Goed onderwijs voor iedereen: daar draagt de Onderwijsraad aan bij. De raad geeft al meer dan honderd jaar onafhankelijk advies over onderwijsbeleid en -wetgeving aan de regering en de Eerste en Tweede Kamer. Gevraagd én uit eigen beweging. De veelgestelde vragen en antwoorden geven meer informatie over taak en werkwijze van de Onderwijsraad.
Er zijn in Nederland diverse strategische adviesraden, die direct zijn verbonden aan verschillende beleidsterreinen van ministeries. De raden voorzien beleidsontwikkelingen en wetsvoorstellen van een gefundeerd inhoudelijk advies. Dat doen zij op verzoek van de minister, van het parlement (Eerste en Tweede Kamer) of uit eigen beweging.
De Onderwijsraad is één van deze bij Kaderwet ingestelde adviesraden. De raad brengt gevraagd en ongevraagd advies uit aan regering en parlement over hoofdlijnen van onderwijsbeleid en –wetgeving. De raad adviseert over alle onderwijssectoren en houdt oog voor de onderlinge samenhang en lange termijn. Waar ontwikkelingen in en rondom het onderwijs elkaar snel opvolgen, is de raad al meer dan 100 jaar een stabiele factor die boven de waan van de dag staat.
Wat de Onderwijsraad anders maakt dan andere adviseurs in het onderwijs, is de wettelijke taak en de onafhankelijke positie in het onderwijsbestel. De raad is onafhankelijk van regering en parlement, maar ook onafhankelijk van het onderwijsveld (zie ook Wat betekent onafhankelijk). De raad brengt los van politieke of professionele belangen perspectieven bij elkaar en adviseert onafhankelijk over beleidsontwikkelingen en wetsvoorstellen. Uniek is ook de combinatie van perspectieven in de adviezen van de raad. De adviezen worden gevoed door een combinatie van wetenschappelijke kennis en inzichten, kennis en ervaring uit de onderwijspraktijk en de praktijk van onderwijswetgeving en -beleid.
Na de beëindiging van de schoolstrijd door de nieuwe Grondwet van 1917, werd het onderwijsbeleid ondergebracht in een nieuw in te stellen ministerie voor Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Kort na de oprichting van het ministerie werd op 23 juni 1919 de Onderwijsraad ingesteld. Het idee was om naast het ministerie een college van deskundigen van verschillende achtergronden te hebben dat mee kon denken over het onderwijsbeleid.
De rol van de Onderwijsraad is in de loop der jaren veranderd. De eerste zestig jaar werd de raad bij vrijwel elk besluit van de minister om advies gevraagd. De raad was na 1920 ook een periode verantwoordelijk voor geschillenbeslechting bij onenigheid tussen scholen en de onderwijsinspectie. Sinds de jaren tachtig is de raad een strategisch adviesorgaan over hoofdlijnen van onderwijsbeleid en - wetgeving.
In de Kaderwet adviescolleges staan de regels over adviesraden als de Onderwijsraad.
De wettelijke taken die specifiek voor de Onderwijsraad gelden, staan in de Wet op de Onderwijsraad:
- De raad heeft tot taak:
- de regering en de beide kamers der Staten-Generaal te adviseren over hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving op het terrein van het onderwijs in Nederland;
- Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap desgevraagd te adviseren over de toepassing van wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen op het terrein van het onderwijs.
- De raad heeft tevens tot taak gemeenteraden en colleges van burgemeester en wethouders in bij de wet genoemde gevallen te adviseren over aangelegenheden die het gemeentelijk onderwijsbeleid betreffen.
- De raad heeft voorts tot taak eilandsraden en bestuurscolleges van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in bij de wet genoemde gevallen te adviseren over aangelegenheden die het onderwijsbeleid van die openbare lichamen betreffen.
Daarnaast behandelt het parlement momenteel een wetswijziging waarmee de Onderwijsraad een adviestaak krijgt voor periodieke herziening van kerndoelen en eindtermen.
De Onderwijsraad is een bij wet ingestelde adviesraad. De raad is geen onderzoeksbureau en maakt zelf geen beleid. Adviezen worden gevoed door een combinatie van wetenschappelijke kennis en inzichten, kennis en ervaring uit de praktijk en de praktijk van onderwijswetgeving en –beleid (zie ook Bronnen). Het is aan de regering om te bepalen hoe adviezen van de Onderwijsraad een plek te geven in wetgeving en beleid. De regering bepaalt vervolgens meestal in samenspraak met het onderwijsveld de precieze uitvoering. De adviezen voeden daarnaast het onderwijsdebat in het parlement.
Wat de Onderwijsraad anders maakt dan andere adviseurs in het onderwijs, is de wettelijke taak en de onafhankelijke positie in het onderwijsbestel. De raad is onafhankelijk van regering en parlement, maar ook onafhankelijk van het onderwijsveld (zie ook Wat betekent onafhankelijk). De raad brengt los van politieke of professionele belangen perspectieven bij elkaar en adviseert onafhankelijk over beleidsontwikkelingen en wetsvoorstellen. Uniek is ook de combinatie van perspectieven in de adviezen van de raad. De adviezen worden gevoed door een combinatie van wetenschappelijke kennis en inzichten, kennis en ervaring uit de onderwijspraktijk en de praktijk van onderwijswetgeving en -beleid (zie ook Bronnen).
De Onderwijsraad is het onafhankelijke adviesorgaan van regering en parlement. Zowel de bewindspersonen van het ministerie van OCW als de Eerste en de Tweede Kamer kunnen de raad om advies vragen. Ook gemeenten kunnen een beroep doen op de Onderwijsraad bij speciale, bij de wet geregelde onderwijshuisvestingskwesties. De raad kan daarnaast uit eigen beweging advies uitbrengen.
Aanbevelingen van de raad richten zich primair op de adviesvragers. Het komt ook voor dat de raad zich in adviezen richt tot schoolbesturen, schoolleiders en leraren, wanneer voorgestelde beleidsoplossingen een specifieke inspanning van hen vergen. De raad adviseert niet over individuele scholen en specifieke zaken als lesmethoden en vakken.
De raad is onafhankelijk van regering en parlement, maar ook onafhankelijk van het onderwijsveld. De raad werkt niet in opdracht van bepaalde partijen of belangenbehartigers. De leden van de Onderwijsraad worden benoemd op persoonlijke titel en vertegenwoordigen geen belangengroepen in de raad. Vanwege de onafhankelijkheid is lidmaatschap van de raad niet verenigbaar met een bestuurlijke rol bij een belangenorganisatie gericht op het onderwijs.
De raad opereert onafhankelijk, maar heeft oor voor uiteenlopende opvattingen van belanghebbenden en oog voor ontwikkelingen in de samenleving en het onderwijs. De raad is in dialoog met betrokkenen in en om het onderwijs, zoals leerlingen en studenten, ouders, leraren en docenten, schoolleiders, bestuurders, bewindspersonen, parlementariërs, profielorganisaties, vakbonden, beroepsorganisaties, sectorraden en kinderopvangorganisaties. Deze gesprekken zijn input voor het werkprogramma van de raad en voor individuele adviezen.
De Onderwijsraad bestaat uit 10 personen, inclusief de voorzitter. In de samenstelling van de raad worden zoveel mogelijk verschillende expertises samengebracht: leden vervullen verschillende rollen in het bestel (leraar, schoolleider, bestuurder), zijn werkzaam in verschillende onderwijssectoren (po, vo, mbo en ho), of zijn gespecialiseerd in verschillende wetenschappelijke disciplines, zoals onderwijsrecht, onderwijswetenschappen, bestuurskunde, economie, pedagogiek en sociologie. Alle raadsleden hebben ervaring met de onderwijspraktijk, als docent, schoolleider en/of vanuit een bestuurlijke rol.
Raadsleden worden geworven via een open wervingsprocedure. Een onafhankelijke benoemingsadviescommissie verzorgt de uiteindelijke voordracht van kandidaten aan de ministerraad. Raadsleden worden door de Kroon benoemd voor een termijn van vier jaar.
De raad wordt inhoudelijk en facilitair ondersteund door een stafbureau van circa 20 medewerkers. Ook de stafleden vertegenwoordigen verschillende perspectieven en expertisegebieden. De JongerenOnderwijsraad, met leerlingen en studenten van diverse leeftijden en schooltypen, voedt de raad met ervaringen en ideeën over het onderwijs en denkt mee over adviezen.
De Onderwijsraad adviseert gevraagd en uit eigen beweging. De meeste advisering vindt plaats op verzoek van de minister en de Tweede Kamer.
Om jaarlijks tot een werkprogramma te komen, overlegt de Onderwijsraad met het ministerie en met de Tweede en de Eerste Kamer over relevante adviesonderwerpen voor het aankomende jaar. Ook gaat de raad in gesprek met vertegenwoordigers van organisaties van leerlingen en studenten, ouders, leraren en docenten, schoolleiders en andere onderwijsprofessionals, profielorganisaties, vakbonden, sectorraden en kinderopvangorganisaties over actuele vraagstukken waaraan advisering door de Onderwijsraad kan bijdragen.
Het werkprogramma wordt tegelijkertijd met de Rijksbegroting op de derde dinsdag in september aan de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal aangeboden. Adviesonderwerpen kunnen ook in de loop van het jaar worden toegevoegd wanneer de actualiteit daarom vraagt.
De adviezen van de Onderwijsraad worden gevoed door een combinatie van wetenschappelijke kennis en inzichten, kennis en ervaring uit de praktijk en de praktijk van onderwijswetgeving en –beleid.
In de adviezen worden wetenschappelijke kennis en inzichten samengebracht uit uiteenlopende wetenschappelijke disciplines, zoals onderwijskunde, economie, sociologie en onderwijsrecht. De raad kan ook opdracht geven aan onderzoekers voor aanvullend onderzoek of om de stand van het wetenschappelijk onderzoek voor de raad op een rij te zetten. Adviezen worden daarnaast gevoed door kennis en ervaring uit de onderwijspraktijk en de praktijk van onderwijswetgeving en -beleid. Afhankelijk van het onderwerp wordt gesproken met bijvoorbeeld leraren, onderwijsbestuurders, leerlingen/studenten of ouders. De JongerenOnderwijsraad, met leerlingen en studenten van diverse leeftijden en schooltypen, voedt de raad met ervaringen en ideeën over het onderwijs en denkt mee over adviezen.
Bij de voorbereiding van adviezen benut de raad ook de kennis en expertise van andere adviesorganen en planbureaus. En de raad brengt omgekeerd op verzoek ook expertise in ten behoeve van adviezen van andere organisaties. Soms wordt gezamenlijk een advies uitgebracht, bijvoorbeeld wanneer een adviesvraag meerdere beleidsterreinen bestrijkt. Als een van de grondleggers van Eunec, het internationaal verband van onderwijsraden, wisselt de raad ook kennis en expertise uit met andere adviescolleges in Europa en daarbuiten.
Een adviestraject van de Onderwijsraad bestaat uit verschillende fasen. Na een brede oriëntatie op een adviesonderwerp verkent de raad mogelijke adviesrichtingen om uiteindelijk te komen tot een advies, met enkele concrete aanbevelingen. De adviezen worden gevoed door een combinatie van wetenschappelijke kennis en inzichten, kennis en ervaring uit de praktijk en de praktijk van onderwijswetgeving en –beleid. In de verschillende fasen van het advies haalt de raad inzichten en perspectieven op via werkbezoeken, werksessies, panelgesprekken in de onderwijspraktijk en met andere deskundigen. Daarnaast doet de Onderwijsraad bij elk adviestraject een open oproep om mee te denken via de website en social media.
Per advies wordt uit de raad een commissie samengesteld die wordt ondersteund door het stafbureau. De commissie bereidt de adviezen voor en legt die meerdere malen gedurende een adviestraject voor aan de voltallige raad. De voltallige raad bespreekt alle adviezen meerdere keren en stelt de adviezen uiteindelijk collectief vast.
Advisering is een normatief proces. Dat betekent dat in elk advies doelen, belangen en waarden tegen elkaar worden afgewogen. Verschillende uitgangspunten en aspecten van het streven naar goed onderwijs voor iedereen zijn van belang en werken op elkaar in, waarbij ze soms ook conflicteren. Denk aan kwaliteit, toegankelijkheid, doelmatigheid, pluriformiteit en keuzevrijheid, sociale samenhang, inclusie en democratie.
In onderwijsbeleid worden voortdurend afwegingen gemaakt, bijvoorbeeld als het gaat om de inrichting van het onderwijsproces en de verdeling van verantwoordelijkheden. De raad houdt in de adviezen zulke afwegingen zorgvuldig tegen het licht. Denk bijvoorbeeld aan het evenwicht tussen standaardisering en maatwerk, tussen professionele ruimte geven en kaders stellen, tussen autonomie van onderwijsinstellingen en centrale sturing vanuit de overheid, tussen collectieve belangen en individuele belangen, en tussen focus op een specifiek doeldomein en aandacht voor de brede, vormende opdracht van onderwijs.
De Onderwijsraad geeft verschillende typen adviezen, die meerdere functies kunnen vervullen. Een advies kan bijvoorbeeld een vraagstuk ontrafelen en ordenen, richting geven, denkkaders aanreiken of een toekomstige ontwikkeling duiden. Maar een advies kan ook concrete aanbevelingen bevatten voor (aanpassingen van) beleid of wetgeving.
De impact van een advies varieert daarmee ook: van het agenderen van onderwerpen of het voeden van het politieke en maatschappelijke debat over een onderwerp, tot het ontwerpen of aanpassen van concreet beleid en wetgeving.
De Onderwijsraad richt zich met de adviezen in eerste instantie tot de adviesvragers: regering en parlement. Maar het komt ook voor dat de raad zich in adviezen richt tot schoolbesturen, schoolleiders en leraren, wanneer voorgestelde beleidsoplossingen een specifieke inspanning van hen vergen. (zie ook Aan wie adviseert de raad)
De minister van OCW is verplicht binnen drie maanden na publicatie een beleidsreactie op een advies naar de Tweede Kamer te sturen. De minister kan de adviezen benutten voor nieuw beleid of om wetsvoorstellen aan te passen. De minister kan in samenspraak met het onderwijsveld de precieze uitvoering bepalen. Daarnaast voeden de adviezen het parlementaire debat.
Ook buiten het politieke debat en het overheidsbeleid worden de adviezen van de Onderwijsraad benut. Ze dragen bij aan het maatschappelijke debat over onderwijs en aan de dialoog binnen onderwijsinstellingen en -sectoren. Onderwijsorganisaties kunnen adviezen benutten binnen hun eigen organisaties.
De Onderwijsraad gaat na publicatie van een advies doorgaans in gesprek met betrokkenen en belanghebbenden over de vraag welke vervolgstappen er nodig en mogelijk zijn en wie daarin wat te doen heeft.
De Onderwijsraad is een strategische adviesraad die adviseert op hoofdlijnen van onderwijsbeleid en -wetgeving. Adviezen zijn doorgaans gericht op de langere termijn. Ze schetsen op hoofdlijnen wat ervoor nodig is om bepaalde (beleids)doelen te bereiken. Dat betekent dat adviezen over het algemeen richtinggevend zijn voor beleid en geen blauwdruk bevatten voor de implementatie en inrichting van onderwijs in de onderwijspraktijk.
In de Kaderwet adviescolleges is onder meer vastgelegd dat een adviesraad eenmaal per vier jaar een evaluatieverslag opstelt. Het onderzoek wordt uitgevoerd door onafhankelijke onderzoekers en aangeboden aan de adviesvragers. Zie deze pagina voor de evaluaties.
Vragen of opmerkingen over de Onderwijsraad kunt u stellen via info@onderwijsraad.nl.