Plezier in bewegen

10 september 2018 | Advies

Samenvatting

Te veel kinderen bewegen te weinig

Bijna de helft van de kinderen beweegt te weinig. Kinderen zitten urenlang per dag, spelen weinig buiten en fietsen steeds minder naar school. Dat is een gemiste kans: wie op jonge leeftijd plezier ervaart in sporten en bewegen, ontwikkelt dikwijls een actieve leefstijl op latere leeftijd. De gevolgen van bewegingsarmoede zijn merkbaar. Per generatie nemen de motorische vaardigheden af en neemt het overgewicht toe, en daarmee ook de kans op welvaartsziekten zoals diabetes type 2.

Veel scholen hebben beperkt sport- en beweegaanbod

Er is één plek waar alle kinderen samen komen: op school. Hoewel er goede voorbeelden zijn, bieden veel scholen sport en beweging beperkt aan. Scholen verschillen in hun visie op sport en beweging en daarmee ook in de kwantiteit en kwaliteit van het sport- en beweegaanbod voor hun leerlingen. Sommige scholen profileren zich als gezonde of sportieve school, met extra sport- en beweegaanbod, sportklassen en talentprogramma’s. Andere scholen beperken zich echter tot het geven van een of twee uur gymles, bouwen geen beweegmomenten in tussen de lessen en bieden geen sportieve activiteiten aan tijdens de pauzes. Het landelijke en lokale beleid heeft hierin de afgelopen jaren, ondanks verschillende stimuleringsmaatregelen, weinig verandering gebracht.

Verschillen leiden tot kansenongelijkheid

De verschillen tussen scholen in de aandacht die zij geven aan sporten en bewegen zijn te groot. Op termijn zal dit leiden tot kansenongelijkheid. Dit signaal is ook afgegeven door de onderwijsinspectie. Op scholen waar het aanbod onvoldoende is, kunnen leerlingen niet profiteren van de voordelen van bewegen. Vrijheid van onderwijs moet niet leiden tot vrijblijvendheid. De verschillen en ongelijkheid worden nog verder versterkt door het lokale en regionale overheidsbeleid. Gemeenten bepalen zelf hoe zij hun sport- en beweegbeleid vormgeven. Zij investeren meer of minder in sporten en bewegen op en rond scholen en nemen daarbij soms wel, maar soms ook geen rol in de coördinatie en samenwerking.

Landelijk beleid en wetgeving geven onvoldoende richting

Landelijk beleid en wetgeving geven onvoldoende richting aan sporten en bewegen op school. Subsidieregelingen van de rijksoverheid zijn vaak niet structureel van karakter en stimuleren vooral de voorlopers onder scholen en gemeenten. Wettelijke eisen op het gebied van sporten en bewegen – kerndoelen voor het primair en voortgezet onderwijs en kwalificatie-eisen voor het middelbaar beroepsonderwijs – zijn multi-interpretabel en kennen geen minimum aantal uren. De kwalificatie-eisen in het middelbaar beroepsonderwijs beperken zich vooral tot het opdoen van kennis over bewegen en gaan niet over het bewegen zelf. Scholen hebben vooral aandacht voor de kwalificerende functie van bewegen, dat wil zeggen: het aanleren van (een beperkt aantal) motorische vaardigheden. Het toezicht door de inspectie versterkt deze – volgens de raden te beperkte – focus op gymnastiek. De kerndoelen voor sport en bewegen zijn vakgericht in plaats van vakoverstijgend, zoals bij veel andere leergebieden wel het geval is. Ook in het nieuwe curriculum lijkt weer voor de vakgerichte aanpak te worden gekozen.

Drie raden geven samen advies

De Nederlandse Sportraad (NLsportraad), de Onderwijsraad en de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) achten de bovengeschetste ontwikkelingen ongewenst en zien hierin aanleiding om samen te adviseren over de rol van scholen op het gebied van sport en bewegen. In het advies richten de raden zich op het primair en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. Daarbij hanteren de raden een ruime definitie van sporten en bewegen: van beweegmomenten ter ondersteuning van de lessen en expressie tijdens dans en theater tot spelactiviteiten op het schoolplein en bewegingsonderwijs in het gymlokaal.

Centrale vragen in het advies zijn:

  • Wat mag worden verwacht van scholen op het gebied van sport en bewegen?
  • En wat is ervoor nodig om scholen in staat te stellen deze verwachting waar te maken?

Meer sporten en bewegen: voor onderwijsdoelen

In het advies concluderen de raden onomwonden dat het nodig is om meer aandacht te geven aan sport en bewegen op school. Niet alleen vanwege de gezondheid. Sporten en bewegen kunnen veel breder worden ingezet om onderwijsdoelen na te streven. Sport en beweging hoort een vanzelfsprekend en integraal onderdeel te zijn van het onderwijs dat erop gericht is leerlingen te kwalificeren (voorbereiden op werk of een vervolgopleiding), te socialiseren (leren omgaan met elkaar) en te vormen (persoonsvorming). Kinderen leren tijdens sport- en spelactiviteiten naast motorische vaardigheden ook gedragsnormen aan, leren samenwerken in een groep, krijgen meer zelfvertrouwen, leren hun leeftijdgenoten respecteren en ontwikkelen verantwoordelijkheid voor en controle op het eigen handelen. Het gaat de raden om alle vormen van sporten en bewegen, binnen en buiten de gymles. De raden stellen vast dat twee uur bewegingsonderwijs per week niet voldoende is om onderwijsdoelen na te streven, een actieve leefstijl bij kinderen en jongeren te ontwikkelen en cognitieve functies te stimuleren.

Meer sporten en bewegen: voor cognitieve functies

Lichamelijke beweging stimuleert de cognitieve functies. Voor de raden is dit een belangrijk argument om meer aandacht te geven aan sporten en bewegen. Beweging brengt acute en structurele veranderingen tot stand in de hersenstructuur, die een positief effect hebben op aandacht, concentratie en executieve cognitieve functies zoals planning en besluitvorming. Er zijn aanwijzingen dat bewegen een positieve invloed heeft op onderwijsprestaties. Bewegend leren in de klas is dan ook in opmars.

Meer sporten en bewegen: voor een actieve leefstijl

Hoe jonger kinderen op school worden aangemoedigd om veel en vooral plezierig te bewegen, hoe groter hun deelname aan sport- en beweegactiviteiten op latere leeftijd is. Scholen spelen een belangrijke rol in het aanleren van een actieve leefstijl. Het plezier in sporten en bewegen achten de raden essentieel; het is een van de belangrijkste succesfactoren voor een leven lang bewegen. Een gedifferentieerd aanbod dat inspeelt op de verschillen tussen kinderen is van groot belang. Een veilig pedagogisch klimaat, deskundige begeleiding, aantrekkelijk ingerichte ruimtes en veilige toestellen zijn randvoorwaarden.

Drie adviezen van de raden

Op basis van bovenstaande visie geven de NLsportraad, de Onderwijsraad en de RVS de volgende drie adviezen. De adviezen richten zich zowel tot scholen als tot lokale partners (zoals sportverenigingen en kinderopvangorganisaties), gemeenten en de rijksoverheid. Ieder heeft daarin een eigen rol. Het versterken van het sport- en beweegaanbod zien de raden als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle betrokken actoren.

1 Verscherp de wettelijke opdracht aan scholen en houd toezicht op deze opdracht

Om kansenongelijkheid tegen te gaan vinden de raden dat op iedere school een minimale basis aan sporten en bewegen moet worden geboden. De raden adviseren om leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs minimaal twee keer per dag een half uur matig intensief te laten sporten en bewegen. Deze norm komt overeen met de beweegrichtlijnen van de Gezondheidsraad. Conform deze beweegrichtlijnen geven de raden ook het advies om leerlingen drie keer per week bot- en spierversterkende oefeningen te laten doen en ervoor te zorgen dat leerlingen het zitten onderbreken. Daartoe adviseren de raden de minister van OCW om de wettelijke opdracht (kerndoelen en kwalificatie-eisen) aan scholen op het gebied van sport en bewegen aan te scherpen.

Tegelijkertijd adviseren de raden om scholen binnen het wettelijk kader voldoende gelegenheid te geven om het sporten en bewegen – in de ruimste definitie – naar eigen inzicht in te richten. Scholen moeten het sport- en beweegaanbod kunnen aanpassen aan de leerlingenpopulatie – met extra aandacht voor kwetsbare groepen - en het eigen didactisch en pedagogisch concept. Hun visie op sporten en bewegen kunnen scholen weergeven in het school- of instellingsplan (primair en voortgezet onderwijs) dan wel het strategisch beleidsplan (middelbaar beroepsonderwijs).

Op basis van de aangescherpte kerndoelen en de visie in het schoolplan (voor het middelbaar beroepsonderwijs: kwalificatie-eisen en beleidsplan) kan de inspectie vervolgens toezicht uitoefenen. Daarbij heeft de inspectie een waarborgende rol als het gaat om vastgelegde kerndoelen en kwalificatie-eisen en een stimulerende rol als het gaat om de uitvoering van het eigen school- of beleidsplan.

2 Verruim de mogelijkheden voor de inzet van personeel en benut inspirerende praktijkvoorbeelden

De raden zijn zich bewust van de knelpunten die in de praktijk bestaan, zoals een tekort aan vakleerkrachten, onvoldoende lokale samenwerkingspartners, gebrek aan financiële middelen, een te vol lesrooster en onvoldoende geschikte accommodaties.

Het tekort aan vakleerkrachten wordt vaak genoemd. De raden bevelen aan om tussen scholen of binnen gemeenten vakleerkrachten te ‘delen’ en – onder supervisie van vakleerkrachten – vaker andere experts een rol te geven in het sport- en beweegaanbod op school. De raden denken daarbij aan professionals met een mbo-opleiding sport en bewegen, buurtsportcoaches, trainers van sportverenigingen in de wijk en oud-topsporters. Belangrijk is dat het bewegingsonderwijs altijd onder verantwoordelijkheid van een bevoegde vak- of groepsleerkracht wordt gegeven, zodat daarmee de aansprakelijkheid van de school bij ongevallen is gedekt.

Ook voor de andere knelpunten bestaan creatieve oplossingen. Sporten en bewegen kunnen behalve in het gymlokaal ook plaatsvinden op school- en speelpleinen, veldjes en sportaccommodaties in de buurt. Sporten en bewegen kunnen worden geïntegreerd in het reguliere lesrooster. Digitale tools kunnen worden ingezet om leerlingen en leerkrachten te stimuleren en te ondersteunen. Er zijn veel inspirerende praktijkvoorbeelden, deels vindbaar op professionele internetplatforms. De raden adviseren de overheid om deze lerende platforms een impuls te geven en breed beschikbaar te stellen, zodat scholen worden ontzorgd en niet opnieuw het wiel hoeven uit te vinden.

3 Geef lokale samenwerking vorm en borg dit onder gemeentelijke regie

De raden adviseren scholen om beweegteams op te richten. Daarbij is van belang dat een beweegteam een trekker of coördinator heeft: bij voorkeur een vakleerkracht of een buurtsportcoach. Om het sport- en beweegaanbod op school te versterken, adviseren de raden aan scholen om hun organisatorisch netwerk uit te breiden en structurele samenwerking te zoeken met sport- en beweegaanbieders, organisaties voor kinderopvang en buitenschoolse opvang, bedrijven en maatschappelijke organisaties.

Dit gaat niet vanzelf en vraagt tijd en inzet; de raden zien daarbij een duidelijke taak voor gemeenten. Gemeenten hebben een belangrijke rol als procesregisseur, bijvoorbeeld bij de inzet van buurtsportcoaches en bij het zoeken naar oplossingen voor geschikte accommodaties. In alle gevallen dienen de gezamenlijke inspanningen erop gericht te zijn om vraag en aanbod bij elkaar te brengen.

Conclusie

De raden concluderen dat dagelijkse aandacht voor sport en bewegen in het onderwijs veel meer vanzelfsprekend moet en kan worden. Het onderwijs kan dit waarmaken met steun van lokale netwerken, gemeenten en de rijksoverheid.

1. Inleiding: wisselende aandacht voor sporten en bewegen op school

In juni 2018 constateerde het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) dat bijna de helft van de Nederlandse kinderen te weinig beweegt. Ook uit andere bronnen komen zorgen naar voren over de bewegingsvaardigheid en gezondheid van kinderen. Dit leidt onder meer tot meer aandacht voor sporten en bewegen, ook in het onderwijs. Wat kan er van onderwijsinstellingen worden verwacht met betrekking tot sporten en bewegen en wat hebben zij nodig om die verwachtingen waar te maken?

Een deel van de scholen biedt naast gymnastieklessen ook andere sport- en beweegactiviteiten aan, onder schooltijd of tijdens sportevents zoals sportdagen, Koningsspelen en Olympic Moves. Een ander deel van de scholen beperkt zich tot het verplichte vak bewegingsonderwijs (gym).1 Scholen mogen zelf invulling geven aan het bewegingsonderwijs. Het verplichte aantal uren gym per week is niet vastgelegd in de wet. Dit zorgt voor grote verschillen in het aantal gymlessen op scholen. In het middelbaar beroepsonderwijs worden de laatste jaren verwoede pogingen gedaan sport- en bewegingsonderwijs te herintroduceren, nadat de verplichting hiertoe in de jaren negentig van de vorige eeuw was beëindigd. Ook voor het middelbaar beroepsonderwijs is er geen wettelijke opdracht om een bepaald aantal uren in de week te sporten of te bewegen.

Wat is de wettelijke opdracht van scholen?

Nederland kent geen nationaal curriculum. Wel legt de overheid kwaliteitsstandaarden neer in wettelijke deugdelijkheidseisen. Dergelijke eisen bestaan uit kaders (eisen aan leraren, organisatie, schooltijden en dergelijke) en inhoudelijke opdrachten waaraan elke instelling in een bepaalde onderwijssector moet voldoen, zoals kerndoelen voor het primair en voortgezet onderwijs. Voor het middelbaar beroepsonderwijs zijn globale leerdoelen geformuleerd in kwalificatie-eisen.

Voor het primair en voortgezet onderwijs zijn kerndoelen voor het bewegingsonderwijs (gym) vastgelegd in de WPO (Wet op het primair onderwijs) en de WVO (Wet op het voortgezet onderwijs). Het speciaal onderwijs kent aparte kerndoelen, vastgelegd in de WEC (Wet op de expertisecentra), vanwege de specifieke kenmerken van de leerlingen in dit type onderwijs.2 In het middelbaar beroepsonderwijs vormt sporten en bewegen onderdeel van de generieke kwalificatie-eisen vitaal burgerschap (gezondheid; zorg voor eigen vitaliteit en fitheid).

De kerndoelen voor het bewegingsonderwijs regelen niet hoeveel uren bewegingsonderwijs leerlingen moeten krijgen. Hetzelfde geldt voor het aantal lessen vitaal burgerschap in het middelbaar beroepsonderwijs. Dit is aan scholen zelf. Wel is in 2014 in het bestuursakkoord tussen de PO-Raad en het ministerie van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) de afspraak opgenomen dat alle scholen in het basisonderwijs eind 2017 minimaal twee lesuren bewegingsonderwijs door een bevoegde (vak)leerkracht verzorgen – en dat ze streven naar drie lesuren.3 Voor het voortgezet onderwijs is wettelijk bepaald dat er een “acceptabele hoeveelheid onderwijstijd” moet zijn voor lichamelijke opvoeding en dat scholen in elk leerjaar lichamelijke opvoeding geven en de lessen spreiden over de weken in het schooljaar. De situatie op 1 augustus 2005 is voor het wekelijkse aantal lesuren het uitgangspunt.4 Gelet op het op die datum geldende inrichtingsbesluit komt dat volgens de inspectie neer op 2,5 lesuren voor vmbo, 2,2 lesuren voor havo en 2 lesuren voor vwo.5 Tot slot hebben mbo-scholen zich gecommitteerd aan de doelstelling van het Masterplan Bewegen & Sport om vijf procent van de onderwijstijd aan beweging te besteden.6 Dit komt neer op één klokuur per week, tenzij de student stage loopt.

Ook de inhoud van het onderwijs is niet precies beschreven. De verantwoordelijkheid voor de inhoudelijke invulling ligt in principe bij de schoolbesturen. De kerndoelen zijn streefdoelen (aanbodsdoelen) waar scholen zich op dienen te richten bij de ontwikkeling van hun lesprogramma. De kwalificatie-eisen in het middelbaar beroepsonderwijs betreffen globaal geformuleerde leerdoelen. Zij laten de mbo-instellingen voldoende ruimte om binnen de formele kaders het onderwijsprogramma per opleiding af te stemmen op de doelgroep.7

Voor het primair en voortgezet onderwijs geldt hiernaast de verplichting om aan kennisoverdracht over gezondheid te doen. Zo luidt kerndoel 34 van het leergebied Mens en Natuur voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs: “De leerling leert hoofdzaken te begrijpen van bouw en functie van het menselijk lichaam, verbanden te leggen met het bevorderen van lichamelijke en psychische gezondheid, en daarin een eigen verantwoordelijkheid te nemen.”8 Onderwijs op dit gebied wordt in het voortgezet onderwijs meestal vormgegeven binnen biologie en/of verzorging.

De roep om jongeren via het onderwijs tot een actieve leefstijl te bewegen leidt tot discussie over de gewenste omvang en invulling van het bewegings- en sportonderwijs op scholen. Is het nodig om strikte regels in te voeren of druist dit in tegen de vrijheid van onderwijs en de autonomie van scholen? Hebben scholen een maatschappelijke opdracht als het gaat om sport en bewegen? En zo ja, hoe kunnen zij dan aan die maatschappelijke opdracht voldoen en wat hebben zij daarvoor nodig?

1.1 Aanleiding: kinderen bewegen te weinig, ook op school

Er komen steeds meer geluiden uit de samenleving dat Nederlandse kinderen te weinig bewegen. Dagbladen en nieuwszenders gebruiken grote koppen als Kinderen klunziger, Schoolkinderen fietsen te weinig en Kinderen zijn in vijf jaar aanzienlijk minder buiten gaan spelen.9 Bijna de helft van de vier- tot twaalfjarigen haalt het niet om elke dag minstens een uur aan beweging te doen.10 Ook andere bronnen bevestigen dat kinderen steeds minder zijn gaan bewegen: ze spelen bijvoorbeeld minder buiten.11 Deze geluiden, gecombineerd met een toenemend aantal kinderen dat kampt met overgewicht12, leiden tot merkbaar meer aandacht voor het onderwerp bewegen, ook onder beleidsmakers.13 In het sport- en onderwijsbeleid is steeds meer aandacht voor preventief gezondheidsbeleid. Hieraan kan het bewegings- en sportonderwijs een bijdrage leveren.

Veel aandacht in overheidsbeleid voor mogelijkheden sporten en bewegen

Voor de overheid is het stimuleren van een actieve en gezonde leefstijl al jaren een hoofddoelstelling van het sportbeleid.14 Het kabinet-Rutte III spreekt ook de ambitie uit om meer in te zetten op preventie en gezondheidsbevordering.15 Scholen zijn dé plek waar alle kinderen samenkomen en krijgen daarom een belangrijke plaats in het beleid gericht op meer bewegen. Dit stimuleringsbeleid is vertaald in een groot aantal programma’s, projecten en subsidieregelingen, direct of indirect gericht op scholen.16 Naast ondersteuning van scholen (zoals het programma Gezonde School en het inmiddels afgeronde project VMBO in beweging)17, probeert de overheid via gemeentelijke impulsfinanciering de sport- en beweeginfrastructuur rondom scholen en wijken te versterken. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de Brede impuls combinatiefuncties en de Stimuleringsregeling multifunctionele (sport)accommodaties.

Maar de mate waarin en waarom er op scholen wordt bewogen verschilt sterk

Hoewel er veel mooie initiatieven zijn, bestaan er tussen scholen verschillen in de hoeveelheid tijd die ze besteden aan gymlessen. Een derde van de basisscholen realiseert bijvoorbeeld maar één les bewegingsonderwijs per week. De gymles wordt ook lang niet altijd door een vakleerkracht gegeven.18 Vanuit de Tweede Kamer zijn daarom stemmen opgegaan om basisscholen te verplichten om aan al hun leerlingen drie keer per week gymles door bevoegde vakleerkrachten aan te bieden.19 Kinderen brengen bovendien veel tijd op school zittend door.20 Er zijn nog niet veel scholen waar bijvoorbeeld met statafels wordt gewerkt. Wel wordt er steeds meer onderzoek gedaan naar de voordelen van statafels, ook in scholen.21

Naast verschillen in de mate van bewegen streven scholen ook verschillende doelen met sporten en bewegen na. Sommige scholen profileren zich als gezonde school. Zij vragen bijvoorbeeld het themacertificaat bewegen & sport binnen het programma Gezonde School aan.22 Andere scholen richten zich op verbetering van de motoriek van leerlingen of ze gebruiken sport en bewegen als middel om de sociale binding tussen leerlingen en met de school te bevorderen. Daarnaast experimenteren steeds meer scholen met bewegen in de les als een middel om de leerprestaties voor rekenen en taal te bevorderen.23 Dit vanuit de gedachte dat bewegen tijdens de les van positieve invloed is op de hersenactiviteit, en daarmee mogelijk ook op de leerprestaties. Deze mogelijke positieve effecten van bewegen worden vaak genoemd in beleidsnota’s en onderzoeksverslagen.24 Naast initiatieven die voor alle leerlingen bedoeld zijn, zijn er ook programma’s voor leerlingen die hun talenten op het gebied van sport al hebben bewezen. Zo zijn er scholen met sportklassen en scholen die hun onderwijsprogramma hebben afgestemd op topsportende leerlingen.25 Er is dus al een redelijk aantal scholen die op verschillende manieren leerlingen stimuleren tot sport- en bewegingsactiviteiten. In het algemeen gebeurt dit echter nog onvoldoende structureel en is de inzet vrijblijvend.

De rol van de inspectie is beperkt tot het bewegingsonderwijs en vitaal burgerschap

De onderwijsinspectie richt zich in haar toezicht op sporten en bewegen vooral op de kwaliteit van het bewegingsonderwijs. Dit blijkt uit het recente rapport Peil. Bewegingsonderwijs, 2018, waarin de inspectie concludeert dat kinderen slechter bewegen dan tien jaar geleden.26 De rol van de inspectie beperkt zich in principe tot de beoordeling of aan de wettelijke deugdelijkheidseisen (waaronder de kerndoelen) is voldaan. De inspectie kan daarnaast vanuit haar stimulerende toezichtkader kijken naar wat de scholen zelf aanbieden, onder de noemer eigen aspecten van kwaliteit. Hierbij gaat het echter alleen om doelen en ambities van het schoolbestuur, bovenop de wettelijke eisen.27 Deze eigen aspecten van kwaliteit hebben geen wettelijke basis en zijn daarom in juridische zin vrijblijvend. Deze vrijblijvendheid draagt er ook aan bij dat de inspectie slechts beperkt kan sturen op het stimuleren van sporten en bewegen op scholen waar dat nog niet voldoende en te ad hoc gebeurt.

1.2 Vraag: wat kan maatschappelijk van het onderwijs worden verwacht op het gebied van sporten en bewegen?

Zoals paragraaf 1.1 laat zien, is er al aandacht voor het stimuleren van sporten en bewegen onder de Nederlandse jeugd én voor de rol van scholen hierin. Wel is onduidelijk hoeveel en wat scholen precies doen, kunnen doen en willen doen. Gelet op de huidige situatie hebben de Nederlandse Sportraad (NLsportraad), de Onderwijsraad en de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) de volgende vraag geformuleerd:

Wat kan van het onderwijs worden verwacht op het gebied van sporten en bewegen?

Hoofdstuk 2 geeft antwoord op deze vraag. Daarnaast gaat dit advies ook in op de vraag wat ervoor nodig is om scholen in staat te stellen deze verwachting waar te maken. De hoofdstukken 3 t/m 5 gaan hierop in.

Afbakening

Dit voorstel kwam tot stand op initiatief van de drie adviesraden: de NLsportraad, de Onderwijsraad en de RVS.

Het advies gaat zowel over vormen van sport als over bewegen en omvat daarmee een veelheid aan activiteiten (zie kader). In het onderwijs gaat het concreet om het bewegingsonderwijs in het primair en voortgezet onderwijs, beweeg- en sportlessen in het middelbaar beroepsonderwijs (al dan niet in het kader van vitaal burgerschap), sport- en bewegingsactiviteiten (tijdens de lessen) en het gebruik van bepaalde (kunstzinnige) bewegingsvormen, zoals euritmie, dans, bewegen in de klas en bewegen gericht op het verbeteren van aandacht, concentratie en gedrag. Dit advies richt zich op al deze vormen.

Wat is sporten en bewegen in dit advies?

Onder de definitie van sporten en bewegen valt een grote hoeveelheid activiteiten. Bij bewegen gaat het om verschillende vormen van fysieke activiteit, ongeacht de wijze waarop dit plaatsvindt. Het omvat zowel activiteiten als springen, traplopen, wandelen en lopen als dans en bewegingstheater (kunstzinnig bewegen). Bij sport gaat het in veel gevallen om meer georganiseerde vormen van bewegen waarin vaak ook een prestatie wordt nagestreefd, in competitieverband of recreatief.28 Hoewel deze aspecten van sport inzicht bieden in de definities, leiden ze ook tot vragen. Vallen denksporten ook hieronder?29 Is hardlopen – zonder een prestatie na te streven – ook sport? Sommige wetenschappers kiezen daarom bewust ervoor om de term sport niet te definiëren, maar geven een ordening van sportactiviteiten die onder de definitie van sport vallen, zoals tennis, voetbal en hockey.30

Uit deze beschrijvingen blijkt dat sporten en bewegen elk op hun eigen manier van waarde zijn. Bij bewegen ligt de nadruk op de waarde van fysieke activiteit, bijvoorbeeld voor het aanleren van motorische vaardigheden, creativiteit en mentale alertheid. Bij sporten ligt de nadruk op de waarde van fysieke activiteiten, competitie, samenwerken en het sociale karakter van sporten. Ook binnen deze beschrijvingen is er onderscheid.

Sporten en bewegen vormt onderdeel van een gezonde leefstijl. Daarbij horen ook gezonde voeding en een rookvrije schoolomgeving. Scholen die zich inzetten om een gezonde leefstijl te stimuleren, bieden in de praktijk vaak een combinatie aan van sport, voeding en bewegen. Het feit dat dit advies zich beperkt tot de domeinen sporten en bewegen betekent niet dat de andere aspecten van een gezonde leefstijl volgens de raden geen of minder aandacht nodig hebben. In 2009 vroeg de Onderwijsraad hier al eens expliciet aandacht voor, samen met de Raad voor Volksgezondheid en Zorg en de Raad voor het Openbaar Bestuur.31

Totstandkoming

Ter voorbereiding op dit advies is uitgebreid literatuuronderzoek gedaan. Daarnaast hebben consultaties met groepen betrokkenen en individuele deskundigen plaatsgevonden en zijn werkbezoeken afgelegd. Ook organiseerden de drie raden gezamenlijk een dialoog op basisschool De Springbok in Den Haag. Deze werd bezocht door meer dan tachtig deelnemers afkomstig uit verschillende onderwijssectoren, wetenschap, gemeenten en private en maatschappelijke (sport)organisaties. Tot slot maakten de raden gebruik van verschillende expertises van de raadsleden uit de drie raden (onderwijspraktijk, pedagogiek, neuropsychologie, onderwijsrecht, economie, sociologie en bestuurskunde) en kennis en ervaring op het gebied van topsport en sportbegeleiding. Ook zijn schriftelijke bijdragen gebruikt die zij ontvingen naar aanleiding van de werkbezoeken en de dialoog en individuele gesprekken. Een overzicht van geraadpleegde literatuur en deskundigen is te vinden achterin dit advies.

2. Maak bewegen op elke onderwijsinstelling vanzelfsprekend

Hoewel er al een aantal goede voorbeelden is, bieden veel scholen sport en bewegen nog te beperkt aan. Het vanzelfsprekend maken van bewegen op scholen – ook buiten de gymles – is daarom nodig. Scholen, rijksoverheid, gemeenten en sportverenigingen kunnen het samen mogelijk maken dat er meer aandacht komt voor sporten en bewegen op school.

Leerlingen doen noodzakelijke motorische vaardigheden op in de gymles en leren over de waarde van bewegen voor een gezonde leefstijl. Maar bewegen kan veel méér voor ze betekenen. Bewegen helpt kinderen in hun sociale en culturele socialisatie en vorming als persoon. En het draagt bij aan de preventie van latere ouderdomsziekten en de ontwikkeling van cognitieve functies. Maar daarnaast is bewegen vooral ook leuk om te doen. Als kinderen er plezier aan beleven, is er meer kans dat ze thuis en elders blijven bewegen, ook op latere leeftijd.

De NLsportraad, de Onderwijsraad en de RVS vinden meer aandacht voor sport en beweging in het onderwijs uiterst belangrijk. Sporten en bewegen hoort vanzelfsprekend onderdeel te zijn van het onderwijs dat erop gericht is leerlingen te kwalificeren (voorbereiden op werk of een vervolgopleiding), te socialiseren (leren omgaan met elkaar) en te vormen (persoonsvorming). Een kind dat tijdens sport- of spelactiviteiten bewegingsvaardigheden opdoet, leert tegelijkertijd over gedragsnormen en -waarden binnen een groep, krijgt meer zelfvertrouwen, leert leeftijdgenoten van uiteenlopende achtergronden kennen en ontwikkelt verantwoordelijkheid voor haar of zijn handelen. Uit de onderzoeksliteratuur blijkt dat hoe vaker het zitten wordt onderbroken, hoe groter de kans is dat ouderdomssuiker op latere leeftijd voorkomen kan worden.32 Preventie voor allerlei narigheid op latere leeftijd ligt bij voorlichting en zo vroeg mogelijk starten met bewegen.

Hoewel het bevorderen van een gezonde leefstijl op zichzelf niet tot de opdracht van het onderwijs behoort, achten de raden preventie een belangrijke opbrengst van sporten en bewegen op scholen. Een matig intensief bewegingsaanbod op scholen kan zo bijdragen aan een betere volksgezondheid.

Het versterken van het bewegingsaanbod is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van scholen, rijksoverheid, gemeenten en sportverenigingen. De verschillen tussen scholen in de aandacht die zij geven aan sporten en bewegen zijn nu te groot. Gezien het belang van sporten en bewegen kan een mager aanbod op scholen leiden tot kansenongelijkheid. Op scholen waar dit aanbod onvoldoende is, kunnen leerlingen niet profiteren van de voordelen van bewegen.

Dit hoofdstuk beargumenteert waarom een intensiever bewegingsaanbod nodig is. In de volgende hoofdstukken (3 t/m 5) staan aanbevelingen om dit in praktijk te brengen en scholen beter in staat te stellen om doelen met betrekking tot sporten en bewegen te realiseren.

2.1 Bewegen kan nog beter doorwerken in de brede opdracht van het onderwijs

Sporten en bewegen in het onderwijs is méér dan gymnastiek alleen. Nu krijgt sporten en bewegen vooral vorm in het bewegingsonderwijs binnen de gymzaal. Sporten en bewegen vormt onderdeel van de bredere opdracht aan het onderwijs.

Het onderwijs heeft al een brede opdracht

Het onderwijs draagt nu al zorg voor die brede ontwikkeling. Leerlingen moeten zich op cognitief, sociaal-emotioneel, cultureel en lichamelijk gebied optimaal kunnen ontplooien en voorbereiden op hun verdere leven. Dit uitgangspunt komt ook in algemene zin terug in de onderwijswetgeving.33

In het advies Over de volle breedte van onderwijskwaliteit (2016) constateerde de Onderwijsraad dat er weliswaar meer aandacht is vanuit de overheid en de onderwijspraktijk voor de brede opdracht van scholen, maar dat er nog te weinig richting aan wordt gegeven.34 Volgens de Onderwijsraad omvat de brede opdracht drie samenhangende doeldomeinen van onderwijs, te weten kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming (zie kader). Ook in dit advies benadrukken de drie raden dat de opdracht van het onderwijs niet beperkt is tot het bijbrengen van kennis, vaardigheden en houdingen. Scholen hebben ook als taak normen, waarden, tradities en gebruiken over te dragen en leerlingen te helpen bij hun ontwikkeling tot zelfstandige, verantwoordelijke personen. Deze visie op het 'waartoe' van het onderwijs vormt een belangrijk uitgangspunt van dit advies. De raden zijn van mening dat de doelen die zij formuleren ten aanzien van het sport- en bewegingsonderwijs onderdeel zijn van deze brede opdracht van het onderwijs en bijdragen aan een betere kwaliteit van het onderwijs.

Visie op de brede opdracht van het onderwijs

Het onderwijs draagt volgens de drie raden en zoals eerder verwoord door de Onderwijsraad (2016a) bij aan drie doeldomeinen: kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming.

Bij kwalificatie gaat het om het verwerven van inhoudelijke kennis, vaardigheden (waaronder praktische, technische, culturele en sociale vaardigheden) en houdingen waarmee mensen kunnen functioneren in het beroepsleven of in een vervolgopleiding. Belangrijke bestanddelen voor kwalificatie zijn generieke cognitieve componenten (zoals basisvaardigheden rekenen, wiskunde en taalbeheersing), vakspecifieke kennis en vaardigheden (zaakvakken) en, in latere fasen van de schoolloopbaan, generieke en specifieke beroepsvaardigheden en houdingen.

Het doeldomein socialisatie gaat om de overdracht van maatschappelijke normen en waarden. Aangezien kinderen een groot deel van hun jeugd doorbrengen op school, speelt de school ook een belangrijke rol in de overdracht van tradities, culturen en praktijken, met inbegrip van beroepsculturen en -praktijken. Het doel is om leerlingen zich betrokken te laten voelen bij zulke praktijken en ze er effectief en betekenisvol in te leren participeren.

Het derde doeldomein van het onderwijs bestaat uit persoonsvorming. Hierbij gaat het om de manier waarop onderwijs bijdraagt aan de ontwikkeling van zelfstandigheid, de wording van het individu. Een leerling wordt meer onafhankelijk in zijn of haar denken en doen, los van bestaande tradities en praktijken, en ontwikkelt het vermogen om zich als autonoom persoon op verantwoordelijke wijze tot de maatschappij te verhouden.

Sporten en bewegen maakt deel uit van deze opdracht

Sporten en bewegen is belangrijk en ondersteunt de ontwikkeling van kinderen binnen de hierboven genoemde doeldomeinen. In de praktijk gaan de drie doeldomeinen hand in hand, mits er een goede balans is. De drie raden zijn van mening dat sporten en bewegen ook buiten de gymles leerlingen ondersteunt. Zij zien dit als volgt voor zich.

  • Kwalificatie. Fijne en grove motorische vaardigheden (hand- en vingervaardigheden, evenwicht, coördinatie en oog-handcoördinatie) helpen kinderen om te functioneren in beroepssituaties en in de samenleving. Bewegingsvaardigheden die zijn aangeleerd in de gymles stellen leerlingen in staat schrijfmateriaal of ander gereedschap juist te hanteren en dus een correcte schrijf- en werkhouding aan te nemen. Meer impliciet geeft het onderwijs leerlingen kennis mee over de samenhang tussen lichamelijke inspanning en gezondheid. Kinderen leren wat er nodig is om een fysieke basisconditie op te bouwen en te onderhouden, en welke specifieke vaardigheden nodig zijn voor een bepaalde sport. Ook leren ze bewegen binnen veilige grenzen.
  • Socialisatie. Sporten in schoolverband levert een bijdrage aan de persoonlijkheidsontwikkeling en bereidt leerlingen voor om actief lid te worden van onze samenleving. Via de sport worden kinderen ingeleid in normen en waarden omtrent sportiviteit, teamwork (samenwerken), acceptatie en respect. Ze ontdekken waar ze goed in zijn en leren te presteren binnen een team. Zo kunnen ze hun eigen plek (identiteit en individualiteit) vinden in bestaande culturen en praktijken en hun zelfvertrouwen vergroten – mits er sprake is van positieve ervaringen, plezier en betrokkenheid van alle deelnemers.35 Sporten in schoolverband is ook een goede manier om op directe wijze leeftijdgenoten met uiteenlopende achtergronden te leren kennen en te respecteren. Kansrijke en kansarme kinderen spelen buiten schooltijd nog nauwelijks samen buiten.36 Via het onderwijs kunnen ze in gemengde groepen sporten en buitenspelen, hetgeen bijdraagt aan sociale integratie. Ook hier moet dan wel sprake zijn van positieve ervaringen, in dit geval tussen kinderen uit verschillende culturen.37
  • Persoonsvorming. Persoonsvorming gaat over het ontdekken van de eigen vrijheid en de verantwoordelijkheid die ermee gepaard gaat.38 Het gaat bijvoorbeeld om de vraag hoe kinderen leren verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen leven. Binnen sport – bijvoorbeeld teamsport – kunnen ze oefenen met wat het betekent om zichzelf tot anderen te verhouden, te ervaren dat spelregels belangrijk zijn, en dat het in sport ook gaat om eerlijk spel, en om winnen en verliezen. Sporten en bewegen brengen leerlingen in contact met elkaar en met hun eigen krachten. Zo leren ze te oefenen met fysieke ‘afstand en nabijheid’ en te ervaren wat pijn doet en wat niet. Bewegen is belangrijk om de eigen krachten als het ware onder controle te krijgen, zodat ze niet ongericht en destructief zijn.39

Daarnaast heeft bewegen positieve invloed op cognitieve functies

Lichamelijke beweging lijkt bovendien het functioneren van de hersenen positief te beïnvloeden. Er zijn aanwijzingen dat bewegen invloed heeft op cognitieve onderwijsprestaties (bijvoorbeeld op het terrein van taal en rekenen). Voor de positieve relatie tussen bewegen en rekenprestaties is recent meer wetenschappelijk bewijs geleverd.40 Het in conditie houden van de hersenen verkleint mogelijk ook het risico op bepaalde neurologische aandoeningen.41 Beweging brengt acute en structurele veranderingen tot stand in de hersenstructuur die een positief effect hebben op de executieve cognitieve functies van een kind (zoals planning, besluitvorming en bijsturing van gedrag). Vermoedelijk komen de veranderingen ook de aandacht en concentratie ten goede.42 Uit onderzoek blijkt verder dat hoe beter iemand bepaalde bewegingsvaardigheden beheerst, hoe groter de positieve effecten op deze functies zijn.43 Complex bewegen is daarbij belangrijker dan bewegen op zich. De complexiteit van de beweging kan door verschillende factoren toenemen. Allereerst als de uit te voeren beweging op zichzelf ingewikkelder wordt qua samenspel van bijvoorbeeld kracht, lenigheid en timing. Verder wordt bewegen complexer onder tijdsdruk. Tot slot neemt de complexiteit toe als de omgeving voortdurend verandert en de keuze voor de uitvoering van een bepaalde beweging mede afhangt van tegenstanders en teamgenoten. Daarnaast blijken doelgericht bewegen (het stellen van doelen als het verwerken van feedback uit de omgeving) en een uitdagende leeromgeving essentieel.44 ‘Bewegend leren in de klas’, dus de integratie van bewegen met taal- of rekentaken, is dan ook steeds meer in opmars (zie kader).

Voorbeelden bewegend leren

Verschillende organisaties bieden scholen en leraren hulp bij bewegend leren in de vorm van uitgewerkte programma’s. Voorbeelden zijn:

  • De actieve rekenmethode Met sprongen vooruit van het Menne-Instituut.
  • De taal- en rekendans, waarbij peuters en kleuters bezig zijn met taal of rekenen en tegelijkertijd dansen en bewegen.45
  • De speelpleinmethode Beweegwijs voor het vormgeven van een rekenplein.
  • Het programma Jonglerend leren rekenen van Calo Windesheim.46
  • Het programma Fit & Vaardig. Dit programma is recent ontwikkeld op basis van wetenschappelijk onderzoek en integreert fysieke activiteit op school in de les.47 Vanuit het programma Sportinnovator van ZonMw is door Embedded Fitness een trampolinegame ontwikkeld waarbij kinderen al springend rekensommen kunnen doen.48

2.2 Jong geleerd is (vanzelf) oud gedaan

Sporten en bewegen is niet alleen goed voor de ontwikkeling van kinderen, maar ook, mits verantwoord uitgevoerd, voor hun gezondheid. Zoals gezegd in de inleiding van dit hoofdstuk: de zorg voor de gezondheid van leerlingen behoort op zichzelf niet tot de opdracht van het onderwijs. Wel kan het onderwijs hieraan een positieve bijdrage leveren.49 Hoe jonger kinderen op school worden aangemoedigd meer en plezierig te bewegen, hoe groter hun deelname aan sport- en bewegingsactiviteiten op latere leeftijd.50 Vroege stimulering kan dus helpen de (toenemende) gezondheidsverschillen tussen lager en hoger opgeleiden51 te verkleinen. Scholen bereiken immers álle kinderen. Bovendien kan meer bewegen op school een positief effect hebben op de volksgezondheid in het algemeen. De directe kosten van de zorg door overgewicht worden geschat op 1,2 miljard euro en de indirecte kosten op 2 miljard euro.52 In 2007 is berekend dat 1,5 procent van de totale zorgkosten (907 miljoen euro) toegeschreven kan worden aan onvoldoende bewegen.53 Omgekeerd zullen gezondere en fittere kinderen beter in staat zijn om essentiële bewegingsvaardigheden aan te leren. Sporten en bewegen op school kan zo dus de gezondheid verbeteren en vice versa. Daarnaast helpt bewustwording van de effecten van bewegen leerlingen om voor zichzelf te zorgen en (gezonde) keuzes te maken in het leven. Kennisoverdracht over gezondheid vormt overigens wel onderdeel van de wettelijke opdracht van basis- en middelbare scholen (zie de inleiding op hoofdstuk 1: de wettelijke opdracht van scholen).

Plezier is essentieel

Goed leren bewegen op een plezierige manier is voor kinderen op jonge leeftijd dus essentieel. Op school kunnen leerlingen leren wat de betekenis is van bewegen en kunnen ze idealiter kiezen uit een scala aan mogelijkheden voor sport en beweging – die ook een basis kunnen vormen voor verdere uitbouw in de vrije tijd. De raden zijn zich bewust van de mogelijke verschillen tussen scholen in verstedelijkte gebieden en scholen op het platteland met een keur aan sportvelden en sportactiviteiten. Echter ook daar geldt dat niet alle scholen alle mogelijkheden gebruiken of bezitten om te komen tot een betere invulling dan nu van sporten en bewegen in het onderwijs. Veilig bewegen is in alle gevallen belangrijk. Er is bijvoorbeeld een deskundige en bevoegde leraar nodig voor het gymonderwijs, evenals gebruiksvriendelijk ingerichte ruimtes met veilige toestellen.54 Een veilig pedagogisch klimaat hoort ook bij het bewegingsonderwijs. ​Leerlingen die zich gewaardeerd voelen en op hun eigen niveau kunnen bewegen, krijgen er vanzelf plezier in.55 Zo’n veilig klimaat is dus een voorwaarde om goed te kunnen leren.56

Plezier in bewegen op jonge leeftijd is één van de belangrijkste succesfactoren voor een leven lang bewegen, en ook voor sporten.57 Ook hiervoor geldt: hoe eerder kinderen plezier ervaren, hoe leuker ze het vinden en hoe langer ze blijven bewegen. Bij sporten kan het competitie-element in de weg staan van het beleven van plezier; niet iedereen is er immers even goed in. Wetenschappers geven in dit verband aan dat positieve sportervaringen op school afhangen van de manier waarop sport wordt aangeboden. Dat kan ook zonder onderlinge competitie. Ergens ‘goed’ in zijn of de kans krijgen er beter in te worden, is essentieel.58 Daarbij is het dus belangrijk dat scholen inspelen op de verschillen tussen kinderen. Voor alle kinderen moet het leuk zijn om te bewegen op school. Dat kan bijvoorbeeld vragen om een gedifferentieerd of minder competitief aanbod. Daarnaast kan spel, als onderdeel van bewegingsonderwijs, een stimulerende werking hebben.59 Een omgeving waarin positieve ervaringen centraal staan en waarin de trainer of leraar positief coacht en beschikt over goede communicatievaardigheden, kan hieraan bijdragen.60 Dit betekent overigens niet dat de drie raden van mening zijn dat er geen aandacht moet zijn voor topsport en het stimuleren van talenten voor topsport. Differentiatie en oog voor verschillen tussen leerlingen is van groot belang.

Scholen zijn niet alleen verantwoordelijk

Het onderwijs krijgt er met de door de raden beoogde aandacht voor sporten en bewegen nadrukkelijk geen ‘extra’ taak bij. Sporten en bewegen maken volgens de raden onderdeel uit van de brede opdracht van het onderwijs. Het is tegelijkertijd geen exclusieve taak van scholen en schoolbesturen. Scholen en ouders zijn samenwerkingspartners in de opvoeding en ontwikkeling van kinderen.61 Scholen die kinderen aanmoedigen om blijvend en langdurig (ook na hun schoolloopbaan) te bewegen, al dan niet in combinatie met een bepaalde sportbeoefening, zijn daarin alleen succesvol als ook ouders en opvoeders een inspanning leveren. Daarnaast worden bijdragen verwacht van de sportsector, gemeenten, provincies, bedrijven en maatschappelijke organisaties.62

2.3 Ongelijke kansen door verschillen in aanbod tussen scholen

Scholen krijgen veel vrijheid om sporten en bewegen in hun programma’s vorm te geven. Dit past bij de vrijheid van onderwijs, maar het brengt ook verschillen tussen scholen en soms vrijblijvendheid met zich mee. De drie raden vinden dat op elke school een minimale basis aan sporten en bewegen zou moeten worden aangeboden. Scholen kunnen vanuit hun eigen visie zelf keuzes maken over de inhoudelijke invulling.

Er zijn scholen die het goed doen, maar er zijn ook scholen die te weinig doen aan bewegingsonderwijs (in aantal uren én in kwaliteit) of die een te gering aanbod sport- en bewegingsactiviteiten hebben. Dit leidt mogelijk tot ongelijke kansen tussen leerlingen. Dit signaal is ook afgegeven door de inspectie. Basisscholen laten aanzienlijke verschillen zien in de totaalscores en prestaties van leerlingen op bewegingsvaardigheid. Een groot deel van die verschillen is toe te schrijven aan leerlingkenmerken, maar de school zelf en de geboden activiteiten spelen ook een rol. Zo is het type leerkracht voor groep 8 (wel/niet vakleerkracht en mate waarin deze leraar zich ambassadeur van het bewegingsonderwijs voelt) van invloed op de totaalscore voor bewegingsvaardigheid.63 Bij gelijke onderwijskansen gaat het de raden niet om het generen van gelijke uitkomsten (allemaal topsporters bijvoorbeeld), maar om het generen van gelijke kansen voor iedereen op het best mogelijke bewegings- en sportonderwijs.64

Veel of weinig doen aan bewegen hangt samen met een visie op sporten en bewegen

Een toenemend aantal scholen maakt bewegen inmiddels tot speerpunt van hun onderwijs; zij doen er veel aan. Zo hebben in 2017 449 van de in totaal 954 ‘gezonde basisscholen’ het themacertificaat bewegen & sport gekregen.65 In 2018 hebben tot dusver 160 vo-scholen en 38 mbo-scholen dit certificaat behaald.66 Andere scholen profileren zich met sporten en bewegen via sportklassen en actieve pauzeactiviteiten. Deze scholen hebben gemeen dat ze meestal werken vanuit een heldere visie op bewegen en zorgen samen met andere partijen voor een sport- en bewegingsaanbod op school (zie kader). Steeds meer scholen hanteren daarbij aangepaste schooltijden (bijvoorbeeld een verlengde schooldag) en gaan de samenwerking aan met kinderopvang, sportverenigingen en andere organisaties.67

Goede voorbeelden van gestructureerde programma’s met visie op sporten en bewegen

OBS Bloemhof: brede opvatting van vakmanschap

OBS Bloemhof is een basisschool in Rotterdam met twee locaties en ruim 300 leerlingen. Vanuit de filosofie ‘leren doe je met je lichaam’ maken verschillende vormen van bewegen onderdeel uit van het onderwijsprogramma. Het wordt vormgegeven met het programma fysieke integriteit van Stichting Vakmanstad (gebruikt op verschillende basisscholen, een vmbo en roc’s).68 Er is, vanuit een brede opvatting van vakmanschap, naast inhoudelijke vakken aandacht voor bijvoorbeeld koken, filosofie en sporten als judo. Telkens staat daarbij centraal de relatie tot vakmanschap en de brede mentale, sociale én fysieke ontwikkeling die kinderen daarbij helpt.

Movare: gezonde basisschool van de toekomst

Stichting Movare in Zuid-Limburg is verantwoordelijk voor 47 scholen in Zuid Limburg, waarvan 43 ‘reguliere‘ basisscholen, 3 scholen voor speciaal basisonderwijs en 1 school voor speciaal (voortgezet) onderwijs, met in totaal ruim elfduizend leerlingen. De stichting experimenteert met het integreren van bewegen en sporten in het onderwijs en met langere schooldagarrangementen in het kader van het project De Gezonde Basisschool van de Toekomst.69 Zo werken de basisscholen Langeberg in Brunssum en Harlekijn in Kerkrade met verschillende beweegactiviteiten gedurende de schooldag en de middagpauze. Ook bieden deze scholen in nauwe samenwerking met private en maatschappelijke partners in de wijk een arrangement van naschoolse activiteiten. Ze werken daarnaast met de gemeente aan het aanleggen van veilige schoolroutes, zodat kinderen gemakkelijker met de fiets of te voet naar school kunnen komen.

ROC West-Brabant: MultiMove

MultiMove is een onderwijsconcept van ROC West-Brabant. Het is een verplicht onderdeel van het lesprogramma op vier van de acht mbo-scholen in het eerste en soms ook tweede jaar. Er doen ongeveer 1.600 studenten mee, die 1,5 uur besteden aan sporten en bewegen op school.70 De studenten worden gemeten, gewogen en getest op fitheid en leefstijlgewoontes, met name in verband met het beroep waarvoor ze worden opgeleid. Ook krijgen ze workshops op het gebied van voeding, trainingsleer, een gezonde leefstijl en een goede werkhouding. Vervolgens kunnen de studenten zelf kiezen uit zo’n veertig verschillende activiteiten. De nadruk ligt op deelname en kennismaking. Activiteiten variëren van skiën op een indoorskibaan en golfen op een echte golfbaan tot dansles van een professionele danser. Ieder semester nemen de studenten deel aan een andere activiteitenreeks. Voor alle activiteiten krijgen studenten sportpunten waarmee ze het vak MultiMove afsluiten.

Aan de andere kant van het spectrum zijn er nog te veel scholen waar een visie op sporten en bewegen ontbreekt. Zij houden zich aan wat er wettelijk verplicht is voor het bewegingsonderwijs (en dat is vrijblijvend), maar doen niet de nodige extra’s. Zo biedt ruim een kwart van de basisscholen helemaal geen sportactiviteiten aan tijdens de pauze en heeft slechts 15 procent van de basisscholen beweegmomenten tussen of in de reguliere lessen ingebouwd.71 In het voortgezet onderwijs biedt 70 procent geen sportieve pauzeactiviteiten aan en staan sportkennismakingslessen bij één of de vijf scholen niet op het programma.72 Deze scholen organiseren meestal wel jaarlijks sport(dag)activiteiten. De basisscholen doen ook mee aan de Koningsspelen.

Andere bepalende factoren: vakleerkracht, sportverenigingen, aard van de school, geld

Behalve de aanwezigheid van een achterliggende visie op leren, sport, bewegen en presteren, speelt vooral in het basisonderwijs ook de beschikking over een vakleerkracht een rol. Een deel van de basisscholen geeft aan dat er te weinig aanbod is aan bevoegde leerkrachten om gym te geven. Dit speelt met name bij grote scholen (met meer dan 300 leerlingen en 15 of meer fte), bij scholen van een andere signatuur dan openbaar, rooms-katholiek of protestants-christelijk en bij scholen zonder combinatiefunctionaris of zonder gezondheidsbeleid of vignet gezonde school.73 Scholen met een vakleerkracht bieden meer sport- en bewegingsactiviteiten aan buiten de gymles dan scholen zonder en kunnen leerlingen beter motiveren om met bewegen bezig te zijn.74 Een gewone leerkracht heeft hiervoor vaak te weinig tijd, maar ook te weinig kennis en kunde. Verder is het voor bepaalde activiteiten gericht op sport van belang dat er voldoende sportverenigingen in de buurt zijn om mee samen te werken, en ook dat hiervoor een centraal aanspreekpunt is.75 Verschillen in aanbod ontstaan ook door schoolspecifieke factoren als (groeps)grootte, populatie en didactisch concept. Scholen hebben door de wetgeving rondom passend onderwijs te maken met leerlingen die specifieke ondersteuning nodig hebben om onderwijs te kunnen volgen. Het is denkbaar dat het daardoor complexer is om een passende les op het gebied van bewegen (of sport) te verzorgen, of een andere sport- of bewegingsactiviteit te organiseren.76

Tot slot spelen de verschillen in financiële middelen een rol. Zo hebben basis- en middelbare scholen met meer achterstandsmiddelen77 meer mogelijkheden om zich op het gebied van sport te profileren dan scholen met relatief weinig extra middelen.78 Zij kunnen bijvoorbeeld eenvoudiger een vakleerkracht aanstellen. Tegelijkertijd kunnen deze middelen sportiviteit in de weg zitten als ze juist voor andere doeleinden worden ingezet. In het middelbaar beroepsonderwijs geeft een deel van de instellingen aan door bezuinigingen het lesaanbod op het gebied van bewegen te hebben geschrapt.79 Dit terwijl de overheidsuitgaven per leerling in het middelbaar beroepsonderwijs de afgelopen jaren juist een lichte stijging laat zien.80 Zie over de (beperkte) invulling van sporten en bewegen in het middelbaar beroepsonderwijs ook paragraaf 2.4.

De drie raden benadrukken dat op alle scholen, met behoud van hun eigen situatie en vrijheid om hun eigen onderwijsprogramma in te richten, sporten en bewegen onderdeel moet zijn van het reguliere curriculum. Er zijn genoeg mogelijkheden om tot oplossingen gekomen voor de ervaren belemmeringen om goed vorm te geven aan bewegings-en sportactiviteiten. In de hoofdstukken 4 en 5 doet de raad daartoe enkele concrete voorstellen.

Alleen twee uur gymles per week is niet voldoende

Voor wat betreft het primair en voortgezet onderwijs concluderen de raden dat het huidige aantal afgesproken uren (in de bestuursakkoorden) bewegingsonderwijs onvoldoende is om aan de brede opdracht op het gebied van sporten en bewegen te voldoen. De raden beargumenteren dit als volgt.

Ten eerste: effectieve gymlestijd te beperkt

Effectieve tijd in gymlessen is beperkter dan op papier lijkt. Nu al is de effectieve tijd voor gymlessen vaak te beperkt – en voor de hierboven beschreven brede opdracht helemaal. Aan- en uitkleden en douchen nemen tijd in beslag. Dit speelt nog meer in het speciaal onderwijs en het praktijkonderwijs, waarbij vaak meer tijd op gaat aan reistijd en omkleden dan in het reguliere onderwijs.81 Daarnaast wordt de afstand tussen de school en de gymlocatie door zowel scholen in het primair als in het voortgezet onderwijs genoemd als tijdrovende factor.82 Zo ligt bij drie kwart van de basisscholen de dichtstbijzijnde gymaccommodatie niet op het terrein van de school zelf of in de directe nabijheid daarvan (op minder dan 150 meter).83 Resultaat is dat op ongeveer de helft van de basisscholen er (een stuk) minder84 dan drie kwartier per les wordt bewogen in de gymzaal of in een andere sportaccommodatie, en vaak nog minder omdat eigenlijk de instructietijd hier nog van moet worden afgetrokken. Het kleuteronderwijs vormt hierop een positieve uitzondering. Meestal gebruikt men hiervoor een eigen, inpandige speelzaal en gymmen de kinderen vaak in hun ondergoed.

Ten tweede: bewegingsonderwijs heeft niet altijd prioriteit

Onvoldoende prioriteit voor bewegingsonderwijs zet het aantal uur gym verder onder druk. De meeste schoolleiders vinden bewegingsonderwijs wel van belang. Toch geven ze, vooral in het basisonderwijs, vaak prioriteit aan andere leergebieden.85 In het basisonderwijs halen lang niet alle scholen de afgesproken standaard in het bestuursakkoord met betrekking tot het aantal lesuren per week (90 minuten/2 lesuren).86 In het voortgezet onderwijs zijn de geluiden iets positiever: bijna alle lessen worden door een bevoegde vakleerkracht gegeven en gemiddeld genomen voldoen scholen aan de afgesproken standaarden (2,5 lesuren voor het vmbo, 2,2 lesuren voor de havo en 2 lesuren voor het vwo).87 De klassieke vakkenstructuur in het voortgezet onderwijs helpt hier een handje, met de bijbehorende bevoegde leerkrachten en inroostering in blokken. Wel wijkt het daadwerkelijk gegeven aantal uren bewegingsonderwijs op sommige onderwijsniveaus in het vmbo af van deze afspraken. In de theoretische en gemengde leerweg ligt het gemiddeld aantal gegeven uren onder de standaard.88

Ten derde: onvoldoende gekwalificeerde leraren

De kwaliteit blijft achter door beperkte middelen en door onvoldoende gekwalificeerde leraren. Scholen geven verschillende redenen voor het niet voldoen aan afspraken rondom het bewegingsonderwijs. In het basisonderwijs is een van de argumenten dat er geen (of niet altijd) bevoegde leerkrachten beschikbaar zijn. Dat komt door een gebrek aan middelen en een tekort aan gekwalificeerde (vak)leerkrachten, maar ook doordat andere keuzes worden gemaakt op het gebied van scholing en professionalisering.89 Scholen geven wel aan dat bewegingsonderwijs verzorgd door een vakleerkracht van betere kwaliteit is dan bewegingsonderwijs verzorgd door een groepsleerkracht.90 Overigens maken ze daarbij geen onderscheid tussen groepsleerkrachten met een aparte bevoegdheid om gym te geven en groepsleerkrachten die nog gebruik kunnen maken van enkel hun pabo-diploma.91 Uit een evaluatierapport blijkt wel dat de leerkrachten met een aparte bevoegdheid positief kunnen bijdragen aan de kwaliteit van het bewegingsonderwijs. Ook beschikken ze over goede pedagogische vaardigheden en zou een aantal van deze leerkrachten (al dan niet samen met vakleerkrachten) een soort ‘beweegteam’ kunnen vormen, waardoor het bewegingsonderwijs gemakkelijker in het hele onderwijsprogramma kan worden geïntegreerd.92

Ten vierde: onvoldoende ruimte of accommodatie

Andere redenen om de afgesproken standaarden wat betreft lesuren voor bewegingsonderwijs niet te halen, zijn een te vol lesrooster, onvoldoende financiële middelen en onvoldoende accommodaties.93 Zo geeft bijna de helft van de scholen in het voortgezet onderwijs aan onvoldoende ruimte of accommodatie voor gymlessen te hebben.94

2.4 Wetgeving en beleid geven nauwelijks richting

Dat het mogelijk is voor scholen (met name basisscholen) om sporten en bewegen in hun onderwijs beperkt in te vullen, heeft voor een deel te maken met het karakter van de wettelijk vastgelegde kerndoelen voor het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs.95 De kerndoelen schrijven voor wat leerlingen op het gebied van bewegingsonderwijs moeten leren. Ze gaan alleen over gym. De kerndoelen zijn daarnaast erg breed geformuleerd (en daardoor op verschillende manieren te interpreteren) én er is geen minimaal aantal uren aan gekoppeld. Hetzelfde geldt voor de wettelijke kwalificatie-eisen voor sporten en bewegen in het middelbaar beroepsonderwijs binnen het onderdeel vitaal burgerschap.96

Scholen kunnen dus grotendeels zelf bepalen hoe ze het onderwerp aanpakken en hoeveel tijd ze eraan besteden. Ondanks mooie voorbeelden zijn er nog steeds te veel scholen die zich niet bewust bezighouden met sport en bewegen. De huidige invulling van inspectietoezicht en landelijk en gemeentelijk beleid lost dat niet op. In tegendeel, het toezicht versterkt nu een smalle aanpak door vooral toe te zien op bewegingsvaardigheden in de gymles. En het overheidsbeleid stimuleert bovendien vooral voorlopers. Een andere aanpak is daarom volgens de raden nodig. Daartoe doen de raden in de volgende hoofdstukken aanbevelingen.

Kerndoelen primair en voortgezet onderwijs gaan alleen over gym

De discussie over hoeveel er op school bewogen moet worden, beperkt zich vaak tot het (aantal uren) bewegingsonderwijs. Waar de andere kerndoelen voor de verschillende leergebieden in de onderwijswetgeving ‘vakoverstijgend’ zijn geformuleerd, is voor sporten en bewegen gekozen voor een vakgerichte aanpak. Dit stimuleert scholen niet om beweging ook buiten gym een plek te geven. Deze beperkte reikwijdte is ook terug de vinden in het visiedocument van het ontwikkelteam Bewegen & Sport binnen Curriculum.nu, dat zich bezighoudt met het formuleren van bouwstenen voor een nieuw curriculum. Het ontwikkelteam schrijft dat activiteiten buiten het bewegingsonderwijs (en de keuzevakken in het voortgezet onderwijs) ‘extra’s’ zijn die buiten het kernprogramma van scholen staan.97

Kerndoelen wel breed geformuleerd, maar in de praktijk smal geïnterpreteerd

In de praktijk interpreteren scholen de kerndoelen smal: ze hebben vooral aandacht voor de kwalificerende functie van bewegen (aanleren van noodzakelijke motorische vaardigheden). De kerndoelen zijn uitgewerkt in leer- en ontwikkellijnen binnen vier leergebieden: bewegen verbeteren, bewegen regelen, bewegen beleven en gezond bewegen.98

De kerndoelen sluiten op papier grotendeels aan bij de doeldomeinen kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming. Zo verwijzen ze naar “op praktische wijze (…) oriënteren op veel verschillende bewegingsactiviteiten”, “op een respectvolle manier aan bewegingsactiviteiten deelnemen” en “sportief zijn, rekening houden met de mogelijkheden en voorkeuren van anderen, en respect en zorg hebben voor elkaar”.99 In de praktijk is echter, zo blijkt uit onderzoek, vooral aandacht voor het eerste leergebied bewegen verbeteren, dus voor het aanleren van bewegingsvaardigheden en leren omgaan met anderen.100 Minder aandacht of concrete lestijd krijgen activiteiten waarmee kinderen leren hoe ze beweging moeten ‘regelen’, dus: “bewegingssituaties inrichten, op gang brengen en op gang houden”, “inschatten van eigen mogelijkheden” en “een trainingsprogramma maken dat past bij de eigen mogelijkheden”.101 Dit worden ook wel de reguleringsdoelen van het bewegingsonderwijs genoemd. Ook is er te weinig stimulans voor leerlingen om te bewegen of deel te nemen aan sport, zowel binnen de school als erbuiten (in de vrije tijd). Dit betekent dat leerlingen weinig kansen krijgen het aanbod goed te verkennen.102 Daarvoor is het bijvoorbeeld van belang dat leerlingen leren reflecteren op de eigen sportvraag en mogelijkheden.

Het recente peilingsonderzoek van de inspectie laat zien dat leraren in het basisonderwijs wel steeds meer aandacht besteden aan de reguleringsdoelen, maar dat dit vooral geldt voor vakleerkrachten.103 Hierbij gaat het vooral om het handelen volgens afgesproken regels en het maken van afspraken over de team- en groepsindeling. In deze sector is verder minder aandacht voor leren over ‘fair play’, voor ontdekken welke sport leuk is en voor leren over het belang van bewegen voor de gezondheid.104 Op veel scholen bestaat slechts incidenteel aandacht voor het reflecteren op het eigen handelen en hulpverlening bij bewegingsactiviteiten.105 In het voortgezet onderwijs wordt er minder aandacht besteed aan het leren hoe je jezelf en anderen beter kunt maken in de activiteiten en het leren de activiteiten zelf op gang te brengen en te houden.106 Leraren in het voortgezet onderwijs geven ook aan dat zij in het programma meer ruimte zouden willen om leerlingen ervaring te laten opdoen met andere rollen dan die van beweger, en meer aandacht voor het beleven van bewegen en het reflecteren door en met leerlingen.107

Beoordeling en toezicht in primair en voortgezet onderwijs versterken de beperkte aanpak

Het systeem van waarderen en beoordelen van leerlingprestaties in het bewegingsonderwijs draagt bij aan de beperkte focus die scholen hanteren. Leerlingen worden vooral beoordeeld op basis van meetbare of waarneembare zaken, vaak in combinatie met inzet.108 Vaardigheden in de leerlijn leren bewegen (zoals balanceren, klimmen, zwaaien, doelspelen en bewegen op muziek) zijn nu eenmaal gemakkelijker te meten dan aspecten in de leerlijnen bewegen regelen, gezond bewegen en bewegen beleven. Hetzelfde geldt voor meer expressieve vormen van bewegen, zoals euritmie (expressieve danskunst).109

Ook de inspectie lijkt met haar laatste peilingsonderzoek vooral waarde te hechten aan het leren van bewegingsvaardigheden. De onderzoekers hebben de leerlingen alleen getoetst op technische vaardigheidsonderdelen. Dit terwijl de inspectie breder hoort te kijken (zijn het aanbod en de gebruikte leermiddelen voldoende om aan de kerndoelen te kunnen voldoen?). Er is meer aandacht voor de totale, brede ontwikkeling van kinderen. Hiervoor is het belangrijk dat voldoende bewegen en de integratie van bewegen en cognitie een goede plek krijgen in het onderwijs.

Kwalificatie-eis voor het middelbaar beroepsonderwijs is vrijblijvend

Anders dan in het primair en voortgezet onderwijs heeft sporten en bewegen in het middelbaar beroepsonderwijs geen specifieke plek in lessen bewegingsonderwijs. In de kwalificatie-eis vitaal burgerschap is “de zorg voor de eigen vitaliteit en fitheid” opgenomen. Deze wettelijke eis gaat zowel over sport- en bewegingsactiviteiten als over andere aspecten van het leergebied – waaronder bewust en verantwoordelijk omgaan met eigen lijf en gezondheid. De wet zegt echter niet dat leerlingen daadwerkelijk tijdens de opleiding moeten bewegen, maar spreekt vooral over het opdoen van kennis en inzicht over bewegen als kenmerk van een gezonde leefwijze. De nationale norm gezond bewegen wordt hierbij wel als voorbeeld genoemd. Mbo-instellingen kunnen dus de opvatting hanteren dat leerlingen vooral het belang van bewegen moeten leren, zonder het op school te ervaren.

Door de open formulering van de kwalificatie-eis gaan mbo-scholen er verschillend mee om. Een deel biedt actieve sport- en/of bewegingslessen aan, bijvoorbeeld in de vorm van een keuzeprogramma als Sport op Maat. Hoeveel studenten hieraan meedoen, hoeveel uren zij hieraan besteden en op welke wijze dit gebeurt, varieert per school. Het is dus ook mogelijk om helemaal geen sport- en/of bewegingslessen aan te bieden. Wel heeft een aantal mbo-scholen110 zich tot doel gesteld om vijf procent (circa één klokuur per week) van de onderwijstijd aan beweging te besteden. In de praktijk wordt dit vooral vertaald naar sportlessen voor alleen eerstejaarsstudenten in de beroepsopleidende leerweg. Het monitoronderzoek naar bewegen en sport in het middelbaar beroepsonderwijs laat zien dat het percentage scholen dat deze doelstelling haalt, afneemt.111

Een groeiend aantal mbo-scholen besteedt aandacht aan gezond en veilig werken binnen vitaal burgerschap, bijvoorbeeld in lessen (loopbaan en) burgerschap en in lessen over arbo-regelgeving, over veiligheid en machinegebruik, en over ergonomie. Ook het keuzedeel verdieping blijvend fit, veilig en gezond werken112 is hiervan een voorbeeld. Aspecten van sporten en bewegen in het kader van de beroepsvoorbereiding zijn uiteraard van waarde, maar de raden vinden dat de mbo-scholen hiermee niet (volledig) voldoen aan de brede opdracht van het onderwijs. Bovendien is het de vraag of hiermee leerlingen worden aangemoedigd om te blijven bewegen. Een bredere opvatting van de kwalificatie-eis vitaal burgerschap is daarom wenselijk.

Nationaal stimuleringsbeleid is vooral gericht op voorlopers en incidentele projecten

Bewegen is niet alleen een wettelijke taak voor scholen. De rijksoverheid – en dan met name de ministeries van VWS (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en OCW – voert ook actief stimuleringsbeleid (zie kader). Doel van het beleid is vooral om leerlingen meer te laten bewegen om gezondheidsproblemen zoals overgewicht en een ongezonde leefstijl op de langere termijn te voorkomen. Daarnaast is er beleid ontwikkeld om jeugdigen meer mogelijkheden te bieden voor het ontdekken en ontwikkelen van hun sporttalent.113 Tot slot is er in het beleid aandacht voor samenwerking tussen sport en onderwijs. Zo biedt het project Sport Lokaal Samen ondersteuning om de samenwerking tussen sport en onderwijs binnen een gemeente structureel vorm te geven, te versterken en te ondersteunen.114 De raden zien dit als mooie ondersteuning voor het sport- en bewegingsonderwijs, maar constateren tegelijkertijd dat het vooral om voorlopers en incidentele projecten gaat en geen stimulans vormt voor een structureel aanbod.

Overheidsbeleid om sporten en bewegen op scholen te stimuleren

De afgelopen jaren ondersteunde de rijksoverheid scholen om meer werk te maken van sporten en bewegen. In opdracht van de ministeries van VWS en OCW hebben PO-Raad, VO-raad en MBO Raad een Onderwijsagenda Sport, Bewegen en een Gezonde leefstijl115 opgesteld voor 2012-2016. Doel hiervan was scholen te stimuleren een beleid voor sport, bewegen en ook een gezonde leefstijl te ontwikkelen. Het gezondeschoolprogramma vloeide voort uit deze onderwijsagenda, waarbij scholen een vignet gezonde school en eventueel een themacertificaat bewegen & sport kunnen behalen. Ook kunnen scholen aanspraak maken op bredere subsidies uit leefstijlprogramma’s voor de jeugd.116 Daarnaast is ingezet op het wegnemen van ervaren belemmeringen, zoals ontoereikende sportaccommodaties of een gebrekkige samenwerking tussen partners in de wijk.117 Voorbeelden zijn het stimuleren van de inzet van (voorheen) BOS-projectleiders (Buurt, Onderwijs en Sport), combinatiefunctionarissen en buurtsportcoaches en de (inmiddels vervallen) Stimuleringsregeling multifunctionele sportaccommodaties.118

Tot op heden hebben al deze initiatieven weliswaar geholpen om individuele projecten van de grond te krijgen, maar is er slechts een beperkte stimulans voor scholen om sporten en bewegen ook structureel in te zetten. Scholen blijven de aandacht voor sport en bewegen zien als losse projecten die zij met ondersteuning opzetten. Het is ‘iets extra’s’, geen onderwerp om structureel te verbinden met de eigen visie en inrichting van het onderwijs.119 Zo hebben negen op de tien scholen een buitenschools sportaanbod, maar bij 63 procent daarvan gaat het om een aanbod van één of enkele keren per jaar.120 Ook is niet bekend of deze activiteiten ook echt de leerlingen bereiken voor wie ze bedoeld zijn.121 Uit de evaluatie van de Onderwijsagenda Sport, Bewegen en een Gezonde Leefstijl blijkt dat weinig aandacht is besteed aan de ‘outcome’ van het programma, dus aan een daadwerkelijke gedragsverandering bij leerlingen en leraren.122

Gemeentelijk beleid werkt regionale verschillen tussen scholen verder in de hand

Ook gemeenten hebben een belangrijke rol. Zij zorgen voor de huisvesting van scholen, dus ook voor hun gymlocaties en de financiering van de eerste inrichting.123 Daarnaast zijn gemeenten verantwoordelijk voor het beheer en de exploitatie van sportaccommodaties. Verder kunnen ze zelf bepalen hoe zij hun sport- en bewegingsbeleid vormgeven. Gemeenten zijn dus niet verplicht om invloed uit te oefenen op het beleid van scholen omtrent het bewegingsonderwijs, maar kunnen hierin keuzes maken. Ze kunnen ook kiezen of ze (subsidie)regelingen inzetten die buiten hun wettelijke taken vallen, zoals sportpasregelingen en subsidies voor schoolzwemmen. Voor wat betreft het schoolzwemmen loopt de financiering door gemeenten al jaren terug.124 Binnen de Lokale Educatieve Agenda voeren veel gemeenten regulier overleg met scholen, sportverenigingen en andere betrokkenen (zoals kinderopvanginstellingen)125 over het sport- en bewegingsbeleid. In sommige gebieden vindt ook regionaal overleg plaats binnen de Regionale Educatieve Agenda.126

De autonome positie van gemeenten geeft veel ruimte om in te spelen op verschillende lokale behoeften. Tegelijkertijd leidt dit tot verschillen tussen gemeenten, en daardoor tussen scholen in verschillende regio’s. Soms zet men sterk in op het bevorderen van sport onder de jeugd, eventueel met aanvullende financiering voor het bewegingsonderwijs (zie kader). Er zijn echter ook gemeenten die hier, soms door bezuinigingen, minder aandacht voor hebben. In het algemeen geven grotere gemeenten per inwoner meer uit aan sporten en bewegen dan kleinere. Dit verschil komt vooral door de regiofunctie van grote gemeenten, met bijbehorende accommodaties: atletiekbanen, (grotere) zwembaden, regionale trainingscentra, enzovoort.127 Ook hebben stedelijke gebieden naar verhouding meer plaats ingeruimd voor sportgebied dan landelijke gebieden. In krimpgebieden en plaatsen die minder stedelijk zijn, zijn ook minder faciliteiten aanwezig om aan sporten en bewegen te doen.

Voorbeelden gemeentelijke initiatieven gericht op het bewegingsonderwijs

Meerdere gemeenten investeren in bewegingsonderwijs. Zo zijn er gemeentelijke subsidies om vakleerkrachten te financieren, met name in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag (plus randgemeenten).128 In Groningen zijn alle gemeenten aangesloten bij het Huis voor de Sport Groningen. Deze organisatie, opgericht op initiatief van de provincie, biedt praktische ondersteuning aan sportverenigingen en gemeenten om de breedtesport in de provincie Groningen te bevorderen en te ontwikkelen. Een voorbeeld daarvan is het project Sportieve Gezonde School dat basisscholen stimuleert om een vakleerkracht in te schakelen voor de gymlessen. Gedurende zestien weken krijgen leerlingen beweeglessen door een vakleerkracht en begeleiding van de groepsleerkrachten. Ook krijgen de leerlingen tijdens en na schooltijd extra beweegmomenten aangeboden, zoals pleinspelen, waarbij kinderen allerlei beweegactiviteiten op het schoolplein kunnen doen.129

Landelijke regelingen niet voor iedereen beschikbaar

Tot slot beïnvloeden landelijke regelingen het lokale beleid. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de Brede Impuls Combinatiefuncties, een gezamenlijke regeling van de ministeries van VWS en OCW waarmee gemeenten buurtsportcoaches (of combinatiefunctionarissen)130 kunnen aanstellen en (co)financieren.131 Buurtsportcoaches hebben de taak om in hun buurt meer mensen te laten sporten en bewegen. Zij kunnen naast en met (vak)leerkrachten het voor-, tussen- en naschoolse sport- en bewegingsaanbod verzorgen. Sommige buurtsportcoaches voeren zelf sport- en bewegingsactiviteiten uit en begeleiden groepen daarin. Anderen hebben vooral een coördinerende en verbindende rol. Hoewel de regeling voor de financiering van buurtsportcoaches een succes lijkt te zijn, wisselt de mate waarin een coach wordt ingezet sterk (zie kader). Ook blijken velen van hen, anders dan de bedoeling was,132 niet in dienst te zijn bij een school of sportvereniging. Ze hebben in veel gevallen een dienstbetrekking bij een gemeente of gemeentelijke stichting.133 Tot slot is de regeling niet beschikbaar voor het middelbaar beroepsonderwijs.

Inzet van buurtsportcoaches

Bekend is dat de cofinanciering van de rijksoverheid ertoe heeft bijgedragen dat bijna alle gemeenten inmiddels werken met buurtsportcoaches.134 Op bijna de helft van de basisscholen is zo’n coach actief, al gaat het vaak nog om weinig frequente betrokkenheid.135 In het voortgezet onderwijs was (in 2014) op een derde van de scholen een buurtsportcoach actief, meestal voor enkele keren per jaar (slechts op tien procent wekelijks).136 Op scholen waar een buurtsportcoach actief is, nemen leerlingen vaker binnen én buiten schooltijd deel aan sportactiviteiten.137 Een recente landelijke evaluatie geeft aan dat het behalen van de maatschappelijke doelstellingen een lange adem vraagt.138

3. Aanbeveling 1: leg beweegnorm vast en versterk toezicht

Sporten en bewegen is meer dan alleen gym (in het primair en voortgezet onderwijs) of lessen vitaal burgerschap (in het middelbaar beroepsonderwijs). Dagelijks bewegen hoort onderdeel te zijn van het hele onderwijsprogramma. Deze beweegnorm voor scholen dient door de rijksoverheid opgenomen te worden in de wetgeving, met daarbij behorend inspectietoezicht.

De drie raden beargumenteren in hoofdstuk 2 dat scholen meer aan beweging kunnen doen dan een paar uur bewegingsonderwijs aanbieden. Sporten en bewegen moet onderdeel zijn van het hele onderwijs. De raden zijn van mening dat verheldering van de wettelijke opdracht aan scholen – zonder dat een keurslijf ontstaat – stimulerend kan werken. De drie raden adviseren de overheid daarom de bewegingsdoelen in het primair en het voortgezet onderwijs nader te omschrijven en deze doelen voor het middelbaar beroepsonderwijs vorm te geven in de kwalificatie-eisen. Paragraaf 3.1 werkt deze aanbeveling uit. Bij een heldere omschrijving van de opdracht voor scholen past een aangepast toezichtkader en een borgende rol van de inspectie. Dit komt aan bod in paragraaf 3.2.

3.1 Verscherp de wettelijke opdracht aan scholen

Zoals hoofdstuk 2 liet zien, zijn de huidige kerndoelen voor bewegingsonderwijs in het primair en voortgezet onderwijs te vrijblijvend en geven ze zo veel ruimte dat er verschillen ontstaan tussen scholen. In het middelbaar beroepsonderwijs is bewegingsonderwijs niet verplicht en is de wettelijke basis voor sporten en bewegen zo smal dat veel mbo-scholen om allerlei redenen in het geheel geen sport- en bewegingslessen aanbieden. De drie raden vinden dat er een bewegingsnorm van een uur (tweemaal een half uur) matig intensief bewegen per dag moet komen voor alle leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. Deze norm komt overeen met de beweegrichtlijnen van de Gezondheidsraad. De raden bevelen de overheid aan om, vanuit haar verantwoordelijkheid voor het onderwijsstelsel en voor de onderwijskwaliteit, deze opdracht aan scholen scherper te formuleren. Daarbij moet wel voldoende ruimte zijn voor scholen om het sport en bewegingsaanbod in de ruimste definitie (dus ook inclusief dans) naar eigen inzicht in te richten en aan te passen aan de leerlingenpopulatie en het eigen didactisch en pedagogisch concept.

Expliciteer de opdracht in de wet

De raden adviseren om de opdracht aan scholen voor het primair, voortgezet en speciaal onderwijs te expliciteren door de huidige kerndoelen voor het leergebied uit te breiden met een aparte paragraaf. De meer algemene opdracht voor scholen (iedere dag bewegen op school) kan hierin worden vermeld. Als onderdeel daarvan volgen dan de huidige kerndoelen voor het bewegingsonderwijs. Ook kan deze algemene opdracht samen met het bewegingsonderwijs geïntegreerd worden opgenomen. Een voorbeeld daarvan is de kwalificatie-eis op dit gebied voor het middelbaar beroepsonderwijs.139 Zo’n breed leergebied met als onderdeel een norm voor het bewegings- en sportonderwijs geeft mogelijkheden om te benadrukken dat ook dit onderwijs hoort bij te dragen aan kwalificatie, socialisatie én persoonsvorming. De inspectie ziet in haar stimulerend toezichtskader hier vervolgens op toe (zie paragraaf 3.2).

Het ontwikkelteam Bewegen & Sport van Curriculum.nu werkt momenteel aan bouwstenen voor het leergebied. Zoals eerder vermeld (in paragraaf 2.4) gaan deze bouwstenen alleen over het kernprogramma van het leergebied. Dit omvat volgens het ontwikkelteam alleen reguliere lessen bewegingsonderwijs, de keuzevakken lichamelijke opvoeding 2 (lo2) in de bovenbouw van de gemengde en theoretische leerwegen van het vmbo, bsm (bewegen, sport en maatschappij) in de bovenbouw havo en vwo, en de beroepsgerichte keuzevakken in de basis- en kaderberoepsgerichte leerwegen van het vmbo. De door de raden voorgestane opdracht aan onderwijsinstellingen kan door de overheid als aanvulling op deze bouwstenen worden omgezet in een apart kerndoel of worden geïntegreerd in één breed leergebied.

De kwalificatie-eisen in het middelbaar beroepsonderwijs (opgenomen in de WEB, Wet educatie en beroepsonderwijs) zijn al dusdanig geformuleerd dat sprake is van een algemene opdracht aan scholen op het gebied van sporten en bewegen. Sporten en bewegen valt binnen de doelen van vitaal burgerschap en omvat zowel sport- en bewegingslessen als activiteiten buiten de les. De kwalificatie-eisen zeggen echter niet dat mbo-instellingen sporten en bewegen onderdeel moeten maken van hun hele programma (en dat bewegen iedere dag zou moeten gebeuren), zoals de raden bepleiten. Ook richten de eisen zich vooral op gezondheidsbevordering en het “opdoen van kennis” hierover. De drie raden adviseren om in de kwalificatie-eisen meer nadruk te leggen op het doel van sporten en bewegen in het onderwijs. Dat wil zeggen: vitaal burgerschap is niet alleen kennis over gezondheid, maar omvat ook sporten en bewegen als essentieel onderdeel. Dit stimuleert mbo-studenten om ook later, na afronding van hun opleiding en buiten de onderwijsinstelling, te blijven bewegen.

Geef in de wettelijke opdracht ook een richtsnoer voor kwantitatieve invulling conform norm Gezondheidsraad

De hoeveelheid uren bewegingsonderwijs heeft al enige tijd de aandacht van de overheid. Zo gaf het kabinet-Rutte III in het regeerakkoord Bruggen Slaan aan, te willen streven naar uitbreiding van het aantal uren in het primair onderwijs.140 Al langer werkt het ministerie van OCW samen met de PO-Raad en andere partijen aan afspraken op dit gebied. Om aan de in het bestuursakkoord afgesproken minimaal twee lesuren bewegingsonderwijs (met een streven van drie lesuren) te komen, is een plan van aanpak voor het bewegingsonderwijs opgesteld.141 Nog niet elke basisschool haalt echter deze twee uur, en maar weinig scholen voldoen aan de streefnorm. Zie ook paragraaf 2.3.

De drie raden adviseren kwantitatieve aanwijzingen voor bewegen in de wetgeving op te nemen. Hierbij kan worden aangesloten bij de beweegrichtlijnen van de Gezondheidsraad. Volgens deze beweegrichtlijnen hebben kinderen elke dag minimaal een uur matig intensieve beweging nodig om gezond te blijven.142

Een wettelijke kwantitatieve invulling stimuleert scholen om hun opdracht en de al gemaakte afspraken concreter in te vullen. Het gaat hierbij uitdrukkelijk niet alleen om gymonderwijs en – in geval van het middelbaar beroepsonderwijs – om kennislessen gericht op gezondheid. Het gaat om verschillende vormen van sport en bewegen in het hele onderwijs: tijdens specifieke daartoe ingerichte lessen, maar ook bij andere vakken dan gym, tijdens schooluitjes, enzovoort.

Als deze kwantitatieve norm voor onderwijsinstellingen wordt gekoppeld aan de bewegingsrichtlijn voor kinderen van de Gezondheidsraad (bijvoorbeeld minimaal één uur/ twee keer een half uur per dag), is er meteen aandacht voor de intensiteit van de bewegingsactiviteit: licht, matig of zwaar. Onder licht intensieve activiteiten vallen bijvoorbeeld aankleden, opruimen en een rustig wandelingetje. Bij matig intensieve beweging gaat het om onder andere stevig doorwandelen, lichte krachttraining, dansen en fietsen. Zwaar intensieve activiteiten zijn hardlopen, wielrennen, in een stevig tempo tegen een heuvel oplopen, en teamsporten zoals voetbal, volleybal en hockey. Door aan te geven dat de intensiteit van het bewegen ‘matig intensief’ moet zijn, wordt benadrukt dat niet alle bewegingsactiviteiten op school intensieve (sport)activiteiten hoeven te zijn.

Daarnaast adviseert de Gezondheidsraad dat kinderen minimaal drie keer per week bot- en spierversterkende activiteiten doen. Het is ook belangrijk om ervoor te zorgen dat kinderen niet te veel zitten.143 Tijdens de lessen regelmatig even opstaan om te bewegen kan hierbij helpen.144

Ook kunnen overheid en onderwijsinstellingen inspiratie opdoen bij geldende wettelijke normen in het buitenland, bijvoorbeeld in Schotland en Denemarken (zie kader). De kanttekening hierbij is dat deze landen de bewegingsnormen vooral inzetten om de gezondheid te bevorderen en/of (zoals in Denenmarken) de leerprestaties te verhogen. Uit beide voorbeelden blijkt dat sporten en bewegen beter en breder kan worden ingezet. De voorbeelden uit Schotland en Denemarken onderschrijven ook de opvatting van de raden dat matig intensief bewegen preventief werkt en effect kan hebben op leerprestaties.

Schotland en Denemarken: norm voor bewegen staat centraal

In Schotland is ten minste twee uur bewegingsonderwijs per week in de ‘primary school’ verplicht.145 Het Deense ministerie van Onderwijs onderkent dat bewegen bijdraagt aan betere leerprestaties. Er worden programma’s ontwikkeld voor scholen en sportclubs om kinderen meer aan het bewegen te krijgen. Scholen en sportclubs worden gestimuleerd om nauw samen te werken. Het nieuwe curriculum (ingevoerd in 2014) schrijft voor dat kinderen 45 minuten per dag bewegen op school; niet tijdens een gymles, maar tijdens de lessen Deens, Engels en rekenen.146

Concreet stellen de raden voor om in de kerndoelen en kwalificatie-eisen enkele zinnen op te nemen over het noodzakelijke aantal uren/minuten sporten en bewegen en de hiermee te bereiken doelen.

Eigen visie op invulling van scholen is gewenst

De raden benadrukken dat scholen hun onderwijs moeten kunnen invullen op basis van een eigen visie, aansluitend bij de leerlingenpopulatie en gebruikmakend van het sport- en bewegingsaanbod uit de directe omgeving. Dit past bij de in Nederland wettelijk geregelde vrijheid en autonomie van scholen. Hoe scholen ‘één uur matig intensief per dag’ invullen, kunnen ze zelf bepalen.147

3.2 Borg in het toezicht de aandacht voor sporten en bewegen

De inspectie beoordeelt of het aanbod op school voldoet aan de wettelijke kaders (deugdelijkheidseisen) en waarborgt daarmee de basiskwaliteit van het onderwijs. Daarnaast heeft de inspectie een stimulerende taak: zij moedigt schoolbesturen aan niet tevreden te zijn met alleen basiskwaliteit en eigen aspecten van kwaliteit na te streven. Als in de wet komt te staan dat sporten en bewegen onderdeel is van het hele onderwijsaanbod, vraagt dit een sterkere waarborgende en stimulerende rol van de inspectie.

Versterk toezicht vanuit waarborgende en stimulerende rol

Het inspectietoezicht is sinds 2 augustus 2017 gebaseerd op twee pijlers: stimuleren en waarborgen.148 De inspectie wil stimuleren dat besturen en scholen stelselmatig werken aan de verbetering van het onderwijs. Daarnaast ziet de inspectie erop toe dat alle leerlingen en studenten onderwijs krijgen van voldoende kwaliteit. Deze waarborgende rol van de inspectie richt zich onder meer op de vraag of het leerstofaanbod dekkend is voor de kerndoelen.149 Bij het middelbaar beroepsonderwijs gaat het er daarbij om of het aanbod is afgestemd op de onderwijs- en vormingsdoelen van het kwalificatiedossier (met de kwalificatie-eisen).150 Een nadere omschrijving van de kerndoelen en kwalificatie-eisen inclusief een kwantitatieve urennorm van 1 uur matig intensief bewegen per dag, zoals voorgesteld in paragraaf 3.1., leidt er dus toe dat de inspectie haar waarborgende rol anders zal invullen. Niet alleen het sport- en bewegingsonderwijs (en in het middelbaar beroepsonderwijs: vitaal-burgerschaponderwijs) doet ertoe: ook andere activiteiten van de school in het kader van sporten en bewegen zijn relevant voor het inspectieoordeel.

De inspectie heeft volgens de raden daarbij ook de taak om in de praktijk te kijken of ook zichtbaar is wat door de school als invulling van de opdracht wordt genoemd. Uitgangspunt is wel dat er evenwicht is tussen de vrijheid van scholen enerzijds en de toezichthoudende rol van de inspectie anderzijds. De raden zien het school- of instellingsplan als een geschikte plek om de eigen visie op sporten en bewegen inzichtelijk te maken. Het schoolplan is een verantwoordingsdocument met een wettelijke basis waarin het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dient te worden opgenomen.151 Het schoolplan draagt bij aan de horizontale verantwoording van het schoolbeleid aan ouders, leerlingen en andere belanghebbenden in en rond de onderwijsinstelling.152 De inspectie ziet erop toe dat een schoolplan aanwezig is en dat dit plan voldoet aan de voorwaarden die daaraan in de wet zijn gesteld. Voor het middelbaar beroepsonderwijs geldt geen verplicht schoolplan. Mbo-scholen beschikken doorgaans over diverse (strategische) beleidsplannen, die de inspectie bekijkt in het kader van het toezicht.153 De inspectie denkt verder vanuit haar stimulerende rol ook mee over de kwaliteitsvisie van de school op sporten en bewegen. Komt deze voldoende terug in de (onderwijs)praktijk, wat kan beter en hoe kan de school dit aanpakken?

4. Aanbeveling 2: zet vakleerkrachten, leraarondersteuners bewegingsonderwijs en sport, buurtsportcoaches en topsporters in

Om leerlingen te stimuleren meer te sporten, te dansen en te bewegen en de waarde daarvan mee te geven, zijn leraren nodig die daarvoor zijn toegerust. Maar ook andere experts kunnen voor het onderwijs worden ingezet. Er zijn genoeg mooie voorbeelden uit de praktijk die inspiratie kunnen bieden, ook voor de inhoud van het onderwijs.

De bestaande wettelijke regelgeving bepaalt dat gymuren moeten worden verzorgd door vakleerkrachten of, in het basisonderwijs, door leerkrachten met een speciale bevoegdheid om gym te mogen geven.

De drie raden bevelen scholen aan om, onder supervisie van vakleerkrachten, vaker andere experts een rol te geven in het sport- en bewegingsonderwijs. Daarnaast kunnen inspirerende voorbeelden uit de praktijk als basis dienen voor de inhoud van lesprogramma’s en sport- en beweegactiviteiten op school.De drie raden gaan ervanuit dat een heldere basis in de wet scholen beter stimuleert hun bewegings- en sportaanbod te versterken. Niet overal worden vakleerkrachten ingezet, onder meer door financiële belemmeringen of te weinig aanbod en faciliteiten. Volgens de raden zijn er voldoende creatieve manieren om vakleerkrachten in te zetten en ook om de hulp van anderen buiten de onderwijsinstellingen beter te benutten (paragraaf 4.1). Ook zijn er inmiddels vele goede voorbeelden voor het ontwikkelen en uitwerken van een visie op sporten en bewegen (paragraaf 4.2).

4.1 Zoek naar creatieve oplossingen voor de inzet van personeel

De inzet van vakleerkrachten voor het bewegingsonderwijs werkt positief op de kwaliteit van de les. Ouders, leerlingen en bestuurders herkennen die waarde. Toch lukt het maar één op de vijf basisscholen om voor alle gymlessen vakleerkrachten in te zetten. Er zijn bovendien regionale verschillen.154 Dat komt bijvoorbeeld doordat scholen huiverig zijn voor de personele lasten of doordat het lastig is om een goede vakleerkracht te vinden. Er zijn ook scholen die andere prioriteiten stellen dan het bewegingsonderwijs.155 Toch is het mogelijk om binnen de huidige situatie creatieve oplossingen te bedenken in samenwerking met bestaande netwerken.

Benut netwerkpartners en goede initiatieven

Er is veel te winnen bij het benutten van netwerkpartners. Scholen kunnen gemakkelijker vakleerkrachten inzetten door met elkaar samen te werken of dit met de gemeente op te pakken. De gemeenten Den Haag en Noordwijk hebben bijvoorbeeld een pool van vakleerkrachten die de lessen bewegingsonderwijs op basisscholen verzorgen. In Noordwijk zijn zij tegelijkertijd buurtsportcoach, waardoor verbindingen met anderen buiten de school makkelijk worden gelegd. Ook in Rotterdam is in samenwerking met de gemeente gekozen voor een vakleerkracht nieuwe stijl, die naast het bewegingsonderwijs aandacht besteedt aan het buitenschoolse aanbod. Een andere mogelijkheid is om met verschillende scholen in dezelfde wijk of regio gezamenlijk een vakleerkracht aan te trekken.156 In Groningen speelt het Huis voor de Sport Groningen een rol in het vinden van (private en maatschappelijke) partners die kunnen helpen bij de financiering van vakleerkrachten in de regio.

Geef ook buurtsportcoaches, leraarondersteuners en topsporters een rol

De raden bevelen aan om, onder supervisie van vakleerkrachten, vaker anderen een rol te geven in het bewegingsonderwijs. Dat kan in de gymles, maar ook daarbuiten. Met de aandacht voor vakleerkrachten lijkt inzet van anderen wat buiten beeld te zijn geraakt. Enthousiaste (groeps)leraren in het primair en voortgezet onderwijs kunnen een bijdrage leveren, maar ook kan gedacht worden aan buurtsportcoaches (al dan niet als vakleerkracht), coördinatoren gezonde school, gediplomeerden van een mbo-opleiding sport en bewegen (leraarondersteuners bewegingsonderwijs en sport, lobos'ers) en trainers van sportverenigingen in de wijk. Te denken valt ook aan de meer incidentele inzet van bijvoorbeeld olympiërs of (lokale) topsporters, die daar in het algemeen graag toe bereid zijn. Nog niet één op de vijf basisscholen maakt op dit moment bijvoorbeeld gebruik van een leraarondersteuner bewegingsonderwijs en sport, en nog niet de helft van een buurtsportcoach.157

Deze experts kunnen volgens de raden een waardevolle rol spelen, bijvoorbeeld als zij als coach (al dan niet binnen zogenoemde beweegteams) de vakleerkracht ondersteunen. Zeker vanuit een oogpunt van kostenbesparing en ook vanwege een beperkt aanbod van vakleerkrachten kan deze aanpak winst opleveren. De vakleerkracht houdt meer tijd over om zijn rol als aanjager van sporten en bewegen buiten het gymlokaal uit te bouwen. Of om in samenwerking met buurtsportcoaches en anderen verbindingen in en buiten de wijk te versterken en zo het aanbod op langere termijn te verbeteren.

Mogelijke modellen voor de inzet van coaches en beweegteams

Al in 2009 hebben Van Berkel & Hazelebach158 vijf fictieve manieren beschreven voor een flexibele inzet van menskracht in beweegteams op basisscholen. Naast de inzet van één vakleerkracht laten zij zien hoe bijvoorbeeld een tandem van vakleerkracht en sportondersteuner van waarde kan zijn. Ook beschrijven ze een breed beweegteam opgericht door en voor verschillende scholen. Daarbij besteden zij telkens aandacht aan de aansluiting van dit beweegteam (en de organisatie ervan) op de doelen die een school met het beweegaanbod beoogt.

Op dit moment is het al mogelijk om gebruik te maken van de kennis en kunde van bovengenoemde experts. Er zijn geen wettelijke eisen voor de bevoegdheid van de betrokkenen. Tijdens gymuren ligt dat anders. Die lessen moeten worden uitgevoerd onder toezicht en verantwoordelijkheid van een bevoegde vakleerkracht of, in het basisonderwijs, een groepsleerkracht met aparte bevoegdheid.159 Dit waarborgt de kwaliteit en de veiligheid. Het inzetten van een bevoegde leraar tijdens gym betekent dat de aansprakelijkheid van de school in geval van gymongevallen is gedekt.160 Onderwijsinstellingen die niet-bevoegden inzetten tijdens gymlessen en daarbuiten, moeten goed nadenken over de aansprakelijkheidsrisico’s.

4.2 Benut inspirerende praktijkvoorbeelden

Welke waarde sporten en bewegen op een school heeft, is mede afhankelijk van de leerlingenpopulatie. Op scholen waar de meeste leerlingen van huis uit al veel sporten, ligt die meerwaarde anders dan op scholen waar leerlingen het belang ervan buiten de schooluren weinig ervaren. Ook de praktische situatie van de school speelt een rol. Soms is er een gymzaal om de hoek. Soms is meer creativiteit en inspanning nodig om beweging mogelijk te maken. Verder is de leeftijd van leerlingen relevant: activeren van basisschoolkinderen vraagt wat anders dan activeren van leerlingen op de middelbare school of studenten in het middelbaar beroepsonderwijs.

Er zijn in de praktijk al mooie voorbeelden. En ervaren hindernissen hoeven niet altijd daadwerkelijke belemmeringen te zijn. Bij gebrek aan capaciteit bij de plaatselijke sportvereniging bijvoorbeeld kan de school de samenwerking zoeken met ‘streetsports’- initiatieven in de wijk of met (plaatselijke) topsporters. Bij gebrek aan een goede gymzaal of sportaccommodatie kan er gebruik worden gemaakt van speelpleinen, Krajicek playgrounds en Cruyff courts. Ook digitale instrumenten kunnen helpen om bewegen dagelijks te integreren in het onderwijs.

Maatwerk is nodig en afhankelijk van soort onderwijs en omvang onderwijsinstelling

Sporten en bewegen in het speciaal onderwijs vraagt om een eigen aanpak. Vanwege de specifieke kenmerken van leerlingen is het speciaal onderwijs meer gericht op vakoverstijgende leerdoelen zoals sociale ontwikkeling, zelfstandigheid en meedoen. Op het vlak van motorische ontwikkeling bieden scholen voor speciaal onderwijs mrt (‘motorische remedial teaching’) aan.161 Overigens kan mrt ook van waarde zijn voor kinderen zonder specifieke zorgbehoefte die wel wat extra hulp kunnen gebruiken bij de ontwikkeling van hun motoriek. Een vakleerkracht (al dan niet met een speciale mrt-bevoegdheid), intern begeleiders en remedial teachers kunnen inspelen op de individuele situatie van het kind, zodat alle kinderen dezelfde kansen krijgen op het gebied van sporten en bewegen.

De schaalgrootte van een onderwijsinstelling speelt ook een rol. Scholen die onderdeel uitmaken van grotere schoolbesturen zullen eenvoudiger in staat zijn om (grote) sportdagen en evenementen te organiseren en (vak)leerkrachten uit te wisselen, dan scholen onder een kleiner bestuur. Kleine besturen kunnen wel samenwerkingen aangaan met grotere, bijvoorbeeld op het gebied van personeel en accommodaties.

Geef extra aandacht aan bepaalde groepen die weinig bewegen

Speciale aandacht is nodig voor leerlingen die niet van huis uit in aanraking komen met sporten. Aan de ene kant zijn er gezinnen die op of onder de armoedegrens leven, moeite hebben om in de eerste levensbehoefte te voorzien en geen geld overhouden voor sportverenigingen of fitnessclubs. Aan de andere kant is er een groep gezinnen met bestedingsruimte voor culturele en vrijetijdsactiviteiten, waaronder sport. Wel zorgen onder anderen het Jeugdcultuurfonds en het Jeugdsportfonds ervoor dat kinderen uit armere gezinnen toch naar voetbal of dansles kunnen. Daarnaast lijken opleidingsniveau, etniciteit en geslacht van invloed te zijn op de mate waarin jongeren sporten en bewegen.162 Leerlingen van het praktijkonderwijs en de beroepsgerichte leerwegen van het vmbo nemen minder deel aan verenigingssport dan leerlingen op havo en vwo.163 Onder mbo-studenten blijft de sportdeelname ook achter.164 Ook toont onderzoek aan dat jongens in de basisschoolleeftijd meer bewegen dan meisjes.165 Over het algemeen zijn meisjes minder enthousiast over en gemotiveerd voor bewegingsonderwijs dan jongens.166

Suggesties van de raden voor schoolspecifieke invulling

Voor de schoolspecifieke invulling van sporten en bewegen in het aanbod doen de drie raden de volgende suggesties.

Voor het ontwikkelen van een visie op sport- en bewegen:

  • Denk niet alleen in de strakke kaders van uren gym. Juist ook in en om andere lessen is bewegen van waarde en kan bewegen relatief gemakkelijk worden geïntegreerd.
  • Denk aan de samenhang met andere aspecten van een gezonde leefstijl, zoals voeding en een gezonde schoolomgeving.
  • Denk aan leerlingen die niet van huis uit in aanraking komen met sport en bewegen en om minder fysiek vaardige leerlingen. Voor deze groepen is speciale aandacht nodig om ze het plezier in bewegen mee te geven. Denk ook na over hoe meisjes meer te motiveren tot sporten en bewegen.
  • Denk in meer algemene zin aan de verschillen tussen leerlingen. Het spreekt voor zich dat leerlingen in groep 1 en 2 anders worden gemotiveerd dan scholieren in het voortgezet onderwijs en studenten in het middelbaar beroepsonderwijs. Speel daarop in. Bijvoorbeeld door op de middelbare school verbinding te leggen met nieuwe vormen van streetsports in de wijk, die aansluiten bij de leefwereld van deze jongeren.
  • Experimenteer. Kijk niet alleen naar bestaande leerlijnen, maar ook naar eigen mogelijkheden en probeer activiteiten uit. Deel die ervaringen vervolgens, zodat ze ook andere scholen kunnen inspireren.

Voor de vormgeving van de les:

  • Betrek leerlingen en studenten bij het vormgeven en uitvoeren van het bewegingsaanbod. Dat kan door goed aan te sluiten bij hun leefwereld. Zo kunnen oudere leerlingen een belangrijke rol hebben bij het begeleiden van sport- en spelactiviteiten van jongere leerlingen. De ouderen leren tegelijkertijd coachvaardigheden aan.
  • Gebruik digitale tools binnen en buiten de gymles en (voor het middelbaar beroepsonderwijs) in de sport- en bewegingslessen en daarbuiten. Het kan bijvoorbeeld gaan om cameragebruik om inzicht te vergroten in motorische vaardigheden, video’s om thuis te oefenen en digitale tools die kinderen in staat stellen in de gymzaal te skiën.167
  • Bedenk creatieve oplossingen om capaciteitsproblemen met de huidige voorraad sportaccommodaties aan te pakken: gebruik buitenruimten, het schoolplein, extra gymlessen in de lente en zomer, enzovoort.

Voor de vormgeving van het proces:

  • Stel heldere doelen, borg de implementatie (bijvoorbeeld door eigenaarschap en verantwoordelijkheid neer te leggen bij een beweegteam met enthousiaste leerkrachten, leraarondersteuners, topsporters, de buurtsportcoach en de vakleerkracht), creëer draagvlak en breng de gezette stappen in beeld.

Zet digitalisering in waar mogelijk en nuttig, maar let ook op de risico’s

Ook ict (informatie- en communicatietechnologie) kan een stimulans bieden om te bewegen in het onderwijs. In dit verband wordt vaak verwezen naar het spel Pokémon Go, dat ertoe leidde dat duizenden mensen naar buiten gingen met hun mobiel in de hand op zoek naar virtuele wezens. Ook voor het bewegingsonderwijs zijn veel mogelijkheden in navolging van Pokémon Go (zie kader).

Inspirerend voorbeeld: gymwijzer in de les bewegingsonderwijs

De Sparrenbosschool is een openbare school voor regulier basisonderwijs in Bennebroek, gemeente Bloemendaal. De school heeft ongeveer 160 leerlingen. Op De Sparrenbosschool wordt tijdens de lessen bewegingsonderwijs veel gewerkt met de iPad. De vakleerkracht heeft zelf apps ontwikkeld die hem en collega’s helpen bij de voorbereiding van de lessen en tijdens de lessen. De uitgewerkte lessen in de Gymwijzer bestaan uit vele filmpjes zodat kinderen op ieder gewenst moment een voorbeeld kunnen bekijken. Bovendien kunnen leerlingen met de video-delayfunctie zichzelf terugzien, wat helpt bij het leerproces.168

Bij ict-toepassingen in het algemeen dient wel rekening gehouden te worden met mogelijke keerzijden van het gebruik ervan. Zoals eerder door de Onderwijsraad bepleit blijft direct contact in een fysieke leeromgeving tussen leraar en leerling/student en tussen leerlingen/studenten onderling essentieel.169 Ook zijn er mogelijk nadelige gevolgen van het gebruik van ict-toepassingen voor de fysieke gezondheid. Denk aan spierpijn en hoofdpijn door veel in dezelfde en verkeerde houding zitten achter een beeldscherm.170 Ook bij kinderen worden inmiddels zogenoemde ‘tabletnekken’ gesignaleerd.171 Daarnaast kan ict-gebruik in de school en thuis bijdragen aan langdurig stilzitten.172 Vaker ‘klep dicht’ tijd en meer bewegen voorkomen die negatieve effecten van ict-gebruik.

Overheid zorg voor informatie en voorlichting door ‘lerende platforms’

De overheid kan scholen helpen bij het vormgeven en implementeren van hun visie. Dat kan bijvoorbeeld door het gemakkelijker te maken voor scholen om zich te laten inspireren door bestaande praktijkvoorbeelden. Op dit moment bestaan er al enkele websites waarop deze voorbeelden worden gedeeld, zoals de lessendatabank Vitaal mbo173 en de brochure Sportaanbod voor het onderwijs van NOC*NSF (Nederlands Olympisch Comité, Nederlandse Sport Federatie).174 De raden adviseren de overheid om samen met onderwijsinstellingen en andere partijen (onderzoeksinstellingen, bedrijven, mensen uit de sportwereld) verder in te zetten op het (door)ontwikkelen van zogenoemde lerende platforms over sport, bewegen en onderwijs. Hier kunnen schoolbestuurders, leraren, onderzoekers en professionals uit de sportwereld elkaar ontmoeten en gemakkelijk digitaal kennis, ervaringen en ideeën uitwisselen. Ook buurtsportcoaches kunnen scholen vanuit hun verbindende positie helpen bij het vormgeven van een eigen beweegbeleid. Ten slotte vragen de raden aandacht voor de rol die de overheid kan spelen bij het verder faciliteren van een beweegvriendelijke fysieke omgeving in en om de school. Te denken valt daarbij aan het creëren van fiets- en loopvriendelijke routes van en naar scholen.

5. Aanbeveling 3: bundel kennis, ervaring, middelen en faciliteiten op lokaal niveau

Naast duidelijke kaders en een eigen uitwerking in de praktijk is voor scholen de samenwerking met gemeenten, sportverenigingen en andere partijen (zoals kinderopvangorganisaties) van groot belang. Gemeenten vervullen hierbij de rol van procesregisseur.

De afstemming tussen wat er op school gebeurt en wat gemeenten, sportverenigingen en anderen daarbuiten organiseren, blijft een uitdaging, ook wanneer het gaat om sporten en bewegen.175 Meer samenwerking is nodig en kan de kwaliteit van het onderwijs gericht op sporten en bewegen verhogen en mogelijke belemmeringen oplossen. De samenwerking kan op allerlei manieren vorm krijgen, bijvoorbeeld door bundeling van kennis en ervaring, van middelen (subsidiegelden, materialen) en van faciliteiten (sportaccommodaties).

Het organisatorisch netwerk in en rondom de school kan worden ingezet om de visie op sporten en bewegen beter te benutten. Scholen kunnen gemeenten, sportverenigingen en andere partijen in de wijk actiever inzetten (paragraaf 5.1). De gemeente heeft hierin een aparte, belangrijke regierol (paragraaf 5.2).

5.1 Zet netwerken in om samenwerking vorm te geven

De basisschoolleeftijd is de leeftijd waarop veel kinderen (voor het eerst) gaan sporten (hoewel steeds meer peuters ook aan activiteiten als peutergym en peuterdans doen). Voor een stevig fundament onder een levenslange sportloopbaan kan een brede sportoriëntatie het beste al op deze leeftijd beginnen. Dat vraagt naast kwalitatief goed bewegingsonderwijs een goede verbinding met buitenschools (bij een vereniging) leren sporten en bewegen. Als kinderen naar het voortgezet onderwijs gaan, verliezen ze meestal hun binding met (georganiseerde) sport.176 Het beweegpatroon van mbo-studenten lijkt nog ongunstiger. Mbo’ers bewegen minder dan leeftijdgenoten in het hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs. In vergelijking met leerlingen in het vmbo, havo en vwo zijn ze minder vaak lid van een sportvereniging, sporten ze wekelijks minder en gaan ze minder vaak op de fiets naar school.177 Samenwerking tussen scholen (niet alleen in het basisonderwijs, maar in alle sectoren) en andere partijen op het gebied van sporten en bewegen gebeurt al incidenteel, maar kan volgens de raden een structureel karakter krijgen.

Vorm een netwerk van samenwerkende partijen

Onderwijsinstellingen zijn steeds meer onderdeel van verschillende netwerken.178 Van scholen wordt verwacht dat zij over de eigen muren heen kijken en samenwerken met ouders, bestuur, de wijk, andere scholen en organisaties binnen en buiten het onderwijs, zoals kinderopvangorganisaties. Voor het middelbaar beroepsonderwijs geldt ook de beroepspraktijk als samenwerkingspartner.

De drie raden adviseren de scholen actief de samenwerking op te zoeken voor sport en bewegen, te beginnen in hun bestaande netwerken. Het verdient aanbeveling gebruik te maken van reeds bestaande samenwerkingsverbanden en deze voor de gelegenheid uit te bouwen met de juiste partners. Een dergelijk netwerk van partners (onderwijs, sportorganisaties, lokale overheid, tussen- en naschoolse opvanglocaties), aangestuurd vanuit het onderwijs, kan vraag en aanbod bij elkaar brengen en kennis en ervaring optimaal inzetten en uitwisselen. Ook kan het een bijdrage leveren aan het stimuleren van sporten en bewegen buiten schooltijd, doordat leerlingen kennismaken met verschillende sporten en de mogelijkheden in de wijk.

De samenwerking tussen scholen en sport- en dansverenigingen kan op verschillende manieren worden vormgegeven. Voorbeelden zijn kennismakingslessen, een schoolsportproject, maatschappelijke stages (in het voortgezet onderwijs), de oprichting van een schoolsportcommissie, een schoolsportdag, en een sportpas voor leerlingen (al dan niet met financiering vanuit de gemeenten). Gemeenten kunnen scholen hierbij ondersteunen door buurtsportcoaches aan te stellen en sportaccommodaties beschikbaar te stellen. De samenwerking tussen scholen en gemeenten kan verder bestaan uit het creëren van veilige fietsroutes, de aanleg van groene pleinen om op te bewegen, en efficiënt gebruik van sportaccommodaties (samen met andere gebruikers). Samenwerking met bijvoorbeeld tussen- en naschoolse opvanglocaties kan bestaan uit het (mede) organiseren van sport- en spelactiviteiten en het over en weer gebruikmaken van bepaalde voorzieningen (schoolpleinen, inpandige gymzalen). In samenwerking met de kinderopvang kunnen scholen participeren in een doorgaande ontwikkellijn van kinderopvang naar basisschool.179

Zorg ervoor dat de samenwerking een duurzaam karakter heeft

Succesvol samenwerken vergt een langdurige aanpak met commitment van alle betrokken partijen. Heldere afspraken over wat zij van elkaar kunnen verwachten en wanneer, helpen hierbij. Bij samenwerken komen verschillende doelen, belangen en visies bij elkaar. Een school heeft bijvoorbeeld een ander beeld bij wat zij met sporten en bewegen wil bereiken en welke middelen zij daarvoor in wil zetten, dan een sportvereniging of gemeente. De school kan bijvoorbeeld genoegen nemen met sportactiviteiten waarbij de individuele sporten minder duidelijk tot hun recht komen dan een sportvereniging – met het oog op het aantrekken van nieuwe leden – zou willen. Wanneer een van deze twee partijen een gemeentelijke subsidie krijgt (en de ander dus niet), kan dit samenwerking belemmeren. Dit terwijl het samen benutten van de subsidiegelden wellicht veel meer effect op het bewegingsonderwijs kan hebben en efficiënter is. Een intermediair, bijvoorbeeld een buurtsportcoach, kan helpen beide partijen nader tot elkaar te brengen door de achterliggende motieven boven tafel te krijgen.180 Vakleerkrachten kunnen deze rol ook vervullen (zie aanbeveling 2). Dit vergt wel een bepaalde mate van professionele ruimte en een werkwijze gericht op afstemming en dialoog tussen school en sportvereniging (of andere sportaanbieder).

De winst van samenwerken hangt in de praktijk voor een groot deel af van het betrekken van alle belangrijke betrokkenen.181 Het benoemen van een coördinator of andere ‘trekker’ is dus belangrijk. Ook deze rol kan worden belegd bij een buurtsportcoach of vakleerkracht. Punt van zorg hierbij is dat wanneer deze persoon wegvalt, bijvoorbeeld door bezuinigingen op de school of beëindiging van subsidieregelingen, de activiteiten vaak niet voldoende zijn ingebed om zelfstandig te blijven bestaan. Dit kan worden ondervangen door het monitoren en evalueren van de samenwerking: het neveneffect daarvan kan zijn dat de wijze van samenwerking en de afspraken die daarbij zijn gemaakt beter worden overgedragen (en worden nageleefd).

5.2 Vervul als gemeente een regierol

Gemeenten vervullen volgens de raden een belangrijke regierol om de samenwerking tussen partners op het gebied van sport en bewegen te faciliteren en scholen te stimuleren tot een actief beweegbeleid. De gemeente is de aangewezen samenwerkingspartner voor scholen wanneer het gaat om het versterken van sporten en bewegen in het onderwijs. Elke school zou moeten streven naar goede en structurele contacten met de gemeente. Andersom zouden gemeenten meer moeten overleggen met schoolbesturen en schoolleiders en andere betrokkenen om zo vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen. Dit met het uiteindelijk doel om een leven lang bewegen onder kinderen en jongeren aan te moedigen.

Actieve rol van de gemeenten is nodig

Vanwege het belang van sporten en bewegen dienen gemeenten een actieve rol in te nemen in het samenbrengen van partijen. De gemeente is bij uitstek in staat om partijen aan elkaar te verbinden. Het is daarbij van belang dat gemeenten zich realiseren dat sporten en bewegen raakvlakken heeft met vrijwel al hun beleidsterreinen. De NLsportraad concludeerde eerder al dat vrijwel alle beleidsterreinen binnen de rijksoverheid raakvlakken hebben met sport.182 Eenzelfde argumentatie gaat op voor gemeenten. Een regierol op het gebied van sport, bewegen en onderwijs zal ook voor een gemeente als vliegwiel kunnen fungeren ten aanzien van andere dossiers.

De drie raden roepen gemeenten daarom op om deze regierol te vervullen. Deze regierol is eerder ook door de Onderwijsraad bepleit in zijn advies over de rol van gemeenten in het onderwijs (zie kader).183

Procesregie door de gemeente

Decentraal onderwijsbeleid vraagt (…) om een lokale of regionale speler die verbindingen tussen maatschappelijke partijen bevordert en die overleg faciliteert, bijvoorbeeld door overlegfora te creëren en kennisuitwisseling aan te jagen.184 Juist bij samenwerking tussen partijen uit verschillende domeinen kunnen fricties ontstaan doordat systemen schuren. Goede regievoering is nodig om een gezamenlijke missie op te stellen, problemen te definiëren en taal en werkwijzen onderling af te stemmen. Goede procesregie komt de afhankelijkheid van personen en toevallige overeenstemming te boven door samenwerking te bestendigen en afspraken te verankeren.

(…)

Gemeentebesturen kunnen lokaal of regionaal samenwerking tussen uiteenlopende partijen stimuleren en op gang brengen.185 Zij kunnen scholen en andere partijen ertoe aanzetten om hun blik te verbreden en meer relaties met hun omgeving aan te gaan. Zij kunnen bovendien een waardevolle rol vervullen door als vertegenwoordiger van de regio of de lokale samenleving over en weer verwachtingen en vragen te kanaliseren.186 Gemeentebesturen bevinden zich in een goede positie om het integrale karakter van voorzieningen voor jongeren te bewaken en te bevorderen. Ook verstrekken zij subsidies of opdrachten aan tal van organisaties.

Bron: Onderwijsraad, 2017c.

Rol dient gericht te zijn op het bij elkaar brengen van vraag en aanbod

Bij regie gaat het om coördinatie en afstemming, maar ook om het scheppen van condities voor afstemming en samenwerking, om het verbinden van verschillende spelers, om ervoor te zorgen dat afspraken gemaakt en nagekomen worden en om interventies als samenwerking tussen partners niet goed verloopt. Gemeenten kunnen vraag en aanbod op het gebied van sporten en bewegen samenbrengen en op elkaar afstemmen. Het is belangrijk dat niet elke gemeente opnieuw het wiel gaat uitvinden. Er zijn vele goede voorbeelden en initiatieven die gebruikt kunnen worden op lokaal niveau (zie kader).

Voorbeelden: eigen aanpak door lokale verbindingen

In de gemeente Almere bestaat een mooi voorbeeld van een eigen invulling van het sport- en beweegaanbod, gedifferentieerd naar de vaardigheden en mogelijkheden van kinderen. Dan doen scholen in samenwerking met het gemeentelijke Almere Kenniscentrum Talent en op basis van het ‘Athletic Skills Model’. Uitgaande van de gedachte dat ieder zijn of haar talenten heeft, wordt een passend buitenschools sport- en beweegaanbod opgezet waarvan schoolkinderen gebruik kunnen maken, verspreid over de gemeente. Om dit voor elkaar te krijgen werkt het onderwijs actief samen met gemeente en sportorganisaties, en zijn buurtsportcoaches, vakleerkrachten, verenigingstrainers en anderen actief betrokken bij de organisatie.187

Een ander voorbeeld is Springlab en het platform Springlab Bewegend Leren.188 Dit platform brengt vraag en aanbod op het gebied van bewegend leren bij elkaar en hoopt innovatie te stimuleren. Dit gebeurt door middel van een nauwe samenwerking met het onderwijs, kinderen, ouders en overheden. Bovendien nemen aan dit platform ook aanbieders van bewegend leren en wetenschappers deel.189 Het doel hiervan is om een open platform aan te bieden waar alle geïnteresseerde partijen op een laagdrempelige manier met elkaar in contact kunnen komen. Op deze manier worden zo veel als mogelijk de drempels voor het integreren van bewegend leren binnen het onderwijs weggenomen.

Gemeenten zullen actief de samenwerking met andere partijen moeten opzoeken. Denk aan overleg met de kinderopvang en de peuterspeelzaal of overleg tussen schoolbesturen onderling omwille van doorlopende leerlijnen. Denk ook aan contacten tussen schoolbesturen met sportverenigingen en (zeker voor het middelbaar beroepsonderwijs) het bedrijfsleven. Veelal zal de gemeente contacten onderhouden met het schoolbestuur, maar bij meer uitvoerende of operationele kwesties kan het ook gaan om verbindingen rechtstreeks met de schoolleiding, leraren of andere professionals binnen de school. Bij zulk instrumenteel overleg op schoolniveau, bijvoorbeeld via wijk- of gebiedsteams of via schoolcontactpersonen, is het wel belangrijk dat de gemeente niet aan het schoolbestuur voorbijgaat, maar het bestuur betrekt in strategische beslissingen over de vormgeving van die contacten.190

Bronnen

  1. Bewegingsonderwijs wordt ook wel lichamelijke opvoeding of gymnastiek (kort: gym) genoemd. Het is een vak dat standaard op het programma staat in het basisonderwijs. Op middelbare scholen staat het vak als 'lichamelijke opvoeding', 'lichamelijke oefening', 'bewegingsonderwijs’, 'bewegen en sport', ‘LO’, ‘gym’ of 'sport' op het rooster. De officiële aanduiding in de onderbouw van het voortgezet onderwijs is bewegen en sport.
  2. Zie bijlagen 1 t/m 3 bij Besluit Kerndoelen WEC m.b.t. bewegingsonderwijs.
  3. PO-Raad & Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2014.
  4. Artikel 6d WVO.
  5. Inspectie van het onderwijs, 2014.
  6. Platform Bewegen en Sport mbo, 2014.
  7. Zie voor de kerndoelen voor gym en de kwalificatie-eisen vitaal burgerschap, bijlage 1.
  8. Bijlage behorend bij artikel 1 van het Besluit kerndoelen onderbouw VO, onderdeel D: mens en natuur, kerndoel 34.
  9. Galema & Tol, 2017; NOS, 2018a; 2018b.
  10. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2015.
  11. Zie onder andere Karsten, 2005; Jantje Beton, 2018.
  12. Marcelis, 2017; Trouw, 2017.
  13. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2012; Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2005.
  14. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2005; 2017
  15. Vertrouwen in de toekomst, 2017, p.13. Dat doet het in de vorm van een nationaal preventieakkoord met patiëntenorganisaties, zorgaanbieders, zorgverzekeraars, gemeenten, sportverenigingen en -bonden, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Ook wil het kabinet een sportakkoord sluiten, met in ieder geval sportbonden, sportverenigingen, sporters met een beperking en gemeenten. In maart 2018 heeft de NLsportraad een advies over het sportakkoord uitgebracht. Zie Nlsportraad, 2018.
  16. Zie voor een overzicht Tiessen-Raaphorst (red.), 2015.
  17. Zie websites www.gezondeschool.nl en tools.nisb.nl/vmbo-in-beweging/vmbo-in-beweging.html.
  18. Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
  19. Tweede Kamer, 2016; Memorie van toelichting, 2018.
  20. Tiessen-Raaphorst (red.), 2015, p.192.
  21. Leyden Academy on Vitality and Ageing onderzoekt wat er gebeurt als basisschoolleerlingen op de Lorentzschool in Leiden de keuze hebben om zitten af te wisselen met staan en welk effect dit heeft op hun leerpretstaties en fysieke fitheid gedurende drie jaar in het project Jong Geleerd’. Zie www.leydenacademy.nl/jong-geleerd-experiment-met-zit-sta-tafeltjes-op-leidse-basisschool. De Open Universiteit Heerlen onderzoekt binnen het project PHIT2LEARN de relatie tussen enerzijds beweging, met name het verminderen van zitgedrag, en anderzijds cognitieve prestaties en leerprestaties van mbo-studenten op het ROC Leeuwenborch en het Koning Willem I College. Zie http://phit2learn.nl/.
  22. In de periode 2013 tot en met 2016 zijn in totaal 3.948 aanvragen voor ondersteuning toegekend; zie Lucassen & Van den Toren, 2016. Het programma heeft daarop een vervolg gekregen voor de periode 2017-2020.
  23. Zoals bijvoorbeeld het Stanislas vmbo college in Rijkswijk. Zie De Volkskrant, 2017.
  24. Memorie van toelichting, 2018, p.4 en 8, en Collard, Boutkan, Grimberg, Lucassen & Breedveld, 2014.
  25. In het voortgezet onderwijs worden zogenoemde loot-scholen gefaciliteerd om sporttalenten met een officiële talentstatus (loot-leerlingen) te ondersteunen bij de combinatie topsport en onderwijs. Zie Beleidsregel verstrekking Loot-licentie VO, 2009.
  26. Inspectie van het onderwijs, 2018a.
  27. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2017.
  28. Zie voor verschillende definities o.a. Hoyng, Roques & Van Bottenburg, 2003; Standeven & De Knop (red.), 1999; Australian Sports Commission, 2018; De Knop, Scheerder & Van Reusel, 2006.
  29. Volgens het Europese Hof is denksport (zoals bridge en schaken) geen sport, waardoor denksportorganisaties btw moeten gaan betalen. Zie Europese Hof van Justitie, 2017.
  30. Zie onder andere Steenbergen & Tamboer, 1998, p.69-93.
  31. Raad voor het Openbaar Bestuur, Onderwijsraad en Raad voor de Volksgezondheid & Zorg, 2009.
  32. Zie onder andere Raichlen & Alexander, 2014 en De Jong, 2007.
  33. Bijvoorbeeld artikel 8 WPO, sub 2: “Het onderwijs richt zich in elk geval op de emotionele en verstandelijke ontwikkeling, en op het ontwikkelen van creativiteit, op het verwerven van noodzakelijke kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.”
  34. Onderwijsraad, 2016a.
  35. Bailey, 2006. Uit onderzoek blijkt dat volwassenen die tijdens hun jeugd minder positieve ervaringen hebben gehad met sporten, op latere leeftijd ook minder bewegen; Cardinal, Yan & Cardinal, 2013.
  36. Karsten & Felder, 2016.
  37. Boonstra & Hermens, 2011.
  38. Biesta, 2015.
  39. Biesta, 2018.
  40. Singh, Saliasi, Van den Berg, Uijtdewilligen, De Groot, Jolles, e.a., 2018.
  41. Scherder, 2017.
  42. Singh, Uijtdewilligen, Twisk, Van Mechelen, & Chinapaw, 2012; Van der Niet, Hartman, Smith & Visscher, 2014; Käll, Nilsson & Lindén, 2014; Hartman, De Greeff, Verburgh, Meijer, Van der Fels, Smith, e.a., 2015.
  43. Zie Collard, Boutkan, Grimberg, Lucassen & Breedveld, 2014, p.8-9.
  44. Visscher, Hartman & Elferink-Gemser, 2011.
  45. De Wilde & Scherrewitz, 2013.
  46. https://www.metsprongenvooruit.nl/; https://beweegwijs.nl/; http://www.calozwolle.nl/projecten/jonglerend-leren-rekenen/.
  47. https://www.fitenvaardigopschool.nl/.
  48. http://embeddedfitness.nl/referenties/digigym-maakt-fit-en-slim/
  49. Zie hierover ook Onderwijsraad, 2008.
  50. Visscher, Hartman & Elferink-Gemser, 2011.
  51. Rijksoverheid, 2013.
  52. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2007.
  53. Ministerie van Financiën, 2006.
  54. Dit is ook van belang om aansprakelijkheidsrisico’s bij (gym)ongevallen te beperken. Zie hierover ook Paijmans, 2013.
  55. Fry & Gano-Overway, 2010; Schippers-van Veldhoven, 2016.
  56. Schippers-van Veldhoven, 2016.
  57. Stuij & Wisse, 2011; Stuij, Wisse, Van Mossel, Lucassen & Van der Doel, 2011.
  58. Super, 2016.
  59. Maas, 2012.
  60. Bailey, 2006; Diaz, 2005.
  61. Onderwijsraad, 2010.
  62. Zie ook onder andere Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2009; Tiessen-Raaphorst (red.), 2015.
  63. Inspectie van het onderwijs, 2018a, p.131.
  64. Onderwijsraad, 2017a.
  65. Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017, p.59.
  66. Zie Volksgezondheidenzorg.info, 2018.
  67. Ook wel brede scholen genoemd.
  68. http://www.vakmanstad.nl/.
  69. http://www.vakmanstad.nl/.
  70. Platform Bewegen en Sport mbo, 2018.
  71. Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017, p.42.
  72. Reijgersberg, Lucassen, Beth & Van der Werff, 2014, p.39.
  73. Van Bergen, Straatmeijer, Breedveld & Lammertink, 2017.
  74. Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
  75. Van der Werff, Wisse & Stuij, 2012.
  76. Lucassen, Cevaal, Scholten & Van der Werff, 2016.
  77. Scholen die geld krijgen van de rijksoverheid omdat ze veel leerlingen hebben met laagopgeleide ouders en daarom meer risico lopen op een achterstand in hun ontwikkeling.
  78. Zie bijvoorbeeld Regioplan & Cebeon, 2016. Scholen die veel middelen ontvangen uit de gewichtenregeling en de impulsregeling in het primair onderwijs of de leerplusregeling in het voortgezet onderwijs zetten veel vaker naschoolse programma’s in dan scholen die minder of geen middelen ontvangen. Het gaat hierbij om activiteiten als verlengde schooldag (onderwijstijdverlenging) of bepaalde activiteiten gericht op sport of cultuur.
  79. Roorda & Duijvestijn, 2016, p.29.
  80. Onderwijsraad, 2018, p.46.
  81. Lucassen, Cevaal, Scholten & Van der Werff, 2016.
  82. Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
  83. Van der Poel, Wezenberg-Hoenderkamp & Hoekman (red), 2016.]
  84. Reijgersberg, Van der Werff & Lucassen, 2013. Onderzoek van de inspectie van het onderwijs toont aan dat er grote verschillen zijn. Er zijn scholen met 30 minuten effectieve lestijd en scholen met 95 minuten lestijd per les. Wel heeft ongeveer 50 procent van de scholen in het reguliere onderwijs en 40 procent van de scholen in het speciaal onderwijs ‘maar’ 30-45 minuten effectieve lestijd per les. Inspectie van het onderwijs, 2018b, p.7.
  85. Heijs & Reijgersberg, 2014.
  86. Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
  87. Reijgersberg, Lucassen, Beth & Van der Werff, 2014; Fontein, Vloet, Den Uijl, Prüfer, Adriaens & De Vos (2017), p.17.
  88. Reijgersberg, Lucassen, Beth & Van der Werff, 2014.
  89. Van Bergen, Straatmeijer, Breedveld & Lammertink, 2017.
  90. Reijgersberg, Van der Werff & Lucassen, 2013; Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
  91. In het basisonderwijs mogen alleen de volgende categorieën leraren bewegingsonderwijs geven aan de groepen 3 t/m 8: vakleerkrachten lo (met alo-opleiding), groepsleerkrachten die voor 1 september 2001 aan de pabo zijn begonnen en deze hebben afgemaakt voor 1 september 2005 (groepsleerkrachten met een oude brede bevoegdheid) en groepsleerkrachten die na 1 september 2001 met de pabo zijn gestart met een aanvullende lo-bevoegdheid (groepsleerkrachten met een nieuwe brede bevoegdheid). Regeling aanvullend getuigschrift zintuiglijke en lichamelijke oefening primair onderwijs, 2006.
  92. Lucassen, Reijgersberg & van der Werff, 2012, p.34-35.
  93. Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
  94. Reijgersberg, Lucassen, Beth & Van der Werff, 2014.
  95. Lichamelijke opvoeding in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs wordt afgesloten met een schoolexamen in de vorm van een examendossier waarin staat op welke wijze en met welk resultaat de leerling heeft deelgenomen aan de diverse programmaonderdelen binnen het vak. Het vak wordt afgesloten met een beoordeling voldoende of goed. Zie artikel 35 Examenbesluit voortgezet onderwijs. Sommige scholen bieden hun leerlingen naast lichamelijke opvoeding binnen het curriculum meer mogelijkheden, zoals een keuze-examenprogramma voor lichamelijke opvoeding in de bovenbouw. Voor zowel het algemene vak lichamelijke opvoeding als de keuzevakken zijn eindtermen vastgesteld.
  96. Zie voor de kerndoelen en kwalificatie-eisen, bijlage 1.
  97. Curriculum.nu, 2018, p.4.
  98. Brouwer, Houthoff, Massink, Mooiij, Van Mossel, Swinkels, e.a., 2012; Mooij, Van Berkel, Consten, Danes, Geleijnse, Graft, e.a., 2011. Met ‘gezond bewegen’ wordt bedoeld: veilig en verwantwoord bewegen en het leren over het belang van bewegen voor de gezondheid.
  99. Kerndoel 58 primair onderwijs en kerndoelen 53 en 55 voortgezet onderwijs. Zie bijlage 1.
  100. Bax, 2010; Reijgersberg, Lucassen, Beth & Van der Werff, 2014; Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
  101. Bax, 2010, p.149; Inspectie van het onderwijs, 2018a, p.54.
  102. Brouwer, Ten Brinke, Houthoff, Massink, Mooij, Van Mossel, e.a., 2012.
  103. Inspectie van het onderwijs, 2018a, p.55-56.
  104. Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
  105. Inspectie van het onderwijs, 2018a, p.55.
  106. Brouwer, Houthoff & Van Mossel, 2012; Reijgersberg, Lucassen, Beth & Van der Werff, 2014.
  107. Brouwer, Houthoff & Van Mossel, 2012, p.46.
  108. Borghouts, Van Dokkum & Slingerland, 2014; Krijgsman & Dijkhoff, 2015.
  109. Op vrije scholen is euritmie opgenomen in het algemene onderwijsprogramma. Zie Vereniging van vrijescholen, 2018.
  110. Van de 69 mbo’s hebben 37 scholen zich verbonden aan de doelstelling van het platform. Platform Bewegen en Sport mbo, 2014, p.4.
  111. Roorda & Duijvestijn, 2016.
  112. Dit keuzedeel leert leerlingen fit, veilig en gezond te werken, zodat zij zichzelf en anderen tijdens de toekomstige loopbaan minder kans lopen op een arbeidsongeval en/of fysieke of psychische gezondheidsschade. SLO heeft een stappenplan voor de ontwikkeling van het programma hiervoor ontwikkeld. Zie Brouwer, 2017.
  113. De overheid stelt een budget beschikbaar voor het inrichten van een zogenoemde loot-school (landelijk overleg onderwijs en topsport). Loot-scholen zijn vo-scholen specifiek voor leerlingen die aantoonbaar de potentie hebben om uit te groeien tot topsporter. Op een loot-school kunnen zij opleiding en training goed combineren.
  114. http://www.sportlokaalsamen.nl/.
  115. PO-Raad, VO-raad & MBO Raad, 2012.
  116. Zoals de aanpak Jongeren op Gezond Gewicht (JOGG). Zie https://jongerenopgezondgewicht.nl/.
  117. Reijgersberg, Van der Werff & Lucassen, 2013; Slinger, Stubbe & Van der Werff (red.), 2012.]
  118. www.combinatiefuncties.nl.
  119. Brouwer, Van Berkel, Van Mossel & Swinkels, 2015.
  120. Lucassen, Wisse, Smits, Beth & Van der Werff, 2011.
  121. Stuij, Wisse, Van Mossel, Lucassen & Van der Doel, 2011.
  122. Lucassen & Van den Toren, 2016.
  123. Artikelen 91 WPO, 76b WVO en 89 WEC.
  124. Nederlandse gemeenten geven steeds minder subsidie aan schoolzwemmen. Uit onderzoek van het Mulier Instituut blijkt dat 30 procent van de gemeenten in 2016 schoolzwemmen financieel ondersteunt, in 2012 was dat nog bijna 43 procent. Zie Floor, 2017.
  125. Oberon & Vereniging Nederlandse Gemeenten, 2006.
  126. Zie voor het voortgezet onderwijs Oberon, 2010.
  127. Hoekman & Van der Maat, 2017.
  128. Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
  129. http://www.huisvoordesportgroningen.nl/sport-en-bewegen/sportieve-gezonde-school.
  130. Veel buurtsportcoaches zijn combinatiefunctionaris. Maar niet elke combinatiefunctionaris is een buurtsportcoach. Er zijn bijvoorbeeld ook combinatiefunctionarissen speciaal voor culturele activiteiten. Combinatiefunctionarissen richten zich voornamelijk op de verbinding tussen onderwijs, sport en cultuur, terwijl buurtsportcoaches ook verbinding kunnen maken met alle andere sectoren, zoals de zorg.
  131. Als de aanstelling kan plaatsvinden bij een andere organisatie dan de gemeente zelf, zoals de school, zal de gemeente het geld hiervoor beschikbaar stellen aan de organisatie(s) waar de buurtsportcoach in dienst komt.
  132. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap & Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2007.
  133. Wajer, Van den Heuvel, Salomé & Kirchner, 2017.
  134. Van Lindert, Scholten & Brandesma, 2017.
  135. Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
  136. Pulles, Leijenhorst, Reijgersberg, Hilhorst & Van Lindert, 2014.
  137. Slot-Heijs, Lucassen & Reijgersberg, 2017.
  138. Van Lindert, Scholten & Brandesma, 2017.
  139. Zie bijlage 1.
  140. Bruggen slaan, 2012, p.24.
  141. PO-Raad & Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2015.
  142. Gezondheidsraad, 2017a.
  143. Gezondheidsraad, 2017a, p.29-30. Uit (Amerikaans) onderzoek blijkt dat bij leerlingen die hun de lessen op school gedurende 2 jaar zoveel mogelijk staand doorbrachten, de bmi met 5% was gedaald. 193 kinderen in de leeftijd van 9 en 10 jaar oud deden mee aan dit experiment. Ook in Nederland wordt onderzoek naar de effecten van minder zitten gedaan; Wendel (2016). In het Phit2Learn-project wordt de relatie tussen enerzijds beweging, met name het verminderen van zitgedrag, en anderzijds cognitieve en leerprestaties in het middelbaar beroepsonderwijs onderzocht. Zie http://www.phit2learn.nl/.
  144. Gezondheidsraad, 2017a, p.25-26. Onderzoek laat zien dat langdurig zitten gepaard gaat met grote gezondheidsrisico’s, ongeacht hoeveel de persoon in kwestie sport of beweegt. Zie Gezondheidsraad, 2017b; Biswas, Oh, Faulkner, Bajaj, Silver, Mitchell & Alter, 2015. Vooral Nederlandse jongeren van 12-20 jaar zitten veel. Zie Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2015.
  145. Scottish Government, 2018.
  146. Smedegaard, 2016.
  147. Zie ook het advies van de Raad van State naar aanleiding van een initiatiefwetsvoorstel van de SP over het aantal uren bewegingsonderwijs in het primair onderwijs. Raad van State, 2018.
  148. Inspectie van het onderwijs, 2017c, p.5.
  149. Inspectie van het Onderwijs, 2017b.
  150. Inspectie van het Onderwijs, 2017b.
  151. Artikel 12, lid 1 en 2 van de WPO, artikel 21 van de WEC; artikel 23a WVO. In het middelbaar beroepsonderwijs is een schoolplan niet verplicht.
  152. Zie ook Onderwijsraad, 2016a.
  153. Inspectie van het Onderwijs, 2017d, p.36: “We analyseren het jaarverslag en relevante andere documenten zoals beleidsplan(nen), en documenten die de evaluatie en beoordeling van de kwaliteit betreffen”.
  154. In zeer sterk stedelijke gebieden wordt op 48% van de basisscholen alleen een vakleerkracht ingezet voor bewegingsonderwijs in de groepen 3 t/m 8, tegenover 24% in sterk stedelijke gebieden, 12% in matig stedelijke gebieden, 14% in weinig stedelijkegebieden en 9% in niet-stedelijke gebieden. In niet-stedelijke gebieden verzorgen op driekwart van de scholen alleen groepsleerkrachten het bewegingsonderwijs aan de groepen 3 t/m 8. Zie Reijgersberg, Van der Werff & Lucassen, 2013, p.15.
  155. Heijs & Reijgersberg, 2014; Van Bergen, Straatmeijer, Breedveld & Lammertink, 2017; Reijgersberg, Lucassen, Beth & Van der Werff, 2014.
  156. Van Berkel, Appelman, Mooij & Dam, 2008, p.24 e.v.
  157. Reijgersberg, Van der Werff & Lucassen, 2013, p.15-16.
  158. Van Berkel & Hazelebach, 2009.
  159. Artikel 3, lid 1 sub b en lid 2 WPO en artikel 33 lid 1 sub b WVO.
  160. De bevoegdheid van de leerkracht bij gym is één van de factoren bij aansprakelijkheidskwesties: een onbevoegde leraar die gymles geeft zal sneller leiden tot aansprakelijkheid van de school. De (on)bevoegdheid van de leraar speelt dan ook mee. Zie o.a. Rechtbank Rotterdam, 2003. Supervisie kan, maar heeft hoger risico tot aansprakelijkheid tot gevolg als de bevoegde leraar niet aanwezig is in de les.
  161. Lucassen, Cevaal, Scholten & Van der Werff, 2016.
  162. Stuij, Wisse, Van Mossel, Lucassen & Van der Doel, 2011; Vogels, 2014.
  163. Stuij, Wisse, Van Mossel, Lucassen & Van der Doel, 2011.
  164. Tiessen-Raaphorst, Verbeek, De Haan & Breedveld (red.), 2010, p.120.
  165. Tiessen-Raaphorst, Van den Doel & Vogels, 2014, p.10.
  166. Flintoff & Scraton, 2001; Slingerland & Borghouts, 2014.
  167. Steenaart & Lucassen, 2014.
  168. www.leraar24.nl/wijzer-de-les-bewegingsonderwijs.
  169. Onderwijsraad, 2017b.
  170. Onderwijsraad, 2017b, p.47.
  171. Van Gaalen, 2017.
  172. TNO, 2015.
  173. www.vitaalmbo.nl.
  174. www.nocnsf.nl/sportenonderwijs.
  175. Bakker, Broeks, Van de Gevel, Varwijk, & Wismans, 2018.
  176. Van den Dool, 2017.
  177. Collard & Lucassen, 2010.
  178. Frissen, Van der Steen, Noordegraaf, Hooge & De Jong, 2016.
  179. Bijna de helft van de basisscholen en kinderopvanginstellingen geeft aan samen te werken aan een dergelijke doorgaande ontwikkellijn; Kieft, Van der Grinten & De Geus, 2016.
  180. Van der Werff, Wisse & Stuij, 2012.
  181. Bakker, Broeks, Van de Gevel, Varwijk & Wismans, 2018, p.47.
  182. NLsportraad, 2018.
  183. Raad voor het Openbaar Bestuur, 1999, p.13; Vereniging van Nederlandse Gemeenten, 2006; Koulen, Scheidel & Wolthuis, 2006, p.11-12;; Van der Steen, Peeters & Van Twist, 2010, p.4 en 6-7; Van Oosterhout, 2011, p.1 en 11.
  184. Vereniging van Nederlandse Gemeenten, 2006, p.23; Van Mourik, 2007, p.59 en 66-68; Van Oosterhout, 2011, p.19, 32 en 45.
  185. Onderwijsraad, 2014, p.31; Onderwijsraad, 2016b, p.26-31.
  186. Vereniging van Nederlandse Gemeenten, 2006, p.7-8.
  187. Hoyng & Verhaaf, 2017.
  188. https://springlab.nl/.
  189. Deelnemers zijn: gemeenten Utrecht, Amsterdam, Rotterdam, Houten en Bunnik; deze gemeenten doen mee vanuit 3 portefeuilles: onderwijs, sport en volksgezondheid;kinderopvangcentra en vve-organisaties: Kinderopvang Humanitas, Kion, Partou, Spelenderwijs, IJsterk, Prokino, Kind&Co.wetenschappers van Universiteit Utrecht, Radboud Universiteit en VUmc.Uitgeverij Zwijsen.
  190. Onderwijsraad, 2017c.