Een smalle kijk op onderwijskwaliteit

In deze derde editie van de Stand van educatief Nederland geeft de raad een analyse van het Nederlandse onderwijs. Hoe staat het onderwijs er voor? Is het goed voorbereid op de toekomst? De raad constateert dat het Nederlands onderwijs het in internationale vergelijkingen goed doet. Maar hij signaleert daarnaast een aantal risico's. Om deze risico's te verkleinen formuleert de raad een drietal uitdagingen voor het onderwijsbeleid. Uitverkocht.

Het Nederlandse onderwijs levert met gemiddelde financiële inzet bovengemiddelde prestaties. Toch is het onvoldoende voorbereid op de toekomst. De basiskwaliteit is goed, maar er zijn belemmeringen voor verdere verbetering en vernieuwing.

Drie risico's in het huidige onderwijs

Allereerst is er te weinig visie op wat het onderwijs leerlingen en studenten moet bijbrengen. In de afgelopen periode was de aandacht eenzijdig gericht op meetbare doelen, in het bijzonder op het verhogen van taal- en rekenprestaties. Veel minder beleidsaandacht was er voor het bredere vakkenaanbod, algemene vorming en beroepspraktijkvorming. Ten tweede hebben scholen – door prestatieverhogende maatregelen – onvoldoende ruimte om accenten te leggen in hun onderwijsaanbod of om te vernieuwen. Tot slot staat de eigenwaarde van leerlingen die niet goed presteren op basisvaardigheden, onder druk. Het vroege keuzemoment voor vmbo, havo of vwo accentueerde al cognitieve verschillen tussen jongeren van verschillende sociale achtergronden, doordat afkomst nog steeds een rol speelt bij schoolkeuze. Door de toename van categorale klassen dreigen nu ook de sociale verschillen groter te worden. Om deze risico’s te verkleinen, formuleert de Onderwijsraad drie uitdagingen voor het onderwijsbeleid.

Uitdaging 1: maak brede kwaliteit inzichtelijk

De raad vindt dat beleidsmakers, onderwijsinstellingen, leraren en anderen gezamenlijk indicatoren moeten ontwikkelen voor de opbrengsten van brede vakken (geschiedenis, economie, filosofie, cultuureducatie), maar ook van burgerschapsvorming en aandacht voor vakoverstijgende ‘advanced skills’ (problemen oplossen, samenwerken, communiceren en ict-geletterdheid). Nodig zijn zowel getalsmatige indicatoren als graadmeters voor de gepleegde inspanningen. Instellingen zijn zelf aan zet bij het vormgeven van de eigen identiteit – ook een indicator voor onderwijskwaliteit.

Uitdaging 2: stuur centraal op hoofdlijnen, vraag scholen een grotere professionele inbreng

De overheid moet beter sturen op hoofdlijnen. Ze moet meer regie nemen bij belangrijke bestuurlijke vraagstukken, maar voor de onderwijsinhoud instellingen juist meer ruimte geven. Daarvoor is meer kennis nodig bij bestuurders, schoolleiders en leraren. Werken in het onderwijs is niet eenvoudig. Niettemin – en juist ook daarom – vindt de raad het redelijk om van leraren te vragen dat zij zich verplicht bijscholen en zich inschrijven in een publiekrechtelijk lerarenregister. De raad vindt dat er ook meer eisen gesteld moeten worden aan schoolleiders en schoolbestuurders.

Uitdaging 3: zorg voor meer waardering van niet-cognitieve capaciteiten

De samenleving heeft ook behoefte aan creativiteit, probleemoplossend vermogen, samenwerking, culturele en morele sensitiviteit, zorgzaamheid en vakmanschap. Om de eigenwaarde van álle jongeren te bevorderen en iedereen optimale levenskansen te bieden, is hiervoor meer waardering nodig. De raad pleit voor aantrekkelijk en goed beroepsonderwijs, met voldoende ruimte voor de praktijk, zodat vakmanschap ruim baan krijgt. Er moet meer persoonlijke differentiatie mogelijk zijn in onderwijsprogramma’s. Tot slot doet de raad voorstellen om leerlingen van verschillende achtergronden elkaar in het onderwijs te laten treffen.