doordachte onderwijskeuzes

Digitalisering van het onderwijs is nodig om jongeren voor te bereiden op deelname aan onze digitale maatschappij. Deze digitalisering dient goed doordacht te worden vormgegeven, zodat kansen optimaal worden benut en de risico’s worden beperkt.

De Onderwijsraad is van mening dat in het digitale tijdperk digitalisering van het onderwijs onvermijdelijk is. Onderwijs in het digitale tijdperk vraagt om vormgeving van digitale onderwijsdoelen, gebruik van digitale leermiddelen, en inzet van digitale toepassingen bij de organisatie van het onderwijs. De tijd waarin alleen pioniers de vruchten plukten van digitale toepassingen is voorbij. Er is een breed repertoire aan nieuwe middelen en mogelijkheden beschikbaar gekomen, dat een plaats verdient in de dagelijkse praktijk van het onderwijs.

Tegelijkertijd vindt de raad het van belang niet de indruk te wekken dat er alleen maar een keuze mogelijk is tussen digitaliseren of achterblijven. Digitaliseren als containerbegrip draagt de nodige uitersten en tegenstrijdigheden in zich mee. Het is mogelijk om suboptimaal of zelfs op een verkeerde manier te digitaliseren, ten koste van leerlingen én onderwijspersoneel. En wat nu lokaal en incidenteel lijkt te werken, kan later op systeemniveau qua kosten en beheersbaarheid uit de hand lopen.

De voortdurende nadruk op de onontkoombaarheid van digitalisering draagt niet bij aan voldoende bewustzijn van de intrinsieke complexiteit, heterogeniteit, kwetsbaarheid en contextgevoeligheid ervan. De raad bepleit dat onderwijsinstellingen duurzame en doordachte onderwijskeuzes maken op het gebied van digitalisering. De argumenten hiervoor worden in dit hoofdstuk uitgewerkt.

2.1 Digitale tijdperk vraagt om digitalisering onderwijs

Gegeven de grote maatschappelijke veranderingen als gevolg van digitalisering, is de vraag of het onderwijs mee moet met de vergaande digitalisering in de maatschappij een gepasseerd station. De digitale samenleving vraagt om digitale kwaliteiten, die leerlingen en studenten zich alleen eigen kunnen maken als zij deelnemen aan onderwijs dat gebruikmaakt van de mogelijkheden die digitalisering biedt.

Digitale kwaliteiten nodig om te functioneren in beroepswereld en maatschappij

Om te kunnen functioneren in de huidige en toekomstige samenleving dienen leerlingen en studenten uiteenlopende ’digitale kwaliteiten’ te verwerven, die samen ook wel digitale geletterdheid worden genoemd. SLO (expertisecentrum leerplanontwikkeling) en Kennisnet rangschikken onder digitale geletterdheid op basis van internationale literatuur vier clusters vaardigheden: 1) ict-basisvaardigheden (de zogenoemde ’knoppenvaardigheid’); 2) informatievaardigheden (het kunnen zoeken en beoordelen van informatie op het internet); 3) mediawijsheid (wat doe je wel en niet op het internet?); en 4) ‘computational thinking’ (“vaardigheden die essentieel zijn om problemen op te lossen waarbij veel informatie, variabelen en rekenkracht nodig zijn”).20 Digitale geletterdheid stelt leerlingen en studenten in staat om zich nieuwe technologieën eigen te maken, nieuwe toepassingen te bedenken en een reële inschatting te maken van de kansen en risico’s van uiteenlopende vormen van digitalisering.21 Ongeveer een kwart van de Nederlandse werknemers geeft aan dat zij nieuwe kennis of vaardigheden missen die ze wel nodig achten om hun werk goed uit te kunnen voeren.22

Digitale toepassingen nodig voor verwerven digitale geletterdheid

Het feit dat leerlingen zowel thuis als op school in aanraking komen met digitale technologie, garandeert niet dat zij digitaal geletterd worden. Er zijn zowel in de onderwijsinstelling als thuis grote verschillen tussen leerlingen en studenten in de digitale toepassingen waarover zij kunnen beschikken. Bovendien zijn er verschillen in de begeleiding en de stimulansen die zij ontvangen om zich de technologie op de juiste manier eigen te maken. Ten slotte zijn er ook verschillen in het vermogen en de interesse van leerlingen om digitaal geletterd te worden. Voor veel leerlingen geldt dat zonder stimulans het gebruik van digitale technologie eenzijdig blijft.23

Onderwijs kan alleen bijdragen aan de voorbereiding op een digitale samenleving als binnen het onderwijs daadwerkelijk gebruik gemaakt wordt van digitale toepassingen.24 Deels kunnen principes van programmeren bijvoorbeeld nog worden uitgelegd met fysieke lego-steentjes, maar zoals voor het behalen van een zwemdiploma niet alleen kan worden volstaan met droogzwemmen, kan digitale geletterdheid niet worden gerealiseerd zonder daadwerkelijke inzet van ict-toepassingen.

Grote variatie in digitalisering

De digitalisering van de maatschappij heeft gevolgen voor drie aspecten van het onderwijs: de onderwijsdoelen, de leermiddelen en de organisatie. Alleen bij het digitaliseren van het laatste aspect, de ondersteunende en administratieve processen, wordt in het veld weinig variatie meer waargenomen. Op de andere aspecten is veel verschil te zien tussen sectoren, onderwijsinstellingen en docenten. Dit betekent volgens de raad dat een groot deel van de leerlingen in het funderend onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs en van de studenten in het hoger onderwijs niet goed wordt voorbereid op deelname aan de digitale samenleving.

Onderwijsdoelen verschuiven door digitalisering. Een deel van de kennis en vaardigheden die leerlingen gedurende hun onderwijsperiode verwerven, verliest als gevolg van digitalisering aan urgentie, terwijl andere kennis en vaardigheden juist belangrijker worden. Er zijn grote verschillen in de mate waarin digitale onderwijsdoelen en leerinhouden worden vormgegeven in het onderwijs. Tussen sectoren zijn er verschillen: van studenten in het hoger onderwijs wordt beter ontwikkelde digitale geletterdheid verwacht dan van basisschoolleerlingen. Maar ook binnen sectoren is veel variatie zichtbaar, mede als gevolg van een gebrek aan formele kerndoelen, standaarden en eindtermen voor dit onderwerp.25

De variatie in onderwijsdoelen zorgt voor grote variatie in leeropbrengsten bij leerlingen en studenten. In internationaal vergelijkend onderzoek is de digitale geletterdheid van jongeren gemeten via een toets met vier referentieniveaus. In de meeste landen, en dit geldt ook voor Nederland, komt het merendeel (twee derde of meer) van de veertien- en vijftienjarigen niet verder dan het basisniveau. In Nederland haalt 8% van de leerlingen niet eens het laagste referentieniveau. Slechts 4% haalt het hoogste niveau.26 In het algemeen zijn de ict-kwaliteiten van leerlingen en studenten eenzijdig en oppervlakkig.27 Dit hangt samen met het ict-gebruik, dat voornamelijk gericht is op sociale en recreatieve doelen en weinig op onderwijsdoelen.28 Waar het ict-gebruik wel gericht is op onderwijsdoelen, ligt de focus bij het gebruiken en presenteren van informatie en veel minder bij het selecteren, bewerken en transformeren van informatie.29 Ook als eenzelfde type opleiding is gevolgd, zijn er aan het eind hiervan aanzienlijke verschillen in digitale kwaliteiten. Deze verschillen maken de toch al kwetsbare overgangen in het Nederlandse onderwijsstelsel nog risicovoller, omdat het vervolgonderwijs qua digitalisering dan vaak niet goed aansluit.

Naast consequenties voor de onderwijsdoelen, brengt digitalisering veranderingen met zich mee voor de didactiek en de leermiddelen. De mogelijkheden hierbij zijn legio, variërend van het inzetten van een specifieke applicatie voor het automatiseren van de tafels van vermenigvuldiging tot een volledig adaptieve elektronische leeromgeving, en van het gebruiken van MOOC’s (massive online open course) tot het inzetten van zogenoemde holobots (virtuele holografische robots) voor directe instructie. Met behulp van ict kan het ook eenvoudiger worden om leerlingen – al dan niet met inzet van digitale toetsen – directe en specifieke feedback te geven op hun prestaties, om efficiënter en effectiever te differentiëren, en om het onderwijsaanbod meer te personaliseren.30 Het inzetten van ict-oplossingen zoals het geautomatiseerd nakijken van toetsen kan bovendien tijd vrijmaken voor leraren, die weer ingezet kan worden ten gunste van andere onderdelen van het onderwijsleerproces.

Er is wel sprake van een toenemend gebruik van digitale mogelijkheden in het onderwijs, maar in nationale monitoronderzoeken is de definitie van digitale leermiddelen zeer ruim en omvat bijvoorbeeld ook ‘Google gebruiken om iets op te zoeken’.31 Uit recent nationaal onderzoek blijkt dat leraren en docenten in het funderend onderwijs de specifieke mogelijkheden van ict nauwelijks benutten. Presentatiesoftware en informatiesoftware worden relatief veel gebruikt. In het primair onderwijs wordt oefen- en evaluatiesoftware van de gebruikte methode veel ingezet, maar interactiesoftware (communicatiesoftware en sociale media) slechts marginaal. Ict-applicaties worden in het funderend onderwijs vooral ingezet bij klassikale instructie en zelfstandig leren.32

In hoeverre gebruik wordt gemaakt van digitale toepassingen van didactiek en leermiddelen, is grotendeels afhankelijk van de digitale deskundigheid van het docententeam. Ook hierin is grote variatie waarneembaar binnen het Nederlandse onderwijs.33 Er komen steeds meer, vooral jongere, leraren die al wel over ruime digitale deskundigheid beschikken, maar grote groepen leraren behoren nog tot de generatie die is opgegroeid in een tijd waarin deze ontwikkelingen in de kinderschoenen stonden. Ze hebben zich digitale vaardigheden in hun jeugd minder natuurlijk eigen gemaakt dan de jongeren van nu. Ook in hun opleiding heeft het gebruik van ict-toepassingen geen prominente rol gehad. Dit uit zich in onzekerheid over het inzetten van digitale lesmethoden of innovatieve educatieve hulpmiddelen.34

Voor alle aspecten waarop het onderwijs kan digitaliseren is een goede infrastructuur – voldoende recente hardware en software, en beschikking over een altijd werkende internetverbinding van voldoende capaciteit en snelheid – een voorwaarde. Helaas zijn ook hierbij, ondanks beleidsmatige inspanningen, grote verschillen tussen onderwijsinstellingen waar te nemen.35

2.2 Digitalisering biedt kansen…

Digitalisering van het onderwijs kan bijdragen aan de productiviteit en concurrentiekracht van de (inter)nationale economie.36 Digitalisering biedt bovendien kansen om het Nederlandse onderwijsstelsel krachtig te houden. Zo kan het gebruik van ict-toepassingen tot belangrijke hervormingen in het onderwijs leiden, die de kwaliteit en de veerkracht van het onderwijs ten goede komen. Een belangrijke kans is het vergroten van de doelmatigheid. Ict kan de kosten voor het onderwijs reduceren doordat sommige processen sneller en efficiënter kunnen worden uitgevoerd door een computer, waardoor mensen tijd overhouden voor andere zaken. Bovendien bieden digitale toepassingen mogelijkheden voor het delen van onderwijsontwikkelingen, hetgeen eveneens de doelmatigheid in het stelsel ten goede kan komen. Doordat niet iedere onderwijsinstelling en iedere leraar voor dezelfde digitale toepassingen kiest, kunnen ook de pluriformiteit en concurrentie in het stelsel toenemen.37 Bovendien kan met behulp van digitale toepassingen onderwijs toegankelijk worden voor grotere groepen mensen.38 Hieronder wordt een aantal van deze kansen van digitalisering voor het onderwijs verder uitgewerkt.

Effectiever leren

Er zijn vele studies waarin het effect van ict op leerprestaties van leerlingen is onderzocht. De effecten van deze studies zijn samengevat in vele meta-analyses. Vrijwel alle meta-analyses geven positieve effecten te zien, die doorgaans klein en soms beperkt (‘medium’) in omvang zijn.39 In onderstaand kader wordt dieper op een aantal meta-analyses en afzonderlijke studies ingegaan.

Effecten van ict op leerprestaties

Een studie van Tamim e.a. (2011) vat de resultaten van 25 bestaande meta-analyses samen die de afgelopen 40 jaar zijn uitgevoerd naar het effect van digitale onderwijstoepassingen op leerprestaties. Deze omvangrijke ‘tweede-orde’ meta-analyse heeft betrekking op 1.055 studies met in totaal 109.700 deelnemers. Elke losstaande studie betrof de vergelijking tussen leerlingen in een setting met een digitale onderwijstoepassing en leerlingen in een traditionele of computervrije setting. De effecten van digitale toepassingen waren gemiddeld genomen positief, maar klein.40

Uit andere studies is onder andere gebleken dat zogeheten 1-op-1 laptop-programma’s, waarbij elke leerling beschikt over een laptop, gemiddeld genomen een klein positief effect hebben op de leerprestaties.41 Als interventies ervoor zorgen dat leerlingen gebruikmaken van mobiele apparaten in het onderwijs, zijn de positieve effecten gemiddeld genomen iets groter.42 Positieve effecten zijn ook gerapporteerd voor zogeheten intelligente digitale tutorsystemen.43 Deze tutorsystemen worden ingezet om leerlingen te leren om problemen op te lossen (bijvoorbeeld bij wiskunde), waarbij het systeem automatisch en op geavanceerde wijze feedback genereert.

Positieve effecten van ict-toepassingen zijn aangetoond voor uiteenlopende leergebieden, waaronder taal, lezen, schrijven, rekenen/wiskunde, natuurwetenschappen en geschiedenis.44 Ook zijn er positieve resultaten gevonden bij uiteenlopende leeftijdsgroepen in alle sectoren van het onderwijs.45 Positieve effecten van ict zijn ten slotte aangetoond voor uiteenlopende leerprestaties, waaronder feitenkennis en begrip, en voor het inzicht- en toepassingsniveau. Er zijn indicaties dat opbrengsten groter zijn voor de laatste categorie.46

De effecten kunnen verschillen al naar gelang de functie die ict vervult. Voor studenten in het hoger onderwijs is aangetoond dat ict-toepassingen die cognitieve ondersteuning bieden, gemiddeld wat effectiever zijn dan toepassingen waarmee de inhoud wordt gepresenteerd. Bij cognitieve ondersteuning gaat het bijvoorbeeld om ‘concept maps’ of simulaties die leerlingen helpen informatie te organiseren, te bewerken of te transformeren.47 Bij inhoudspresentatie gaat het bijvoorbeeld om PowerPoint-presentaties of elektronische boeken (zonder interactiemogelijkheden). Een bijzondere ict-toepassing betreft ‘serious gaming’ in het onderwijs, waarmee in vergelijking met conventioneel onderwijs (dezelfde leerstof, geen ict, geen spelvorm) gemiddeld wat betere leeropbrengsten worden behaald.48

Anders leren – met andere onderwijsopbrengsten

Velen verwachten dat digitalisering leidt tot andersoortig en beter onderwijs. Internationaal onderzoek biedt aanwijzingen dat 1-op-1 laptop-programma’s inderdaad leiden tot meer leerlinggerichte vormen van onderwijs en gevarieerder en intensiever gebruik van ict-toepassingen. Verder vinden leerlingen onderwijs met gebruik van ict-toepassingen doorgaans leuker dan onderwijs zonder ict.49 Aan de andere kant is er geen duidelijk bewijs voor de ‘populaire’ veronderstelling dat ict leidt tot een betere beheersing van 21ste-eeuwse vaardigheden als samenwerken, zelfstandig leren en probleem oplossen. Er is ook niet aangetoond dat digitalisering van onderwijs leidt tot meer aandacht voor deze vaardigheden.50 Genoemde resultaten kunnen verklaard worden door het feit dat het ict-gebruik zich nog voornamelijk richt op de vervanging van traditionele functies in het onderwijs, zoals presentatie van de leerstofinhoud.51 Verschillende auteurs veronderstellen dat de potentie van ict beter kan worden benut als ict wordt ingezet om het leerproces te ondersteunen en te transformeren.52

Toegankelijker onderwijs

Het gebruik van ict wordt ook geassocieerd met grotere toegankelijkheid van het onderwijs.53 Digitale leermiddelen bieden mogelijkheden voor bredere toegankelijkheid en meer op maat gesneden aanbod van onderwijsbronnen. Daarbij gaat het ook om aanbod dat thuis kan worden geraadpleegd, bijvoorbeeld MOOC’s die universiteiten gratis aanbieden, onlinefilmpjes met extra instructie, of adaptieve programma’s waarmee leerlingen vaardigheden kunnen oefenen. Onderwijs is daardoor tijd- en plaatsonafhankelijk en meer afgestemd op bijvoorbeeld combinaties van werk en zorg. Bovendien biedt dit mogelijkheden om via internet cursussen te volgen aan buitenlandse onderwijsinstellingen.

Doelmatiger onderwijs

Een aanzienlijk deel van de onderwijsinvesteringen in ict is niet direct gericht op het leerproces, maar op administratieve en organisatorische taken. Inzet van ict kan leiden tot efficiëntievoordelen en vermindering van de werklast. Ook zijn er aanwijzingen dat scholen efficiënter communiceren (met leerlingen, ouders en de bredere gemeenschap) en hun kwaliteitszorg beter kunnen inrichten.54 Efficiëntiewinst zou ook kunnen worden behaald in het primaire proces zelf. Er is echter weinig onderzoek op dit terrein, omdat de focus in onderzoek doorgaans is gericht op leerprestaties en niet op bijvoorbeeld de instructietijd die bespaard wordt of op efficiënter digitaal nakijken van toetsresultaten. Een uitzondering vormt een oudere meta-analyse uit de jaren negentig waaruit blijkt dat het gebruik van ict-toepassingen in het wiskundeonderwijs niet alleen positief samenhangt met leerprestaties, maar er ook voor zorgt dat leerlingen minder tijd nodig hebben voor het doorlopen van het programma.55

Doelmatiger onderwijs als gevolg van de inzet van ict zou uiteindelijk ook ten goede moeten komen aan de kwaliteit en moeten leiden tot kostenbesparing. Grootschalige studies die hiervoor overtuigend bewijs leveren, zijn echter niet voorhanden.56

2.3 … maar kent mogelijk ook keerzijden

Naast de hierboven beschreven kansen ziet de raad ook keerzijden. Er zijn om te beginnen kanttekeningen te plaatsen bij de overwegend positieve resultaten van het hierboven gepresenteerde onderzoek naar de effecten van digitalisering. Deze kanttekeningen vormen niet daadwerkelijk een risico, maar geven wel aan dat het belangrijk is om realistisch te zijn over de verwachtingen die gekoesterd mogen worden. Daarnaast zijn er daadwerkelijke keerzijden die zich vooral aandienen bij vergaande digitalisering van het onderwijs. De impact van deze risico’s is op basis van de huidige stand van zaken met betrekking tot digitalisering in het onderwijs moeilijk in te schatten, maar de raad acht het van belang dat onderwijsinstellingen de risico’s voor ogen houden bij het maken van doordachte onderwijskeuzes met betrekking tot ict.

Kanttekeningen bij onderzoek naar digitalisering in het onderwijs

Een eerste kanttekening bij het onderzoek is dat meta-analyses weinig zicht geven op de variatie die bestaat in effectstudies. Achter de gerapporteerde kleine positieve verschillen gaan zowel grote positieve als grote negatieve effecten schuil. Grote positieve effecten deden zich bijvoorbeeld voor bij een experiment waarbij medische studenten een digitale simulatie gebruikten. Deze toepassing bleek veel effectiever dan het bespreken van casussen over hetzelfde onderwerp.57 Een voorbeeld van de laatste categorie is een experiment waarbij studenten ‘prompts’ van de computer kregen over eerder geleerde concepten. Studenten die de prompts kregen, deden het beduidend slechter dan de studenten die geen prompts hadden gekregen.58

Een tweede kanttekening is dat uiteenlopende vormen van digitaal onderwijs worden samengenomen, waarbij niet alleen het gebruik van digitale toepassingen varieert, maar ook de didactische en pedagogische aanpak. Hierdoor zijn de daadwerkelijke effecten van de ict-toepassing lastig te isoleren en te interpreteren. Volgens de ‘method-not-media’ hypothese worden effecten van digitaal onderwijs niet door het digitale medium teweeggebracht, maar juist door de didactische en pedagogische principes of door een interactie tussen technologie, didactiek en pedagogiek.59

Een derde kanttekening ten slotte is dat de meta-analyses vooral heel specifieke onderzoeken in gecontroleerde contexten betreffen, waarbij de focus ligt op een beperkt aantal variabelen. Bovendien zijn de onderzochte interventies doorgaans kortdurend en beperkt.60 Daarbij kan er bijvoorbeeld ook sprake zijn van ‘nieuwheidseffecten’ die zorgen voor meer motivatie bij leerlingen in een experimentele groep met digitale toepassingen.61 Ditzelfde geldt waarschijnlijk voor docenten. Door dit alles blijft onduidelijk wat de effecten zouden zijn van omvangrijker of langduriger inzet van de digitale toepassingen.

Mogelijke keerzijden van vergaande digitalisering in het onderwijs

De raad ziet een risico in de sociale gevolgen van plaats- en tijdonafhankelijk leren en studeren met digitale middelen. De directe interactie tussen leraar en leerling in klaslokalen en collegezalen wordt minder vanzelfsprekend.62 Vervreemding en een gevoel van ontheemd raken kunnen het resultaat zijn.63 De sociale samenhang op school en daarmee tevens de socialisatiefunctie van het onderwijs komen zo onder druk te staan. Bovendien kan ver doorgevoerd plaatsonafhankelijk online onderwijs er in theorie toe leiden dat met name in het hoger onderwijs en binnen een leven lang leren onderwijsinstellingen vanuit doelmatigheidsoverwegingen individueel en groepsonderwijs alleen nog aanbieden voor mensen die dat kunnen betalen. Extra oefenen of het bespreken van de leerstof in aanwezigheid van docenten en medestudenten is daarmee niet meer voor iedereen toegankelijk. Dat komt de kansengelijkheid in de samenleving niet ten goede. Ook kan deze veranderende interactie in het onderwijs de sociale scheidslijnen tussen individuen en groepen in de samenleving vergroten.64

Ook in bredere zin heeft digitalisering gevolgen voor de sociale cohesie in de samenleving65, die doorwerken in het onderwijs. De sociale samenhang en de democratische grondslag staan onder druk door de zogenoemde digitale kloof tussen mensen die wel digitaal geletterd zijn en mensen die dat niet zijn.66 Het onderwijs biedt kansen om deze kloof te dichten, maar is hierin tot nu toe niet erg succesvol.67 Het internet biedt niet automatisch mechanismen om gebruikers tegen manipulatie of onjuiste beeldvorming te beschermen. Integendeel: de algoritmes die informatie achter de schermen ordenen bij veel populaire internetbronnen zijn primair ontworpen vanuit een commercieel perspectief, en onderdrukken en filteren informatie die niet bij dat perspectief past. Dat blijkt te leiden tot alternatieve werkelijkheden waarin bewuste verspreiding van misinformatie dagelijks aan de orde is (de beruchte ‘filter bubbles’). Deze kunnen bijdragen aan verdere maatschappelijke fragmentatie. De socialisatiefunctie van het onderwijs wordt hierdoor lastiger in te vullen, maar tegelijkertijd misschien wel belangrijker dan ooit tevoren.68

Een ander risico van digitalisering is dat de schijnbaar eenvoudige toegang tot informatie via het internet ertoe leidt dat het niet meer nodig lijkt om deze informatie te onthouden en dat de parate feitenkennis afneemt.69 Dit heeft negatieve gevolgen voor de kennisopbouw in ons langetermijngeheugen, waar bestaande kennis noodzakelijk is als basis voor nieuwe kennis. Maar een smallere basis van feitenkennis heeft ook gevolgen voor het kunnen toepassen van kennis, bijvoorbeeld bij wiskunde. Bovendien is kennis noodzakelijk voor het ontwikkelen van vaardigheden. Kennis over gewoonten van andere culturen werkt bijvoorbeeld ondersteunend bij het ontwikkelen van sociale vaardigheden in een multiculturele groep. En kennis is nodig om nieuwe informatie op waarde te kunnen schatten, een vaardigheid die juist van toenemend belang is binnen de ‘orde van het internet’, waarin beschikbare informatie minder geautoriseerd is en daardoor minder vanzelfsprekend als waar kan worden beschouwd. Zeker in het licht van de genoemde verspreiding van misinformatie en filter bubbles is het idee van internet als informatiebron waar je alles ‘gewoon even op kunt zoeken’ feitelijk achterhaald.

De brede inzet van ict in het onderwijs zou daarnaast kunnen zorgen voor bedreiging van een veilig pedagogisch-didactisch klimaat. Binnen de muren van een fysieke traditionele school kon en kan eenieder zich relatief veilig ontwikkelen, zich kwetsbaar of rebels opstellen en van daaruit groeien zonder hier later in de buitenwereld of in het verdere leven mee geconfronteerd te worden via afbeeldingen of teksten op het internet. Het is de vraag of dit ook het geval is binnen onlinefaciliteiten. Het delen van informatie door het gebruik van clouddiensten op school kan het gevoel van vrijheid van meningsuiting remmen. Het gestaag opbouwen van een grote hoeveelheid digitale data over individuele leerlingen en studenten die in principe altijd blijft bestaan, kan ervoor zorgen dat een leerling of student niet helemaal zichzelf durft te zijn of in latere levensfases achtervolgt blijft worden door incidenten waarvan de sporen op internet blijven staan.

Bovendien zorgt de brede inzet van ict in het onderwijs voor risico’s op het gebied van cybersecurity. Onderwijsinstellingen blijken een relatief makkelijke prooi van cybercriminaliteit door een gebrek aan relevante expertise, de losse organisatie, de open gebruikersgemeenschap en een kwetsbare infrastructuur. Begin 2017 werden 300 scholen voor primair onderwijs in Zuid-Holland het slachtoffer van een enkele aanval met zogenoemde ‘ransomware’, waarbij de data van de getroffen organisatie pas werden vrijgegeven toen er betaald werd. De verwachting is dat dit soort aanvallen veel vaker zal voorkomen en zwaarder zal worden. Cybervandalisme is inmiddels zo laagdrempelig beschikbaar dat met een minimum aan tijd en middelen forse schade kan worden toegebracht. Het is de vraag of individuele onderwijsinstellingen opgewassen zijn tegen het moderne cyberdreigingsbeeld – zowel qua kennis, faciliteiten, als budget.

2.4 Doordacht digitaliseren optimaliseert kansen en verkleint risico’s

Door bij iedere onderwijskeuze zorgvuldig te overwegen wat de rol van digitalisering daarbij zou kunnen zijn, ontstaat een weloverwogen inzet van ict-toepassingen in het onderwijs. Als beslissingen doordacht worden genomen, kunnen de kansen van digitalisering voor het onderwijs worden benut en kan de uitwerking van mogelijke risico’s worden ingeperkt. De raad benadrukt hierbij dat hij digitalisering van het onderwijs niet als een op zichzelf staand doel beschouwt. De potentiële effectiviteit van ict-toepassingen in het onderwijs is namelijk niet primair het gevolg van de ingezette technologie, maar bovenal van de onderliggende pedagogische en didactische overtuigingen die ermee worden ondersteund. Het inzetten van digitale leermiddelen biedt over het algemeen geen compensatie voor slecht ontwikkelde pedagogische en didactische vaardigheden van een leraar of docent.70

Onderwijs digitaliseert onvoldoende doordacht

Het onderwijs blijkt tot nog toe onvoldoende in staat om op een doordachte manier om te gaan met de snelle maatschappelijke ontwikkelingen op het gebied van digitalisering. Dit uit zich in de grote variatie in de mate waarin en de wijze waarop ict-toepassingen in het onderwijs worden ingezet (zie paragraaf 2.1). Het uit zich daarnaast in een vaak beperkte of zelfs ontbrekende visie op de relatie tussen ict en onderwijs.

Uit een inventarisatie van Kennisnet blijkt dat de meeste scholen in het funderend onderwijs weliswaar een ict-beleidsplan hebben, maar dat de focus hiervan vooral op de technische aspecten ligt. Ook is het plan vaak als losstaand document ontwikkeld; de relatie met het overige onderwijsbeleid van de school wordt weinig gemaakt. In bestuursakkoorden was afgesproken dat alle schoolbesturen in het primair onderwijs in 2015 een implementatie- en investeringsplan voor onderwijs en ict zouden hebben en dat dit plan gebaseerd zou zijn op hun onderwijsvisie.71 Een peiling in 2015 liet echter zien dat minder dan de helft van de schoolbesturen in het primair onderwijs over een dergelijk plan beschikt.72 In het hoger onderwijs is een ict-beleidsplan ook geen vanzelfsprekendheid. Uit een onderzoek van SURF (ict-samenwerkingsorganisatie van het onderwijs en onderzoek in Nederland) bleek dat 12 van de 21 onderzochte hbo-instellingen ict-ambities hadden geformuleerd ten aanzien van het strategisch onderwijsbeleid. In het wetenschappelijk onderwijs gold dit voor 12 van de 14 instellingen. Respectievelijk 8 en 10 instellingen noemen daarbij ook ict-bekwaamheden van leraren in hun onderwijsvisie.73 Uit gesprekken die de raad met het veld voerde, kwam naar voren dat het verbinden van ict-plannen aan de onderwijsvisie van de instelling in alle sectoren een grote uitdaging vormt.

Deze ‘ondoordachte’ digitalisering wordt onder meer veroorzaakt door onvoldoende kennis van de kansen en risico’s bij docenten, onvoldoende (aandacht voor) digitale deskundigheid in de lerarenopleidingen en onvoldoende inbreng van het onderwijsveld bij ict-ontwikkelingen. Deze oorzaken worden hieronder uitgewerkt.

Onvoldoende zicht op kansen en risico’s van digitalisering bij docenten

Om weloverwogen ict-onderwijskeuzes te kunnen maken, is het cruciaal dat de leraren, leidinggevenden en bestuurders die deze keuzes maken, beschikken over voldoende kennis en vaardigheden op het gebied van ict in het onderwijs. De variatie in digitale deskundigheid onder docenten en binnen en tussen instellingen in alle onderwijssectoren is op dit moment groot. Dit staat het optimaal benutten van de kansen van digitalisering in de weg. Over de digitale deskundigheid van leidinggevenden, bestuurders en toezichthouders heeft de raad geen kwantitatieve gegevens kunnen achterhalen, maar dat ook bij hen voldoende deskundigheid – organisatorisch, financieel en inhoudelijk – noodzakelijk is, ligt voor de hand.

Onvoldoende (aandacht voor) digitale deskundigheid in lerarenopleidingen

Hoewel de meeste eerste- en tweedegraads lerarenopleidingen aandacht besteden aan ict, hanteren slechts enkele instellingen formele eindtermen ten aanzien van de digitale kwaliteiten van hun studenten.74 Een vergelijkbare situatie geldt voor de leergangen die docenten voorbereiden om onderwijs te verzorgen in het hoger onderwijs. Voor de meeste instellingen in het wetenschappelijk onderwijs en hoger beroepsonderwijs heeft ict-professionalisering een plaats binnen de leergangen verworven, maar ook hier worden zelden formele eisen gesteld.75 Ook zijn er weinig lerarenopleidingen, zeker op eerstegraadsniveau, die zich toeleggen op het opleiden van gespecialiseerde ict-docenten, die bijvoorbeeld leerlingen en studenten kunnen leren programmeren.

Een verklaring voor de beperkte aandacht voor digitalisering binnen lerarenopleidingen en professionaliseringstrajecten voor docenten vormt de digitale deskundigheid van de lerarenopleiders, die aanzienlijk moet zijn om de nodige ondersteuning en begeleiding te kunnen geven. Het beperkte aantal lerarenopleidingen dat deze deskundigheid wel in huis heeft, heeft van ict een speerpunt gemaakt. Deze opleidingen zijn doorgaans gekoppeld aan een expertisecentrum of een onderzoeksprogramma.76

Onvoldoende inbreng van onderwijsveld in ontwikkelingen op ict-gebied

Het maken van weloverwogen ict-onderwijskeuzes wordt, vooral in het funderend onderwijs, bemoeilijkt doordat er sprake is van een bijna volledig door de aanbodkant gedomineerde markt van ict-toepassingen in het onderwijs. Een klein aantal grote aanbieders bepaalt de keuzemogelijkheden. Dit komt het innovatievermogen in het onderwijs niet ten goede.

Het onderwijs is in de huidige markt afhankelijk van wat technologische bedrijven, educatieve uitgeverijen, educatieve adviesdiensten en distributeurs aanbieden. Deze afhankelijkheid geldt voor ict-toepassingen die niet specifiek voor het onderwijs zijn ontwikkeld, zoals de hardware waar gebruik van wordt gemaakt (computers, laptops, tablets) en de besturingssystemen en overige software die draaien op deze hardware. Wie eenmaal gekozen heeft voor een bepaald systeem, beperkt zijn keuzemogelijkheden daarna aanzienlijk. Dit fenomeen wordt ‘technology lock in’ of technologieval genoemd.77 Een complicerende factor bij deze afhankelijkheid van marktpartijen is de beïnvloeding van de keuze door bijvoorbeeld kortingen die door bedrijven geboden worden op bepaalde producten. Het loont voor deze bedrijven de moeite om te investeren in het onderwijs, aangezien de komende jaren hoogstwaarschijnlijk forse bedragen zullen worden besteed aan ict-toepassingen in het onderwijs en dit het moment is waarop onderwijsinstellingen kiezen voor een bepaalde aanbieder. De technologieval geldt ook voor educatieve ict-toepassingen zoals digiborden en digitale leermiddelen. Deze markt is eveneens aanbodgestuurd: het onderwijsveld heeft weinig inbreng in de ontwikkeling van onderwijsspecifieke ict-toepassingen. Daarnaast is er op het niveau van educatieve materialen geen sprake van een open koppeling (ook wel interoperabiliteit genoemd) tussen digitale educatieve materialen van verschillende aanbieders. Zo gebeurt het dat gegevens handmatig worden overgetypt vanuit de ene toepassing naar de andere, bijvoorbeeld vanuit de methode naar het leerlingvolgsysteem, omdat beide programma’s niet dezelfde standaard hanteren en dus niet met elkaar kunnen communiceren. Deze technologieval op het niveau van de materialen bemoeilijkt bovendien het arrangeren van leermaterialen, waarmee combinaties van onderdelen van verschillende methodes gemaakt kunnen worden.

3. Ontzorg het onderwijs door garanderen van randvoorwaarden voor digitalisering

De zorg voor randvoorwaarden hoort niet bij onderwijsinstellingen te liggen. De raad benadrukt het belang van loskoppeling van technische aspecten en inhoud van digitale onderwijstoepassingen, van internetveiligheid en privacy, van een adequate basale infrastructuur, en van toereikende financiële middelen.

Onderwijsinstellingen zouden ervan uit mogen gaan dat ze zich niet bezig hoeven te houden met de randvoorwaarden voor digitalisering van het onderwijs. De overheid heeft hier een belangrijke taak. Een onderwijsinstelling kan nog zulke grote ambities hebben op het gebied van digitalisering, als de randvoorwaarden niet op orde zijn kunnen deze ambities niet worden waargemaakt. Pas als onderwijsinstellingen en besturen niet steeds weer zelf het wiel uit hoeven te vinden, kunnen zij zich bezighouden met het maken van daadwerkelijk doordachte onderwijskeuzes met betrekking tot digitalisering. Hetzelfde geldt voor educatieve uitgevers, distributeurs en andere leveranciers: een door de overheid gefaciliteerde generieke basisinfrastructuur waarop hun diensten kunnen worden uitgerold, maakt het mogelijk dat zij hun energie en investeringen richten op inhoudelijke innovatie.

De PO-Raad maakt zich vanuit dit belang van het regelen van de randvoorwaarden bijvoorbeeld al jarenlang hard voor een goede en snelle internetverbinding voor alle basisscholen in Nederland.78 De Tweede Kamer riep in 2015 het kabinet op om scholen op dit gebied te hulp te schieten.79 De staatssecretaris van Onderwijs en de minister van Economische Zaken hebben begin 2017 5,5 miljoen euro uitgetrokken om ruim 800 basis- en middelbare scholen die gebrekkig internet hebben, te ondersteunen.80 Dit ziet de Onderwijsraad als een stap in de goede richting, maar er zijn meer randvoorwaarden waaraan voldaan moet worden voordat het onderwijs de ambities op het gebied van digitalisering kan waarmaken.

3.1 Koppel technische aspecten los van de inhoud van digitale onderwijstoepassingen

Een digitale leeromgeving die passend is voor iedere leerling en iedere leraar kan alleen tot stand komen als componenten en diensten eenvoudig met elkaar samenwerken, en tegelijkertijd ook uitbreidbaar en vervangbaar zijn. Dit kan volgens de raad vorm krijgen als de technische aspecten van digitale onderwijstoepassingen worden losgekoppeld van de inhoud en de technische aspecten niet meer door iedere ontwikkelaar zelf, maar collectief worden vormgegeven. Daarmee verdwijnen de nu bestaande schotten tussen componenten en diensten en dus de beperkingen in de uitwisselbaarheid.

De technische kerntaken waar het hier om gaat zijn bijvoorbeeld de volgende:

  • flexibele distributie van digitale leermiddelen, ook op componentniveau en voor gebruik met externe toepassingen;
  • verplichte en ondersteunde open standaarden waarmee uitwisselbaarheid van gegevens tussen toepassingen in praktische zin mogelijk wordt;
  • internetveiligheidsstandaarden zoals vastgesteld door het Forum Standaardisatie;
  • hosting van diensten inclusief operationele beveiliging tegen cybercriminaliteit, met versleutelde back-ups en offline terugvalmogelijkheden;
  • specialistische aanpassing en faciliteiten voor universele toegankelijkheid van materialen en toetsen voor leerlingen met beperkingen;
  • metadatering van (onderdelen van) digitale leermiddelen (metadata geven bijvoorbeeld aan hoe iets zich verhoudt tot de kerndoelen of eindtermen, welke positie het heeft in een curriculum, en of het beschikbaar is onder open licentie);
  • verbinden van gerelateerd onderwijsmateriaal uit verschillende bronnen;
  • semantische uniformering (gebruikt iedereen dezelfde termen?);
  • ‘single sign-on’ in combinatie met pseudonimisering (automatisch inloggen op externe domeinen zonder privacy-verlies);
  • dataminimalisatie en dataversleuteling (zodat privacy van leerlinggegevens gemakkelijker gewaarborgd kan worden); en
  • leverancieronafhankelijke zoek- en ontsluitingsfaciliteiten (bijvoorbeeld de beschikbaarheid van alternatieven) en neutrale kennisuitwisseling van de bevindingen van gebruikers.0

De raad stelt vast dat uniforme oplossingen voor deze technische problemen ertoe leiden dat leveranciers van leermiddelen zich kunnen richten op inhoudelijke ontwikkeling en innovatie. De technische kerntaken kunnen worden ingevuld via algemeen toegankelijke en gedeelde (bij voorkeur open source) basisfaciliteiten waarop leveranciers en onderwijsinstellingen inhoudelijk verder bouwen. De raad beveelt hiertoe aan mogelijkheden voor een samenwerkingsverband te onderzoeken waarin werkgevers (educatieve uitgeverijen en technologiebedrijven), overheid, onderwijsveld en ouders zijn vertegenwoordigd (zie ook paragraaf 4.1). Deze ‘quadruple helix’81, de vierhoek van onderwijs, ouders, overheid en bedrijven, dient een belangrijke rol te spelen in de infrastructurele keten van idee tot implementatie en evaluatie, en kan zich buigen over aanbesteding en vormgeving van genoemde technische basisfaciliteiten.

Veel leveranciers bieden nu wel een eigen (deel)oplossing of sluiten aan bij een grotere leverancier, maar die versnippering levert suboptimale resultaten voor onderwijsinstellingen en is bovendien organisatorisch en financieel belastend voor alle partijen. Leveranciers en onderwijsinstellingen zien zich geconfronteerd met steeds nieuwe verantwoordelijkheden, ook voor aspecten waarop hoge eisen (met bijbehorende kosten) worden gesteld en waarop verder weinig onderscheidend vermogen te behalen valt, zoals beveiliging en universele toegankelijkheid van leermiddelen.82 Deze verantwoordelijkheden en hoge kosten leiden in de ogen van de raad tot bedreiging van de pluriformiteit in de Nederlandse uitgeverssector, waarmee ook de kwaliteit van het onderwijs onder druk kan komen te staan.

Er zijn inmiddels al verschillende initiatieven gaande die als doel hebben de interoperabiliteit binnen elektronische leeromgevingen en tussen elektronische leermiddelen te bevorderen.83 De raad merkt op dat deze initiatieven echter juist gebaseerd zijn op de bovenbeschreven verschotting in de keten. Iedere uitgever moet naast het ontwikkelen van inhoudelijk onderwijsmateriaal ook intern een complete eigen technische infrastructuur financieren en draaiende houden.

3.2 Sta in voor de veiligheid en privacy van betrokkenen

De rijksoverheid dient onderwijsinstellingen te ondersteunen bij het vormgeven van beveliging en privacy. De verantwoordelijkheid hiervoor kan wettelijk gezien niet bij individuele instellingen worden weggehouden, maar de overheid kan instellingen wel beter faciliteren in het dragen van deze verantwoordelijkheid. In de huidige situatie zorgt iedere instelling of elk bestuur zelf voor de beveiliging en de privacy, waarbij in het gunstigste geval wordt samengewerkt met een aantal andere onderwijsinstellingen of besturen. Dat is niet alleen inefficiënt, maar vraagt ook kennis van zaken die bij de betrokkenen vaak niet aanwezig is.84

Stel een security officer beschikbaar

Onderwijsinstellingen moeten kunnen beschikken over een ‘security officer’ die de digitale beveiliging in de instelling vormgeeft. Instellingen voor hoger onderwijs hebben doorgaans al een professionele security officer, omdat die instellingen groot en vaak ook internationaal gericht zijn. Hierdoor lijken de bedreigingen voor de cybersecurity groter, maar ook kleine, minder internationaal georiënteerde onderwijsinstellingen lopen wel degelijk beveiligingsrisico’s. Ook in het primair en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs zou daarom de rol van security officer adequaat ingevuld moeten worden. Het is de vraag of het reëel is om de onvoorspelbare kosten, de grote complexiteit en de hoge verantwoordelijkheid die internetbeveiliging met zich meebrengt bij individuele onderwijsinstellingen neer te leggen. Veiligheid en privacy zijn generieke en cruciale randvoorwaarden die vragen om oplossingen op stelselniveau.

Onderwijsinstellingen lijken zich door de bank genomen onvoldoende bewust van de risico’s die ze lopen op het gebied van internetbeveiliging en van de gevaren van cyberaanvallen85, terwijl de risico’s steeds groter worden en ook voortdurend veranderen.86 Onderwijsinstellingen lijken tevens onvoldoende op de hoogte van hun eigen verantwoordelijkheid op dit gebied. Met de nieuwe wetgeving op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens (Algemene verordening gegevensbescherming, van toepassing vanaf 28 mei 2018) verandert er het nodige op dit gebied ten opzichte van de huidige wetgeving (Wet bescherming persoonsgegevens). Schoolbesturen zijn onder de nieuwe wetgeving bijvoorbeeld hoofdelijk aansprakelijk voor de gevolgen van datalekken en kunnen zich hierbij niet langer verschuilen achter leveranciers. Bovendien moeten datalekken sinds 1 januari 2016 direct worden gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens. De boetes die kunnen worden opgelegd als dit niet gebeurt, zijn vele malen hoger dan ze voorheen waren.

Hanteer een ruimer perspectief op privacy dan het anonimiseren van gegevens

De raad adviseert de rijksoverheid om meer dan nu het geval is oog te hebben voor bredere risico’s voor de privacy van leerlingen en studenten. Het onderwijsveld heeft de risico’s voor de privacy vanuit het bestaande kader van de Wet bescherming persoonsgegevens in beeld, al zal een en ander wel herzien moeten worden in het licht van de nieuwe Algemene verordening gegevensbescherming. Er worden stappen gezet om de privacy van leerlingen beter te regelen, bijvoorbeeld via een wetsvoorstel tot pseudonimiseren van persoonsgebonden informatie.87

Deze stappen hebben vooral betrekking op dataverwerking binnen digitale leermiddelen, leerlingvolgsystemen en wetenschappelijk onderzoek. De raad ziet echter nog een andere, bredere en mogelijk grotere bedreiging voor de privacy en veiligheid in het voortdurend verzamelen van gegevens in de context van ‘big data’. Dit vindt bijvoorbeeld plaats als leerlingen en studenten en onderwijsinstellingen gebruikmaken van opslag in de ‘cloud’ of communiceren via een WhatsApp groep.88 Hoewel big data kansen voor het onderwijs met zich meebrengt89, gaat de ontwikkeling ook gepaard met risico’s voor het veilige pedagogisch-didactische klimaat. Deze bedreigingen hebben het onderwijsveld en de rijksoverheid volgens de raad nog onvoldoende in het vizier. Onderwijsinstellingen gaan er bijvoorbeeld vanuit dat hun in de cloud opgeslagen gegevens beschermd zijn door de privacywetgeving, terwijl dit ondanks nieuwe internationale regelingen geenszins gegarandeerd is.90

De raad adviseert de rijksoverheid om in het beleid meer aandacht te besteden aan de risico’s van het continu opslaan en bewaren van data, processen die zich afspelen zonder dat mensen hier invloed op kunnen uitoefenen. Dit kan onder meer door te stimuleren dat ontwikkelaars van ict-toepassingen voor het onderwijs in hun ontwerp beveiliging opnemen in de vorm van ‘security by design’ of ‘privacy by design’.91 Bij deze vorm van veiligheid en privacy worden in het softwareontwerp al beveiligings- en privacyaspecten ingebouwd om de naleving en handhaving van de wettelijke normen en de onderliggende maatschappelijke waarden te waarborgen, in plaats van dat dit achteraf en van buitenaf moet worden geregeld. Daarnaast onderschrijft de raad het advies van de WRR (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) om vooral oog te hebben voor de regulering van de analyse en het gebruik van gegevens, in tegenstelling tot de huidige nadruk op de regulering van het verzamelen van gegevens.92 Dit laatste is met verschijnselen als big data en het internet der dingen namelijk een gegeven waar individuen of onderwijsinstellingen niets tegen kunnen doen.93

Een bijkomend voordeel van de loskoppeling van technische aspecten en inhoud is dat ook op het punt van veiligheid en privacy belangrijke winst kan worden geboekt. Nu is de situatie zo dat een leerling of student naar een digitale omgeving van de uitgever of distributeur gaat, waarvan het veelal onbekend is welke gegevens daarbij worden opgeslagen. In de beoogde situatie levert de uitgever zijn inhoudelijke materialen aan in een overkoepelende technische omgeving, en beweegt de leerling of student zich (net als vroeger in het klaslokaal of collegezaal) met dat materiaal op eigen terrein – een volledig ontkoppelde omgeving die ontworpen is rondom veiligheid en privacy.

3.3 Breng de basale infrastructuur op orde

Voordat het onderwijsveld aan doordachte digitalisering kan beginnen, moeten de basale infrastructurele voorzieningen hiervoor – de hardware en internettoegang – op orde zijn. Ondanks jarenlange beleidsinspanningen hebben niet alle onderwijsinstellingen voldoende en moderne hardware. Het aantal leerlingen dat een computer moet delen is in veel sectoren de afgelopen jaren wel gedaald94, maar nog altijd zijn er onderwijsinstellingen waar te weinig of gedateerde hardware beschikbaar is. Ook voor leraren en docenten zouden voldoende moderne computers beschikbaar moeten zijn, en dat is nu niet het geval.

Naast kwantitatieve zijn er ook kwalitatieve verbeteringen mogelijk. Leerlingen gebruiken in het onderwijs overwegend laptops, tablets en mobiele telefoons. Deze apparaten zijn handzaam en daardoor makkelijk te vervoeren, maar ze maken het verwerken van enigszins complexe informatie lastig, zeker voor beginnende gebruikers. Ook kunnen deze apparaten bijdragen aan een slechte houding tijdens het schermgebruik. Bij langdurig schermgebruik acht de raad het van belang dat leerlingen kunnen beschikken over ergonomisch verantwoorde systemen met grote schermen. Voor het onderwijs geldt geen arbo-wet-en-regelgeving, terwijl leerlingen en studenten inmiddels in vergelijkbare omstandigheden moeten functioneren als werknemers.

Naast voldoende hardware is snelle en stabiele internettoegang een cruciale randvoorwaarde voor digitalisering in het onderwijs. Dit geldt niet alleen voor scholen in gebieden met een slechte internetverbinding. Ook onderwijsinstellingen die in gebieden staan waar snel internet beschikbaar is, ondervinden regelmatig problemen met hun verbinding.95 De raad kan op dit moment door gebrek aan gegevens geen kosten-batenanalyse maken van investeringen op dit gebied. In het veld wordt aangegeven dat de 5,5 miljoen euro die het ministerie van OCW recent beschikbaar stelde, de voorliggende problemen niet zal oplossen. Volgens het onderwijsveld zelf is er een veelvoud van dat bedrag nodig om alle scholen een snelle en toekomstbestendige glasvezelaansluiting te geven en om de bestaande verbindingen binnen de schoolgebouwen aan te passen.96 Dit is een randvoorwaarde die de rijksoverheid goed moet regelen om digitalisering in het onderwijs te stimuleren.

3.4 Overzie de kosten van digitalisering en herzie waar nodig de begroting

Digitalisering komt traditioneel met de belofte dat er in het onderwijs geld mee uitgespaard kan worden. Voordat die belofte kan worden waargemaakt, zullen gerichte investeringen noodzakelijk zijn. Een aantal aanbevelingen uit het voorliggende advies levert concrete besparingen op, omdat processen efficiënter georganiseerd worden en er wordt ingezet op hergebruik. Andere aanbevelingen zullen investeringen vergen. Een deel van de kosten kan bij individuele onderwijsinstellingen of besturen worden weggehouden of voor hen worden verlaagd door zaken op centraal niveau te regelen, maar er zijn ook aanbevelingen die juist extra investeringen door besturen of onderwijsinstellingen vragen.

Hoeveel er exact extra geïnvesteerd zal moeten worden en op welke posten, is pas te specificeren als de daadwerkelijke kosten en veranderingen daarin over de afgelopen jaren duidelijk in beeld zijn. Helaas is het niet eenvoudig gebleken om deze kosten voor alle sectoren in hetzelfde format, bijvoorbeeld het aantal euro per leerling en student per jaar en het percentage van de totale begroting, te achterhalen. Dit heeft verschillende oorzaken. Om te beginnen is er niet één enkele post ict, maar worden de kosten voor digitalisering die onderwijsinstellingen maken – zoals voor hardware en infrastructuur, software, clouddiensten, beheer, professionalisering, en ondersteuning – verdeeld over verschillende posten in de begroting en de jaarrekeningen. Daarnaast zijn er weinig onderzoeken beschikbaar die de kosten inzichtelijk maken. De wel beschikbare onderzoeken zijn vaak óf niet representatief, óf ze hebben slechts eenmalig plaatsgevonden, waardoor ze niet bruikbaar zijn voor trendanalyse over opeenvolgende jaren. Bovendien worden kosten voor ict in bijvoorbeeld benchmarkonderzoeken pas sinds kort (bijvoorbeeld de laatste drie jaren) meegenomen als aparte post.

Daarom adviseert de raad de bewindslieden om allereerst de kosten van digitalisering in het onderwijs in kaart te laten brengen, zodat inzichtelijk wordt op welke onderdelen er extra geïnvesteerd zal moeten worden en om hoeveel geld dit gaat.97 Het is aannemelijk dat digitalisering de afgelopen twee decennia nieuwe kostenposten heeft geïntroduceerd voor onderwijsinstellingen. De raad adviseert om de onderwijsbegroting met het oog op doordacht digitaliseren kritisch te bezien Zonder inzicht in daadwerkelijke uitgaven aan ict is elk onderwijsbeleid met nieuwe investeringen gedoemd te mislukken.98

4. Vergroot het eigenaarschap van digitalisering in het onderwijsveld

Doordacht digitaliseren van het onderwijs vraagt om eigenaarschap. Dit ontstaat als het onderwijsveld inhoudelijke vragen formuleert voor de aanbieders in de markt, er meer gebruik wordt gemaakt van open leermiddelen, en de digitale deskundigheid in het veld wordt vergroot.

De raad pleit voor meer eigenaarschap van digitale ontwikkelingen in het onderwijsveld, waarbij hij het onderwijsveld ziet als de mensen die daadwerkelijk werkzaam zijn binnen een onderwijsinstelling, hetzij als leraar, hetzij als leidinggevende of bestuurder. De raad legt daarbij ook nadruk op de psychologische kant van dit begrip.99 Er is sprake van eigenaarschap wanneer het onderwijsveld sterk betrokken is bij en invloed uitoefent op het vormgeven van innovatieve toepassingen op basis van eigen wensen en eisen. Daarbij speelt de wens om doeltreffend en effectief te zijn een belangrijke rol.100 Eigenaarschap is breder dan zeggenschap en betrokkenheid; eigenaarschap veronderstelt een proactieve insteek en daadwerkelijke invloed op wat er gebeurt.101

De raad verwacht dat meer eigenaarschap zal samengaan met een toename in deskundigheid bij betrokkenen, waardoor zij beter in staat zijn tot het maken van doordachte keuzes op het gebied van digitalisering. Bovendien zorgt meer eigenaarschap ervoor dat innovatieve toepassingen gemakkelijker worden ingezet en benut in de dagelijkse praktijk en minder op weerstand stuiten.102 Hierdoor kan het Nederlandse onderwijsstelsel ook met betrekking tot digitalisering zijn veerkracht behouden. Voor het vergroten van het eigenaarschap adviseert de raad om vraagsturing vanuit het veld gericht en krachtig te organiseren en te ondersteunen; om het ontwikkelen, delen en bewerken van open leermaterialen verder te faciliteren en te belonen; en om de digitale deskundigheid in het onderwijs te vergroten.

Op het eerste gezicht lijkt digitalisering als vanzelfsprekend samen te gaan met meer eigenaarschap in het onderwijsveld. De mogelijkheden voor leraren en docenten om de leeromgeving naar eigen inzicht in te richten nemen immers toe met nieuwe mogelijkheden om onderwijsaanbod te differentiëren, personaliseren en arrangeren. In de praktijk blijkt op dit moment echter dat vooral commerciële aanbieders het aanbod en gebruik van digitale onderwijsmaterialen bepalen (aanbodsturing) en niet het onderwijsveld (vraagsturing). Het eigenaarschap van digitalisering in het onderwijs ligt daarmee in de ogen van de raad niet op de juiste plek.

Commerciële aanbieders streven vanuit hun winstoogmerk naar producten die aantrekkelijk, gebruiksvriendelijk en betaalbaar zijn, wat het onderwijs ten goede kan komen. De keerzijde van commerciële productontwikkeling is echter dat commerciële ontwikkelaars niet gebaat zijn bij gebruik van onderdelen van hun producten of bij uitwisselbaarheid van hun producten, aangezien dat hun verdienmodel in het gedrang kan brengen. Deze technologieval beperkt niet alleen de keuzemogelijkheden qua digitale toepassingen, maar remt ook de innovatie van digitalisering in het onderwijs. Beide gevolgen kunnen op termijn nadelig zijn voor de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs.

Meer mogelijkheden, maar ook meer noodzaak voor eigenaarschap in digitale tijdperk

Ook voorafgaand aan de introductie van digitalisering was betrokkenheid van het onderwijsveld een wenselijk uitgangspunt bij het ontwikkelen van onderwijsmaterialen en methoden. Niet voor niets werken educatieve uitgeverijen en technologiebedrijven bij het ontwikkelen van methoden meestal met auteurs die ook werkzaam zijn in het onderwijs. Desalniettemin had de eindgebruiker (dat wil zeggen: de leraar en docent die het product inzet in de les) ook voorheen over het algemeen weinig inbreng bij de ontwikkeling en werd deze pas ingeschakeld in de pilotfase van productontwikkeling. Dit gold en geldt overigens overwegend voor het primair en voortgezet onderwijs. In het hoger onderwijs worden lesmaterialen meestal door docenten zelf vormgegeven. Dit gebeurt echter in steeds mindere mate en daardoor neemt de afhankelijkheid van onderwijsmateriaal van buiten toe. Het middelbaar beroepsonderwijs bevindt zich ergens tussen deze uitersten in.

Door digitalisering ontstaan echter nieuwe mogelijkheden en kansen voor het onderwijsveld om meer invloed uit te oefenen op de ontwikkeling van onderwijsmaterialen. Dat hangt samen met een verschuiving van een klassiek productie- en distributiemodel waarbij een uitgever papieren onderwijsmaterialen ontwikkelt en een distributeur zorgt voor verspreiding van de materialen onder onderwijsinstellingen, naar een competitief onlinesysteem. Deze verschuiving leidt tot een grote toename van de mogelijkheden voor regionale en internationale samenwerking.

Een andere reden om het eigenaarschap in het onderwijsveld juist nu te willen vergroten, is de bedreiging van het leerproces door onvoldoende privacy en veiligheid binnen gedigitaliseerde omgevingen. Het onderwijsveld kan zich vanuit meer eigenaarschap beter wapenen tegen deze bedreiging. Ook kan het onderwijsveld bij meer eigenaarschap een beter tegenwicht bieden aan de inmenging van grote technologiebedrijven in het onderwijs.

4.1 Versterk de inhoudelijke vraagsturing vanuit het onderwijsveld

De raad adviseert de rijksoverheid om de vraagsturing vanuit het veld richting technologische bedrijven (voor de ict-toepassingen die niet specifiek voor het onderwijs zijn) en educatieve uitgeverijen (voor digitale onderwijsmaterialen) beter te coördineren en gerichter te ondersteunen. Dit kan door bestaande organisaties hiervoor beter toe te rusten en hun taken te verruimen, en door alternatieve vormen van samenwerking in de educatieve infrastructuur te initialiseren.

Als het onderwijsveld meer betrokken wordt bij het vormgeven van innovatieve digitale ontwikkelingen, ervaren mensen meer verantwoordelijkheid voor en eigenaarschap van deze ontwikkelingen. Daarbij gaat het niet alleen om het afdwingen van een zo gunstig mogelijke prijs bij aanbestedingen, maar bovenal om sturing door middel van inhoudelijke en randvoorwaardelijke eisen die gesteld kunnen worden aan ontwikkelende partijen in de markt (zie ook paragraaf 3.1).

Het lijkt een contradictie om eigenaarschap in het veld centraler te willen aanjagen, aangezien dat eigenaarschap per definitie vraagt om een proactieve houding en inzet vanuit het veld zelf. Toch is de raad van mening dat het vergroten van het eigenaarschap in het onderwijsveld op dit moment gebaat is bij meer centrale ondersteuning, aangezien het eigenaarschap vooralsnog onvoldoende vorm krijgt. Dit geldt vooral voor het funderend onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs.

Binnen het Doorbraakproject Onderwijs & ICT wordt vraagbundeling in het funderend onderwijs al een aantal jaren gestimuleerd. Zo zijn er pakketten van eisen aan partijen in de leermiddelenketen geformuleerd.103 Voor primair en voortgezet onderwijs is er een aanbestedingsadviesraad en staat de oprichting van een inkoopcoöperatie gepland. Deze hebben als doel de aanbieders in de markt meer in beweging te krijgen en scholen te ondersteunen bij het zo effectief mogelijk omgaan met hun beperkte budgetten.104 SURF bereikt voor het hoger onderwijs gunstige prijsresultaten met onder meer gebundelde inkoop van software en ontwikkelt initiatieven voor samenwerking en kennisuitwisseling.105

Bovengenoemde vraagbundelingsinitiatieven leveren volgens de raad vooralsnog niet de juiste beweging op in de educatieve uitgeverssector, vooral wat betreft het aanbod aan digitale leermiddelen voor primair en voortgezet onderwijs. In 2011 constateerde de NMA (Nederlandse Mededingingsautoriteit) al dat de marktwerking in de leermiddelenmarkt voor het voortgezet onderwijs niet optimaal was.106 Vergelijkbare resultaten blijken uit de meest recente evaluatie van de Wet gratis schoolboeken in het voortgezet onderwijs: innovatie en digitalisering gaan traag en er is sprake van een sterk geconsolideerde aanbodkant van de markt.107 Voor het primair onderwijs worden soortgelijke conclusies getrokken: er is sprake van beperkte marktwerking, de gevolgen van de technologieval zijn merkbaar, en de innovatie verloopt bovenal traag.108 De markt voor leermiddelen is er bovendien een van koppelverkoop (namelijk van complete methoden), hetgeen arrangeren en variëren met onderdelen van verschillende methoden tegengaat. De raad constateert dat bestaande initiatieven met betrekking tot vraagsturing niet leiden tot gezonde marktwerking op de leermiddelenmarkt, en er onvoldoende inhoudelijke innovaties tot stand komen vanuit de aanbodkant van de markt.

Educatieve uitgeverijen geven op hun beurt aan dat er onvoldoende afname is vanuit het veld om snellere innovatie te kunnen verantwoorden. Die beperkte afname heeft een aantal oorzaken. Digitale leermiddelen vergen hoge ontwikkelkosten voor uitgevers en zijn daardoor vaak duurder. Papieren methoden hebben een lange levensduur: scholen schrijven gemiddeld in vijf (voortgezet onderwijs) of tien (primair onderwijs) jaar tijd een papieren methode af en hebben vanuit de lumpsum niet de financiële middelen om tussentijds in een keer de overstap naar digitale leermiddelen te maken. Soms gebruiken scholen digitale en papieren methoden een tijd lang naast elkaar, wat de kosten nog verder opdrijft. Bovendien geldt vooralsnog voor digitale leermiddelen het hoge btw-tarief, terwijl papieren lesmaterialen onder het lage btw-tarief vallen. Wijziging hiervan bleek tot nu toe wegens Europese wetgeving niet eenvoudig. Op 1 december 2016 is een wetsvoorstel van de Europese Commissie verschenen om de btw-tarieven voor e-publicaties en papieren publicaties gelijk te trekken naar het lage tarief, maar dit voorstel is op het moment van schrijven van dit advies nog niet aanvaard door het Europese Parlement en de Europese Raad. Bovendien is nog onduidelijk of Nederland digitale leermiddelen zal scharen onder de bredere noemer e-publicaties, een keuze die iedere lidstaat zelf mag maken. De raad onderschrijft het belang van het lage btw tarief voor digitale leermiddelen.

Verruim de taken en bevoegdheden van bestaande organisaties met het oog op vraagsturing

De Onderwijsraad adviseert de rijksoverheid om vanuit haar stelselverantwoordelijkheid de vraagsturing vanuit het onderwijsveld te faciliteren. Dat kan door de taken en bevoegdheden van bestaande organisaties die het onderwijsveld hierbij kunnen helpen te verruimen, of door het oprichten van een nieuwe organisatie. Het onderwijsveld heeft in deze fase van technologische ontwikkeling meer ondersteuning nodig dan nu beschikbaar is. Deze ondersteuning is nodig bij het vormgeven van inhoudelijke en technische eisen gericht op de aanbodkant van de markt voor digitale toepassingen voor het onderwijs, maar ook bij het controleren of de geleverde toepassingen wel voldoen aan de gestelde eisen. De raad juicht bestaande initiatieven109 toe, maar zou graag zien dat deze worden uitgebouwd. Daarbij dient er meer aandacht te zijn voor inhoudelijke en technische vraagsturing, naast de bovenal financiële vraagbundeling die nu wordt gefaciliteerd.

Verken alternatieve vormen van samenwerking in de educatieve infrastructuur

Om daadwerkelijk te komen tot meer eigenaarschap van digitalisering in het onderwijsveld, acht de Onderwijsraad het noodzakelijk dat alternatieve vormen van samenwerking binnen de educatieve infrastructuur110 worden verkend. De ontwikkeling van digitale methoden of digitale componenten van methoden vindt al wel meer dan bij papieren methoden plaats in samenwerking tussen educatieve uitgeverijen en het onderwijsveld. Gebruikers kunnen al in een vroeg stadium prototypes van innovatieve producten uitproberen, waarna aanpassingen plaatsvinden aan de hand van hun commentaren (de zogenoemde kortcyclische co-creatie).111 De eindgebruiker is hiermee weliswaar meer dan voorheen betrokken bij het uiteindelijke resultaat, maar de daadwerkelijke ontwikkeling en het initiatief hiertoe liggen bij de uitgeverij. Er is daardoor nog altijd sprake van aanbodgestuurde innovatie, terwijl bij innovatie met meer oog voor vraagsturing de kans groter is dat de gebruiker in het onderwijsveld deze accepteert en implementeert.112[110: Onder de educatieve infrastructuur schaart de raad in dit advies de educatieve uitgeverijen, de distributeurs van leermiddelen, de onderwijsadviesbureaus, onderwijsbegeleidingsorganisaties en onderwijsconsultants, en de leveranciers van ict-materialen en digitale leermiddelen.

Educatieve uitgeverijen hebben het voordeel dat ze kwaliteit, samenhang en continuïteit kunnen bieden, maar het nadeel dat ze minder bijdragen aan het eigenaarschap in het veld, minder flexibel zijn, en daardoor minder gemakkelijk inspelen op de actualiteit en behoefte aan (decentrale) innovatie. Deze voor- en nadelen zouden in alternatieve scenario’s voor samenwerking kunnen worden verkend door de betrokken partijen zelf, zoals deze nu bijvoorbeeld voor het funderend onderwijs al verenigd zijn in platform Edu-K, in samenspraak met de rijksoverheid. Deze samenwerkingsinitiatieven zijn voor een deel al gaande. De raad vraagt echter aandacht voor een aantal essentiële onderdelen die geborgd moeten zijn in deze samenwerking:

  • Ontschotting van technische aspecten van digitalisering (zie ook paragraaf 3.1). Centrale basisfaciliteiten voor een aantal technische kerntaken dragen eraan bij dat leveranciers hier niet meer voor hoeven te zorgen, waardoor zij hun aandacht meer kunnen richten op de ontwikkeling van goede onderwijsmaterialen.
  • Alternatieve verdienmodellen voor educatieve uitgeverijen en distributeurs. Hierbij kan bijvoorbeeld de huidige standaard koppelverkoop van volledige methode plus bijbehorende oefenboekjes en bijbehorende digitale leermiddelen worden losgelaten en gezocht worden naar een vorm waarin modulair ingekocht kan worden, of waarin andere licentievormen mogelijk worden.
  • Mogelijkheden voor meer co-creatie. Hiermee kan meteen ook meer ruimte ontstaan voor samenwerking met leraren die zelf open leermiddelen willen ontwikkelen of bewerken (zie ook paragraaf 4.2).
  • Meer gebruik van open licentievormen. Het arrangeren en combineren van onderwijsmaterialen wordt hiermee eenvoudiger en aantrekkelijker. De juridische aspecten van het ontwikkelen en delen van leermaterialen moeten wel goed worden afgebakend, zodat geen problemen ontstaan rondom mededingingsrecht en staatssteun.
  • De positie van onderzoek. Digitale productontwikkeling zou hand in hand moeten gaan met onderzoek naar de effectiviteit van deze toepassingen. Universiteiten en hogescholen kunnen betrokken worden bij de productontwikkeling, zodat van meet af aan duidelijk kan worden wat de meerwaarde is van een nieuwe toepassing. Dit bevordert de landelijke kennisontwikkeling over digitale toepassingen in het onderwijs, vooral als deze kennis ook op de juiste manier gedeeld wordt met het veld. Door non-commerciële partijen die zich bezighouden met onderzoek en kennisdisseminatie, zoals NRO, Kennisnet en SURF, te betrekken bij het verkennen van alternatieve vormen van samenwerking in de infrastructuur, kunnen onderzoek en kennisdeling beter worden afgestemd op de innovaties in de markt en op de wensen van het onderwijsveld.

4.2 Faciliteer en beloon het ontwikkelen, delen en bewerken van open leermiddelen

Om meer eigenaarschap van digitalisering in het onderwijsveld te bewerkstelligen, adviseert de Onderwijsraad de rijksoverheid om het ontwikkelen, delen en bewerken van open leermiddelen te faciliteren en te ondersteunen voor alle onderwijssectoren, en om hier structureel budget voor toe te wijzen. Leraren en docenten die nu zelf materialen ontwikkelen of bewerken, doen dit overwegend in eigen tijd. Om open onderwijs een serieuze stimulans te geven, dient de ontwikkeling uit de sfeer van hobbyisme en altruïsme getrokken te worden.

De raad heeft al in 2008 gepleit voor open onderwijs.113 Open onderwijs in deze context is een innovatiebeweging waarbij gebruik gemaakt wordt van leermiddelen die auteursrechtelijk gezien zo open zijn dat ze onder zekere voorwaarden legaal gedeeld, aangepast, hergebruikt en verder verspreid kunnen worden.114 Digitale leermiddelen zijn hiervoor bij uitstek geschikt. De raad is van mening dat open leermiddelen het voor leraren beter mogelijk maken de leeromgeving naar hun hand te zetten en om samen te werken met andere docenten, met wie zij de al dan niet door hen bewerkte leermiddelen delen. Daarnaast kunnen open leermiddelen bijdragen aan de kwaliteit en de doelmatigheid van het onderwijs en aan de pluriformiteit van het stelsel. Leraren kunnen immers uit de beschikbare leermiddelen de beste selecteren en deze zo nodig optimaliseren voor eigen gebruik. De innovatiekracht van de sector kan daarmee optimaal worden benut.115 Bovendien zorgen de voor open leermiddelen geschikte licentievormen ervoor dat ook juridisch gezien het eigenaarschap in het onderwijsveld wordt vergroot.

Kort na het advies van de raad over open onderwijs werd in 2009 Wikiwijs geïntroduceerd, een onlineplatform voor het zoeken en delen van open leermiddelen.116 Dit wakkerde het enthousiasme voor open onderwijs aan.117 Ondanks deze positieve ontwikkelingen worden niet in alle sectoren alle voordelen van open onderwijs evengoed benut. In het primair en voortgezet onderwijs worden veel leermiddelen (vooral in de vorm van filmpjes en dergelijke) gedeeld en hergebruikt, maar deze worden niet vaak bewerkt en ook nieuwe ontwikkelingen zijn beperkt.118 In het middelbaar beroepsonderwijs wordt vooral voor niche-opleidingen veel gebruikgemaakt van open leermiddelen, aangezien er voor deze opleidingen vaak geen commerciële methoden beschikbaar zijn.119 In het hoger onderwijs wordt er juist wel ontwikkeld, maar weer weinig gedeeld, hergebruikt en bewerkt120, terwijl er internationaal mooie voorbeelden bestaan van hoe dit zou kunnen.121

Het ministerie van OCW heeft voor het hoger onderwijs duidelijke ambities voor open onderwijs geformuleerd in de strategische agenda.122 De raad juicht dergelijke ontwikkelingen ten zeerste toe, maar ziet ook in andere sectoren meer kansen dan tot nog toe worden benut. Hiertoe zijn volgens de raad, naast de aanbevolen loskoppeling van technische en inhoudelijke aspecten van digitale toepassingen, aanvullende maatregelen nodig die hieronder worden uitgewerkt.

Alloceer budget en tijd voor ontwikkeling en bewerking van open leermaterialen

Om open onderwijs blijvend vorm te geven en zo het eigenaarschap in het onderwijsveld van digitalisering te vergroten, dient er structureel budget beschikbaar gesteld te worden voor het ontwikkelen, delen en bewerken van open leermiddelen. Instellingen voor hoger onderwijs kunnen van 2015 tot 2018 jaarlijks bij het ministerie van OCW budget aanvragen voor projecten op het gebied van open onderwijs. De raad onderschrijft het belang van dit initiatief en adviseert de bewindslieden om dergelijke regelingen voor alle sectoren vorm te geven. Daarbij beveelt de raad aan om in dergelijke regelingen ook budget te reserveren voor open-source softwaretoepassingen die gebruikt kunnen worden voor de ontwikkeling van open leermiddelen.

Leraren in het funderend onderwijs en docenten in het beroeps- en wetenschappelijk onderwijs die de wens en de capaciteiten hebben om open leermiddelen te ontwikkelen, zouden hiervoor een aanvraag moeten kunnen indienen, in overleg met het bevoegd gezag van de onderwijsinstelling waar ze werkzaam zijn. Het ontwikkelen en bewerken van materialen is zo niet meer afhankelijk van of leraren hier eigen tijd in willen investeren. Het beoordelen van dergelijke aanvragen en het toekennen van de budgetten zijn taken voor bestaande organisaties die zich nu al met het open domein bezighouden.

Ook onderwijsinstellingen zelf kunnen een impuls geven aan de verdere totstandkoming van open onderwijs, door bijbehorende activiteiten en de competenties die daarmee samenhangen een expliciete plaats te geven in het taakbeleid. Daardoor wordt tijd beschikbaar gesteld, waarmee een van de struikelblokken die docenten en leraren zien voor meer gebruik van digitaal materiaal123 wordt weggenomen. Tegelijkertijd erkennen onderwijsinstellingen hiermee het belang van het ontwikkelen en bewerken en samen creëren van onderwijsmaterialen.

Bouw bestaande facilitering van open leermiddelen verder uit

Er is volgens de raad behoefte aan krachtiger ondersteuning van het ontwikkelen, delen en bewerken van open leermiddelen. De PO-Raad en de VO-raad signaleren de behoefte aan een publieke organisatie die de regie kan voeren over het openonderwijsdomein.124 De raad ziet geen noodzaak voor een nieuwe organisatie, maar veronderstelt dat bestaande publieke organisaties die zich nu al richten op de ondersteuning en advisering omtrent digitalisering in het onderwijs, deze behoefte kunnen invullen.

De raad ziet verschillende taken rondom facilitering van het gebruik van open leermiddelen die krachtiger kunnen worden opgepakt. Hierboven werd al het beoordelen van aanvragen en het toekennen van budgetten voor ontwikkeling van open leermiddelen genoemd. Daarnaast is het van belang dat vergelijkbare ideeën of plannen voor het openonderwijsdomein uit het veld worden gebundeld.125 Door dit gericht te coördineren kunnen bovenschoolse, landelijke netwerken voor innovatie op het gebied van ict in het onderwijs ontstaan. Dit geeft innovatieve initiatieven meer kracht en kan bovendien ten goede komen aan de inhoudelijke vraagsturing die de raad in de vorige paragraaf heeft aanbevolen.

Daarnaast zou er een centrale onlinedatabase beschikbaar moeten zijn met informatie over en materialen voor digitalisering in het onderwijs. Er zijn al initiatieven in deze richting126, maar een goed overzicht is er nog niet. Deze centrale database zou ook metadata moeten bevatten, die van onderdelen van open leermiddelen beschrijven op welke onderwijsdoelen het leermateriaal betrekking heeft en voor welk niveau het geschikt is.

In de centrale database zou ook een beoordeling van de kwaliteit van open leermiddelen opgenomen kunnen worden, zodat docenten weten of het beschikbare materiaal aan bepaalde deugdelijkheidsstandaarden voldoet. Als voorbeeld kan hierbij de publicatie van casussen voor educatieve doeleinden dienen.127 Het digitale onderwijsontwerp is dan niet alleen beschikbaar en voorzien van een kwaliteitskeurmerk, maar omvat ook een toelichting in de vorm van een artikel. Net zoals de publicatie van wetenschappelijke artikelen bijdraagt aan de wetenschappelijke waardering en status van de auteurs en de betrokken onderzoeksinstelling, zal de publicatie van ‘peer reviewed’ digitale onderwijsontwerpen ook waardering en status opleveren voor de leraar en docent en de onderwijsinstelling.

4.3 Bouw de digitale deskundigheid in het onderwijsveld uit

Voor meer eigenaarschap acht de Onderwijsraad het noodzakelijk dat de bestaande digitale deskundigheid in het onderwijs wordt vergroot. Het gaat hierbij niet alleen om deskundigheid die nodig is om digitale leermiddelen in te zetten in de les, maar ook om deskundigheid die nodig is om eigenaarschap vorm te geven: het formuleren van de vraag aan de aanbieders van leermiddelen in de markt, het zelf ontwikkelen, delen en bewerken van materialen voor wie dat wil en kan, en het beoordelen van beschikbare materialen aan de hand van kennis over onder meer het curriculum, kerndoelen, eindtermen en referentieniveaus. Niet iedere leraar hoeft dit allemaal te kunnen en te weten, maar op teamniveau zou deze digitale deskundigheid geborgd moeten zijn.

Ondanks beleidsinspanningen gericht op docentprofessionalisering op het gebied van ict, bestaan nog nergens formele eisen voor de digitale deskundigheid van zittende en nieuwe docenten.128 Het invoeren van dergelijke eisen aan zittende docenten voert op dit moment wellicht te ver, maar lerarenopleidingen kunnen formele eindtermen met betrekking tot digitale deskundigheid formuleren. Ditzelfde geldt voor de leergangen die docenten voorbereiden om hoger onderwijs te verzorgen: ook daarbinnen zouden formele eisen aan digitale deskundigheid geformuleerd kunnen worden. Deze eisen aan de opleidingen voor leraren en docenten kunnen alleen worden waargemaakt als de docenten aan deze opleidingen zelf beschikken over voldoende digitale deskundigheid, hetgeen op dit moment zeker niet overal het geval is.129 Er is een competentieprofiel ict voor de lerarenopleider130, maar het is de vraag in hoeverre de competenties in dit profiel een rol spelen in het wervings- en selectiebeleid en bij het personeelsbeleid in het kader van professionalisering.

Zolang de digitale deskundigheid van leraren en docenten een beperkende factor is voor doordachte digitalisering van het onderwijs, zouden onderwijsinstellingen moeten kunnen beschikken over een ict-coördinator of e-coach. Het gaat hierbij niet alleen om iemand die ervoor zorgt dat de hardware en de software zonder problemen functioneren. Hiervoor hebben grotere onderwijsinstellingen over het algemeen een systeembeheerder en maken kleinere instellingen vaak gebruik van externe partijen die op afroep ondersteuning bieden. De Onderwijsraad ziet op de werkvloer juist behoefte aan ondersteuning op het gebied van de integratie van de technische kant van ict-toepassingen en de didactische en pedagogische aspecten van het lesgeven.

Er zijn meer opleidingsmogelijkheden voor dergelijke ondersteunende ict-functies in het onderwijs dan tien jaar geleden, hetgeen aangeeft dat er behoefte aan is, maar in de huidige functiehuizen en functieordeningen staan alleen de meer technische ict-functies opgenomen. Ook in de huidige bekostigingssystematiek is geen rekening gehouden met deze vorm van ondersteuning in het onderwijs. De PO-Raad en de VO-raad hebben ieder een eigen programma dat scholen begeleiding op maat biedt131, maar de ondersteuning vanuit deze programma’s is niet afdoende, aangezien de adviseurs slechts voor zeer beperkte tijd inzetbaar zijn.

5. Verken digitale toepassingen om ervaring op te doen en visie te ontwikkelen

Doordacht digitaliseren vraagt om een visie op de relatie tussen ict en onderwijs. Deze visie wordt bij voorkeur gaandeweg, gezamenlijk en op basis van pilots ontwikkeld. Opschaling vindt geleidelijk en met oog voor mogelijke keerzijden van digitalisering plaats.

Doordachte keuzes maken ten aanzien van digitalisering van het onderwijs vraagt van de onderwijsinstelling een visie op de rol van digitalisering binnen het geheel van onderwijsdoelstellingen. Tevens moet er nagedacht worden over de implementatie van digitalisering over de volle breedte van de kwaliteit van het onderwijs. Een dergelijke doordachte visie ontstaat niet in het luchtledige of vanzelf. Zij kan alleen worden ontwikkeld als alle betrokkenen vertrouwd raken met digitale toepassingen. Zoals hiervoor is geconstateerd, is dit lang niet overal het geval.

De raad ziet een belangrijke rol weggelegd voor bestuurders en managers/schoolleiders van instellingen bij het stimuleren van leraren, docenten, leerlingen en studenten om digitale toepassingen uit te proberen in pilots. Het is daarbij belangrijk dat schoolleiders zelf nauw betrokken zijn bij deze experimenten en er zorg voor dragen dat de experimenten worden verbonden aan visieontwikkeling. Grotere digitale innovaties kunnen vervolgens gebaseerd worden op een geleidelijke opschaling van succesvolle pilots. Hierbij moeten de implementatievoorwaarden op orde worden gebracht en moet rekening gehouden worden met mogelijke keerzijden van digitalisering. De raad doet voor deze verkenning en visieontwikkeling in de eerste plaats een beroep op de onderwijsinstellingen zelf. De rijksoverheid kan in dit verband een rol spelen door innovatieve pilots te ondersteunen met deskundigheid en extra bekostiging.

5.1 Stimuleer leraren om digitale toepassingen uit te proberen

Niet alle leraren hebben een positieve houding ten aanzien van ict.132 Als leraren ervaring opdoen met digitale toepassingen worden zij meestal enthousiaster over de rol van ict in het onderwijs.133 Als leraren en andere betrokkenen ‘experimenteren’ met nieuwe digitale toepassingen, vergroten zij bovendien hun kennis van de mogelijkheden van ict voor het onderwijs. Door effecten van digitale toepassingen na te gaan, kunnen zij bewuster nieuwe technologische toepassingen inzetten of juist kiezen voor vertrouwde toepassingen. De raad vindt dat bestuurders en managers/schoolleiders van onderwijsinstellingen leraren kunnen stimuleren om digitale toepassingen uit te proberen in pilots.

Uitproberen digitale toepassingen verandert attitude en vergroot ervaringskennis

Opvattingen van leraren ten aanzien van ict vormen een belangrijke factor in de mate waarin en de manier waarop digitalisering in het onderwijs wordt ingezet.134 Hoe kunnen leraren die een aarzelende houding hebben ten aanzien van ict in het onderwijs ertoe worden gebracht om hiermee ervaring op te doen? Onderzoek maakt duidelijk dat overtuigen met woorden niet de aangewezen strategie is.135 Het bestuderen van goede voorbeelden van collega’s die ict inzetten in hun onderwijs werkt al beter. De meest krachtige methode is echter dat leraren ertoe worden gebracht om zelf nieuwe technologische toepassingen uit te proberen en al doende te ervaren welke uitwerkingen deze toepassingen hebben. Dit kan door het uitvoeren van pilots. Deze pilots zijn laagdrempelig, kortdurend, toegesneden op de lokale lespraktijk, en kunnen aanvankelijk op kleine schaal worden uitgevoerd Van belang is dat vooraf en na afloop door de leraren de pilot van ontwerp tot eindresultaat wordt geëvalueerd. Dat wil zeggen dat naast de tevredenheid van de gebruiker, ook de pedagogische en didactische doelstellingen, leeropbrengsten, toegankelijkheid en doelmatigheid worden meegenomen.

Het experimenteren kan aantrekkelijker worden gemaakt door te beginnen met kleine digitale toepassingen die veel kans hebben op een succeservaring. Daarnaast kan de aantrekkingskracht vergroot worden door leraren en docenten voldoende tijd te geven voor het experimenteren in de praktijk en door voldoende ondersteuning vanuit schoolleiding, bestuur en de wetenschap te bieden.

Geleidelijke opschaling van goed gefaciliteerde pilots beperkt risico’s

Als pilots succesvol zijn, kunnen ze geleidelijk worden opgeschaald.136 Het voordeel hiervan is dat eventuele nadelige effecten (zie ook de volgende paragraaf over keerzijden) van de digitale innovatie worden beperkt tot een kleinere groep betrokkenen. Verder stelt geleidelijke opschaling leraren in de gelegenheid te leren van meer ervaren collega’s. Ten slotte maakt fasering het mogelijk om meer te profiteren van evaluaties.

Om digitale pilots kansrijk te maken, dienen ze te worden gefaciliteerd.137 Betrokkenen moeten voldoende tijd krijgen om een bepaalde digitale toepassing uit te proberen. Daarnaast zijn passende materiële middelen en deskundige technische en pedagogisch-didactische ondersteuning in de vorm van helpdeskfuncties, coaching en trainingsprogramma’s noodzakelijk. Fg kan ook betekenen dat betrokkenen mogelijkheden krijgen om samen te werken, aciliterinbinnen de eigen instelling of met collega’s van andere instellingen. Deze condities zijn geen gegeven. De facilitering is doorgaans zeer beperkt, met als gevolg dat veel digitale experimenten halfslachtig worden uitgevoerd of dat betrokkenen er bij voorbaat van afzien.138

De aanbeveling om digitale innovaties te baseren op geleidelijke opschaling is in overeenstemming met de algemene voorwaarden die de commissie-Dijsselbloem heeft gesteld aan onderwijsinnovaties en met eerdere adviezen van de Onderwijsraad.139 Deze voorwaarden zijn bij uitstek relevant bij digitale innovaties, omdat ict een relatief nieuw fenomeen is in het onderwijs, digitale experimenten niet zelden een grote schaal hebben, en de aanzienlijke investeringen die zij vergen de innovaties een dwingend karakter kunnen geven. Dat er nog niet vanzelfsprekend aan deze voorwaarden wordt voldaan blijkt uit verschillende grootschalige digitale experimenten (zie kader).

De raad realiseert zich dat een geleidelijke opschaling van digitale onderwijsinnovaties kosten met zich mee kan brengen. Het investeren in deze gefaseerde aanpak is uiteindelijk echter minder kostbaar dan het investeren in eenmalige grote experimenten, omdat de afbreukrisico’s kleiner zijn.

Externe deskundigheid en extra financiering kunnen impulsen geven aan innovatieve digitale experimenten. De raad juicht het toe dat de rijksoverheid dergelijke experimenten ondersteunt en ziet graag dat deze initiatieven worden voortgezet.140

Grootschalige digitale experimenten met implementatieproblemen

Een berucht voorbeeld van een groot digitaal experiment waarbij de risico’s van de implementatie niet in de hand werden gehouden is het iPad-project van de Los Angeles Unified School District.141 Dit project heeft tot nu toe 1,3 miljard dollar gekost en is na de start in 2013 op de meeste scholen die deelnamen stopgezet, omdat het niet voldeed aan de verwachtingen. Op de 47 scholen die de iPads als eerste in gebruik namen, traden uiteenlopende problemen op, waaronder verbindingsproblemen (het dataverkeer stelde hogere eisen aan de verbinding dan was ingeschat), veiligheidsproblemen (blokkades om vrij internet te gebruiken werden al snel omzeild), didactische problemen (docenten waren niet toegerust om leerlingen te begeleiden) en weerstand (niet alle betrokkenen waren enthousiast over het project).

In Nederland zijn momenteel 21 basisscholen die werken volgens het O4NT-concept.142 Op deze zogenoemde Steve Jobs-scholen beschikken alle leerlingen over een iPad en worden onderwijsmaterialen voornamelijk digitaal aangeboden. Er zijn geen formele evaluaties voorhanden die uitwijzen wat de effecten van dit nieuwe onderwijsconcept zijn.143 Wel is inmiddels een deel van de scholen die in 2014 met het O4NT-concept zijn gestart, hiermee gestopt. Zij vonden de opbrengsten tegenvallen, terwijl de extra kosten aanzienlijk waren. Het is niet uit te sluiten dat de tegenvallende resultaten meer zeggen over de snelle en grootschalige implementatie dan over de werking van het O4NT-concept.

5.2 Verbind pilots aan gezamenlijke visieontwikkeling

Het verkennen van digitale toepassingen in pilots kan bijdragen aan het ontwikkelen van een visie op digitalisering en onderwijs.144 De raad acht het daarom wenselijk dat schoolleiders/managers en bestuurders van onderwijsinstellingen activiteiten in gang zetten die deze pilots verbinden met visieontwikkeling. Daarbij is een interactieve benadering onontbeerlijk. Onder deze activiteiten vallen het reflecteren op de doeldomeinen van onderwijs en de didactiek in relatie tot ict, het coördineren van verschillende pilots en de gezamenlijke reflectie op opbrengsten, het gebruiken van bestaand onderzoek, en het opnemen van de gezamenlijke visie op ict en onderwijs in beleidsplannen van de instelling.

Verbinding met doeldomeinen en didactiek

Om de pilots met digitale toepassingen te verbinden aan visievorming is het van belang dat leraren bij het plannen en evalueren van de pilots nagaan wat het gebruik van digitale toepassingen of digitale informatie betekent voor de kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming van leerlingen – de drie doeldomeinen van het onderwijs.145

Bij kwalificatie gaat het hier om de vraag in hoeverre digitale toepassingen kunnen bijdragen aan het verwerven van kennis, vaardigheden en houdingen die nodig zijn voor het functioneren in beroepssituaties en de samenleving in het algemeen. Het zoeken met behulp van digitale databases draagt bijvoorbeeld bij aan digitale zoekvaardigheden waar leerlingen in hun latere beroepsleven iets aan hebben. Relevante cognitieve opbrengsten hoeven overigens niet noodzakelijk een digitaal karakter te hebben. Zo kan het oefenen met zogeheten intelligente digitale tutorsystemen ten goede komen aan kennis van natuurkunde en algemene probleemoplossingsvaardigheden.146 Bij socialisatie gaat het om de waarden en normen die de gemeenschap aan digitale toepassingen en digitale informatie verbindt en hoe de leerlingen deze leren kennen. Zo kunnen leerlingen omgangsvormen leren voor het gebruik van chatgroepen. Bij persoonsvorming gaat het om de unieke (en al dan niet kritische) wijze waarop leerlingen zich verhouden tot digitale toepassingen en informatie. Zij kunnen bijvoorbeeld leren bepalen wat een goede balans is tussen activiteiten met en zonder beeldscherm.

Tegelijkertijd met de reflectie op de relatie tussen de doeldomeinen van onderwijs en ict, is reflectie op de didactische strategie nodig.147 Welke onderwijsactiviteiten worden door de digitale toepassing mogelijk gemaakt of uitgelokt? Welke onderwijsactiviteiten kunnen de onderwijsresultaten van de toepassing vergroten? Zijn de activiteiten vooral leerlinggestuurd, vooral lesstofgestuurd, of vooral docentgestuurd? Zijn zij gericht op kennisoverdracht of vooral op kennisconstructie? Gaat het gebruik van digitale toepassingen niet ten koste van een of meerdere doeldomeinen? Het antwoord op deze vragen kan aanleiding geven om opnieuw na te denken over de onderwijsdoelen en over de keuze van digitale toepassingen. Voor kennisoverdracht komen bijvoorbeeld computerprogramma’s in aanmerking die de presentatie van informatie ondersteunen of adaptieve programma’s die leerlingen helpen om vaardigheden te automatiseren. Voor kennisconstructie komen juist applicaties in aanmerking die functioneren als ‘mind tools’ en die leerlingen helpen om informatie te organiseren, te bewerken of te transformeren.148 De conclusie kan overigens ook zijn dat niet-digitale leermiddelen geschikter zijn om onderwijsdoelen te bereiken dan digitale toepassingen.

Coördineren van pilots en gezamenlijke reflectie op opbrengsten

Een interactieve benadering van pilots en visievorming houdt ook in dat leraren en andere betrokkenen binnen de onderwijsinstelling hun kennis van en opvattingen over ict met elkaar delen en komen tot gezamenlijke opvattingen over de rol die ict kan vervullen in het aangeboden onderwijs. Het delen van kennis van en opvattingen over ict kan een belangrijke impuls krijgen als de pilots binnen de instellingen op gecoördineerde wijze worden uitgevoerd en betrokkenen samen reflecteren op de opbrengsten en randvoorwaarden. Deze gecoördineerde evaluatieve aanpak zorgt ervoor dat de uitwisseling niet beperkt blijft tot abstracte informatie, maar geworteld is in ervaringen van betrokkenen. Bovendien leidt het uitvoeren van meerdere vergelijkbare (deel)pilots tot inzicht in verschillen in gebruikerscondities en implementatiewijzen.

Verbinding met (eerder) onderzoek

Er zijn de afgelopen decennia veel wetenschappelijke en praktijkgerichte studies naar digitaal onderwijs uitgevoerd. Ondanks kanttekeningen die bij dergelijk onderzoek te plaatsen zijn (zie paragraaf 2.3), kunnen onderwijsinstellingen die van plan zijn digitale toepassingen in gebruik te nemen hun voordeel doen met eerdere resultaten.149 Instellingen kunnen ook zelf wetenschappelijk of praktijkonderzoek uitvoeren. Omdat dit tijd en deskundigheid vergt, komen vooral grotere projecten, met bijvoorbeeld verschillende scholen en opleidingen, hiervoor in aanmerking. Bij voorkeur bouwen deze projecten voort op eerdere pilots.

Opnemen van visie op ict en onderwijs in beleidsplannen

Een ict-beleidsplan geeft aan welke rol ict in het onderwijs zou moeten hebben en hoe de organisatie het beoogde ict-gebruik kan ondersteunen. Als het plan op interactieve wijze tot stand is gekomen, weerspiegelt de aangegeven richting de opvattingen van betrokkenen binnen de instelling. Het vormt dan een goed vertrekpunt voor gezamenlijke doorontwikkeling. Daarnaast kan het plan routines binnen de organisaties ondersteunen doordat het normen, afspraken, procedures en instructies vastlegt. Bovendien kan het maken van een ict-beleidsplan onderwijsinstellingen helpen om prioriteiten te stellen.150

Om deze functies te vervullen is het wenselijk dat het ict-beleidsplan past binnen het bredere beleidsplan van de instelling en binnen de beleidskaders van bijvoorbeeld de rijksoverheid of een vereniging van onderwijsinstellingen.151 Een verbinding met het bredere beleidsplan van de instelling dwingt betrokkenen zich bij uiteenlopende onderwijskeuzes de vraag te stellen welk rol ict kan spelen.152

Het belang van ict-beleidsplannen op instellingsniveau wordt bevestigd door de onderzoeksliteratuur. Onderwijsinstellingen waar leraren veel en veelzijdig ict gebruiken, hebben een expliciet en veelomvattend ict-beleidsplan.153 Zoals gesignaleerd in paragraaf 2.4 is een omvattend ict-beleidsplan lang niet altijd aanwezig. De raad signaleert bovendien het gevaar dat binnen onderwijsinstellingen de visievorming op hogere beleidsniveaus op zichzelf komt te staan en onvoldoende richting geeft voor het handelen van leraren. Hij wil daarom benadrukken dat schriftelijke beleidsplannen weliswaar kunnen helpen om tot een visie te komen, maar dat deze het interactieve proces van visievorming met betrekking tot digitalisering niet kunnen vervangen.154

5.3 Houd bij opschaling rekening met mogelijke keerzijden van digitalisering

De raad adviseert onderwijsinstellingen om bij opschaling van digitale toepassingen rekening te houden met mogelijke keerzijden van digitalisering. De raad benadrukt hierbij de mogelijke nadelige gevolgen voor de directe interactie in het onderwijs, en de mogelijke nadelige gevolgen voor de cognitieve ontwikkeling en de fysieke en mentale gezondheid van leerlingen. De exacte schaal en gevolgen van deze keerzijden zijn moeilijk te overzien zo lang er nog geen sprake is van vergaande digitalisering van het onderwijs, maar de mogelijke impact van risico’s wordt vergroot doordat leerlingen ook buiten schooltijd veel gebruikmaken van ict-toepassingen.155

Onderwijsinstelling van belang als oefenplaats

De raad benadrukt het belang van de onderwijsinstelling als fysieke oefenplaats voor vaardigheden en als een plaats waar fouten gemaakt mogen worden en dingen kunnen worden uitgeprobeerd: “een plek tussen thuis en straat”.156 Leerlingen dienen daarbij de kans te krijgen om nieuwe kennis en vaardigheden toe te passen in gevarieerde contexten.157 Door de vergaande mogelijkheden tot digitalisering kan echter de onderwijsinstelling als institutie, en daarmee als oefenplaats, onder druk komen te staan. Ontwikkelingen op het gebied van ict bieden mogelijkheden om onderwijs op andere manieren in te richten. Op het terrein van pedagogiek en didactiek worden digitale leermiddelen bijvoorbeeld ingezet voor vergaand gedifferentieerd en gepersonaliseerd onderwijs. Ook ontstaan steeds meer mogelijkheden voor tijd- en plaatsonafhankelijk onderwijs, waarbij vooral kennisoverdracht en toetsing online plaatsvinden (‘blended learning’).

Deze tijd- en plaatsonafhankelijke vormen van onderwijs dragen vooral bij aan het kwalificatiedomein van onderwijs. Onderwijs dient echter naast kwalificatie ook bij te dragen aan de socialisatie en persoonsvorming van leerlingen en studenten. Deze doeldomeinen van het onderwijs dreigen onder druk te komen als de onderwijsinstelling als oefenplaats verdwijnt. Hoewel ict-toepassingen kunnen bijdragen aan het vergroten van de interactie, kunnen in een onlinegemeenschap waarden, normen en idealen nooit ten volle gepraktiseerd en voorgeleefd worden. Voor bijvoorbeeld het ontwikkelen van burgerschapscompetenties is de overdracht vereist van kennis over democratische waarden als vrijheid, gelijkheid, respect, tolerantie en autonomie, maar is het ook nodig om vaardigheden als perspectief nemen en argumenteren te oefenen.158

Docent cruciaal voor verankering kennis en vaardigheden

Naast het belang van de onderwijsinstelling als oefenplaats voor vaardigheden, benadrukt de Onderwijsraad het belang van de leraar en de docent voor de begeleiding van deze oefening en voor de juiste verankering van de vaardigheden en van kennis.159 Dankzij het internet is informatie vrijwel altijd en overal toegankelijk. Er wordt wel beargumenteerd dat kennisoverdracht door het onderwijzend personeel daarmee overbodig raakt. Informatie is echter niet hetzelfde als kennis. Om informatie op waarde te kunnen schatten is juist kennis nodig.160 Zoals in hoofdstuk 1 is gesignaleerd, is kennis minder verticaal georganiseerd in de huidige orde van het internet. Iedereen kan informatie op het internet zetten, zonder dat gecontroleerd wordt of deze informatie klopt. Hierdoor worden andere eisen gesteld aan degene die de informatie tot zich neemt: zij of hij moet kritischer kijken naar de geboden informatie en deze op waarde kunnen schatten.

Leerlingen hebben, zolang zij zelf niet in staat zijn tot kritisch beoordelen wat de waarde van gevonden informatie is, een leraar of docent nodig die aangeeft wat ‘waar’ is en die hun leert hoe ze zelf kunnen onderscheiden wat ‘waar’ is. Verdergaand gepersonaliseerd onderwijs veronderstelt dat leerlingen en studenten in hoge mate in staat zijn tot zelfregulatie en zelforganisatie (metacognitieve vaardigheden161) en over het vermogen tot kritische beoordeling beschikken om daarmee hun eigen leerproces te kunnen sturen. Zeker in het primair en voortgezet onderwijs zijn leerlingen hier niet zondermeer voor toegerust, aangezien deze vaardigheden onder andere samenhangen met leeftijd.162 Ook in het hoger onderwijs ontbreekt het in het algemeen aan deze vaardigheden bij studenten. Het op waarde schatten van bronnen is een vaardigheid die zeker bij eerstejaarsstudenten in het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs verbetering behoeft. Ook in het middelbaar beroepsonderwijs is meer aandacht voor deze vaardigheden een vereiste om leerlingen beter voor te bereiden op de arbeidsmarkt en participatie in de samenleving.

Kijk verder dan het beeldscherm

De Onderwijsraad acht het van belang dat er voldoende ‘klep-dicht’-tijd163 wordt ingebouwd in de lessen: tijd waarin leerlingen geen gebruikmaken van een scherm en er wordt gewerkt met niet-digitale leermiddelen. Deze schermloze tijd is van belang vanwege de verschillen tussen informatieverwerking met en zonder digitale toepassingen, en vanwege de mogelijke nadelige effecten van digitale toepassingen op cognitieve vaardigheden en de fysieke en mentale gezondheid. Er zijn, voor zover bekend bij de raad, geen formele nationale richtlijnen voor het maximaal aantal uren schermgebruik per dag.164 Bovendien zijn exacte cijfers over het gebruik van digitale toepassingen binnen en buiten school lastig te achterhalen. Wel is duidelijk dat het gebruik ervan toeneemt met de leeftijd en bovendien een stijgende lijn laat zien over de afgelopen jaren.165 De Onderwijsraad ziet het belang van duidelijker richtlijnen voor onderwijsinstellingen omtrent het mediagebruik en adviseert dat deze richtlijnen op beleidsniveau vorm krijgen.

Met betrekking tot de verschillen tussen informatieverwerking met en zonder digitale toepassingen is bekend dat tekst lezen vanaf een scherm niet zondermeer gelijk is aan het lezen van een tekst vanaf papier.166 Dit geldt in het bijzonder voor digitale teksten waarin gebruik wordt gemaakt van hyperlinks die verwijzen naar andere bronnen. De hyperlinks leiden af van het basale leesproces, waardoor de informatie die gelezen wordt minder goed wordt onthouden en begrepen.167 Ook het proces van schrijven met behulp van tekstverwerkingsprogramma’s is daadwerkelijk anders dan de motorische handeling van het handmatig schrijven en levert bijvoorbeeld bij het maken van aantekeningen tijdens een les een oppervlakkiger verwerkingsniveau op.168

Digitale toepassingen kunnen bovendien nadelige effecten hebben op de ontwikkeling van bepaalde cognitieve vaardigheden, zoals het geheugen en het concentratievermogen. Het feit dat informatie dankzij het internet altijd en overal kan worden opgezocht, kan eraan bijdragen dat deze informatie minder goed wordt onthouden.169 Ook voor cognitieve controlevaardigheden heeft digitalisering gevolgen. Vooral het zogenoemde ‘multi-tasken’ dat wordt uitgelokt door modern mediagebruik, zorgt ervoor dat mensen gevoeliger worden voor afleidende informatie en zich daardoor minder goed kunnen concentreren.170

Met betrekking tot de mogelijke nadelige gevolgen van het gebruik van ict-toepassingen voor de fysieke gezondheid kan gedacht worden aan spierpijn en hoofdpijn door veel in dezelfde en verkeerde houding zitten achter een beeldscherm. Ook bij kinderen worden inmiddels zogenoemde ‘tabletnekken’ gesignaleerd.171 Daarnaast kan ict-gebruik bijdragen aan langdurig stilzitten, wat de kans op obesitas, diabetes type 2 en hart- en vaatziekten vergroot.172 Naast beperking in het aantal uren schermtijd per dag acht de raad het daarom van belang dat leerlingen voldoende blijven bewegen, niet alleen in hun vrije tijd, maar ook tijdens de lessen. Bovendien moet er meer aandacht komen voor ergonomische aspecten binnen onderwijsinstellingen, zoals een goede, actieve zithouding tijdens beeldschermactiviteiten.

Als laatste wijst de raad op mogelijke nadelige gevolgen van veelvuldig en langdurig scherm- en internetgebruik voor de mentale gezondheid. Hierbij denkt de raad vooral aan risico’s van bijvoorbeeld cyberpesten173, verslaving aan gamen of andere vormen van ict-gebruik174 en de zogenoemde disconnectieangst waarbij jongeren moeite hebben met offline zijn uit angst iets te missen van wat er in de sociale ‘peer group’ gebeurt.175 Deze continue online aanwezigheid heeft ook gevolgen voor de ontwikkeling van de eigen identiteit: de positie binnen de ‘peer group’ moet nu namelijk meer dan voorheen ook buiten schooltijd verdedigd worden.

Bronnen

  1. Bruijn & De Knecht, 2017.
  2. Berkhout, 2017.
  3. Lim, Zhao, Tondeur, Chai & Tsai, 2013.
  4. Wortmann & Flüchter, 2015.
  5. Er is geen scherp omlijnde definitie van de term big data. Kenmerkend is het ‘real time’ en continu verzamelen, analyseren en gebruiken van grote hoeveelheden gestructureerde en ongestructureerde data uit verschillende bronnen, die ‘data driven’ geanalyseerd worden. Deze analyse is geautomatiseerd en vooral gebaseerd op correlationele verbanden. Zie Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2016.
  6. Ford, 2016.
  7. Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2015; Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde, 2015; Rathenau Instituut, 2015.
  8. Onderwijsraad, 2016c.
  9. Carr, 2011.
  10. Van der Weel, 2011.
  11. Brynjolfsson & McAfee, 2014.
  12. Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2015; Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde, 2015; Rathenau Intsituut, 2015.
  13. Voogt & Roblin, 2010; Dede, 2010.
  14. Platform Onderwijs 2032, 2016.
  15. Zie bijvoorbeeld www.coo7.nl.
  16. Met digitale onderwijsdoelen doelt de raad op onderwijsdoelen die gerelateerd zijn aan digitale kennis, digitale vaardigheden en houding ten aanzien van digitalisering van leerlingen en studenten.
  17. Deze vaardigheden hebben echter wel de aandacht binnen Onderwijs2032 en onlangs is een motie aangenomen om mediawijsheid op te nemen in de kerndoelen voor het primair onderwijs (Motie van de leden Jasper van Dijk en Mohandis over mediawijsheid opnemen in de kerndoelen, 2017).
  18. Voogt, Knezek, Cox, Knezek & Ten Brummelhuis, 2013.
  19. Ook de Raad voor Cultuur is voornemens een advies uit te brengen over mediawijsheid, waarin tevens de inhoud van het curriculum met betrekking hiertoe aan bod zal komen.
  20. Zie http://curriculumvandetoekomst.slo.nl/21e-eeuwse-vaardigheden/digitale-geletterdheid.
  21. Voogt, Erstad, Dede & Mishra, 2013.
  22. Centraal Bureau voor de Statistiek, 2015.
  23. Boyd, 2014; Kennedy & Fox, 2013.
  24. Vanderlinde, Aesaert & Van Braak, 2014.
  25. Er zijn wel aanzetten om dergelijke standaarden te ontwikkelen. Op 6 december 2016 is de motie-Van Dijk en Mohandis aangenomen om mediawijsheid op te nemen in de kerndoelen. Platform Onderwijs2032 maakt zich hard voor digitale geletterdheid in het curriculum. SLO heeft een leerlijn digitale geletterdheid ontwikkeld.
  26. Meelissen, Punter & Drent, 2014; Fraillon, Ainley, Schulz, Friedman & Gebhardt, 2014.
  27. Margaryan, Littlejohn & Vojt, 2011; Bennett, Maton & Kervin, 2008.
  28. Boyd, 2014; Kennedy & Fox, 2013.
  29. Ertmer & Ottenbreit-Leftwich, 2013.
  30. De Onderwijsraad zal hier verder op in gaan in een medio 2017 te verschijnen advies onder de werktitel De leerling centraal.
  31. Vier-in-balansmonitor (www.kennisnet.nl/publicaties/vier-in-balans-monitor) en Leermiddelenmonitor (www.slo.nl/leermiddelenmonitor).
  32. Voogt, Sligte, Van den Beemt, Van Braak & Aesaert, 2016.
  33. Voogt, Van Braak, Verplanken, Jaeger & Heitink, 2015.
  34. iMinds-MICT, 2016.
  35. Kennisnet, 2015.
  36. Hawkridge, 1989; Kozma, 2008; Falck, Heimisch & Wiederhold, 2016.
  37. Van den Beemt, Akkerman & Simons, 2011.
  38. Caswell, Henson, Jensen & Wiley, 2008.
  39. Morgan, Morgan, Johansson & Ruuda, 2016.
  40. Tamim, Bernard, Borokhovski, Abrami & Schmid, 2011. In meta-analyses wordt vaak gewerkt met de statistische maat Cohen’s d: small (>=.2), medium (>=.5) en large (>=.8)
  41. Zheng, Warschauer, Lin & Chang, 2016.
  42. Sung, Chang & Liu, 2016.
  43. Ma, Adesope, Nesbit & Liu, 2014; Kulik & Fletcher, 2016.
  44. Zheng e.a., 2016; Wenglinsky, 2005; Cheung & Slavin, 2011; Cheung & Slavin, 2013.
  45. Chauhan, 2017; Lee, Waxman, Wu, Michko & Lin, 2013; Schmid, Bernard, Borokhovski, Tamim, Abrami, Surkes e.a., 2014.
  46. Belland, Walker, Kim & Lefler, 2016.
  47. Schmid e.a. (2014). Dat cognitieve ondersteuning positieve medium effecten op leerprestaties sorteert wordt bevestigd door een meta-analyse van Belland e.a. (2016), die resultaten samenvat van studies naar de effecten van “scaffolding” in digitale omgevingen.
  48. Wouters, Van Nimwegen, Van Oostendorp & Van der Spek, 2013.
  49. Zheng e.a., 2016; Morgan e.a., 2016.
  50. Zheng e.a., 2016.
  51. Wenglinsky, 2005.
  52. Herrington & Parker, 2013; Ertmer & Ottenbreit-Leftwich, 2013; Jonassen & Reeves, 1996.
  53. Caswell e.a., 2008.
  54. De Witte & Rogge, 2014.
  55. Kulik & Kulik,1991.
  56. De Witte & Rogge, 2014; Kimmons, 2015.
  57. Issenberg, McGaghie, Gordon, Symes, Petrusa, Hart, e.a., 2002; beschreven in Schmid e.a., 2014.
  58. Mäkitalo, Weinberger, Häkkinen, Järvelä & Fischer, 2004; beschreven in Schmid e.a., 2014.
  59. Clark & Feldon, 2014; Schmid e.a., 2014.
  60. Haelermans & Ghysels, in press; Haelermans, in press; Cheung & Slavin, 2013; Sung, Chang & Liu, 2016.
  61. Cheung & Slavin, 2011.]
  62. Onder direct contact en directe interactie verstaat de raad contact en interactie waarbij mensen zich in dezelfde ruimte bevinden, zonder tussenkomst van een computer.
  63. Castells, 2011.
  64. De Onderwijsraad zal hier verder op in gaan in een medio 2017 te verschijnen advies onder de werktitel De leerling centraal.
  65. Sociaal en Cultureel Planbureau, 2016.
  66. Selwyn, 2004; Van Dijk, 2006.
  67. Zheng e.a., 2016; Kemp, Wong, & Berry, 2016; Fraillon e.a., 2014.
  68. Organisation for Economic Co-operation and Development, 2015a.
  69. Sparrow, Liu & Wegner, 2011.
  70. Organisation for Economic Co-operation and Development, 2016.
  71. Bestuursakkoord voor de sector primair onderwijs, 2014.
  72. Dashboard bestuursakkoord po, 2014.
  73. Lam & De Jong, 2015.
  74. Enthoven, 2015.
  75. Lam & De Jong, 2015.
  76. Een voorbeeld van een dergelijk expertisecentrum is iXperium, een voorziening voor de lerarenopleidingen en nascholingsprogramma’s van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen.
  77. Liebowitz & Margolis, 1995.
  78. Zie bijvoorbeeld PO-Raad, z.j
  79. Motie van de leden Dik-Faber en Slob over snel internet op alle scholen vanaf 2017, 2015.
  80. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2017.
  81. Van Wijk, 2017.
  82. Universele toegankelijkheid van al het didactisch materiaal voor iedereen – ook voor leerlingen en docenten met bijzondere onderwijsbehoeften, zoals een beperking, kleurenblindheid of dyslexie – is een belangrijk beleidsdoel gezien de inwerkingtreding van het VN-verdrag voor de rechten van mensen met beperkingen, en de financiële en organisatorische impact die dit naar verwachting zal hebben.
  83. Zoals platform Edu-K, waarin binnen het deelproject Edustandaard gewerkt wordt aan het formuleren van standaarden, en verschillende zogenaamde digitale architecturen voor het onderwijs (TripleA, HORA, ROSA).
  84. Munnichs, Kouw, & Kool, 2017.
  85. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2014.
  86. Nationaal Cyber Security Centrum, 2016; SURF, 2016.
  87. Voorstel tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs BES in verband met het pseudonimiseren van leerling- of deelnemergegevens ten behoeve van de toegang tot en het gebruik van digitale leermiddelen.
  88. Narayanan, Huey & Felten, 2016.
  89. Bongers, Jager & Te Velde, 2015.
  90. Voorbeelden van dergelijke overeenkomsten zijn de Privacy Shield en de Umbrella Agreement.
  91. Cavoukian, 2009; Spiekermann, 2012.
  92. Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, 2016.
  93. Moerel & Prins, 2016.
  94. Vier-in-balansmonitors.
  95. Kennisnet, 2015.
  96. Scholen te weinig geld voor beter internet, 2017.
  97. Kennisnet en de PO-Raad werken aan berekeningen van de kosten van digitalisering aan de hand van scenario’s. Een eerste berekening, voor het scenario waarin het primaire proces goeddeels afhankelijk is van ict, levert een schatting van 500 miljoen euro per jaar aan structurele kosten voor digitalisering in het primair onderwijs. In deze berekening zijn de kosten voor digitale leermiddelen en professionalisering van leerkrachten niet meegenomen.
  98. De raad zal hier verder op in gaan in een in het najaar van 2017 te publiceren advies met als werktitel Bekostiging en sturen op kwaliteit.
  99. Pierce, Kostova & Dirks, 2001.
  100. Pierce, Kostova & Dirks, 2003. Zie ook het advies Kwaliteit in het hoger onderwijs, Onderwijsraad, 2015.
  101. Loeffen & Springer, 2009. Zie ook het advies Een ander perspectief op professionele ruimte in het onderwijs, Onderwijsraad, 2016b.
  102. Foray & Hargeaves, 2003.
  103. VO-raad, 2014; PO-Raad & VO-raad, 2014; saMBO-ICT, 2012.
  104. PO-Raad, 2016.
  105. www.surf.nl; de term leermiddelenketen verwijst naar het proces voorafgaand aan ingebruikname van een leermiddel: bedenken, maken, verspreiden, enzovoort.
  106. Nederlandse Mededingingsautoriteit, 2011.
  107. Imandt, Van den Berg, Brouwer, Van der Vegt & Van Aarsen, 2016.
  108. Bisschop, Imandt, Van der Vegt & Bomhof, 2016.
  109. Deze initiatieven hebben bijvoorbeeld geleid tot het Convenant Digitale Onderwijsmiddelen en Privacy 2.0 (2016) en samenwerking op het gebied van ketenregie (www.edu-k.nl) en standaarden (www.edustandaard.nl)
  110. Onder de educatieve infrastructuur schaart de raad in dit advies de educatieve uitgeverijen, de distributeurs van leermiddelen, de onderwijsadviesbureaus, onderwijsbegeleidingsorganisaties en onderwijsconsultants, en de leveranciers van ict-materialen en digitale leermiddelen.
  111. Prahalad & Ramaswamy, 2004; Galvagno & Dalli, 2014; Kristensson, Matthing & Johansson, 2008.
  112. Frenkel, Maital, Leck & Israel, 2015.
  113. Onderwijsraad, 2008. In dit advies zijn ook details te vinden over open onderwijs, open leermiddelen en de bijbehorende licentievormen.
  114. Wiley, 2015; Atkins, Brown, & Hammond, 2007.
  115. Organisation for Economic Co-operation and Development, 2015b; Geith & Vignare, 2008.
  116. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2009.
  117. Dit is zichtbaar in de evaluaties van Wikiwijs, de vier-in-balansmonitors en de leermiddelenmonitors uit de jaren na de introductie van Wikiwijs. Ook is er de laatste jaren een grote toename in het gebruik van Wikiwijs Maken, een publiek platform waar leraren zelf en samen web-based open leermiddelen kunnen ontwikkelen en delen, dat in 2016 2,8 miljoen keer werd bezocht.
  118. SLO, 2016.
  119. De Vreede, 2016.
  120. Baas, Van Hees, Jacobi, Ouwehand, Schuwer, De Vries, e.a., 2015.
  121. https://chem.libretexts.org.
  122. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015.
  123. Kennisnet, 2015.
  124. PO-Raad & VO-raad, 2014.
  125. Vergelijkbaar met de versnellingsvragen en leerlabs binnen het Doorbraakproject Onderwijs & ICT.
  126. Zoals Edurep, Wikiwijs Zoeken, VO-Content, Best Evidence Encyclopedea,, website NJI.
  127. Zie voor een voorbeeld http://sciencecases.lib.buffalo.edu/cs/.
  128. UNESCO heeft internationale richtlijnen opgesteld om landen te ondersteunen om nationaal beleid op de digitale deskundigheid van leraren uit te zetten (United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization, 2011. In Nederland heeft Kennisnet een kader voor ict-bekwaamheden van leraren ontwikkeld, wat op papier geldt als landelijke richtlijn waarmee instellingen in het funderend onderwijs aan de slag kunnen om hun personeel te professionaliseren op het gebied van ict (Kennisnet, 2012). Dit kader is een verbijzondering van de algemene bekwaamheidseisen voor leraren zoals geformuleerd door de Onderwijscoöperatie (Onderwijscoöperatie, 2012). De werkgroep ict van ADEF (Algemeen Directeurenoverleg Educatieve Faculteiten) gebruikte het kader van Kennisnet voor een herziening van de kennisbasis ict voor de tweedegraads lerarenopleidingen (Vereniging Hogescholen, 2013). Hierin staat op de thema’s attitude, digitale basisvaardigheden, digitale media- en informatiegeletterdheid, en didactische handelen uitgewerkt wat een startbekwame leraar op dit niveau zou moeten kennen en kunnen. Dit document kan worden gebruikt voor het vaststellen van eindcriteria in de curricula van de lerarenopleidingen, maar deze bevatten tot nog toe zelden dergelijke formele eindcriteria.
  129. Lam & De Jong, 2015.
  130. [130: VELON, 2014.
  131. Slimmer Leren met ICT en Leerling 2020.
  132. Ertmer, & Ottenbreit-Leftwich, 2013.
  133. Somekh, 2008; Tondeur, Van Braak, Ertmer & Ottenbreit-Leftwich, 2016.
  134. Van Acker, Van Buuren, Kreijns & Vermeulen, 2013; Drossel, Eickelmann & Gerick, 2016; Tondeur e.a., 2016.
  135. Somekh, 2008.
  136. Tearle, 2003.
  137. Tondeur, Van Keer, Van Braak & Valcke, 2008.
  138. Bingimlas, 2009.
  139. Commissie Parlementair Onderzoek Onderwijsvernieuwingen, 2008; zie ook Onderwijsraad, 2006; Onderwijsraad, 2011; Onderwijsraad, 2014.
  140. Een voorbeeld van de ondersteuning door de rijksoverheid is het Doorbraakproject Onderwijs & ICT. Zie: www.doorbraakonderwijsenict.nl.
  141. Saltinski, 2014.
  142. Poortvliet, 2016.
  143. Er is wel een aanzet tot een dergelijke evaluatie, zie Martens, Kreijns, Evers, Becks, Kral & Van Vijfeijken, 2015.
  144. Visie is bijvoorbeeld één van de vier componenten van het vier-in-balansmodel dat Kennisnet al jarenlang voor invoering van ict in het onderwijs bepleit.
  145. Zie Onderwijsraad, 2016a; vergelijk Beetham & Sharpe, 2013.
  146. Ma e.a., 2014; Kulik & Fletcher, 2015.
  147. Ertmer & Ottenbreit-Leftwich, 2013.
  148. Kennisnet, 2015; zie ook Ertmer & Ottenbreit-Leftwich, 2013.
  149. Nederlands wetenschappelijk onderzoek naar ict in het onderwijs is bijvoorbeeld te achterhalen via de website van NRO; raadpleeg https://www.nro.nl/nro-projecten-vinden/ en zoekcategorie “ict en onderwijs”. Publicaties over praktijkonderzoek zijn bijvoorbeeld te achterhalen via Kennisnet. Zie: https://www.kennisnet.nl/publicaties/scholen-om-van-te-leren/.
  150. Kennisnet, 2011.
  151. Fishman & Zhang, 2003;
  152. Zie ook Fishman & Zhang, 2003; Vanderlinde, Dexter, & van Braak, 2012.
  153. Tondeur e.a. 2008; Vanderlinde e.a., 2012; Vanderlinde e.a., 2014.
  154. Onderwijsraad, 2015.
  155. Nikken, 2013; Van Rooij & Schoenmakers, 2013.
  156. Biesta, 2016.
  157. Van den Branden, 2015.
  158. Schuitema, Ten Dam & Veugelers, 2008; Verhoeven, 2012.
  159. Dede & Richards, 2012.
  160. Chi, Glaser & Farr, 2014; Hirsch, 2003.
  161. Zimmerman, 2000; Pintrich, 2000; Serra & Metcalfe, 2009.
  162. Anderson, 2002; Posner & Rothbart, 2000.
  163. De term ‘klep-dicht’-tijd kwam de raad in diverse gesprekken tegen. De term refereert aan het dichtklappen van een laptopscherm, maar kan uiteraard breder getrokken worden voor het wegleggen van alle schermen.
  164. De American Academy of Pediatrics adviseert bijvoorbeeld dat kinderen tot twaalf jaar maximaal twee uur per dag gebruik maken van beeldschermen. TNO heeft in reactie op toenemende obesitas door teveel sedentair gedrag eveneens geadviseerd dat jongeren van vier tot zeventien jaar niet meer dan twee uur per dag zouden moeten besteden aan schermgebruik.
  165. Nikken, 2013.
  166. De Stefano & Le Fevre, 2007.
  167. Afflerbach & Cho, 2009.
  168. Mueller & Oppenheimer, 2014.
  169. Spitzer, 2014; Carr, 2011.
  170. Ophir, Nass & Wagner, 2009.
  171. Van Gaalen, 2017.
  172. TNO, 2015.
  173. Tokunaga, 2010; Van Ouytsel, Vandebosch & Walrave, 2014
  174. Van Rooij, Schoenmakers, Van de Eijnden & Van de Mheen, 2010; Kuss & Griffiths, 2011; Nikken, 2013.
  175. Przybylski, Murayama, DeHaan & Gladwell, 2013.