Curriculumvernieuwing

13 december 2018 | Advies

Mijnheer de Minister,

Na een uitvoerig voortraject buigen leraren, schoolleiders en scholen zich momenteel onder de naam Curriculum.nu over de vraag wat leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs moeten kennen en kunnen. In deze zogenoemde ontwikkelfase van de curriculumherziening ontwikkelen zij in teams bouwstenen voor negen leergebieden. Deze ontwikkelteams hebben de opdracht te bepalen wat tot de kern van het curriculum behoort: de visie op het leergebied, de grote opdrachten van het leergebied, en de kennis en vaardigheden die leerlingen nodig hebben om deze te realiseren (de zogenoemde bouwstenen). De ontwikkelfase duurt tot het voorjaar van 2019. Hierna worden de resultaten gepresenteerd. Na politieke besluitvorming worden de kerndoelen en eindtermen op basis van de bouwstenen geactualiseerd.1 Dit vervolgtraject moet nog vormgegeven worden.

Adviesvraag: hoe kan curriculumvernieuwing bijdragen aan onderwijskwaliteit?

De minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media heeft de Onderwijsraad gevraagd te adviseren over het proces van curriculumvernieuwing. De raad heeft zich met het advies ten doel gesteld na te gaan hoe curriculumvernieuwing een rol van betekenis kan spelen bij de kwaliteit van het onderwijs. Hij richt zich daarom op de volgende vraag: Hoe kan curriculumvernieuwing zo worden georganiseerd dat het een duurzame bijdrage levert aan onderwijskwaliteit?2

Onderwijs bereidt leerlingen voor op de toekomst. Hierbij gaat het om hun persoonlijk, maatschappelijk en beroepsmatig functioneren. Om dat goed te kunnen (blijven) doen, is het van belang dat het onderwijs bij de tijd blijft en streeft naar kwaliteitsverbetering. Inhouden van vakken en vakgebieden ontwikkelen zich en ook de samenleving en de arbeidsmarkt veranderen. Het is daarom belangrijk dat het curriculum aansluiting blijft houden bij maatschappelijke ontwikkelingen. Daarvoor is ook overheidssturing nodig, om zo de samenhang tussen vakken en vakgebieden binnen een onderwijssector en tussen verschillende onderwijssectoren te waarborgen. Op deze manier wordt voorkomen dat curriculumvernieuwing ad hoc of gefragmenteerd tot stand komt. Overheidssturing vermindert het risico op een onevenwichtig en overladen geheel met onvoldoende samenhang en afstemming tussen vakgebieden.3 Curriculumvernieuwing is dus noodzakelijk, maar moet op de juiste wijze plaatsvinden. Vanuit deze opvatting geeft de raad met dit briefadvies vervolg aan zijn advies Een eigentijds curriculum.4[3: Onderwijsraad (2014), Een eigentijds curriculum.]

Er kan vanuit verschillende perspectieven naar curriculumvernieuwing worden gekeken.5 De opdracht van de overheid met betrekking tot de huidige curriculumherziening (het project Curriculum.nu) is geformuleerd vanuit het inhoudelijke perspectief (wat wordt geleerd?). Voor de beantwoording van de adviesvraag zal de Onderwijsraad redeneren vanuit een technisch-professioneel perspectief (hoe kan het proces van curriculumvernieuwing worden geoptimaliseerd?) en een sociaal-politiek perspectief (hoe verloopt het besluitvormingsproces en wie beslist over wat?). Daarmee richt de raad zich bij de beantwoording van de adviesvraag op processen die een rol spelen bij curriculumvernieuwing. De raad beziet de huidige curriculumherziening in dat licht.6

In paragraaf 1 geeft de raad aan dat de term curriculum op verschillende wijze wordt gehanteerd en gaat hij in op de verschillende processen die met curriculumvernieuwing samengaan. In paragraaf 2 doet de raad aanbevelingen om een continu proces van curriculumvernieuwing te realiseren, zodat curriculumvernieuwing, nu en in de toekomst, daadwerkelijk bij kan dragen aan onderwijskwaliteit.

1. Maak een helder onderscheid tussen de verschillende processen van curriculumvernieuwing

De raad constateert dat de term curriculum in de huidige curriculumherziening (ook wel aangeduid als curriculumherijking) wordt gebruikt om verschillende elementen op verschillende niveaus van het onderwijssysteem te benoemen. Enerzijds verwijst de term op nationaal niveau naar het actualiseren van kerndoelen en eindtermen (“het actualiseren van het curriculum”), maar de term is ook in gebruik voor onderwijs in de klas (“een geactualiseerd curriculum in de klas”). Daarnaast wordt er gesproken van “een goed uitvoerbaar kerncurriculum” en “het eigen schoolcurriculum”.7

In de huidige curriculumherziening vinden verschillende aan elkaar gerelateerde activiteiten plaats, die op verschillende wijze verbonden zijn met de bovengenoemde elementen. De ontwikkelteams in het project Curriculum.nu hebben de opdracht te bepalen wat tot de kern van het curriculum behoort: de visie op het leergebied, de grote opdrachten van het leergebied, en de benodigde kennis en vaardigheden die leerlingen nodig hebben om deze te realiseren. De ontwikkelteams formuleren per leergebied een visie (“de algemene uitgangspunten en de bijdrage van het leergebied aan de hoofddoelen van het onderwijs”). Vanuit deze visie worden vervolgens de grote opdrachten van het leergebied opgesteld (“de fundamentele inzichten van het vak of leergebied, de kernconcepten en principes die centraal staan”). De kernconcepten krijgen concreet vorm in bouwstenen (“een beschrijving van de gewenste kennis en vaardigheden die voor alle leerlingen van belang zijn in de verschillende fases van het primair en voortgezet onderwijs”). De bouwstenen worden op ontwikkelscholen verder uitgewerkt in concrete lesvoorbeelden. Na politieke besluitvorming is het de bedoeling dat de kerndoelen en eindtermen op basis van de bouwstenen worden geactualiseerd.8

In onderstaande tekst wil de raad helderheid scheppen met betrekking tot de terminologie en de verschillende processen die volgens hem met curriculumvernieuwing samengaan.

Drie te onderscheiden processen spelen een rol

Curriculumvernieuwing betreft volgens de raad drie verschillende processen, namelijk 1) het herijken van kerndoelen en eindtermen; 2) curriculumontwikkeling; en 3) onderwijsontwikkeling. Figuur 1 geeft deze verschillende processen (en het niveau van het onderwijssysteem waarop deze plaats moeten vinden) schematisch weer. De pijlen in de figuur geven de voeding aan die nodig is voor herijking en ontwikkeling. De figuur geeft noch fases weer (de processen lopen gelijktijdig en in wisselwerking met elkaar) noch hiërarchie (in de zin van mate van belangrijkheid). Hieronder worden de verschillende processen nader toegelicht.

Figuur 1. Schematische weergave van processen binnen curriculumvernieuwing

Herijking van kerndoelen en eindtermen

De overheid stelt als verantwoordelijke voor de kwaliteit van het onderwijsstelsel op landelijk niveau inhoudelijke kaders op. Inhoudelijke kaders worden geboden in de vorm van kerndoelen en eindtermen, waarin wettelijk is vastgelegd wat de doelen en inhouden van het onderwijs zijn.9 Dit wordt beschreven voor een vak, een vakkencluster of een leergebied. Voor het primair onderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs zijn kerndoelen opgesteld. Deze hebben een verplichtend karakter en zijn als globale aanbodsdoelen geformuleerd. De kerndoelen dateren uit 2006 en zijn sindsdien alleen op onderdelen aangepast. Zo is in 2009 voor het vak geschiedenis de canon van Nederland als uitgangspunt aan de kerndoelen toegevoegd, ter illustratie van de behandeling van de tijdvakken. Voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs vormen vakspecifieke examenprogramma’s de voorschrijvende inhoudelijke kaders.10 Deze vakspecifieke examenprogramma’s bestaan uit eindtermen. In de examenprogramma’s staat per eindexamenvak beschreven wat de examenstof is.11 Kerndoelen en eindtermen worden vastgesteld door de overheid en dienen van tijd tot tijd herijkt te worden.

Curriculumontwikkeling

Wanneer doelen (inhoudelijke kaders) worden gekoppeld aan vormgeving en toetsing van onderwijs – het ‘onderwijsbaar’ en ‘studeerbaar’ maken van de inhoud – wordt gesproken van curriculum. De ontwikkeling van curriculum vindt plaats in het onderwijsveld op schooloverstijgend niveau en wordt ingegeven door doelen die deels extern zijn (kerndoelen en eindtermen) en deels afkomstig zijn uit het vak of vakgebied zelf (zoals inhoudelijke vernieuwingen en inzichten). Met het onderwijsveld doelt de raad onder meer op leraren in vakverenigingen en in andere ‘georganiseerde’ verbanden, curriculumontwikkelingsorganisaties, toetsdeskundigen12, wetenschappers en educatieve uitgevers. Allen werken samen aan curriculumontwikkeling vanuit hun eigen expertise en nemen ook ‘schooloverstijgende trends’ in beschouwing, zoals het ontstaan van een digitale cultuur in het onderwijs.13 De term curriculumontwikkeling kan suggereren dat het hier één proces betreft. In feite omvat curriculumontwikkeling echter verschillende (deel)processen en betreft het verschillende deelcurricula, zoals de ontwikkeling van het curriculum van burgerschapsvaardigheden en het curriculum rekenen/wiskunde. Ook binnen vakken en vakgebieden kunnen curriculumontwikkelingen uiteenlopen. Zo ontwikkelt bijvoorbeeld het vak Nederlands zich in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs anders dan in de onderbouw en weer anders in het primair onderwijs. Niet alle ontwikkelingen in alle vakken en vakgebieden lopen dus gelijk.

Onderwijsontwikkeling

Herijking van kerndoelen en eindtermen en curriculumontwikkeling maken echter nog geen onderwijs. Daar is een derde proces voor nodig, namelijk onderwijsontwikkeling. Leraren ontwerpen hun onderwijs en geven het vorm voor hun leerlingen, op hun eigen school. Zij baseren zich daarbij op de kerndoelen en eindtermen en laten zich voeden door het curriculum dat is ontwikkeld door het onderwijsveld op schooloverstijgend niveau (de lesmethode, de inzichten zoals beschreven in handreikingen, en dergelijke). Hierbij neemt de visie van de school op onderwijs een belangrijke plaats in. Vanuit een bepaalde levensbeschouwing of bepaalde pedagogische en didactische uitgangspunten geven scholen vorm aan hun onderwijs.14 Ook stemmen zij het onderwijs dat zij ontwikkelen naar eigen inzicht af op hun leerlingen en de lokale situatie. Scholen bepalen onder andere hoe getoetst wordt (zie bijvoorbeeld ontwikkelingen op het gebied van formatieve toetsing en schoolexamens)15, welke vakken of vakgebieden de nadruk krijgen en welke didactiek toegepast wordt. Zo zetten sommige scholen burgerschapsvorming, godsdienstige vorming en identiteitsontwikkeling van leerlingen voorop en geven andere scholen extra aandacht aan filosofie, ethiek en klassieke literatuur. Andere voorbeelden zijn het werken in digitale leeromgevingen, vakoverstijgend werken binnen thema’s als internationalisering en onderzoeken en ontwerpen of gebruikmaken van de didactiek directe instructie.

Waardering voor project Curriculum.nu maar ook zorgen

De Onderwijsraad vindt het belangrijk dat op schooloverstijgend niveau verschillende groepen betrokkenen nadenken over de opdracht van het onderwijs en de rol die de verschillende vakken en vakgebieden daarbij hebben. Hij heeft waardering voor de wijze waarop dit in de huidige curriculumherziening (en in het traject daarnaartoe) een plaats heeft gekregen. De raad vindt het van belang dat de diversiteit aan meningen en ideeën over de inhoud van het curriculum zichtbaar wordt.16 Dit gezamenlijk nadenken heeft vorm gekregen in de opdracht aan het Platform Onderwijs2032 om een maatschappelijke dialoog te voeren over de inhoud van het primair en voortgezet onderwijs.17 Ook binnen het project Curriculum.nu wordt van gedachten gewisseld over de visie, de grote opdrachten en de bouwstenen. Dit uit zich zoal in de directe betrokkenheid van leraren en schoolleiders in de ontwikkelteams en de bijdrage van ontwikkelscholen die de opbrengsten van de ontwikkelteams in de onderwijspraktijk beproeven en hierop reflecteren.18 Het gezamenlijk nadenken over en werken aan grote opdrachten voor vakken/vakgebieden en bouwstenen is zinvol in het proces van curriculumontwikkeling.

De raad heeft echter ook zorgen. Wanneer het bovengenoemde onderscheid in processen in relatie tot het project Curriculum.nu wordt bekeken, constateert hij dat de processen van herijking van kerndoelen en eindtermen, van curriculumontwikkeling en van onderwijsontwikkeling momenteel door elkaar lopen. Curriculum.nu is zowel bezig met het toewerken naar kerndoelen en eindtermen (in de vorm van het aanleveren van bouwstenen die de basis vormen voor de actualisatie van kerndoelen en eindtermen) als met curriculumontwikkeling (door het gezamenlijk nadenken over doelen en inhouden) en met onderwijsontwikkeling (in de vorm van het uitwerken van de bouwstenen die op ontwikkelscholen verder worden uitgewerkt in concrete lesvoorbeelden). Dit kan volgens de raad deels verklaard worden door de manier waarop de curriculumherziening is ingestoken en opgepakt. De voormalige staatssecretaris gaf het startsein voor een koersbepaling voor het curriculum in het funderend onderwijs met als een van de doelen een herijking van kerndoelen en eindtermen. Als aanzet voor deze herijking heeft het Platform Onderwijs2032 onder andere voorgesteld het curriculum te organiseren op basis van leergebieden. Vervolgens is het project Curriculum.nu aan de slag gegaan met inhoudelijke vragen. Wat moeten leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs kennen en kunnen? Wat is de grote opdracht van een vak/leergebied? Uit welke bouwstenen bestaat het vak/leergebied? Doordat processen door elkaar lopen, heeft de curriculumherziening die nu plaatsvindt volgens de raad te weinig scherpte en richting om tot een herijking van de kerndoelen en eindtermen te komen, om curriculumontwikkeling te bewerkstelligen en om onderwijsontwikkeling binnen scholen te stimuleren. Voor een goed verloop van curriculumvernieuwing is de raad dan ook van mening dat het noodzakelijk is om deze drie processen in voldoende mate van elkaar te onderscheiden (zie figuur 1).

Van daaruit beredeneerd is het naar oordeel van de raad niet waarschijnlijk dat puur op basis van de bouwstenen de kerndoelen en eindtermen kunnen worden geactualiseerd. De bouwstenen geven aan wat leerlingen moeten kennen en kunnen; in de formulering van kerndoelen en eindtermen moet ook rekening gehouden worden met het spanningsveld tussen sturing van de overheid en het behoud van autonomie van scholen. Dat vraagt om een formulering die de overheid in staat stelt haar eindverantwoordelijkheid voor de onderwijskwaliteit waar te maken en die tegelijkertijd scholen en het brede onderwijsveld een stimulerende professionele ruimte biedt voor onderwijs- en curriculumontwikkeling. Om tot een herijking van kerndoelen en eindtermen te komen, is een andersoortig, niet-lineair proces nodig. Daartoe beveelt de raad aan een permanente commissie in te stellen die betrokken is bij de herijking van kerndoelen en eindtermen en bij curriculumontwikkeling. Paragraaf 2 werkt de rol en opdracht van deze commissie verder uit.

2. Permanente commissie nodig voor monitoring curriculumontwikkeling en advisering herijking

Om leerlingen goed voor te bereiden op de toekomst is een samenhangend curriculum nodig, dat aansluiting blijft houden bij maatschappelijke ontwikkelingen. Curriculumontwikkeling is daarom nooit ‘af’, maar hoort een continu en dynamisch proces te zijn, waarbij sprake is van een wisselwerking met het proces van herijking van kerndoelen en eindtermen. Aangezien veel partijen zich bezighouden met curriculumontwikkeling19 en ontwikkelingen in vakken en vakgebieden verschillen in tempo, is bovendien een navolgbare systematiek en transparantie van curriculumherziening op landelijk niveau van belang. De huidige curriculumherziening voorziet nog niet in deze voorwaarden. Het vervolg van het traject is onduidelijk en de herziening lijkt primair gericht op een eenmalige actualisatie van kerndoelen en eindtermen – zonder inbedding in een structuur van periodieke herijking en zonder koppeling met een continu proces van curriculumontwikkeling. Overeenkomstig het eerdere raadsadvies Een eigentijds curriculum pleit de raad daarom voor het instellen van een onafhankelijke permanente commissie die het gehele curriculum voortdurend kan overzien.20

Monitoring en advisering door permanente commissie

De Onderwijsraad ziet voor de permanente commissie twee taken weggelegd: 1) adviseren over het periodiek herijken van kerndoelen en eindtermen; en 2) monitoren van curriculumontwikkelingen en hun samenhang. In figuur 2 is dit afgebeeld. De commissie heeft nadrukkelijk niet tot taak de inhoud en vormgeving van het onderwijs op scholen te bepalen, vast te stellen, te beoordelen of te toetsen. De onafhankelijkheid van de permanente commissie dient tot uiting gebracht te worden door zijn taakstelling wettelijk te verankeren en door een zekere, maar principiële afstand tot het ministerie van OCW en de politiek in te nemen. Dat brengt de commissie ook in een positie om tussentijdse, specifieke (ad-hoc)wensen omtrent nieuwe inhouden van het curriculum te wegen in de context van het totale curriculum. Op die manier kan de commissie de samenhang tussen inhouden bewaken en voorkomen dat het curriculum wordt overladen met doelen.

Figuur 2. Schematische weergave van de permanente commissie binnen curriculumvernieuwing

De samenstelling van de permanente commissie moet recht doen aan het brede maatschappelijke belang dat met onderwijs gemoeid is en de leden moeten beschikken over een hoge mate van expertise. In aanmerking voor de commissie komen gezaghebbende deskundigen op het gebied van curriculumontwikkeling, vertegenwoordigers van de verschillende onderwijssectoren, en betrokkenen vanuit de wetenschap en de maatschappij. Op basis van ervaringen die in verschillende landen is opgedaan met curriculumherzieningen, blijkt dat het organiseren van een brede betrokkenheid van belanghebbenden – zeker nadat eerste opbrengsten beschikbaar zijn – en het creëren van consistentie tussen de opbrengsten van curriculumwerkgroepen cruciaal zijn voor het welslagen daarvan.21 De raad adviseert daarom de permanente commissie in te stellen alvorens vervolgstappen te ondernemen in de huidige curriculumherziening. Als eerste opdracht kan de commissie zich buigen over het vervolgproces voor de herijking van de kerndoelen en eindtermen en daarover advies uitbrengen aan de regering. Daarbij kan de commissie de opbrengsten van het project Curriculum.nu die in het voorjaar van 2019 worden opgeleverd meenemen, maar hij moet ook breder kijken. Voor een veelzijdig beeld dient ook input vanuit onder meer de vakverenigingen, leerplanontwikkelaars, deskundigen op gebied van toetsing en examinering, en betrokkenen vanuit de wetenschap meegewogen te worden.

Leg het proces van periodieke herijking wettelijk vast

De regering draagt de eindverantwoordelijkheid voor de kerndoelen en de eindtermen en stelt deze vast. Daarmee worden de kaders geboden die nodig zijn om een coherent onderwijsaanbod te realiseren. Voor een betekenisvolle samenhang tussen deze kaders en het continue proces van curriculumontwikkeling is het volgens de raad van belang wettelijk vast te leggen dat kerndoelen en eindtermen periodiek herijkt worden. Daarbij kan de wetgever bepalen dat de regering zich eens in de zoveel jaar door de permanente commissie laat adviseren over de noodzaak tot herijking en dat de regering de permanente commissie in de gelegenheid stelt advies uit te brengen, alvorens de kerndoelen of eindtermen te herzien. Een dergelijk herijkingsproces vertoont overeenkomsten met de procedure rondom de herijking van bekwaamheidseisen van leraren. De bekwaamheidseisen zijn brede minimumeisen, die worden gebruikt als ijkpunten voor opleiding en bekwaamheidsonderhoud van leraren. De sectorwetten schrijven voor dat de minister eens in de zes jaar beziet of de bekwaamheidseisen gehandhaafd kunnen worden of wijziging behoeven.22 Ook schrijven de sectorwetten een procedure voor, waarbij een beroepsorganisatie van leraren een voorstel voor bekwaamheidseisen opstelt en dit ter vaststelling voorlegt aan de minister.23

Breng met scans curriculumontwikkelingen in beeld

Voor een goede afstemming tussen vakgebieden en onderwijssectoren en om degelijk te kunnen adviseren over periodieke herijking, is het van belang dat de permanente commissie zicht krijgt op wat er gaande is in het onderwijsveld op het gebied van curriculumontwikkelingen. Inventarisaties door onder andere de Inspectie van het Onderwijs, vakverenigingen en het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling brengen nu in kaart wat er in het onderwijs plaatsvindt, maar dat betreft voornamelijk de onderwijspraktijk en onderwijsontwikkeling op scholen. Ook is er geen onafhankelijk orgaan waar alle informatie samenkomt. De raad adviseert daarom dat de permanente commissie binnen zijn monitorende taak regelmatig scans uitvoert, bijvoorbeeld eens in de vijf jaar.24 Zo kan worden voorkomen dat relevante ontwikkelingen niet of te laat worden opgemerkt. Bovendien wordt het risico verkleind dat ontwikkelingen niet in samenhang worden bezien, wat tot onevenwichtigheden tussen vakken of vakgebieden kan leiden.

De informatie die uit de scans naar voren komt, kan in twee richtingen benut worden. Enerzijds kan de informatie gebruikt worden richting de overheid om binnen een proces van periodieke herijking landelijke kaders bij te stellen. Anderzijds kan de informatie door het onderwijsveld benut worden voor het verder ontwikkelen van curricula.

Politiek houdt vinger aan de pols maar past terughoudendheid

Curriculumherziening kent ook altijd een politiek element. De politiek past hier terughoudendheid, omdat onderwijsaanbieders de vrijheid hebben om onderwijs te verzorgen op een door hen gewenste wijze. Evaluaties van eerdere grote onderwijsvernieuwingen, internationale ervaringen en theoretische inzichten over curriculumontwikkeling leren bovendien dat de politieke invloed op het curriculum en het beleid daaromheen beperkt dient te blijven. Wanneer curriculumherziening een te politiek karakter krijgt, kan curriculumontwikkeling beïnvloed raken door belangenbehartiging, uitvoeringsmodaliteiten, concessies en inconsistente wijzigingen. Politiek gedreven ad-hocmaatregelen zijn vaak ineffectief, gaan in tegen het idee van continue wisselwerking tussen ontwerp en gebruik, en beperken het eigenaarschap over curriculumontwikkeling en onderwijsontwikkeling. Bovendien belemmert politieke ambiguïteit over de richting waarin het curriculum zich moet ontwikkelen de effectiviteit van curriculumontwikkeling.25

Volgens de Onderwijsraad zou de Tweede Kamer zijn rol in het proces van curriculumherziening vooral in moeten vullen vanuit zijn controlerende functie. Daarbij ziet hij toe op de uitvoering van het overeengekomen beleid en op de effecten ervan in de praktijk. Vanzelfsprekend hoort de Tweede Kamer zich daarbij vanuit zijn representatieve functie mede te laten leiden door wat er in de onderwijspraktijk en de samenleving leeft. De raad ziet binnen deze rol ook een mogelijkheid weggelegd voor de Tweede Kamer om de permanente commissie om advies te vragen over beleid rondom curriculumontwikkeling of het herijken van de kerndoelen en eindtermen.

Tot slot

De Onderwijsraad heeft zich in dit advies gebogen over de verschillende processen die samengaan met curriculumvernieuwing. Hij maakt een onderscheid tussen het proces van herijking van kerndoelen en eindtermen, het proces van curriculumontwikkeling en het proces van onderwijsontwikkeling. De raad stelt – in lijn met zijn curriculumadvies uit 2014 – voor om een permanente commissie in te richten, die enerzijds de taak heeft te adviseren over de periodieke herijking van kerndoelen en eindtermen en die anderzijds, door middel van periodieke monitoring, zicht houdt op curriculumontwikkelingen in het onderwijsveld.

De raad meent dat de aandachtspunten uit dit advies behulpzaam zijn bij de vormgeving van bovengenoemde processen, zodat curriculumvernieuwing, nu en in de toekomst, daadwerkelijk bij kan dragen aan onderwijskwaliteit.

Bronnen

  1. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2018), Start ontwikkelfase curriculumherziening primair en voortgezet onderwijs, kamerbrief 23 februari 2018.
  2. De raad hanteert een brede opvatting van onderwijskwaliteit. Hij is van mening dat onderwijs altijd bijdraagt aan kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming van leerlingen; het gaat om drie niet te scheiden domeinen waar de school een expliciete verantwoordelijkheid voor draagt. Zie Onderwijsraad (2016), De volle breedte van onderwijskwaliteit.
  3. Onderwijsraad (2014), Een eigentijds curriculum.
  4. Onderwijsraad (2014), Een eigentijds curriculum.
  5. Van den Akker, J., & Thijs, A. (2009), Leerplan in ontwikkeling.
  6. De Onderwijsraad heeft zich in andere adviezen over inhouden uitgesproken, bijvoorbeeld over burgerschap (2012), cultuureducatie (2012), internationalisering (2016), digitalisering (2017) en sport en bewegen (2018).
  7. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2018.
  8. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2018.
  9. Voor primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs zijn daarnaast sinds augustus 2010 referentieniveaus voor taal en rekenen van kracht. Dit zijn beheersingsdoelen die aangeven wat leerlingen moeten kennen en kunnen als het gaat om Nederlandse taal en rekenen/wiskunde. SLO (2018), Over kerndoelen en eindtermen.
  10. SLO, 2018.
  11. Zie bijvoorbeeld Examenprogramma Engelse taal vmbo vanaf CE 2017, via https://www.examenblad.nl/onderwerp/examenprogramma-s/2019.
  12. Van belang is dat toetsvraagstukken van meet af van aan bij curriculumontwikkeling wordt meegenomen. Zie Onderwijsraad (2018), Toets wijzer.
  13. Onderwijsraad (2017), Doordacht digitaal.
  14. Onderwijsraad (2016), De volle breedte van onderwijskwaliteit.
  15. Onderwijsraad, 2018.
  16. Onderwijsraad (2014), Een eigentijds curriculum.
  17. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2014), Toekomstgericht funderend onderwijs, kamerbrief 17 november 2014.
  18. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2017a), Vervolg curriculumherziening in het primair en voortgezet onderwijs, kamerbrief 10 februari 2017; Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2017b), Vervolgfase van de herziening van het curriculum voor het primair en voortgezet onderwijs, kamerbrief 7 juli 2017; Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2018.
  19. Zoals vakverenigingen, het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling (SLO), en het College voor Toetsen en Examens.
  20. Onderwijsraad, 2014.
  21. Van den Akker, J. (2018), Developing curriculum frameworks: A comparative analysis.
  22. Artikelen 32a van de WPO, 32a van de WEC, 36 van de WVO en 4.2.3 van de WEB.
  23. Nota van toelichting bij Besluit van 16 maart 2017 tot wijziging van het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel en het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel BES in verband met de herijking van de bekwaamheidseisen voor leraren en docenten, Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, jaargang 2017, nummer 148.
  24. De term scan is een acroniem voor stand van curriculair Nederland.
  25. Van den Akker, 2018.